The Holy See
backup
Search
riga
Ioannes Paulus PP. II
Veritatis Splendor
Over enkele fundamentele vraagstukken van de morele leer van de Kerk

1993.08.06




Vereerde medebroeders in het bisschopsambt!

Groet en apostolische zegen!

De schittering van de waarheid straalt door in de werken van de Schepper en op bijzondere wijze in de mens die naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen is (vgl. Gen. 1, 26): de waarheid verlicht het verstand en vormt de vrijheid van de mens, die op deze wijze ertoe gebracht wordt de Heer te herkennen en lief te hebben. Daarom bidt de psalmist: “Heer, laat Uw aangezicht over ons stralen” (Ps. 4, 7).

Inleiding

Jezus Christus, het ware Licht, dat iedere mens verlicht

1. Door het geloof in Jezus Christus, “het ware Licht, dat iedere mens verlicht” (Joh. 1, 9) tot het heil geroepen, worden de mensen “licht door de Heer” en “kinderen van het Licht” (Eph. 5, 8) en heiligen ze zich door de “gehoorzaamheid aan de waarheid” (1 Petr. 1, 22).

Deze gehoorzaamheid is niet altijd gemakkelijk. Als gevolg van de geheimzinnige oerzonde, begaan op aanstichten van Satan, die “een leugenaar en de vader van de leugen is” (Joh. 8, 44), is de mens voortdurend in de verleiding, zijn blik af te wenden van de levende en ware God en te richten op de afgoden (vgl. 1 Thess. 1, 9) terwijl hij “de waarheid van God met de leugen” verwisselt (Rom. 1, 25); daarmee wordt ook zijn vermogen om de waarheid te herkennen, geschaad en zijn wil, om zich aan haar te onderwerpen, verzwakt. En zo gaat hij, terwijl hij zich overgeeft aan het relativisme en het scepticisme (vgl. Joh. 18, 38), op zoek naar een bedrieglijke vrijheid buiten deze waarheid.

Maar geen duisternis van dwaling en zonde is in staat het licht van de Schepper - God in de mens volledig uit te doven. In de diepte van zijn hart bestaat altijd door het heimwee naar de absolute waarheid en het verlangen om in het volle bezit van haar kennis te komen. Daarvan legt het onvermoeibare menselijke zoeken en onderzoeken op ieder gebied welsprekend getuigenis af. Dat bewijst temeer het zoeken naar de zin van het leven. De ontwikkeling van wetenschap en techniek is weliswaar een groots getuigenis van het vermogen van het verstand en de volharding van de mens, maar geeft de mensheid geen vrijstelling van de laatste religieuze vragen, ze spoort hen veeleer ertoe aan, de pijnlijkste en beslissendste gevechten, namelijk die in het hart en in het geweten, te leveren.

2. Iedere mens moet zich de fundamentele vragen stellen: Wat moet ik doen? Hoe is het goede van het kwade te onderscheiden? Het antwoord is, zoals de psalmist getuigt, enkel mogelijk dankzij de schittering van de waarheid, die in het binnenste van de menselijke geest oplicht: “Velen zeggen: wie laat ons het goede zien? Heer, laat Uw aanschijn over ons stralen” (Ps. 4, 7).

God laat zijn aanschijn in zijn volle schoonheid stralen over het aanschijn van Jezus Christus, “evenbeeld van de onzichtbare God” (Kol. 1, 15), “weerschijn van zijn heerlijkheid” (Hebr. 1, 3), “vol van genade en waarheid” (Joh. 1, 14): Hij is “de Weg, de Waarheid en het Leven” (Joh. 14, 6). Daarom wordt het beslissende antwoord op iedere vraag van de mens, in het bijzonder op zijn religieuze en morele vragen, door Jezus Christus gegeven, ja, is Jezus Christus zelf het antwoord, zoals het Vaticanum II in herinnering brengt: “In feite wordt alleen in het geheim van het vleesgeworden Woord het geheim van de mens waarlijk verklaard”. Want Adam, de eerste mens, was de voorafbeelding van de toekomstige, namelijk Christus de Heer. Christus, de nieuwe Adam, verkondigt juist in de openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde de mens volledig aan de mens en ontsluit hem zijn hoogste roeping”1.

Jezus Christus, “het Licht van de volkeren”, doet het aangezicht van zijn Kerk oplichten, die Hij in de hele wereld uitzendt, om aan alle schepselen het evangelie te verkondigen (Vgl. Mc. 12, 15) 2. Zo biedt de Kerk, Volk Gods te midden van de naties, 3 terwijl zij rekening houdt met de nieuwe uitdagingen van de geschiedenis en de inspanningen, die de mensen bij het zoeken naar de zin van het leven leveren, allen het antwoord aan, dat komt uit de waarheid van Jezus Christus en zijn evangelie. In de Kerk leeft altijd het bewustzijn, dat op haar “steeds de plicht (rust), te kijken naar tekenen van de tijd en ze te duiden in het licht van het evangelie. Zo kan zij dan op een steeds aan een generatie aangepaste wijze op de blijvende vragen van de mensen naar de zin van het tegenwoordige en toekomstige leven en naar hun onderlinge verhouding antwoord geven”. 4

3. Bij dit streven zijn de bisschoppen van de Kerk in gemeenschap met de opvolger van Petrus de gelovigen nabij, ze begeleiden en sturen hen met hun leergezag, waarbij ze steeds nieuwe accenten voor liefde en barmhartigheid vinden, om zich niet slechts tot de gelovigen, maar tot alle mensen van goede wil te richten. Vaticanum II blijft een uitmuntend getuigenis voor deze houding van de Kerk, die zich, “ervaren in de kwesties die de mensen betreffen”, 5 in dienst van iedere mens en van de hele mens stelt. 6

De Kerk weet, dat de morele eis iedere mens ten diepste raakt, dat hij allen insluit, ook hen, die Christus en zijn evangelie niet kennen en zelfs niet iets van God weten. Ze weet, dat juist op de weg van het zedelijk leven voor allen de weg naar het heil openstaat, waaraan Vaticanum II met alle helderheid herinnert wanneer het schrijft: “Wie namelijk het evangelie van Christus en zijn Kerk zonder schuld niet kent, maar God vanuit een eerlijk hart zoekt, zijn onder aanroeping van het geweten herkende wil onder de invloed van de genade metterdaad tracht te vervullen, kan het eeuwige heil bereiken”. En het voegt eraan toe: “Evenmin weigert de goddelijke Voorzienigheid de onmisbare hulp ter zaligheid aan hen die zonder schuld nog niet tot de uitdrukkelijke erkenning van God zijn gekomen en zich inspannen om, niet zonder de goddelijke genade, tot een leven in gerechtigheid te geraken. Alles immers wat aan goedheid en waarheid bij hen te vinden is, wordt door de Kerk als een voorbereiding op het evangelie beschouwd en als een gave door Hem verleend, die elke mens verlicht, opdat hij uiteindelijk het leven zou hebben”. 7

Onderwerp van deze encycliek

4. Altijd al, maar vooral in de loop van de beide laatste eeuwen hebben de pausen zowel persoonlijk als samen met het bisschoppencollege een zedenleer ontwikkeld en aangeboden die rekening houdt met de gevarieerde en onderscheiden terreinen van het menselijk leven. In de Naam en met het gezag van Jezus Christus hebben zij vermaand, verkondigd, verklaard: in trouw aan hun zending, in hun strijd voor de mens hebben zij gesterkt, opgericht en getroost; met de garantie van de bijstand van de Geest der Waarheid hebben zij bijgedragen tot een beter begrip van de zedelijke eisen op het gebied van de menselijke seksualiteit, het gezin, het sociale, economische en politieke leven. Hun leer biedt zowel binnen de overlevering van de Kerk als die van de geschiedenis van de mensheid een voortdurende verdieping van de zedelijke kennis. 8

Maar vandaag blijkt het nodig te zijn, over de zedenleer van de Kerk als geheel na te denken, met de duidelijke doelstelling om enkele fundamentele waarheden van de katholieke leer in herinnering te roepen, die in de huidige context het risico lopen, vervalst of ontkend te worden.

Er is namelijk juist binnen de christelijke gemeenschap een situatie ontstaan die met betrekking tot de zedelijke leer van de Kerk de verspreiding van allerlei twijfels en bezwaren van menselijke en psychologische, sociale en culturele, religieuze en ook in eigenlijke zin theologische aard heeft ervaren. Het gaat niet meer om beperkte en incidentele bezwaren, maar om het globaal en systematisch in twijfel trekken van de zedelijke leertraditie op grond van bepaalde antropologische en ethische opvattingen. Deze hebben hun wortels in de meer of minder verborgen invloed van denkrichtingen, die tenslotte de menselijke vrijheid van haar worteling in de voor haar essentiële en haar bepalende betrekking tot de waarheid berooft. Zo wordt de aloude leer over de natuurwet, over de universaliteit en de blijvende geldigheid van zijn geboden afgewezen; delen van de kerkelijke verkondiging van de moraal worden voor eenvoudigweg onaanvaardbaar gehouden; men is van mening, dat het leergezag zich alleen in kwesties van de moraal mag mengen om de “gewetens te vermanen” en “waarden aan te bieden”; ieder kan op grond daarvan dan de beslissingen en besluiten van zijn leven autonoom inspireren.

In het bijzonder moet de discrepantie naar voren gebracht worden tussen het traditionele antwoord van de Kerk en enkele, ook op de priesterseminaries en aan de theologische faculteiten verbreide theologische houdingen tegenover vragen, die voor de Kerk en voor het geloofsleven van de christenen, ja voor het menselijk samenleven in zijn algemeenheid, van de allergrootste betekenis zijn. Hier wordt in het bijzonder gevraagd: Bezitten de geboden van God, die de mens in het hart geschreven zijn en bestanddeel zijn van het verbond van God met hem, werkelijk het vermogen, de dagelijkse beslissingen van de individuele mensen en van de hele maatschappij te doorlichten? Is het mogelijk, God te gehoorzamen en daarmee God en de naaste lief te hebben, zonder deze geboden onder alle omstandigheden te respecteren? Verbreid is ook de twijfel aan de nauwe en onscheidbare samenhang tussen geloof en moraal, alsof het tot de Kerk en haar innerlijke eenheid horen, alleen door het geloof beslist zou worden, terwijl men inzake de moraal een pluralisme van opvattingen en gedragswijzen zou kunnen dulden, afhankelijk van het oordeel van het individuele subjectieve geweten, resp. de verscheidenheid van sociale en culturele randvoorwaarden.

5. In een dergelijke nog altijd actuele context is in mij het besluit gerijpt om een encycliek te schrijven die - zoals ik in de op 1 augustus 1987 bij de 200e geboortedag van de heilige Alfonsus Maria van Liguori gepubliceerde Apostolische Brief Spiritus Domini heb aangekondigd - “omvangrijker en grondiger de problemen die de eigenlijke grondslagen van de moraaltheologie betreffen” 9 behandelen moet, grondslagen, die door enkele richtingen van de tegenwoordige moraaltheologie worden aangevallen.

Ik richt mij tot u, eerwaarde broeders in het bisschopsambt, die met mij de verantwoordelijkheid deelt om de “gezonde leer” (2 Tim. 4, 3) te bewaren, met het doel, enkele aspecten van de leer te preciseren, die beslissend zijn om dat het hoofd te bieden, wat men wel zonder twijfel een echte crisis moet noemen, zo ernstig zijn de moeilijkheden, die daaruit voortkomen voor het morele leven van de gelovigen en voor de gemeenschap in de Kerk alsook voor een rechtvaardig en solidair sociaal leven.

Als deze sinds lang verwachte encycliek pas nu gepubliceerd wordt, dan is dat ook, omdat het gepast leek, de Catechismus van de katholieke Kerk eraan vooraf te laten gaan, die een volledige en systematische presentatie van de christelijke moraalleer bevat. De Catechismus stelt het zedelijk leven van de gelovigen in zijn grondslagen en in zijn veelvoudige inhouden als het leven van de “kinderen Gods” voor. “Zich in het geloof van hun nieuwe waarde bewust, moeten de christenen voortaan zo leven, dat het beantwoordt aan het evangelie van Christus” (Phil. 1, 27). Zij worden daartoe in staat gesteld door de genade van Christus en de gave van zijn Geest, die ze door de sacramenten en het gebed ontvangen”. 10 Terwijl zij verwijst naar de Catechismus “als goedgekeurde en veilige tekst voor het onderricht in de katholieke leer”, 11 zal de encycliek zich ertoe beperken, zich met enkele fundamentele vraagstukken van de zedenleer van de Kerk bezig te houden, en dit in de vorm van een noodzakelijke verheldering van problemen, die onder de ethici en moraaltheologen omstreden zijn. Dat is het specifieke thema van deze encycliek, die de bedoeling heeft om met betrekking tot de behandelde problemen de eisen van een op de Heilige Schrift en de levende apostolische overlevering12 gebaseerde moraalleer uiteen te zetten en tegelijkertijd de vooronderstellingen en gevolgen aan te tonen van de antwoorden die zich tegen deze leer richten.

Hoofdstuk I

“Meester,
wat voor goeds moet ik doen.. ?” (Mt. 19, 16)

Christus en het antwoord op de morele vraag

 “Er kwam een man naar Jezus..” (Mt. 19, 16)

6. Het gesprek van Jezus met de rijke jongeling, dat in het 19de hoofdstuk van het evangelie van de heilige Mattheus weergegeven wordt, kan voor ons een nuttig spoor zijn, om zijn zedenleer op een levendige, indringende wijze nieuw te horen. “Er kwam een man naar Jezus en vroeg: Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te winnen? Hij antwoordde: Wat vraagt je Mij naar het goede? Slechts één is “de Goede”. Wanneer je echter het leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden! Daarop vroeg hij Hem: Welke? Jezus antwoordde: Je zult niet doden, je zult niet echtbreken, je zult niet stelen, je zult geen vals getuigenis afleggen: eer je vader en je moeder! En: Je zult je naaste liefhebben als jezelf. De jongeman antwoordde Hem: Al deze geboden heb ik onderhouden. Wat ontbreekt mij nu nog? Jezus antwoordde: Als je volmaakt wilt zijn, ga dan, verkoop je bezit en geeft het geld aan de armen; zo zul je een blijvende schat in de hemel hebben; kom dan en volg Mij” (Mt. 19, 16-21). 13

7. “Er kwam een man naar Jezus..” In de jongeman, wiens naam het Mattheus-evangelie niet kent, kunnen wij iedere mens herkennen die, bewust of onbewust, tot Christus, de Verlosser van de mens, nadert en hem de morele vraag stelt. Voor de jongeman is het niet in de eerste plaats een vraag naar de regels, die gevolgd moeten worden, als wel veeleer een vraag naar de zingeving van het leven. En inderdaad gaat de mens bij iedere beslissing en iedere handeling dit verlangen aan het hart; het is het stille zoeken en de innerlijke impuls, die de vrijheid in beweging zet. Deze vraag is ten laatste een appel aan het absoluut goede, dat ons aantrekt en ons tot zich roept, het is de weerklank van een roeping door God, oorsprong en doel van het leven van de mens. Precies vanuit dit perspectief heeft Vaticanum II ertoe opgeroepen, de moraaltheologie zo te vervolmaken, dat ze de verhevenheid van de roeping, die de gelovigen in Christus ontvangen hebben, 14 als het enige antwoord aanbiedt, dat het verlangen van het mensenhart volledig vervult.

Opdat de mensen deze “ontmoeting” met Christus kunnen verwerkelijken, heeft God zijn Kerk gewild. Inderdaad, “dit doel alleen zou de Kerk willen dienen: iedere mens moet Christus kunnen vinden, opdat Christus ieder individueel op zijn levensweg kan begeleiden”. 15

 “Meester, wat voor goeds moet ik doen, om het eeuwige leven te bereiken?” (Mt. 19, 16).

8. Uit de grond van het hart komt de vraag, die de rijke jongeling aan Jezus van Nazareth richt, een vraag, die voor het leven van iedere mens essentieel en onontkoombaar is: want zij betreft het zedelijk goede, dat in het eigen handelen volbracht moet worden, en het eeuwige leven. De gesprekspartner van Jezus vermoedt, dat er een samenhang bestaat tussen het zedelijk goede en de volledige vervulling van de eigen bestemming. Hij is een vrome jood, die zogezegd in de schaduw van de wet des Heren is opgegroeid. Wanneer hij Jezus deze vraag stelt, mogen wij aannemen, dat hij dat niet daarom doet, omdat hij het in de wet besloten antwoord niet kent. Waarschijnlijker is, dat de uitstraling van de Persoon van Jezus in hem nieuwe vragen over het zedelijk goede deed opkomen. Hij merkt de behoefte om Hem te ontmoeten die zijn verkondigingswerk met deze, nieuwe aankondiging begonnen is: “De tijd is vervuld, het Rijk Gods is nabij. Bekeert u en gelooft in het evangelie!” (Mc. 1, 15).

De mens van vandaag moet zich opnieuw tot Christus wenden, om van Hem het antwoord te krijgen op de vraag, wat goed en wat slecht is. Hij is de Meester, de Verrezene, die het leven in zich heeft en die in zijn Kerk en in de wereld altijd aanwezig is. Hij ontsluit voor de gelovigen het boek van de Schrift en leert door de volle openbaring van de wil van de Vader de waarheid over het zedelijk handelen. Aan de oorsprong en op het hoogtepunt van het heilsplan, van de Alpha en de Omega der menselijke geschiedenis (vgl. Openb. 1, 8; 21, 6; 22, 13), onthult Christus de toestand van de mens en zijn volle roeping. Daarom moet “de mens die zichzelf ten diepste wil begrijpen - en niet alleen volgens bepaalde overhaaste, onvolledige, dikwijls oppervlakkige en vaak zelfs louter schijnbare maatstaven en betekenissen van zijn leven - moet zich met zijn angst en onzekerheid, met zijn zwakheid en zondigheid, met zijn leven en dood tot Christus wenden. Hij moet als het ware met alles wat hij is in Hem binnengaan; hij moet om zichzelf te vinden, zich de hele werkelijkheid van de menswording en verlossing “eigen maken” en in zich opnemen. Als dat innerlijk proces zich diep in hem voltrekt, brengt de mens vruchten voort niet alleen door God te aanbidden maar tevens in diepe verwondering over zichzelf”. 16

Als wij dus binnendringen in het binnenste van de moraal van het evangelie en haar diepe en onveranderlijke inhoud willen bevatten, moeten we zorgvuldig de zin van de door de rijke jongeling van het evangelie gestelde vraag en meer nog de zin van het antwoord van Jezus onderzoeken, waarbij wij ons door Hem laten leiden. Jezus antwoordt namelijk met pedagogisch invoelingsvermogen en behoedzaamheid, terwijl Hij de jongeman als het ware bij de hand neemt en stap voor stap naar de waarheid voert.

 “Slecht één is “de Goede” (Mt. 19, 17).

9. Jezus zegt: “Wat vraag je Mij naar het goede? Slechts een is “de Goede”. Wanneer je echter het leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden!” (Mt. 19, 17). In de tekst van de evangelisten Marcus en Lucas luidt de vraag aldus: “Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed buiten God, de Ene” (Mc. 10, 18; vgl. Lc. 18, 19).

Voordat Jezus de vraag beantwoordt, wil Hij dat de jongeman helderheid krijgt over het motief van zijn vraag. De “goede Meester” wijst zijn gesprekspartner - en ons allemaal - erop, dat het antwoord op de vraag “Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te winnen? “, slechts gevonden wordt doordat verstand en hart zich wenden tot Hem, die “alleen de Goede” is: “Niemand is goed buiten God, de Ene” (Mc. 10, 18; vgl. Lc. 18, 19). Alleen God kan op de vraag naar het goede antwoorden, omdat Hij het Goede is.

Feitelijk betekent het vragen naar het goede uiteindelijk het zich toewenden naar God, de volheid van het goede. Jezus laat zien, dat de vraag van de jongeman inderdaad een religieuze vraag is en dat het goede, dat de mens aantrekt en tegelijk verplicht, zijn bron heeft in God, ja God zelf is. Hij, die alleen waardig is “met heel het hart, met heel de ziel en met alle gedachten” (Mt. 22, 37) bemind te worden. Jezus herleidt de vraag naar het zedelijk goede tot haar religieuze wortels, tot de erkenning van God, de enig Goede, volheid van het leven, einddoel van het menselijk handelen, volkomen gelukzaligheid.

10. De door de woorden van de Meester onderrichte Kerk gelooft, dat de mens, die naar het beeld van God geschapen, met het Bloed van Christus verlost en door de aanwezigheid van de heilige Geest geheiligd werd tot einddoel van zijn leven heeft: het zijn “tot lof der heerlijkheid” van God (vgl. Eph. 1, 12), doordat hij bewerkt, dat elk van zijn handelingen Diens heerlijkheid weerspiegelt. “Ken dus jezelf, schone ziel: je bent het beeld van God - schrijft de heilige Ambrosius. Ken jezelf, o mens: je bent de afstraling van God (1 Kor. 11, 7). Hoor, op welke wijze je zijn afstraling bent. De profeet zegt: te wonderbaar is voor mij dit weten, te hoog, ik kan het niet begrijpen (Ps. 139, 6), dat betekent: in mijn handelen is uw majesteit het meest wonderbaar, uw wijsheid wordt in het verstand van de mens geprezen. Terwijl ik, die U in de geheimste gedachten en de diepste gevoelens doorziet, mezelf bekijk, herken ik de geheimen van uw kennis. Ken dus jezelf, mens, herken, hoe groot je bent, en waak over jezelf..”. 17

Wat de mens is en wat hij moet doen wordt bekend in het ogenblik van de zelfopenbaring van God. De tien geboden zijn immers gegrondvest op de woorden: “Ik ben Jahwe, uw God, die u uit Egypte heeft geleid, uit het slavenhuis. Ge zult buiten Mij geen andere goden hebben” (Ex. 20, 2-3). In de “Decaloog” van het verbond met Israël en in de hele wet doet God zich kennen als Degene die “alleen goed is”; als Degene die, ondanks de zonde van de mens verder het “model” van het zedelijk handelen blijft, overeenkomstig zijn eigen oproep: “Weest heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig” (Lev. 19, 2); als Degene die, trouw aan zijn liefde voor de mens, hem zijn wet schenkt (vgl. Ex. 19, 9-24; 20, 18-21), om de oorspronkelijke harmonie met de Schepper en met de hele schepping te herstellen, en meer nog, om hem in zijn liefde binnen te leiden: “Ik ga in uw midden; Ik ben uw God, en u bent mijn volk” (Lev. 26, 12).

Het zedelijk leven blijkt het verschuldigde antwoord op de vrije initiatieven, waarin Gods liefde de mens onbeperkt laat delen. Het is volgens de verklaring die het boek Deuteronomium over het fundamentele gebod geeft, een antwoord van de liefde: “Hoor Israël! Jahwe is onze God, Jahwe alleen. Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden die ik u heden voorschrijf, moet ge in uw hart prenten. Ge moet er met uw kinderen telkens opnieuw over spreken” (Dt. 6, 4-7).

Zo is het in de onverdiende liefde van God ingebedde zedelijke leven ertoe geroepen, Gods heerlijkheid te weerspiegelen: “Voor hem die God liefheeft is het voldoende hem te bevallen die hij liefheeft; hij hoeft naar geen andere, grotere vergoeding voor deze liefde te zoeken; want de liefde stamt zo van God, dat God zelf liefde is”. 18

11. De vaststelling, dat “slechts Een goed is”, verwijst ons dus naar de “eerste tafel” van de geboden, die oproept, God als de enige Heer en de Absolute te erkennen en op grond van zijn ondoorgrondelijke heerlijkheid alleen Hem te vereren (vgl. Ex. 20, 2-11). Het goede bestaat erin, aan God te behoren, Hem te gehoorzamen, deemoedig met Hem onze weg te gaan, gerechtigheid te beoefenen en de goedheid te beminnen (vgl. Mich. 6, 8). De Heer als God te erkennen is de fundamentele kern, het hartstuk van de wet, waaruit de afzonderlijke geboden zijn afgeleid en waaraan ze zijn onderworpen. Door de moraal van de geboden wordt het toebehoren van het volk Israël aan de Heer duidelijk, want God alleen is Degene die goed is. Dat is het getuigenis van de heilige Schrift, die op elke van haar bladzijden doordrongen is van de waarneming van de absolute heiligheid van God: “Heilig, heilig, heilig is de Heer der heerscharen” (Jes. 6, 3).

Maar wanneer alleen God het Goede is, lukt het geen menselijke inspanning, ook niet de strengste onderhouding van de geboden, om de wet “te vervullen”, dat wil zeggen de Heer als God te erkennen en Hem de Hem alleen toekomende verering te bewijzen (vgl. Mt. 4, 10). De “vervulling” kan alleen voortkomen uit een geschenk van God: het is het aanbod van een deelname aan het goddelijke goedzijn, dat zich in Jezus openbaart en meedeelt, in Hem die de rijke jongeling met de woorden “goede Meester” aanspreekt (vgl. Mc. 10, 17; Lc. 18, 18). Wat de jongeman nu misschien alleen nog maar vermoedt, zal tenslotte door Jezus zelf volledig onthuld worden in zijn oproep: “Kom en volg Mij” (Mt. 19, 21).

 “Wanneer je echter het leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden” (Mt. 19, 17).

12. Alleen God kan op de vraag naar het goede antwoorden, omdat Hij het Goede is. Maar God heeft reeds op deze vraag geantwoord: Hij heeft dat gedaan, doordat Hij de mens geschapen heeft en hem met wijsheid en liefde door de hem in het hart geschreven wet (vgl. Rom. 2, 15), de “natuurlijke wet” afgestemd heeft op zijn doel. Deze natuurlijke wet is “niets anders dan het ons door God ingegeven licht van het verstand, waardoor wij weten, wat we moeten doen en wat vermijden. Dit licht en deze wet heeft God ons bij de schepping geschonken”. 19 Hij heeft het toen in de geschiedenis van Israël in het bijzonder met de “tien woorden” gedaan, dat wil zeggen met de geboden van de Sinaï, waardoor God het bestaan van het verbondsvolk heeft bevestigd (vgl. Ex. 24) en het ertoe geroepen heeft om “onder alle volken zijn bijzondere eigendom”, “een heilig volk” te zijn (vgl. Ex. 19, 5-6), dat zijn heiligheid onder alle volken mag laten stralen (vgl. Wijsh. 18, 4; Ez. 20, 41). Het geschenk van de tien geboden is belofte en teken van het Nieuwe Verbond, wanneer de wet weer en voorgoed in het hart van de mensen gegrift zal worden (vgl. Jer. 31, 31-34) en in plaats komt van de wet van de zonde, die dit hart had misvormd (vgl. Jer. 17, 1). Dan wordt hem “een nieuw hart” geschonken, want in hem zal “een nieuwe geest”, de Geest van God, wonen (vgl. Ez. 36, 24-28). 20

Na de betekenisvolle precisering: “Slechts een is “de Goede” antwoordt Jezus daarom de jongeman: “Wanneer je echter het leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden” (Mt. 19, 17). Daarmee ontstaat een nauwe samenhang tussen het eeuwige leven en het onderhouden van Gods geboden: Gods geboden wijzen de mensen de weg van het leven en leiden hen naar Hem. Uit de mond van Jezus, de nieuwe Mozes, worden aan de mensen de geboden van de Decaloog opnieuw geschonken; Hijzelf bevestigt ze definitief en stelt ze ons als weg en voorwaarde van het heil voor. Aan het gebod is een belofte verbonden: in het Oude Verbond was het voorwerp van de belofte het bezit van een land, waarin het volk een bestaan in vrijheid en gerechtigheid zou moeten kunnen hebben (vgl. Dt. 6, 20-25); in het Nieuwe Verbond is voorwerp van de belofte het “Hemelrijk”, zoals Jezus aan het begin van de Bergrede - de rede die de rijkste en de volledigste presentatie van de Nieuwe Wet bevat (vgl. Mt. 5-7) - in duidelijke overeenstemming met de aan Mozes door God op de Sinaï gegeven Tien Geboden, zegt. Op dezelfde werkelijkheid van het Hemelrijk heeft de uitdrukking “eeuwig leven” betrekking, dat deelname aan het leven van God zelf is: het vindt zijn volmaakte verwerkelijking pas na de dood, maar is in het geloof nu al licht der waarheid, bron van zin voor het leven, beginnende deelneming aan een volheid in de navolging van Christus. Jezus zegt namelijk na de ontmoeting met de rijke jongeling tot de leerlingen: “En ieder die omwille van mijn Naam huizen of broeders, zusters, vaders, moeders, kinderen of akkers verlaten heeft zal daarvoor het honderdvoudige ontvangen en het eeuwige leven winnen” (Mt. 19, 29).

13. Het antwoord van Jezus is voor de jonge man niet voldoende, en hij vraagt de Meester verder over de geboden die onderhouden moeten worden; “Daarna vroeg hij Hem: Welke?” (Mt. 19, 18). Hij vraagt wat hij in het leven zou moeten doen om de erkenning van de heiligheid van God te verkondigen. Nadat Jezus de blik van de jongeman op God heeft gebracht, herinnert Hij hem aan de geboden van de Decaloog, die betrekking hebben op de naaste; “Jezus antwoordde: Je zult niet doden, je zult niet echtscheiden, je zult niet stelen, je zult niet vals getuigen, eer je vader en je moeder! En: Je zult je naaste liefhebben als jezelf” (Mt. 18-19).

Uit de samenhang van het gesprek, en vooral uit de vergelijking van de tekst bij Mattheus met de parallelplaatsen bij Marcus en Lucas blijkt dat Jezus niet de bedoeling heeft, alle geboden, die nodig zijn om “het leven te bereiken”, één voor één op te sommen; maar dat het er Hem veeleer om gaat, de jonge man te wijzen op de “centrale plaats” van de tien geboden voor alle andere geboden om aan te geven wat voor de mens “Ik ben de Heer uw God” betekent. Het kan dus niet aan onze aandacht ontsnappen, aan welke geboden van de wet de Heer de jongeman herinnert: het zijn enkele geboden, die tot de zogenaamde “tweede tafel” van de Decaloog horen, waarvan de samenvatting (vgl. Rom. 13, 8-10) en het fundament het gebod van de naastenliefde is: “Bemin uw naaste als uzelf” (Mt. 19, 19; vgl. Mc. 12, 31). In dit gebod komt heel duidelijk de unieke waarde van de menselijke persoon tot uitdrukking, die “het enige schepsel is, dat God omwille van zichzelf gewild heeft”. 21 De verschillende geboden van de Decaloog weerspiegelen inderdaad slechts dat ene dat de menselijke persoon betreft, op de zelfde wijze als waarop de veelvoudige bona de identiteit van de menselijke persoon als geestelijk en lichamelijk wezen in zijn betrekking met God, met de naaste en met de wereld van de dingen aanduiden. Zoals wij in de Catechismus van de katholieke Kerk lezen “zijn de tien geboden deel van de openbaring van God. Tegelijkertijd leren zij ons de ware natuur van de mens. Zij brengen zijn wezenlijke plichten naar voren en daarmee, indirect, ook de grondrechten die eigen zijn aan de natuur van de menselijke persoon”. 22

De geboden waaraan Jezus zijn jonge gesprekspartner herinnert zijn ervoor bestemd het welzijn van de persoon, evenbeeld van God, door de bescherming van zijn bona te garanderen. “Je zult niet doden, je zult niet echtbreken, je zult niet stelen, je zult niet vals getuigen”, zijn zedelijke regels die als verboden zijn geformuleerd. De negatieve voorschriften drukken bijzonder krachtig de absolute eis uit om het menselijk leven, de gemeenschap van personen in het huwelijk, het privé-eigendom, de waarachtigheid en de goede naam te beschermen.

De geboden bieden dus de grondvoorwaarden voor de naastenliefde; tegelijkertijd dienen ze als controle daarvoor. Zij vormen de eerste noodzakelijke etappe op de weg naar de vrijheid, haar begin: “De eerste vrijheid - schrijft de heilige Augustinus -bestaat in het vrij zijn van schuldige daden: dat zouden bv. moord zijn, echtbreuk, ontucht, diefstal, bedrog, Godslastering enz. Wanneer iemand begint niets met deze wandaden van doen te hebben (en geen christen mag iets daarmee van doen hebben), begint hij het hoofd op te heffen naar de vrijheid, maar dat is pas het begin van de vrijheid, niet de volkomen vrijheid..”. 23

14. Dat betekent natuurlijk niet, dat Jezus voorrang zou willen geven aan de naastenliefde of haar zelfs van de liefde tot God scheiden. Het tegendeel is het geval, zoals zijn gesprek met de wetgeleerden bewijst: als deze Hem een bijna gelijke vraag als de rijke jongeling stelt, ziet hij zich door Jezus verwezen naar de beide geboden van de liefde tot God en de naastenliefde (vgl. Lc. 10, 25-27) en ertoe opgeroepen te beseffen, dat alleen het gehoorzamen aan deze geboden kan leiden tot het eeuwige leven: “Handel daarnaar en ge zult leven” (Lc. 10, 28). Tekenend is in elk geval dat juist het tweede van deze geboden de nieuwsgierigheid en de vraag van de wetgeleerde wekt: “En wie is mijn naaste?” (Lc. 10, 29). De Meester antwoord met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, de sleutelgelijkenis voor het volle verstaan van het gebod van de naastenliefde (vgl. Lc. 10, 30-37).

De beide geboden waaraan “de hele wet hangt en de profeten” (Mt. 22, 40), zijn ten diepste met elkaar verbonden en doordringen elkaar. Van hun onlosmakelijke eenheid wordt door Jezus met zijn woorden en met zijn leven getuigd: Zijn zending bereikt haar hoogtepunt aan het kruis, dat de verlossing brengt (vgl. Joh. 3, 14-15), teken van zijn ondeelbare liefde tot de Vader en tot de mensheid (vgl. Joh. 13, 1).

Zowel het Oude als het Nieuwe Testament brengen heel duidelijk tot uitdrukking, dat zonder de naastenliefde die concreet wordt in het onderhouden van de geboden, de echte Godsliefde niet mogelijk is. Met buitengewone kracht van woorden schrijft de H. Johannes: “Als iemand zegt: Ik bemin God!, maar zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Wie immers zijn broeder niet bemint, die hij ziet, kan God niet beminnen, die hij niet ziet” (1 Joh. 4, 20). De evangelist stemt in met de morele verkondiging van Christus die in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (vgl. Lc. 10, 30-37) en in de “redevoering” over het Laatste Oordeel op bewonderenswaardige en niet mis te verstane wijze haar uitdrukking vindt (vgl. Mt. 25, 31-46).

15. In de bergrede die de Magna Charta is van de moraal van het evangelie, 24 zegt Jezus: “Denk niet dat ik gekomen ben om de wet en de profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om af te schaffen maar om tot vervulling te brengen” (Mt. 5, 17). Christus is de sleutelfiguur van de Heilige Schrift: “Jullie onderzoeken de Schriften: juist zij leggen getuigenis over Mij af” (vgl. Joh. 5, 39); Hij is het middelpunt van het heilsplan, de samenvatting van het Oude en het Nieuwe Testament, van de belofte van de wet en van hun vervulling in het evangelie; Hij is de levende en eeuwige verbinding tussen het Oude en het Nieuwe Verbond. In zijn commentaar op de vaststelling van Paulus “Christus is het einde van de wet” (Rom. 10, 4), schrijft de H. Ambrosius: “Einde niet als wegvallen, maar als volheid van de wet: deze vervult zich in Christus (plenitudo legis in Christo est) vanaf het moment waarop Hij gekomen is, niet om de wet op te heffen maar om haar ten einde te voeren, haar te vervullen. Juist zoals er een Oude Testament is, maar alle waarheid in het Nieuwe Testament is, zo gaat het ook met de wet: die wet die door Mozes is gegeven is zinnebeeld van de wet. Die wet is waarlijk een afschrift van de waarheid”. 25

Jezus brengt de geboden van God, in het bijzonder het gebod van de naastenliefde tot hun vervulling doordat Hij hun eisen verinnerlijkt en er grotere radicaliteit aan verleent: de liefde tot de naaste komt uit een hart dat bemint en dat juist daarom, omdat het liefheeft, bereid is aan de hoogste eisen te voldoen. Jezus laat zien, dat de geboden niet als een niet te overschrijden minimumgrens verstaan mogen worden, maar veeleer als een pad, dat openligt voor een zedelijke en geestelijke weg van volmaaktheid waarvan de ziel de liefde is (vgl. Kol. 3, 14). Zo wordt het gebod “Gij zult niet doden” tot een oproep tot zorgzame liefde, die het leven van de naaste beschermt en bevordert; het gebod dat de echtbreuk verbiedt wordt tot een uitdaging tot een reine blik die in staat is de bruidsbetekenis van het lichaam te respecteren: “Ge hebt gehoord dat er tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; wie echter iemand doodt is schuldig voor het gerecht. Maar Ik zeg u: ieder die alleen maar boos is op zijn broeder, is schuldig voor het gerecht.. U hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. Ik echter zeg u: wie alleen maar begerig naar een vrouw kijkt, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd” (Mt. 5, 21-22. 27-28). Jezus zelf is de levende “vervulling” van de wet, omdat Hij de betekenis van de wet met het totale wegschenken van zichzelf in praktijk brengt: Hijzelf wordt in zijn Geest tot levende en persoonlijke wet die tot navolging uitnodigt, die de genade schenkt, om zijn leven en zijn liefde te delen, en die de kracht biedt, om in beslissingen en daden van Hem getuigenis af te leggen (vgl. Joh. 13, 34-35).

 “Wanneer u volmaakt wilt zijn” (Mt. 19, 21)

16. Het antwoord over de geboden bevredigt de jongeman niet, die Jezus vraagt: “Al deze geboden heb ik in acht genomen. Wat ontbreekt mij nu nog?” (Mt. 19, 20). Het is niet gemakkelijk om met een goed geweten te zeggen: “Al deze geboden heb ik opgevolgd”, wanneer het gewicht van de in Gods wet opgesloten eisen juist en nauwkeurig gewogen wordt. En, ofschoon het hem mogelijk is, zulk een antwoord te geven, en ofschoon hij van jongsaf het zedelijke ideaal met ernst en edelmoedigheid heeft nagestreefd, weet de rijke jongeling, dat hij nog ver van het doel verwijderd is oog in oog met Jezus wordt hij gewaar, dat hem nog iets ontbreekt. Op het besef van dit tekort gaat Jezus in zijn laatste antwoord in: Terwijl de goede Meester het verlangen naar een volheid, die boven de legalistische uitleg van de geboden uitstijgt, oppakt, nodigt Hij de jongeman uit de weg der volmaaktheid in te slaan: “Wanneer je volmaakt wilt zijn, ga dan, verkoop je bezit en geef het geld aan de armen; zo zul je een blijvende schat in de hemel hebben; kom dan en volg Mij” (Mt. 19, 21).

Zoals reeds de voorgaande passage uit het antwoord van Jezus, zo moet ook deze passage in de samenhang van de hele zedelijke boodschap van het evangelie en vooral in de samenhang van de Bergrede, de zaligsprekingen (Vgl. Mt. 5, 3-12) begrepen en geïnterpreteerd worden, waarvan de eerste immers de zaligspreking van de armen is, van hen “die arm zijn van geest”, zoals de H. Mattheus preciseert (Mt. 5, 3), dat wil zeggen de deemoedigen. In deze zin kan men zeggen, dat ook de zaligsprekingen horen in het antwoord dat Jezus op de vraag van de jongeman geeft: “Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te winnen? “. Iedere zaligspreking belooft immers na een telkens bijzondere visie juist dit “goede” dat de mens opent voor het eeuwige leven, ja, dat het eeuwige leven zelf is.

De zaligsprekingen hebben eigenlijk geen concrete gedragsnormen tot voorwerp, maar spreken van innerlijke houdingen en existentiële, fundamentele strevingen en vallen daarom niet precies samen met de geboden. Anderzijds bestaat er geen scheiding of discrepantie tussen de zaligsprekingen en de geboden: beide hebben betrekking op het goede, op het eeuwige leven. De Bergrede begint met de verkondiging van de zaligsprekingen, bevat echter ook een relatie tot de geboden (vgl. Mt. 5, 20-48). Tegelijk toont de Bergrede de opening en oriëntering van de geboden op de perspectieven van de volmaaktheid, die tot de zaligsprekingen hoort. Dit zijn allereerst beloften, waaruit indirect ook normatieve aanwijzingen voor het zedelijk leven voortvloeien. In hun oorspronkelijke diepte zijn ze zo iets als een zelfportret van Christus en juist daarom uitnodigingen tot zijn navolging en tot levensgemeenschap met Hem. 26

17. We weten niet, in hoeverre de jongeman van het evangelie de diepe en veeleisende inhoud van het antwoord begrepen heeft, dat hem door Jezus gegeven werd: “Als je het leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden!”; het is niettemin zeker, dat de ijver, die de jongeman tegenover de zedelijke eisen van de geboden laat kennen, de onontbeerlijke bodem is, waarop het verlangen naar volmaaktheid kan kiemen en rijpen, dus naar de verwerkelijking van hun betekenis in de navolging van Christus.

Het gesprek van Jezus met de jongeman helpt ons de voorwaarden voor de zedelijke groei van de tot volmaaktheid geroepen mens te begrijpen: de jongeman, die alle geboden heeft opgevolgd, blijkt niet in staat om op eigen kracht de volgende stap te zetten. Om dat te doen is een rijpe menselijke vrijheid nodig: “Als je wilt”, en het goddelijke geschenk van de genade: “Kom en volg Mij”.

De volmaaktheid vraagt die rijpheid in de zelfgave, waartoe de vrijheid van de mens geroepen is. Jezus wijst de jongeman op de geboden als de eerste, onopgeefbare voorwaarde, om het eeuwige leven te bereiken; het opgeven van alles wat de jongeman bezit en de navolging van de Heer nemen daarentegen het karakter aan van een aanbod: “Wanneer je.. wilt”. Het woord van Jezus onthult de bijzondere dynamiek van de groei der vrijheid tot rijpheid en verklaart bovendien de fundamentele betrekking van de vrijheid tot de goddelijke wet. De vrijheid van de mens en de wet van God zijn niet in tegenspraak met elkaar, doch integendeel, ze verwijzen naar elkaar. De leerling van Christus weet, dat zijn roeping een roeping tot vrijheid is. “Jullie zijn tot vrijheid geroepen, broeders” (Gal. 5, 13), verkondigt de apostel Paulus met vreugde en trots. Maar tegelijk preciseert hij: “Alleen: neem de vrijheid niet als uitvlucht voor het vlees, maar dient elkaar in liefde!” (ibid). De stevigheid waarmee de apostel zich teweerstelt tegen degene die zijn rechtvaardiging toevertrouwt aan de wet, heeft niets gemeen met de “bevrijding” van de mens van de geboden, die integendeel in dienst staan van de in de praktijk beoefende liefde: “Wie immers de anderen liefheeft, heeft de wet vervuld. Want de geboden: Gij zult niet echtbreken, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren! en alle andere geboden zijn in deze zin samengevat: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf” (Rom. 13, 8-9). Nadat de H. Augustinus over het opvolgen van de geboden als de eerste onvolkomen vrijheid gesproken heeft, gaat hij verder: “Waarom nog niet volmaakt? Omdat “ik merk dat in mijn ledematen een andere wet in conflict is met de wet van mijn verstand”.. Deels vrijheid, deels knechtschap: nog niet volmaakt, nog niet rein, nog niet volledig is de vrijheid, omdat wij nog niet in de eeuwigheid zijn. Deels behouden wij de zwakheid en deels hebben we de vrijheid bereikt. Al onze zonden zijn in de doop vernietigd, maar is soms alle zwakheid verdwenen, omdat de hele ongerechtigheid is geschrapt? Zou ze verdwenen zijn, dan zouden wij op aarde zonder zonde leven. Wie zal dat durven beweren, behalve iemand die aanmatigend en daarom de barmhartigheid van de Bevrijder onwaardig is?.. Omdat er dus een zwakheid in ons gebleven is, waag ik het te zeggen, dat wij in de mate waarin we God dienen, vrij zijn, terwijl we in de mate waarin we de wet van de zonde volgen, slaven zijn”. 27

18. Wie “naar het vlees leeft” ervaart de wet van God als een last, ja als een ontkenning of in elk geval een inperking van de eigen vrijheid. Wie daarentegen bezield is door de liefde en “zich door God laat leiden” (Gal. 5, 16) en de anderen wil dienen, vindt in de wet van God de fundamentele en noodzakelijke weg tot de praktische oefening van de vrij gekozen en geleefde liefde. Ja, hij merkt de innerlijke drang - een echte en bijzondere “behoefte” en niet zoiets als dwang - om niet bij de minimumeisen van de wet te blijven staan maar deze eisen in hun volheid te beleven. Het is een nog onzekere en ongewisse weg, zolang als we op aarde zullen zijn, die echter mogelijk wordt gemaakt door de genade die het ons toestaat de volle vrijheid van de kinderen Gods te bezitten (vgl. Rom. 8, 21), en zo in het zedelijk leven op de verheven roeping te antwoorden, zonen in de Zoon te zijn.

Deze roeping tot volmaakte liefde is niet aan uitverkoren groepen voorbehouden. De oproep: “Ga, verkoop je bezit en geef het geld aan de armen”, met de belofte: “zo zul je een blijvende schat in de hemel hebben”, betreft allen, want het is een fundamentele vernieuwing van het gebod van de naastenliefde, net zoals de volgende uitnodiging: “Kom en volg Mij” de nieuwe concrete vorm van het gebod van de liefde tot God is. De geboden en de uitnodiging van Jezus aan de rijke jongeling staan in dienst van een enige, ondeelbare liefde, die uit eigen impuls naar volmaaktheid streeft en waarvan de maat alleen God is: “Jullie moeten volmaakt zijn, zoals ook jullie hemelse Vader het is” (Mt. 5, 48). In het Lucas-evangelie preciseert Jezus de betekenis van deze volmaaktheid verder: “Weest barmhartig, zoals ook jullie Vader barmhartig is!” (Lc. 6, 36).

 “Kom en volg Mij” (Mt. 19, 21).

19. De weg en tegelijk de inhoud van deze volmaaktheid bestaat in de navolging van Christus, in het volgen van Jezus, nadat men van het eigen bezit en van zichzelf afstand heeft gedaan. Precies zo eindigt het gesprek met de jongeman: “Kom dan en volg Mij!” (Mt. 19, 21). Het is een uitnodiging, waarvan de wonderlijke diepte door de leerlingen pas na de verrijzenis van Christus ten volle zal worden begrepen, wanneer de heilige Geest hen in de volledige waarheid zal binnenleiden (vgl. Joh. 16, 13).

Het is Jezus zelf, die het initiatief neemt en ons uitnodigt om Hem te volgen. De oproep richt zich vooral aan diegenen aan wie Hij een bijzondere zending toevertrouwt, te beginnen bij de Twaalf; maar het blijkt even duidelijk dat iedere gelovige ervoor bestemd is om leerling van Christus te worden (vgl. Hand. 6, 1). Daarom is de navolging van Christus het essentiële en oorspronkelijke fundament van de christelijke moraal: zoals het volk Israël God volgde, die het door de woestijn in het Beloofde Land voerde (vgl. Ex. 13, 21), zo moet de leerling Jezus volgen, tot wie de Vader zelf hem leidt (vgl. Joh. 6, 44).

Het gaat er hier niet alleen om, te luisteren naar een leer en een gebod in gehoorzaamheid te aanvaarden. Het gaat er heel radicaal om, de Persoon van Jezus zelf aan te hangen, om zijn leven en zijn lot te delen, om deelname aan zijn vrije en liefhebbende gehoorzaamheid jegens de Vader. Wanneer hij door het antwoord van het geloof Hem volgt, die de vleesgeworden Wijsheid is, wordt de leerling van Jezus werkelijk leerling van God (vgl. Joh. 6, 45). Jezus is inderdaad het Licht der wereld, het Licht van het leven (vgl. Joh. 8, 12); Hij is de Herder, die de schapen leidt en voedt (vgl. Joh. 10, 11-16), Hij is de Weg de Waarheid en het Leven (vgl. Joh. 14, 6), Hij is degene die tot de Vader voert zodat wie Hem, de Zoon, ziet, de Vader ziet (vgl. Joh. 14, 6-10). Daarom betekent het navolgen van de Zoon, die “het evenbeeld van de onzichtbare God” is (Kol. 1, 15), de Vader navolgen.

20. Jezus roept ertoe op, Hem te volgen en te wandelen op de weg van de liefde voor Hem, een liefde die zich uit liefde tot God volledig wegschenkt aan de broeders: “Dat is mijn gebod: bemint elkander, zoals Ik u heb liefgehad” (Joh. 15, 12). Dit “zoals” verlangt de navolging van Jezus, in het bijzonder van zijn liefde, zoals die in de voetwassing een symbolische uitdrukking krijgt: “Wanneer nu Ik, de Heer en Meester, u de voeten heb gewassen, dan moet ook u elkaar de voeten wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u zo handelt, zoals Ik u behandeld heb” (Joh. 13, 14-15). Het handelen van Jezus en zijn woord, zijn daden en zijn geboden vormen het zedelijk richtsnoer voor het christelijke leven. Want deze daden van Hem en vooral zijn lijden en sterven aan het kruis zijn de levende openbaring van zijn liefde voor de Vader en voor de mensen. Juist deze liefde moet, zo verlangt Jezus, door allen die Hem volgen, nagevolgd worden. Ze is het “nieuwe” gebod: “een nieuw gebod geef Ik u: bemint elkander! Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Daaraan zullen allen herkennen dat u mijn leerlingen zijt: wanneer u elkaar liefhebt” (Joh. 13, 34-35).

Dit “zoals” geeft ook de maat aan, waarmee Jezus bemind heeft en waarmee zijn leerlingen elkaar moeten beminnen. Nadat Hij gezegd heeft: “Dit is mijn gebod: Bemint elkander, zoals Ik u bemind heb”, gaat Jezus verder met de woorden die vooruitwijzen naar het offergeschenk van zijn leven aan het kruis als getuigenis van zijn liefde “tot aan de voleinding” (Joh. 13, 1): “Er is geen grotere liefde dan wanneer iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden” (Joh. 15, 13).

Wanneer Jezus de jongeman oproept om Hem op de weg der volmaaktheid te volgen, verlangt Hij van hem, volmaakt te zijn in het gebod van de liefde, in “zijn” gebod: zich te voegen in het leven van zijn totale wegschenking, de liefde van de “goede” Meester, de liefde van Hem, die “tot aan de voleinding” bemind heeft, na te volgen en na te leven. Dat is het wat Jezus van iedere mens verlangt, die zich wil begeven in de navolging van Hem: “Wie mijn leerling wil zijn, die moet zichzelf verloochenen, hij neme zijn kruis op zich en volge Mij” (Mt. 16, 24).

21. Navolging van Christus is niet een uiterlijke nabootsing, want ze raakt de mens in zijn diepste innerlijk. Leerling van Christus te zijn betekent aan Hem gelijk worden, Hem, die zich tot knecht gemaakt heeft tot de zelfgave aan het kruis toe (vgl. Phil. 2, 5-8). Door het geloof woont Christus in het hart van hem die gelooft (vgl. Eph. 3, 17), en zo wordt de leerling gelijkend op zijn Heer en gelijkvormig aan Hem gemaakt. Dat is de vrucht van de genade, de werkzame aanwezigheid van de heilige Geest in ons.

Door zijn inlijving in Christus wordt de christen lidmaat van zijn Lichaam, dat de Kerk is (vgl. 1 Kor. 12, 13. 27). Onder de impuls van de heilige Geest maakt de doop de gelovige op radicale wijze gelijkvormig aan Christus in het paasmysterie van dood en verrijzenis, zij “bekleedt hem met Christus” (vgl. Gal. 3, 27): “Laten we blij zijn en dankbaar - roept de H. Augustinus zich tot de gedoopten wendend uit - wij zijn niet alleen christen geworden, maar Christus (..). Wees verbaasd en verheugd: Wij zijn Christus geworden!”. 28 Gestorven voor de zonde, ontvangt de gedoopte het nieuwe leven (vgl. Rom. 6, 3-11): terwijl hij door God in Christus Jezus leeft, is hij opgeroepen om naar de geest te leven en van diens vruchten in het leven te getuigen (vgl. Gal. 5, 16-25). De deelname aan de eucharistie, het sacrament van het Nieuwe Verbond (vgl. 1 Kor. 11, 23-29), is het hoogtepunt van de gelijkwording met Christus, Bron van het “eeuwige leven” (vgl. Joh. 6, 51-58), oorsprong en kracht van de totale zelfgave, die wij naar het gebod van Jezus - volgens het getuigenis dat Paulus heeft overgeleverd - in de eucharistieviering en in het leven moeten gedenken: “Want zo dikwijls als gij van dit Brood eet en uit de Kelk drinkt, verkondigt gij de dood van de Heer, totdat Hij komt” (1 Kor. 11, 26).

 “Voor God echter is alles mogelijk” (Mt. 19, 26)

22. Een bittere teleurstelling is het slot van het gesprek van Jezus met de rijke jongeman: “Toen de jongeman dat hoorde, ging hij verdrietig weg: want hij had een groot vermogen” (Mt. 19, 22). Niet alleen de jongeman, maar ook de leerlingen schrikken bij de oproep van Jezus om Hem te volgen, wiens eisen de menselijke pogingen en krachten te boven gaan: “Toen de leerlingen dat hoorden, schrokken ze erg en zeiden: Wie kan dan nog gered worden?” (Mt. 19, 25). Maar de Meester verwijst naar de macht van God: “Voor mensen is dat onmogelijk, voor God echter is alles mogelijk” (Mt. 19, 26).

In hetzelfde hoofdstuk van het Mattheus-evangelie (19, 3-10) wijst Jezus, bij de interpretatie van de wet van Mozes over het huwelijk, het recht op verstoting van de vrouw af onder verwijzing naar een in vergelijking met de wet van Mozes oorspronkelijker en bindender “begin”: het oorspronkelijke plan van God met de mensen, een plan waaraan de mens na de zondeval niet meer beantwoordde: “Alleen omdat jullie zo hardvochtig bent, heeft Mozes jullie toegestaan, jullie vrouwen te verstoten. In het begin was dat niet zo” (Mt. 19, 8). De verwijzing naar het “begin” ontstelt de leerlingen, en zij geven als commentaar daarop: “Als dat de positie van de man in het huwelijk is, dan is het niet goed om te trouwen” (Mt. 19, 10). En Jezus, die zich op bijzondere wijze beroept op het charisma van het ongehuwd zijn “omwille van het Rijk der hemelen” (Mt. 19, 12), maar een algemene regel geeft, verwijst naar de nieuwe, verrassende mogelijkheid, die voor de mens door de genade van God geopend wordt: Jezus zei tot hen: “Niet allen kunnen dit woord bevatten, maar alleen zij, aan wie het gegeven is” (Mt. 19, 11).

De liefde van Christus na te bootsen en na te leven is voor de mens op eigen kracht alleen niet mogelijk. Hij wordt tot deze liefde in staat alleen krachtens een gave die hij ontvangen heeft. Zoals de Heer Jezus de liefde van zijn Vader ontvangt, zo geeft hij haar op zijn beurt uit eigen beweging door aan de leerlingen: “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad. Blijft in mijn liefde!” (Joh. 15, 9). De gave van Christus is zijn Geest, waarvan de eerste “vrucht” (vgl. Gal. 5, 22) de liefde is: “De liefde Gods is uitgestort in onze harten door de heilige Geest die ons gegeven is” (Rom. 5, 5). De H. Augustinus vraagt zich af: “Is het de liefde die ons de geboden doet onderhouden, of is het het onderhouden van de geboden die de liefde doet ontstaan? Maar wie strijdt over de vraag waaraan de liefde voorafgaat? Want wie niet liefheeft heeft geen reden om de geboden te onderhouden”. 29

23. “De wet van de geest en van het leven in Jezus Christus heeft je vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood” (Rom. 8, 2). Met deze woorden leert de apostel Paulus ons, om de verhouding tussen de (oude) wet en de genade (nieuwe wet) in het perspectief van de heilsgeschiedenis, die zich in Christus vervuld heeft, te bezien. Hij erkent de opvoedende rol van de wet, die het de zondige mens mogelijk maakt, zijn onvermogen te overzien en hem, doordat hij hem de arrogantie van de zelfgenoegzaamheid ontneemt, opent voor het aanroepen en aannemen van het “leven in de Geest”: in dit nieuwe leven is het onderhouden van de geboden van God mogelijk. Door het geloof in Christus zijn wij gerechtvaardigd (vgl. Rom. 3, 28): de “gerechtigheid”, die de wet vereist, maar die zij aan niemand kan schenken, vindt iedere gelovige bekendgemaakt en geschonken door de Heer Jezus. Zo vat de H. Augustinus opnieuw op wonderlijke manier de paulijnse dialectiek van wet en genade kort samen: “Daarom is de wet gegeven, opdat men de genade afsmeekt; de genade werd gegeven, opdat men de wet zou vervullen”. 30

De liefde en het leven naar het evangelie mogen niet allereerst op het niveau van het gebod gedacht worden, want dat wat zij verlangen gaat de krachten van de mens te boven: ze zijn slechts mogelijk als vrucht van een gave Gods, die door zijn genade het hart van de mens heel en gezond maakt en het omvormt: “Immers, de wet werd door Mozes gegeven, de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus” (Joh. 1, 17). Daarom is de belofte van het eeuwige leven aan de gave van de genade verbonden, en het geschenk van de Geest, dat wij ontvangen hebben, is reeds “het eerste deel van onze erfenis” (Eph. 1, 14).

24. Zo openbaren zich het gebod van de liefde en dat van de volmaaktheid, waarop het eerste is afgestemd, in hun authentieke oorspronkelijkheid: Het is een mogelijkheid, die voor de mens uitsluitend door de genade, door de gave van God, door zijn liefde, geopend wordt. Anderzijds bewerkt en draagt het bewustzijn, in Jezus Christus de liefde Gods te bezitten, het verantwoordelijke antwoord voor een volle liefde tot God en onder de broeders, zoals de apostel Johannes in zijn eerste brief indringend in herinnering brengt: “Broeders, laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God en kent God. Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is de liefde.. Broeders, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.. Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad (1 Joh. 4, 7-8. 11. 19).

Deze onlosmakelijke verbinding tussen de genade van de Heer en de vrijheid van de mens, tussen de gave en de opgave, heeft de H. Augustinus met deze eenvoudige en diepe woorden: “Da quod iubes et iube quod vis” (Geef wat U gebiedt en gebied wat U wilt). 31

De gave vermindert niet, maar versterkt de zedelijke eisen van de liefde: “En dat is zijn gebod: wij moeten geloven in de Naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals Hij ons opgedragen heeft” (1 Joh. 3, 23). Alleen onder de voorwaarde, dat men de geboden onderhoudt, kan men, zoals Jezus zegt, in de liefde “blijven”: “Als jullie mijn geboden onderhouden, zullen jullie in mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van mijn Vader onderhouden heb en in zijn liefde blijf (Joh. 15, 10). De H. Thomas, die de kern van de morele boodschap van Jezus en van de verkondiging der apostelen samenvatte, kon in een weergave van een prachtige gezamenlijke visie van de grote traditie der Kerkvaders van Oost en West, vooral van de H. Augustinus, 32 schrijven: de Nieuwe Wet is de door het geloof in Christus verleende genade van de heilige Geest. 33 De uiterlijke voorschriften, waarvan het evangelie ook spreekt, bereiden op deze genade voor of maken haar invloed in het leven effectief. De nieuwe wet stelt zich er namelijk niet mee tevreden te zeggen, wat men doen moet, maar ze verleent ook de kracht “om de waarheid te doen” (vgl. Joh. 3, 21). Tegelijk heeft de H. Johannes Chrysostomus opgemerkt, dat de nieuwe wet juist toen gegeven werd, toen de heilige Geest uit de hemel neerdaalde op de dag van Pinksteren, en hij vervolgt: dat “de apostelen niet van de berg afdaalden met stenen tafels in hun handen zoals Mozes; maar ze kwamen met de Geest in hun harten.., nadat ze zelf door zijn genade tot een bezield boek, tot een levende wet geworden waren”. 34

 “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 28, 20).

25. Het gesprek van Jezus met de rijke jongeling wordt in zekere zin in ieder tijdperk der geschiedenis, ook vandaag, vervolgd. De vraag: “Meester, wat moet ik voor goeds doen, om het eeuwige leven te winnen? “, komt in het hart van iedere mens op, en het is altijd alleen Christus die het volle en beslissende antwoord geeft. De Meester die de geboden van God leert, die tot navolging uitnodigt en de genade voor een nieuw leven schenkt, is altijd onder ons aanwezig en actief, overeenkomstig de belofte: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 28, 20). Het tegelijk aanwezig zijn van Christus met de mens van iedere tijd gebeurt in het levende Lichaam van de Kerk. Daarom heeft de Heer aan zijn leerlingen de H. Geest beloofd: Hij zou hen aan zijn geboden “herinneren” en ze voor hen begrijpelijk maken (vgl. Joh. 14, 26) en zou het begin en de bron van een nieuw leven in de wereld zijn (vgl. Joh. 3, 5-8; Rom. 8, 1-13).

De door God in het Oude Verbond opgelegde en in het Nieuwe en Eeuwige Verbond in de Persoon van Gods Zoon vervulde zedelijke geboden moeten trouw bewaard en in de verschillende culturen in de loop van de geschiedenis steeds weer geactualiseerd worden. De taak om ze te interpreteren is door Jezus aan de apostelen en hun opvolgers opgedragen met de bijzondere bijstand van de Geest der waarheid: “Wie u hoort, hoort Mij” (Lc. 10, 16). Met het licht en de kracht van deze Geest hebben de apostelen de opdracht vervuld om het evangelie te verkondigen en “de weg” van de Heer te onderwijzen (vgl. Hand. 18, 25), waarbij ze vooral de eerbiedige beschouwing en navolging van Christus leren: “Voor mij is Christus het leven” (Philp. 1, 21).

26. In het zedelijk onderricht van de apostelen is er, naast vermaningen en cultuurgebonden aanwijzingen, een ethische leer met precieze gedragsnormen. Dat blijkt uit de brieven, die de door de heilige Geest geleide uitleg van de geboden bevatten, die onder de verschillende culturele omstandigheden in praktijk gebracht moeten worden (vgl. Rom. 12-15; 1 Kor. 11-14; Gal. 5-6; Eph. 4-6; Kol. 3-4; 1Petr. en Jac.). De apostelen die opdracht hadden gekregen om het evangelie te verkondigen, hebben vanaf het begin van de Kerk krachtens hun pastorale verantwoordelijkheid over de rechtschapenheid van het gedrag der christenen gewaakt, 35 net zoals ze over de zuiverheid van het geloof en over het doorgeven van de goddelijke gaven door de sacramenten waakten. 36 De eerste christenen, die zowel uit het joodse volk als uit de andere volken kwamen, onderscheidden zich van de heidenen niet alleen door hun geloof en hun liturgie, maar ook door het getuigenis van hun door de nieuwe wet geïnspireerde zedelijk gedrag. 37 De Kerk is namelijk tegelijkertijd geloofs- en levensgemeenschap; haar norm is “het geloof, dat in de liefde werkzaam is” (Gal. 5, 6).

Geen scheur mag de harmonie tussen geloof en leven bedreigen; de eenheid van de Kerk wordt niet alleen door de christenen aangetast die geloofswaarheden afwijzen of vertekenen, maar ook door hen die de zedelijke verplichtingen miskennen, waartoe het evangelie hen oproept (vgl. 1 Kor. 5, 9-13). De apostelen hebben iedere scheiding tussen de intentie van het hart en de daden die daar de uitdrukking en goedkeuring van zijn, beslist afgewezen (vgl. 1 Joh. 2, 3-6). En sinds de apostolische tijd hebben de Herders van de Kerk het optreden van hen die met hun leerstellingen of met hun gedrag splitsingen bevorderden, met alle duidelijkheid aangegeven. 38

27. Het bevorderen en bewaren van het geloof en van het zedelijk leven in de eenheid van de Kerk is de door Jezus aan de apostelen toevertrouwde opgave (vgl. Mt. 28, 19-20) die op het ambt van hun opvolgers overgaat. Dat alles bevindt zich in de levende traditie waardoor - zoals Vaticanum II leert - “de Kerk in leer, leven en cultus alles wat ze zelf is, alles wat ze gelooft door de tijden verder leidt en aan alle geslachten overdraagt. Deze apostolische overlevering kent in de Kerk onder de bijstand van de heilige Geest een vooruitgang”. 39 In de Geest ontvangt de Kerk de Schrift en geeft die door als getuigenis van “het grote” dat God in de Kerk bewerkt (vgl. Lc. 1, 49), door de mond van de Kerkvaders en -leraars belijdt zij de waarheid van het vleesgeworden Woord, brengt zijn geboden en de liefde in het leven der heiligen en in het offer van de martelaren in de praktijk, viert haar hoop in de liturgie: door de overlevering ontvangen de christenen “de levende stem van het evangelie” 40 als gelovige uitdrukking van de goddelijke wijsheid en van de goddelijke wil.

Binnen de overlevering ontwikkelt zich met de bijstand van de heilige Geest de authentieke interpretatie van de wet des Heren. De Geest zelf, die aan het begin van de openbaring van de geboden en van de leer van Jezus staat, garandeert, dat zij heilig bewaard, getrouw aangeboden en in de wisseling van tijden en omstandigheden correct toegepast worden. Deze “actualisering” van de geboden is teken en vrucht van een dieper binnendringen in de openbaring en van een begrip van nieuwe historische en culturele situaties in het licht van het geloof. Ze kan echter alleen de blijvende geldigheid van de openbaring bevestigen en zich bij haar uitleg voegen in de stroom van de traditie, die door de grote traditie van leer en leven van de Kerk gevormd wordt en waarvan de leer van de Kerkvaders, het leven van de heiligen, de liturgie van de Kerk en het leergezag de getuigen zijn.

In het bijzonder is - zoals het Concilie zegt - “de opgave om het geschreven of overgeleverde woord van God bindend te verklaren, alleen aan het levende leergezag van de Kerk toevertrouwd, welks volmacht wordt uitgeoefend in de Naam van Jezus Christus”. 41 Op deze wijze toont de Kerk zich in haar leven en in haar leer als “de zuil en het fundament van de waarheid (1 Tim. 3, 15), ook van de waarheid over het zedelijk handelen. Inderdaad “komt het aan de Kerk toe, altijd en overal de morele beginselen ook over de sociale orde te verkondigen zoals ook over menselijke dingen van allerlei aard, voorzover de grondrechten van de menselijke persoon of het heil van de zielen dit verlangen”. 42

Juist wat de probleemstellingen betreft die voor de discussie over vragen van de moraal tegenwoordig kenmerkend zijn en in welker omgeving zich nieuwe tendensen en theorieën ontwikkeld hebben, voelt het leergezag, in trouw aan Jezus Christus en in de continuïteit van de traditie der Kerk, het als zeer dringende plicht, haar eigen oordeel en haar leer aan te bieden, om de mens op zijn weg naar de waarheid en de vrijheid behulpzaam te zijn.

Hoofdstuk II

“Past u niet aan de denktrant van deze wereld aan!” (Rom. 12, 2)

De Kerk en de beoordeling van enkele tendensen van de tegenwoordige moraaltheologie

Verkondigen wat strookt met de gezonde leer (vgl. Tit. 2, 1)

28. De beschouwing van het gesprek tussen Jezus en de rijke jongeman maakt het ons mogelijk om de essentiële gegevens van de openbaring van het Oude en het Nieuwe Testament ten aanzien van het zedelijk handelen op een rij te zetten. Dit zijn de onderschikking van de mens en zijn handelen aan God, aan Hem, die “alleen goed” is; de samenhang tussen het zedelijk goede van de menselijke handelingen en het eeuwige leven; de navolging van Christus, die voor de mens de perspectieven van de volkomen liefde opent; en tenslotte de gave van de heilige Geest als bron en oorsprong van het zedelijk leven van de “nieuwe schepping” (vgl. 2 Kor. 5, 17).

De Kerk heeft bij haar morele overwegingen steeds gedacht aan de woorden die Jezus tot de rijke jongeling heeft gericht. De Heilige Schrift is altijd de levende en vruchtbare bron van de zedenleer der Kerk, waaraan Vaticanum II herinnert: “het evangelie (is).. de bron van iedere heilswaarheid en zedenleer”. 43 Getrouw bewaarde ze wat het Woord van God niet alleen ten aanzien van de geloofswaarheden, maar ook wat het ten aanzien van het zedelijk handelen leert, dat wil zeggen het handelen dat aan God bevalt (vgl. 1 Thess 4, 1); daardoor bereikt zij een verdere ontwikkeling in de leer, analoog aan die op het gebied van de geloofswaarheden.

Onder de bijstand van de heilige Geest, die haar in de hele waarheid binnenleidt (vgl. Joh. 16, 13), heeft de Kerk niet opgehouden - en kan zij nooit ophouden - het “geheim van het vleesgeworden Woord” te onderzoeken, waarbij voor haar “het geheim van de mens waarlijk duidelijk wordt”. 44

29. Het kerkelijk denken over moraal, dat zich altijd voltrok in het licht van Christus, de “goede Meester”, heeft zich ook ontvouwd in de bijzondere vorm van de theologische wetenschap, de zogenaamde “moraaltheologie”, een wetenschap die de goddelijke openbaring aanvaardt en ondervraagt en die tegelijk voldoet aan de eisen van het menselijk verstand. De moraaltheologie is een reflexie die de “moraliteit”, dat wil zeggen: het goede en het slechte van de menselijke handelingen en van de persoon, die ze voltrekt, tot inhoud heeft, en in deze zin staat ze voor alle mensen open; ze is echter ook “theologie”, omdat ze erkent dat het begin en het einddoel van het zedelijk handelen bestaat in Hem, die “alleen goed is” en die de mens doordat Hij zich aan hem schenkt in Christus, de gelukzaligheid van het goddelijk leven aanbiedt.

Vaticanum II heeft de wetenschappers opgeroepen tot “bijzondere zorg voor de vervolmaking van de moraaltheologie, die, rijker gevoed uit de leer van de Schrift, in wetenschappelijke presentatie de verhevenheid van de roeping der gelovigen in Christus en hun verplichting, om in de liefde vrucht te dragen voor het leven van de wereld, moet verhelderen”. 45 Zo heeft het Concilie ook de theologen uitgenodigd om “onder handhaving van de methoden en vereisten die de theologie eigen zijn naar steeds geschikter manieren te zoeken om de leer van het geloof aan de mensen van hun tijd mee te delen. Want het geloofsgoed zelf, dat wil zeggen de geloofswaarheden, mag niet verwisseld worden met hun uitdrukkingswijze, ook wanneer deze altijd dezelfde betekenis en inhoud heeft”. 46 Vandaar dat alle gelovigen worden uitgenodigd, maar met name de theologen: “De gelovigen moeten dus in nauwste verbinding met de andere mensen van hun tijd leven en zich moeite geven om hun denk- en oordeelswijze, die in de geestescultuur tot uitdrukking komen, volledig te verstaan”. 47

De inspanning van veel theologen, die zich door de bemoediging van het Concilie gesterkt voelden, heeft reeds vruchten afgeworpen in opmerkelijke en nuttige reflexies over geloofswaarheden, die men moet geloven en in het leven toepassen en die door hen in een aan het gevoelen en de vragen van de mensen van onze tijd aangepaste vorm aangeboden worden. De Kerk en in het bijzonder de bisschoppen, aan wie Jezus Christus vooral de dienst van de leer heeft toevertrouwd, nemen deze inspanning dankbaar aan en moedigen de theologen aan om verder te werken, bezield door een diepe, echte “Vreze des Heren, die het begin der kennis is” (vgl. Spr. 1, 7).

Tegelijk zijn in het kader van de post-conciliaire theologische discussies echter enkele interpretaties van de christelijke moraal ontstaan, die onverenigbaar zijn met de “gezonde leer” (2 Tim. 4, 3). Het is zeker niet de bedoeling van het leergezag van de Kerk om aan de gelovigen een bijzonder theologisch en al helemaal niet een filosofisch systeem op te leggen; maar om het woord van God “heilig te bewaren en getrouw uit te leggen” 48 is het verplicht om de onverenigbaarheid van bepaalde richtingen van het theologische denken of van bepaalde filosofische uitspraken met de geopenbaarde waarheid bekend te maken. 49

30. Wanneer wij ons met deze encycliek tot u, medebroeders in het bisschopsambt, wenden, dan willen we de principes voorleggen die voor de onderscheiding van wat in tegenspraak is met de “gezonde leer”, vereist zijn; daartoe verwijs ik naar die elementen van de zedenleer van de Kerk, die vandaag bijzonder bloot schijnen te staan aan dwaling, tweeduidigheid of vergetelheid. Dat zijn overigens die elementen, waarvan het “antwoord op de onopgeloste raadsels van het menselijk bestaan (afhangt), die sinds onheuglijke tijden de harten der mensen ten diepste beroeren: Wat is de mens? Wat is zin en doel van ons leven? Wat is het goede, wat de zonde? Waar komt het leed vandaan, en welke zin heeft het? Wat is de weg naar het ware geluk? Wat is de dood, het oordeel en de vergelding na de dood? En tenslotte: Wat is dat laatste en onzegbare geheim van ons bestaan, waaruit wij komen en waarheen wij gaan? “.50

Deze en andere vragen - bijv.: Wat is de vrijheid en van welke aard is haar betrekking tot de in Gods wet gelegen waarheid? Welke rol komt aan het geweten toe bij de vorming van het zedelijk karakter van de mens? Hoe kan men in overeenstemming met de waarheid over het goede, de rechten en concrete plichten van de menselijke persoon kennen? - kunnen samengevat worden in de fundamentele vraag, die de jongeman in het evangelie aan Jezus stelt: “Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te winnen?” De Kerk, die door Jezus uitgezonden werd om het evangelie te verkondigen en “tot alle volken te gaan.. en ze te leren, alles te onderhouden”, wat Hij haar bevolen had (vgl. Mt. 28, 19-20), stelt ook nu nog het antwoord van de Meester voor: Dit bezit een licht en een kracht die in staat zijn om ook de meest omstreden en ingewikkelde problemen op te lossen. Dit licht en deze kracht brengen de Kerk ertoe, onophoudelijk niet alleen de dogmatische, maar ook de morele reflexie in een interdisciplinair milieu te ontplooien, zoals dit bijzonder voor nieuwe problemen noodzakelijk is. 51

Altijd in dit licht en in deze kracht verricht het leergezag van de Kerk van oudsher zijn taak van de onderscheiding, waarbij het de vermaning van de apostel Paulus aan Timotheus aanneemt en navolgt: “Ik bezweer u voor het aanschijn van God en van Christus Jezus die levenden en doden zal oordelen, bij zijn verschijning en bij zijn koningschap: verkondig het woord, dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in een woord, geef uw onderricht met groot geduld. Want er komt een tijd dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen. Zij zullen zich een menigte leraars aanschaffen naar eigen smaak, die hun naar de mond praten. En zij zullen hun oren sluiten voor de waarheid om te luisteren naar allerlei mythen. Maar gij, blijf nuchter bij dit alles, aanvaard uw lijden, doe het werk van een evangelist, wijd u geheel aan uw dienst!” (2 Tim. 4, 1-5; vgl. Tit. 1. 10. 13-14).

 “Dan zult u de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 8, 32).

31. De meest omstreden en meest verschillend opgeloste menselijke problemen in het tegenwoordige denken over de moraal zijn, zij het ook telkens op verschillende wijze, met een brandende kwestie verbonden: de vrijheid van de mens.

Ongetwijfeld heeft onze tijd een bijzonder attent zintuig voor vrijheid ontwikkeld. “Van de waarde van de menselijke persoon worden de mensen van onze tijd zich steeds meer bewust”, stelde reeds de concilieverklaring over de godsdienstvrijheid “Dignitatis Humanae” vast. 52 Vandaar dat de mensen er aanspraak op maken, “dat zij bij hun handelen hun eigen oordeel en een verantwoordelijke vrijheid bezitten en daarvan gebruik moeten maken, niet onder dwang, maar door plichtsbesef geleid”. 53 Speciaal het recht op godsdienst- en gewetensvrijheid op de weg naar waarheid wordt steeds meer als fundament van de rechten van de menselijke persoon, in hun gezamenlijkheid gezien, opgevat. 54

De scherpere zin voor de waarde en de uniciteit van de menselijke persoon alsook voor de achting die de weg van het geweten toekomt wordt dus zeker als een positieve verworvenheid van de moderne cultuur beschouwd. Deze op zichzelf authentieke waarneming heeft allerlei meer of minder passende uitdrukkingsvormen gevonden, waarvan sommige echter afwijken van de waarheid over mens als schepsel en evenbeeld van God: en daarom moeten zij gecorrigeerd resp. in het licht van het geloof gezuiverd worden. 55

32. Zo is men in sommige moderne denkstromingen ertoe gekomen dat men de vrijheid zozeer verheerlijkt dat men haar tot een Absolutum maakt, dat de bron van alle waarden zou zijn. In deze richting bewegen zich doctrines, die elke zin voor transcendentie verloren hebben of zelfs uitdrukkelijk atheïstisch zijn. Aan het geweten van het individu worden de voorrechten van een hoogste instantie van het zedelijk oordeel toegeschreven, die categorisch en onfeilbaar over goed en kwaad beslist. In plaats van het beginsel over de verplichting dat men het eigen geweten moet volgen komt onrechtmatig een ander: het morele oordeel zou alleen daarom waar zijn, omdat het voortkomt uit het geweten. Op deze manier is echter het absolute postulaat van de waarheid zoekgeraakt ten gunste van criteria als oprechtheid, authenticiteit, “overeenstemming met zichzelf” zodat men tot een radicaal subjectivistische opvatting over het zedelijk oordeel komt.

Zoals meteen en duidelijk zichtbaar is, hoort bij deze ontwikkeling de crisis omtrent de waarheid. Nadat de idee van een voor het menselijk verstand kenbare universele waarheid over het goede verloren was gegaan, is onvermijdelijk ook het begrip van het geweten veranderd; het geweten wordt niet meer in zijn oorspronkelijke staat gezien, dat wil zeggen als een handeling van het inzicht van de persoon wiens taak het is, om de algemene kennis van het goede op een bepaalde situatie toe te passen en zo een oordeel te vellen over het juiste, hier en nu te kiezen gedrag; men kwam ertoe, aan het geweten van het individu het voorrecht te verlenen om de criteria voor goed en kwaad autonoom vast te leggen en dienovereenkomstig te handelen. Deze visie is niets anders dan een individualistische ethiek op grond waarvan ieder zich geconfronteerd ziet met zijn waarheid, die van de waarheid van de anderen verschillend is. In zijn uiterste consequenties loopt het individualisme uit op de ontkenning zelfs van de idee van een menselijke natuur.

Deze verschillende opvattingen vormen het uitgangspunt voor die denkrichtingen, die beweren dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen zedenwet en geweten, tussen natuur en vrijheid.

33. Parallel met de verheerlijking van de vrijheid en paradoxaal genoeg in tegenspraak daarmee trekt de moderne cultuur dezelfde vrijheid radicaal in twijfel. Een rij van wetenschappelijke disciplines die onder de naam “menswetenschappen” samengevat worden, heeft terecht de aandacht gericht op de psychologische en maatschappelijke conditioneringen die het beleven van de menselijke vrijheid moeilijk maken. De kennis van zulke gebondenheden en de aandacht die daaraan geschonken wordt zijn belangrijke verworvenheden, die op verschillende terreinen van het bestaan, zoals bv. in de pedagogie of in de rechtspraak, toepassing gevonden hebben. Maar sommigen zijn zover gegaan in het overschrijden van de conclusies, die uit deze observaties legitiem te trekken zijn, dat zij de werkelijkheid van de menselijke vrijheid zelf betwijfelen of ontkennen.

Ook enkele verkeerde verklaringen van het wetenschappelijk onderzoek op antropologisch gebied moeten vermeld worden. Op grond van de grote verscheidenheid van gebruiken, gewoonten en instellingen van de mensheid besluit men, zoal niet tot de ontkenning van universele menselijke waarden, dan toch tot een relativistische moraalopvatting.

34. “Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te bereiken?” De morele vraag, waarop Christus antwoordt, kan het probleem van de vrijheid niet buiten beschouwing laten, stelt het zelfs in het middelpunt, omdat moraal zonder vrijheid niet bestaat: “Alleen vrij kan de mens zich tot het goede keren”. 56 Maar welke vrijheid wordt bedoeld? Voor onze tijdgenoten, die de vrijheid “hoogachten en er hartstochtelijk naar streven”, haar echter “vaak op verkeerde manier verdedigen, als grond om alles te doen, als het maar bevalt, zelfs het kwade” zet het Concilie de “ware” vrijheid uiteen: “De ware vrijheid is echter een verheven kenmerk van het beeld van God in de mens: God wilde namelijk de mens “aan de macht van de eigen beslissing overlaten” (vgl. Sir. 15, 14), zodat hij zijn Schepper uit eigen beslissing zoekt en vrij tot de volle en zalige voleinding in eenheid met God komt”. 57 Wanneer voor de mens het recht bestaat, om op zijn weg van het zoeken naar de waarheid gerespecteerd te worden, dan bestaat nog vooraf de voor ieder belangrijke morele verplichting om de waarheid te zoeken en om aan de eenmaal erkende waarheid vast te houden. 58 In deze zin placht kardinaal J.H. Newman, prominent voorvechter van de rechten van het geweten, met beslistheid te stellen: “Het geweten heeft rechten, omdat het plichten heeft”. 59

Bepaalde richtingen in de tegenwoordige moraaltheologie interpreteren onder invloed van de hier in herinnering geroepen subjectivistische en individualistische stromingen de verhouding van de vrijheid tot de zedenwet, tot de menselijke natuur en tot het geweten op nieuwe wijze en stellen nieuwsoortige criteria voor de zedelijke waardering van handelingen voor: dit zijn tendensen die in hun variëteit overeenstemmen in een punt: dat de vrijheid afhankelijk is van de waarheid zwakken ze af, of ze ontkennen het zelfs.

Willen we deze tendensen aan een kritische toets onderwerpen, die geschikt is niet alleen om te onderkennen wat er legitiem, nuttig en waardevol in is, maar tegelijk om hun tweeduidigheid, gevaren en dwalingen bloot te leggen, dan moeten we ze in het licht van de fundamentele afhankelijkheid der vrijheid van de waarheid toetsen, een afhankelijkheid, die haar helderste en bindendste uitdrukking gevonden heeft in de woorden van Christus: “Dan zult ge de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 8, 32).

I. Vrijheid en wet

 “Maar van de boom van kennis van goed en kwaad mag je niet eten” (Gen. 2, 17)

35. In het boek Genesis lezen we: “God de Heer gebood de mensen: Van alle bomen van de tuin mag je eten, maar van de boom van kennis van goed en kwaad mag je niet eten; want als je daarvan eet, zul je sterven” (Gen. 2, 16-17).

Met dit beeld leert de openbaring ons, dat de macht om over goed en kwaad te beslissen niet aan de mens, maar aan God alleen toekomt. Zeker, de mens is vrij, aangezien hij zelf de geboden van God kan kennen en aannemen. En hij is in het bezit van een zeer vergaande vrijheid, want hij mag “van alle bomen van de tuin” eten. Maar het is geen onbegrensde vrijheid: ze moet halthouden voor de “boom van kennis van goed en kwaad”, omdat zij ertoe geroepen is, de zedenwet die God aan de mensen geeft, aan te nemen. Inderdaad vindt de vrijheid van de mens in deze aanvaarding haar ware en volle verwerkelijking. God, die alleen goed is, weet precies wat voor de mens goed is, en uit kracht van zijn eigen liefde legt Hij hem dit voor in de geboden.

De wet van God vermindert dus de vrijheid van de mens niet en nog minder schakelt ze die uit, integendeel, ze garandeert en bevordert haar. Heel anders echter ontwikkelen enkele van de tegenwoordige culturele stromingen het uitgangspunt van talrijke richtingen in de ethiek, die een verondersteld conflict tussen de vrijheid en de wet in het middelpunt van hun denken plaatsen. Van dien aard zijn de doctrines, die aan individuen of aan sociale groepen het vermogen toekennen om over goed en kwaad te beslissen: de menselijke vrijheid zou “de waarden (kunnen) scheppen” en zou een primaat over de waarheid bezitten; ja, de waarheid zou notabene zelf als een schepping van de vrijheid worden aangezien. Bijgevolg zou deze ook aanspraak maken op zulk een morele autonomie, die praktisch haar absolute soevereiniteit zou betekenen.

36. De moderne aanspraak op autonomie heeft natuurlijk haar invloed ook binnen de katholieke moraaltheologie uitgeoefend. Ook al zou deze zeker nooit de menselijke vrijheid tegenover de goddelijke wet plaatsen, noch het bestaan van een laatste religieuze grondslag van de zedelijke normen betwijfelen, toch werd zij uitgedaagd tot een grondig overdenken van de rol van het verstand en van het geloof bij het aan het licht brengen van zedelijke normen, die betrekking hebben op bepaalde “binnenwereldse” gedragingen: tegenover zichzelf, tegenover de anderen en tegenover de wereld der dingen.

Erkend moet worden, dat aan het begin van dit streven naar een nieuwe bezinning enkele rechtmatige verlangens staan, die overigens goeddeels tot de beste tradities van het katholieke denken horen. Aangezet door Vaticanum II60 wilde men de dialoog met de moderne cultuur bevorderen doordat men het rationele - en daarmee universeel begrijpelijke en mededeelbare - karakter van de zedelijke normen die tot het gebied van de natuurlijke moraalwet horen, liet zien. 61 Daarenboven wilde men het innerlijke karakter van zedelijke eisen bevestigen, die voortkomen uit de natuurlijke zedenwet en die zich slechts als verplichting aan de wil opleggen krachtens hun voorafgaande erkenning door het menselijk verstand en, concreet, het persoonlijke geweten.

Terwijl echter het gegeven dat het menselijk verstand afhankelijk is van de goddelijke wijsheid en dat - in de tegenwoordige toestand van de gevallen natuur - de goddelijke openbaring noodzakelijk en feitelijk is voor de kennis ook van natuurlijke zedelijke waarheden62 in de vergetelheid raakten, zijn enkelen gekomen tot de theorie van een volledige soevereiniteit van het verstand op het gebied van de zedelijke normen, die zich richten op de juiste ordening van het leven in deze wereld: Deze normen zouden zich slechts in een louter “menselijke” moraal ophouden, ze waren de uitdrukking van een wet die de mens autonoom aan zichzelf gaf en die haar bron uitsluitend in het menselijk verstand zou hebben. Als schepper van deze wet kon men geenszins God zien, alleen in die zin, dat het menselijk verstand haar wetgevingsautonomie op grond van een oorspronkelijke, totale machtiging van God aan de mensen zou uitoefenen. Deze gissingen hebben er nu toe geleid, dat men tegen de Heilige Schrift en de vaststaande leer van de Kerk in loochent, dat de natuurlijke zedenwet God als haar Auteur heeft en dat de mens door zijn verstand aan de eeuwige wet deelheeft, die hij zelf niet vaststelt.

37. Aangezien ze echter het zedelijk leven in een christelijk kader wilden houden, werd door enkele moraaltheologen een onderscheid, in tegenspraak63 met de katholieke leer, ingebracht tussen een zedelijke orde die van menselijke oorsprong zou zijn en slechts binnenwereldse waarde zou hebben, en een heilsorde, waarvoor alleen bepaalde motieven en innerlijke houdingen jegens God en de naaste, betekenis zouden hebben. Bijgevolg kwam men ertoe om het bestaan van een specifieke en concrete, universeel geldige en blijvende morele inhoud in de goddelijke openbaring te loochenen: het woord van God zou zich ertoe beperken, een vermaning, een algemene “paraenesis” (aansporing - vert.) aan te bieden; die met waarlijk “objectieve”, dat wil zeggen aan de concrete historische situatie aangepaste, normatieve bepalingen te vullen, zou dan alleen de opgave zijn van het vrije intellect. Een zo begrepen autonomie leidt er natuurlijk ook toe, dat een specifieke competentie van de Kerk en haar leergezag ten aanzien van bepaalde, het zogenaamde “humanum” betreffende zedelijke normen wordt geloochend: Zij zouden niet tot de eigenlijke inhoud van deopenbaring horen en dus met het oog op het heil niet van betekenis zijn.

Een zodanige uitleg van de autonomie van het menselijk verstand leidt, zoals iedereen ziet, tot stellingen die onverenigbaar zijn met de katholieke leer.

In deze samenhang moeten zeker de grondbegrippen van de menselijke vrijheid en van de moraalwet, alsook hun diepe, innerlijke betrekkingen in het licht van het woord van God en van de levende traditie van de Kerk verhelderd worden. Alleen zo zal het mogelijk zijn, om aan de rechtmatige aanspraken van de menselijke rede recht te doen, doordat men de geldige elementen van enkele stromingen in de huidige moraaltheologie integreert, zonder het morele erfgoed van de Kerk door stellingen te schaden, die voortkomen uit een vals begrip van autonomie.

God wilde de mens “aan de macht van de eigen beslissing overlaten” (Sir. 15, 14)

38. Met de woorden uit het boek Jezus Sirach verheldert Vaticanum II de “ware vrijheid” die een “verheven kenmerk van het beeld van God” in de mens is: “God wilde namelijk de mens “aan de macht van de eigen beslissing overlaten”, zodat hij zijn Schepper uit eigen initiatief zoekt en vrij tot volle en zalige voleinding in eenheid met God komt”. 64 Deze woorden wijzen op de wonderbare diepte van de deelname aan de goddelijke heerschappij, waartoe de mens geroepen is: ze geven aan, dat de heerschappij van de mens in zekere zin aan de mens zelf raakt. Dat is een gezichtspunt, dat in het theologische denken over de als een soort van koningschap uitgelegde menselijke vrijheid steeds naar voren gehaald wordt. Zo schrijft bv. de H. Gregorius van Nyssa: “De geest openbaart zijn koningschap en zijn voortreffelijkheid.. daarin, dat hij zonder iemand als heer te kennen, vrij alles doet: hij regeert zichzelf naar eigen believen autocratisch. Wie anders past dat dan een koning?.. Zo werd de menselijke natuur, die geschapen is om heerseres over de andere schepsels te zijn, door de gelijkenis met de Heer van het heelal voor een levend beeld bestemd, dat deelheeft aan de waardigheid en aan de naam van het Oerbeeld. 65

Reeds het regeren van de wereld betekent voor de mens een grote en verantwoordelijke opgave, die een beroep doet op zijn vrijheid in gehoorzaamheid aan de Schepper: “Bevolkt de aarde en onderwerpt haar aan u” (Gen. 1, 28). Vanuit dit gezichtspunt heeft de individuele mens zoals ook de menselijke gemeenschap recht op een passende autonomie, waaraan de concilie-constitutie Gaudium et Spes bijzondere aandacht besteedt. Dit is de autonomie van de aardse werkelijkheden, hetgeen betekent, dat “de geschapen dingen en ook de samenlevingen hun eigen wetten en waarden hebben, die de mens stap voor stap moet leren kennen, gebruiken en vormen”. 66

39. Maar niet alleen de wereld, doch ook de mens zelf werd aan zijn eigen zorg en verantwoordelijkheid toevertrouwd. God heeft hem “de macht over de eigen beslissing” gelaten (Sir. 15, 14), zodat hij zijn Schepper zoekt en uit eigen beweging tot volmaaktheid komt. Tot volmaaktheid komen betekent, persoonlijk in zichzelf deze volmaaktheid opbouwen. Want zoals de mens, wanneer hij de wereld regeert, haar vormt naar zijn verstand en wil, zo bevestigt, ontwikkelt en verstevigt de mens in zichzelf de gelijkenis met God, wanneer hij zedelijk goede handelingen voltrekt.

Het Concilie verlangt echter waakzaamheid tegenover een vals begrip van autonomie der aardse werkelijkheden, zo een namelijk dat meent, dat “de geschapen dingen niet van God afhangen en dat de mens ze zonder verwijzing naar de Schepper zou kunnen gebruiken”. 67 Wat de mens betreft, leidt een dergelijk begrip van autonomie tot bijzonder schadelijke uitwerkingen, en neemt ten laatste een atheïstisch karakter aan: “Want het schepsel zinkt zonder de Schepper in het niets.. bovendien wordt het schepsel zelf door God te vergeten onbegrijpelijk”. 68

40. De leer van het Concilie onderstreept enerzijds de actieve rol van het menselijk verstand bij de ontdekking en toepassing van de zedenwet: Het zedelijk leven vereist creativiteit en inventiviteit, die de persoon eigen zijn, en die bron en grond van haar vrije en bewuste handelen zijn. Anderzijds put het verstand zijn waarheid en zijn gezag uit de eeuwige wet, die niets anders dan de goddelijke Wijsheid is. 69 Aan het zedelijk leven ligt dus het principe van een “juiste autonomie” 70 van de mens als persoon en subject van zijn handelingen ten grondslag. De zedenwet komt van God en vindt altijd in Hem haar bron: Op grond van het natuurlijke verstand, dat uit de goddelijke Wijsheid voortkomt, is zij tegelijk de wet die de mens eigen is. De natuurwet is namelijk, zoals we gezien hebben, “niets anders dan het ons door God ingegeven licht van het verstand. Dankzij dat licht weten we wat men doen en wat men mijden moet. Dit licht en deze wet heeft God ons bij de schepping geschonken”. 71 De juiste autonomie van het praktische verstand betekent, dat de mens een hem eigen, van de Schepper ontvangen wet als eigen bezit in zich draagt. Maar de autonomie van het verstand kan niet de schepping van de waarden en van de zedelijke normen door het verstand betekenen. 72 Zou een dergelijke autonomie inhouden dat men de deelname van het praktische verstand aan de wijsheid van de goddelijke Schepper en Wetgever loochent of dat men een pleidooi houdt voor een creatieve vrijheid die al naar gelang van de historische omstandigheden of van de verscheidenheid van culturen, zedelijke normen voortbrengt, dan zou een in dier voege bevochten autonomie in tegenstelling zijn met de leer van de Kerk over de waarheid van de mens. 73 Ze zou de dood betekenen van de ware vrijheid: “Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad zult ge niet eten; want als je daarvan eet, zul je sterven” (Gen. 2, 17).

41. Ware zedelijke autonomie van de mens betekent zeker niet afwijzing, maar aanvaarding van de zedenwet, het gebod van God: “God de Heer gebood de mens..” (Gen. 2, 16). De vrijheid van de mens en de wet van God ontmoeten elkaar en hebben de opdracht, om elkaar in de zin van de vrije gehoorzaamheid van de mens aan God en van de onverdiende welwillendheid van God jegens de mens, wederzijds te doordringen. De gehoorzaamheid aan God is dus niet, zoals sommigen menen, een heteronomie, alsof het morele leven onderworpen zou zijn aan een absolute almacht buiten de mens, die in tegenspraak zou zijn met de handhaving van zijn vrijheid. Als heteronomie van de moraal werkelijk ontkenning van de zelfbestemming van de mens of oplegging van normen zou betekenen, die met zijn welzijn niets van doen hebben, dan stond ze in tegenstelling met de openbaring van het Verbond en de verlossende Menswording van God. Een dergelijke heteronomie zou alleen een vorm van vervreemding zijn, tegengesteld aan de goddelijke wijsheid en aan de waardigheid van de menselijke persoon.

Sommigen spreken met recht van theonomie of gedeelde theonomie, omdat de vrije gehoorzaamheid van de mens aan de wet van God inderdaad de deelneming van het menselijke verstand en van de menselijke wil aan de wijsheid en de voorzienigheid van God insluit. Wanneer God de mens verbiedt om “van de boom van kennis van goed en kwaad te eten”, zegt Hij daarmee, dat de mens deze “kennis” niet als een oorspronkelijk eigen bezit in zich draagt, maar alleen door het licht van het natuurlijke verstand en van de goddelijke openbaring, die hem de eisen en oproepen van de eeuwige wijsheid bekendmaken, daaraan deel heeft. De wet moet als uitdrukking van de goddelijke wijsheid begrepen worden: terwijl de vrijheid zich daaraan onderwerpt, onderwerpt zij zich aan de waarheid van de schepping. Daarom moeten wij in de vrijheid van de menselijke persoon het beeld en de nabijheid van God erkennen, die “in allen aanwezig is” (vgl. Eph. 4, 6); tegelijk moeten we de majesteit van de God van het Al belijden en de heiligheid van de wet van de oneindig transcendente God vereren. Deus semper maior. 74

Gelukkig de man die vreugde vindt in de wet des Heren (vgl. Ps. 1, 1-2)

42. De naar de wil van God gevormde vrijheid van de mens wordt door diens gehoorzaamheid aan de wet van God niet alleen niet ontkend, maar blijft pas door deze gehoorzaamheid in de waarheid en beantwoordt aan de waardigheid van de mens, zoals het Concilie openlijk schrijft: “De waardigheid van de mens vereist dus, dat hij handelt in welbewuste en vrije keuze, persoonlijk nl. van binnenuit bewogen en aangezet, en niet door een blinde innerlijke drift of door louter uiterlijke dwang. Een dergelijke waardigheid verkrijgt de mens, wanneer hij zich vrijmaakt uit elke gevangenschap van de passies, zijn einddoel nastreeft in een vrije keuze van het goede en zich verzekert van de juiste hulpmiddelen, daadwerkelijk en in naarstige toeleg”. 75

In zijn streven naar God, Hem die “alleen goed is”, moet de mens in vrije beslissing het goede doen en het kwade mijden. Maar daartoe moet de mens het goede van het kwade kunnen onderscheiden. En dat gebeurt vooral dankzij het licht van het natuurlijke verstand, weerschijn van de schittering van Gods aangezicht in de mens. In deze zin schrijft de H. Thomas in een commentaar op een vers van de vierde psalm: “Nadat de psalmist gezegd heeft: “Breng het juiste offer (Ps. 4, 6), alsof mensen hem naar de werken van de gerechtigheid gevraagd hadden, voegt hij eraan toe: Velen zeggen: Wie laat ons het goede zien?” En als antwoord op die vraag zegt hij: Heer, laat uw aanschijn over ons lichten! Alsof hij wilde zeggen, dat het licht van het natuurlijke verstand, waarmee wij het goede van het kwade onderscheiden - wat tot de natuurwet behoort - niets anders is dan een afdruk van het goddelijke licht in ons”. 76 Daaruit volgt ook, waarom deze wet natuurwet wordt genoemd: ze wordt zo genoemd, niet met het oog op de natuur van wezens zonder verstand, maar omdat het verstand, dat haar uitvaardigt, tot de menselijke natuur behoort. 77

43. Vaticanum II herinnert eraan, dat “de hoogste norm van het menselijk leven de goddelijke, eeuwige, objectieve en universele wet is, waardoor God, volgens het raadsbesluit van zijn wijsheid en liefde, de hele wereld en de gang van de menselijke samenleving ordent, leidt en beheert. God maakt de mens deelachtig aan zijn wet, zodat de mens onder de zachte leiding van de goddelijke voorzienigheid de onveranderlijke waarheid steeds beter kan leren kennen. 78

Het Concilie verwijst naar de “klassieke” leer over de eeuwige wet van God. De H. Augustinus definieert haar als “het verstand of de wil van God, die gebiedt om de natuurlijke orde in acht te nemen, en verbiedt om haar te verstoren”; 79 de H. Thomas vereenzelvigt haar met het “plan van de goddelijke wijsheid, die alles beweegt naar het geboden doel toe”. 80 En de wijsheid van God is voorzorg, zorgende liefde. Het is dus God zelf die de hele schepping liefheeft en in de meest letterlijke, fundamentele betekenis voor haar zorgt (vgl. Wijsh. 7, 22; 8, 11). Maar God zorgt voor de mens anders dan voor de wezens die geen personen zijn: niet “van buiten”, door de wetten van de fysieke natuur, maar “van binnen”, door het verstand dat, wanneer het met behulp van het natuurlijke licht de eeuwige wet van God kent, daardoor in staat is om aan de mens de juiste richting van zijn vrije handelen te wijzen. 81 Op deze manier roept God de mens tot deelname aan zijn voorzienigheid, want Hij wil de wereld met de hulp van de mens zelf, dat wil zeggen door zijn verstandige en verantwoordelijke zorg, leiden: niet alleen de wereld van de natuur, maar ook de wereld van de menselijke personen. In deze samenhang staat de natuurwet, menselijke uitdrukking van de eeuwige wet van God: “In vergelijking met de andere schepselen - schrijft de H. Thomas - is het met verstand begiftigde schepsel op voortreffelijke wijze onderworpen aan de goddelijke voorzienigheid, omdat het van zijn kant deel heeft aan de voorzienigheid door voor zichzelf en voor de anderen te voorzien; daarom heeft het deel aan het eeuwige intellect, dankzij hetwelk het een natuurlijke neiging heeft tot de zedelijk geboden handeling en tot het geboden doel: deze deelname aan de eeuwige wet in het met verstand begiftigde schepsel wordt natuurwet genoemd”. 82

44. De Kerk heeft zich vaak beroepen op de leer van St. Thomas over de natuurwet en haar in haar moraalverkondiging opgenomen. Zo heeft Onze Voorganger Leo XIII de ingeschapen onderschikking van het menselijk verstand en van de menselijke wil aan Gods wijsheid en wet op de voorgrond geplaatst. Nadat hij uiteengezet heeft, dat “de natuurwet in de harten van de afzonderlijke mensen geschreven en gebeiteld is, daar zij het menselijke verstand zelf is, waar het ons gebiedt, het goede te doen en ons verbiedt om te zondigen”, verwijst Leo XIII naar het “hogere intellect” van de goddelijke Wetgever: “Maar dit voorschrift van het menselijke verstand zou geen kracht van wet hebben, als het niet de stem en de uitleg van een hoger verstand was, waaraan onze geest en onze vrijheid zich moeten onderwerpen”. De kracht van de wet berust inderdaad op zijn autoriteit om verplichtingen op te leggen, rechten te verlenen en bepaalde gedragingen te belonen of te bestraffen: “Dat alles zou in de mens niet aanwezig zijn, als hijzelf als opperste wetgever zich de norm voor zijn handelen zou stellen”. En hij zegt afsluitend: “Daaruit volgt dat de natuurwet de eeuwige wet zelf is, die hun is ingeplant die het verstand gebruiken, en die hen voert tot het verschuldigde handelen en het verschuldigde doel; dit is het eeuwige intellect van de Schepper zelf en van de God die de hele wereld regeert”. 83

De mens kan goed en kwaad kennen dankzij dat onderscheid van goed en kwaad, dat hij zelf met behulp van zijn verstand maakt, in het bijzonder het door de goddelijke openbaring en door het geloof verlichte verstand, krachtens de wet die God aan het uitverkoren volk, te beginnen bij de geboden van de Sinaï, geschonken heeft. Israël was ertoe geroepen, de wet van God als bijzonder geschenk en teken van de uitverkiezing en van het goddelijk verbond en tegelijk als garantie voor de zegen van God te ontvangen en te beleven. Zo kon Mozes zich tot de zonen van Israël wenden en hun vragen: “Immers, welke grote natie heeft wel goden, die haar zo nabij zijn, als Jahwe, onze God ons nabij is, waar we Hem ook aanroepen? Of welke grote natie bezit wel wetten en rechtsnormen, die zo doelmatig zijn als alles in deze instructie, die ik u vandaag voorleg?” (Dt. 4, 7-8). In de psalmen kunnen we de gevoelens van lof, dankbaarheid en verering vinden, die het uitverkoren volk tegenover de wet Gods moet koesteren, samen met de vermaning, om haar te leren kennen, te overdenken en in praktijk te brengen te brengen: “Gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen, op de weg van de schenders geen voet zet, niet zit in de kring van de spotters; die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit, zijn wet overpeinst dag en nacht” (Ps. 1, 1-2). “De wet van Jahwe is volmaakt: en behoedt de ziel voor verdwalen, Jahwe”s getuigenis waarachtig, het schenkt onwetenden wijsheid; wat Jahwe bepaalt, dat is recht, een verheugenis is het des harten; het gebod van Jahwe is onaantastbaar: het schept verheldering van ogen” (Ps. 19, 8-9).

45. De Kerk ontvangt met dankbaarheid het hele goed van de openbaring en hoedt het met liefde en behandelt het met religieus respect, terwijl zij door de authentieke uitleg van de wet Gods in het licht van het evangelie haar zending vervult. Daarenboven ontvangt de Kerk als geschenk de nieuwe wet, die de “voltooiïng” van de wet van God in Jezus Christus en in zijn Geest is: het is een “innerlijke wet” (vgl. Jer. 31, 31-33), “geschreven niet met inkt maar met de Geest van de levende God, niet op tafels uit steen, maar - als op tafels - in harten van vlees” (2 Kor. 3, 3); een wet van de volmaaktheid en de vrijheid (vgl. 2 Kor. 3, 17); het is “de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus” (Rom. 8, 2). Over deze wet schrijft de H. Thomas: “Deze wet kan in een betekenis wet de heilige Geest genoemd worden.. en wel de heilige Geest, die, terwijl Hij in de ziel zijn woning neemt, niet alleen door de verlichting van het verstand leert wat men moet doen, maar ook genegen maakt, met de juiste bedoeling te handelen.. In een andere betekenis kan de wet van de geest de eigenlijke werking van de heilige Geest genoemd worden, dat wil zeggen het geloof, dat in de liefde werkzaam is (Gal. 5, 6); het onderricht ons dus innerlijk over wat we doen moeten.. en maakt ons genegen om te handelen”. 84

Ook al is het in het moraaltheologische onderzoek de gewoonte, de positieve of geopenbaarde wet van God te onderscheiden van de natuurwet en in het heilsplan de “oude” wet van de “nieuwe”, dan mag men toch niet vergeten dat deze en andere nuttige onderscheiden steeds betrekking hebben op de wet, waarvan de Auteur een en dezelfde God is, zoals de ontvanger van deze wet de mens is. De verschillende manieren, waarop God zich in de geschiedenis ontfermt over de mens en over de wereld, sluiten niet alleen elkaar niet uit, maar integendeel, ze steunen en doordringen elkaar wederzijds. Ze hebben allemaal hun bron en hun einddoel in het wijze en liefdevolle eeuwige plan, waarmee God de mensen ertoe bestemt om “gelijkvormig te worden met het beeld van zijn Zoon” (Rom. 8, 29). In dit plan ligt geen bedreiging voor de ware vrijheid van de mens; in tegendeel, de aanvaarding van dit plan is de enige weg naar bevestiging van de vrijheid.

 “De wet staat hun in het hart geschreven” (Rom. 2, 15)

46. Een verondersteld conflict tussen vrijheid en wet wordt vandaag opnieuw met buitengewone kracht inzake de natuurwet en in het bijzonder inzake de natuur opgeworpen. In feite hebben de debatten over natuur en vrijheid de geschiedenis van het morele denken altijd begeleid; in de Renaissance en Reformatie hebben deze debatten gevlamd, zoals men uit de leer van het Concilie van Trente kan opmaken. 85 De huidige tijd wordt door een vergelijkbare spanning, zij het ook in een andere zin, getekend: De voorliefde voor de empirische observatie, de methoden van wetenschappelijke objectivering, de technische vooruitgang, bepaalde vormen van liberalisme hebben de twee begrippen tegenover elkaar gesteld, alsof de dialectiek - zoal niet het conflict - tussen vrijheid en natuur een structureel element van de menselijke geschiedenis zou zijn. In andere tijden scheen de “natuur” de mens volledig aan haar dynamismen te onderwerpen, ja zelfs hem te determineren. Vandaag nog schijnen voor velen de ruimte-tijd-coördinaten van de zintuiglijk waarneembare wereld, de fysisch-chemische constanten, de lichamelijke en psychische impulsen en de maatschappelijke druk de enige werkelijk beslissende factoren van de menselijke werkelijkheid te zijn. In deze samenhang worden ook de zedelijke feiten, ondanks hun eigen karakter, vaak als statistisch te vatten gegevens, observeerbaar gedrag of alleen met de categorieën van psychosociale mechanismen behandeld. En zo kunnen sommige ethici, die beroepshalve zich moeten wijden aan het onderzoek van handelingen en opvattingen van de mens, in de verleiding zijn om hun kennis, ja zelfs hun voorschriften, te meten aan een statistische uitwerking van het concrete menselijke gedrag en aan de meningen van de meerderheid bij morele kwesties.

In tegenstelling daarmee kennen andere moraaltheologen, bedacht op opvoeding in waarden, een gevoeligheid om de vrijheid in ere te houden, maar ze verstaan die vaak in tegenspraak of tegenstelling met de materiële en biologische natuur, die zij stap voor stap zou moeten overwinnen. Daarbij stemmen verschillende opvattingen erin overeen, dat zij de eigen dimensie van de natuur vergeten en haar integriteit loochenen. Voor sommigen wordt de natuur nog slechts tot ruw materiaal voor het menselijk handelen en kunnen gereduceerd: zij zou door de vrijheid fundamenteel omgevormd, ja overwonnen moeten worden, aangezien zij begrenzing en ontkenning van de vrijheid betekent. Anderen menen dat bij het mateloze toenemen van de macht van de mens resp. de uitbreiding van zijn vrijheid de economische, maatschappelijke, culturele en ook zedelijke waarden zouden ontstaan: natuur zou dan betekenen: alles wat in de mens en in de wereld buiten de vrijheid gevestigd is. Deze natuur zou dan in de eerste plaats het menselijk lichaam omvatten, zijn gesteldheid en zijn impulsen: in tegenstelling met dit fysieke gegeven zou al wat “geconstrueerd” is staan, dus de “cultuur” als werk en produkt van de vrijheid. De zo opgevatte menselijke natuur zou gereduceerd kunnen worden en behandeld als een voortdurend ter beschikking staand biologisch of maatschappelijk materiaal.

Dat betekent tenslotte, dat men de vrijheid door zichzelf definieert en dat men haar maakt tot scheppende instantie van haarzelf en van haar waarden. Op deze manier zou de mens tenslotte zelf geen natuur hebben; hij zou op zichzelf beschouwd zijn eigen bestaansproject zijn. De mens zou niets meer zijn dan zijn vrijheid!

47. In deze samenhang werd tegen de traditionele opvatting van de natuurwet de tegenwerping van het fysicisme en naturalisme gemaakt: deze opvatting zou als zedelijke wetten behandelen, wat op zich alleen maar biologische wetten waren. Zo zou men al te oppervlakkig aan bepaalde menselijke gedragswijzen een blijvende, onveranderlijke waarde hebben toegekend en zich aangematigd, op dit fundament algemeen geldige zedelijke normen te formuleren. Volgens sommige theologen zou zulk een “biologistische of naturalistische bewijsvoering” ook in enkele documenten van het leergezag van de Kerk worden verdedigd, speciaal in die, welke het gebied van de seksuele ethiek en de huwelijksmoraal betreffen. Op grond van een naturalistische opvatting van de geslachtsdaad zouden contraceptie, directe sterilisatie, zelfbevrediging, voorhuwelijkse betrekkingen, homoseksuele relaties alsmede kunstmatige bevruchting als zedelijk ontoelaatbaar veroordeeld zijn. Maar naar de mening van deze theologen houdt een moreel negatieve beoordeling van deze handelwijzen noch met de mens als een vrij en verstandig wezen, noch met de culturele gebondenheid van iedere zedelijke norm, behoorlijk rekening. De mens als met verstand begiftigd wezen kan - in deze opvatting - niet alleen, maar moet juist vrij de zin van zijn gedrag zelf bepalen. Dit “de zin bepalen” zou natuurlijk rekening moeten houden met de veelvoudige grenzen van de mens in zijn lichamelijke en historische levensomstandigheden. Het zou ook moeten letten op de gedragsmodellen en de betekenissen die deze in een bepaalde cultuur krijgen. En vooral zou het het fundamentele gebod van de Gods- en de naastenliefde moeten respecteren. God echter - zo beweert men dan - heeft de mens als een vrij wezen-met-verstand geschapen, Hij heeft hem “aan de macht van zijn eigen beslissing” overgelaten en verwacht van hem een zelfstandige, verstandige ontwikkeling van zijn leven. De liefde voor de naaste zou voor alles en uitsluitend respect voor zijn vrije zelfbeschikking betekenen. De mechanismen van de gedragswijzen die de mens eigen zijn, alsook de “natuurlijke neigingen” zouden - zo heet het -hoogstens een algemene oriëntering voor het juiste gedrag vastleggen, ze zouden echter niet kunnen beslissen over de morele waardering van de afzonderlijke, in het licht van de situatie van het ogenblik zeer complexe, menselijke handelingen.

48. Tegenover een dergelijke interpretatie moet de ware betrekking die tussen vrijheid en menselijke natuur bestaat, opnieuw aandachtig overdacht worden, in het bijzonder welke plaats het menselijk lichaam in de op de natuurwet betrekking hebbende kwesties inneemt.

Een vrijheid die aanspraak maakt op absoluutheid, behandelt uiteindelijk het menselijk lichaam als ruw materiaal, ontbloot van iedere zin en morele waarde, zolang de vrijheid het niet heeft ingebracht in haar project. De menselijke natuur en het lichaam blijken dientengevolge voor het kiezen van de vrijheid materieel noodzakelijke, maar voor de persoon, het menselijk subject en de menselijke handeling uiterlijke voorwaarden of afhankelijkheden. Hun dynamismen zouden geen referentiepunten voor de morele beslissing kunnen bieden, aangezien het doel van deze neigingen alleen “fysieke” bona, door sommigen “voor-zedelijke” bona genoemd, zouden zijn. Wie zich op deze zou beroepen, om daarin te zoeken naar een oriëntering van het verstand voor de zedelijke orde, zou van fysicisme of van biologisme beticht moeten worden. Met zulke veronderstellingen loopt de spanning tussen de vrijheid en de reductionistisch begrepen natuur uit op een splitsing in de mens zelf.

Deze morele theorie komt niet overeen met de waarheid over de mens en zijn vrijheid. Ze is in tegenspraak met de leer van de Kerk over de eenheid van het menselijke zijn, welker met verstand begiftigde ziel per se et essentialiter vorm van het lichaam is. 86 De geestelijke en onsterfelijke ziel is het eenheidsbeginsel van het menselijke zijn; zij is het, waardoor dit - als persoon - een geheel - corpore et anima unus87 - is. Deze definities wijzen er niet alleen op, dat ook het lichaam, waaraan de opstanding beloofd is, aan de heerlijkheid zal deelhebben; ze herinneren er ook aan, dat het verstand en de vrije wil in alle lichamelijke en zintuiglijke krachten ingebonden zijn. De menselijke persoon is, inclusief het lichaam, helemaal aan zichzelf overgedragen en juist in de eenheid van ziel en lichaam is zij het subject van haar zedelijke daden. Door het licht van het verstand en de ondersteuning van de deugd ontdekt de menselijke persoon in haar lichaam de anticiperende tekenen, de uitdrukking en de belofte van de zelfgave overeenkomstig het wijze plan van de Schepper. In het licht van de waardigheid van de menselijke persoon - die door zichzelf bevestigd moet worden -begrijpt het verstand de bijzondere zedelijke waarde van enkele bona, waartoe de menselijke persoon van nature neigt. En aangezien de menselijke persoon zich niet laat reduceren tot een project van de eigen vrijheid, maar een bepaalde geestelijke en lichamelijke structuur omvat, sluit de oorspronkelijke morele eis om de persoon als einddoel en nooit als louter middel lief te hebben en te respecteren, wezenlijk ook respect voor enkele fundamentele bona in, zonder achting waarvoor men vervalt tot relativisme en willekeur.

49. Een leer die de zedelijke handeling scheidt van de lichamelijke dimensies van haar uitvoering, staat in tegenstelling met de leer van de Heilige Schrift en de overlevering. Een dergelijke leer laat in nieuwe vorm bepaalde oude, door de Kerk steeds bestreden dwalingen heropleven, die de menselijke persoon reduceren tot een “geestelijke”, louter formele vrijheid. Deze reductie miskent de morele betekenis van het lichaam en van de op dat lichaam betrekking hebbende gedragswijzen (vgl. 1 Kor. 6, 19). De apostel Paulus verklaart “hoerenlopers, afgodendienaars, echtbrekers, schandknapen, knapenschenders, dieven, uitbuiters, dronkaards, lasteraars en oplichters” uitgesloten van het Godsrijk (vgl. 1 Kor. 6, 9-10). Deze vervloeking - die door het Concilie van Trente bevestigd werd88 - somt als “doodzonden” of “infame praktijken” enkele specifieke gedragswijzen op, welker opzettelijke aanname de gelovigen belet om te delen in het eeuwige erfgoed. Inderdaad zijn lichaam en ziel onscheidbaar: in de menselijke persoon, in de opzettelijk handelende en zijn vrij overwogen doen houden zij zich samen staande of gaan samen ten onder.

50. Men kan nu de ware betekenis van de natuurwet begrijpen: Ze heeft betrekking op de eigenlijke en oorspronkelijke natuur van de mens, op de natuur van de “menselijke persoon”, 89 die de persoon zelf in de eenheid van ziel en lichaam is in de eenheid van haar zowel geestelijke als biologische voorkeuren en van alle andere specifieke kenmerken, die voor het bereiken van haar eindbestemming noodzakelijk zijn. “De natuurlijke zedenwet drukt uit en schrijft voor de doelstellingen, rechten en plichten, die steunen op de lichamelijke en geestelijke natuur van de menselijke persoon. Ze kan dus niet als louter biologisch maatgevend begrepen worden, maar moet als de orde van het verstand gedefinieerd worden, volgens welke de mens door de Schepper ertoe geroepen is, zijn leven en zijn handelingen te sturen en te regelen en in het bijzonder van zijn lichaam gebruik te maken en daarover te beschikken”. 90 Bijvoorbeeld: oorsprong en fundament van de verplichting tot absoluut respect voor het menselijk leven liggen in de waardigheid die de menselijke persoon eigen is, en niet louter in de natuurlijke neiging om zijn fysieke leven te behouden. Zo wint het menselijk leven, dat een fundamenteel goed van de mens is, aan morele betekenis met het oog op het welzijn van de persoon, dat zich steeds omwille van zichzelf moet doen gelden: terwijl het moreel altijd ongeoorloofd is, een onschuldige mens te doden, kan het toegestaan, prijzenswaardig en zelfs geboden zijn, uit naastenliefde of als getuigenis voor de waarheid het eigen leven te geven (vgl. Joh. 15, 13). In werkelijkheid kan men alleen met betrekking tot tot de menselijke persoon in haar “verenigde totaliteit”, dat wil zeggen “als ziel die zich uitdrukt in het lichaam en als lichaam dat van een onsterfelijke geest doorleefd wordt”, 91 de specifiek menselijke betekenis van het lichaam begrijpen. De natuurlijke neigingen winnen immers alleen aan zedelijke betekenis, voorzover ze betrekking hebben op de menselijke persoon en haar authentieke verwerkelijking, die van de andere kant altijd en uitsluitend binnen het kader van de menselijke natuur tot stand kan komen. Wanneer de Kerk manipulaties van de lichamelijkheid, die haar menselijke betekenis vervalsen, afwijst, dan dient zij de mens en wijst hem de weg van de ware liefde, waarop alleen hij de ware God kan vinden.

De zo begrepen natuurwet laat geen ruimte voor een scheiding van vrijheid en natuur: ze zijn werkelijk harmonisch met elkaar verweven en ten diepste met elkaar verbonden.

 “Aanvankelijk was dat niet zo” (Mt. 19, 8”)

51. Het veronderstelde conflict tussen vrijheid en natuur heeft ook invloed op de interpretatie van enkele bijzondere aspecten van de natuurwet, vooral op haar universaliteit en onveranderlijkheid. “Waar zijn dan wel deze regels opgeschreven - vroeg de H. Augustinus zich af -.. tenzij in het boek van dat Licht, dat Waarheid genoemd wordt? Vandaar wordt dus iedere juiste wet gedicteerd en gaat zij over in het hart van de mens, die de gerechtigheid bewerkt, waarbij ze hem niet meer verlaat, maar zich bij hem indrukt zoals de voorstelling van de ring zich indrukt in de was, zonder evenwel de ring te verlaten”. 92

Dankzij deze “Waarheid” ligt universaliteit in de natuurwet besloten. Daar zij staat geschreven in de verstandsnatuur van de menselijke persoon, is zij aan ieder met verstand begiftigd en in de geschiedenis levend schepsel opgelegd. Om zich in zijn specifieke staat te vervolmaken, moet de mens het goede doen en het kwade laten, over het doorgeven en het instandhouden van het menselijk leven waken, de rijkdommen van de waarneembare wereld koesteren en doen toenemen, zijn sociale contacten onderhouden, de waarheid zoeken, het goede doen, de schoonheid bekijken. 93

De tegenstelling die sommigen hebben ingebracht tussen de vrijheid van de individuen en de aan allen gemeenschappelijke natuur, zoals dit uit sommige filosofische theorieën, die in de moderne cultuur een grote weerklank gevonden hebben, te voorschijn komt, versluiert de ervaring van de universaliteit van de natuurwet door het verstand. Voorzover echter de natuurwet de waardigheid van de menselijke persoon tot uitdrukking brengt en de grondslagen voor haar fundamentele rechten en plichten legt, is zij in haar geboden universeel, en haar autoriteit strekt zich uit over alle mensen. Deze universaliteit laat de uniciteit van de mensen niet buiten beschouwing, noch is zij in tegenspraak met de eenmaligheid en de onherhaalbaarheid van iedere afzonderlijke menselijke persoon: ze omsluit integendeel fundamenteel ieder van haar vrije handelingen die getuigen van de universaliteit van het ware goede. Doordat ze zich aan de gemeenschappelijke wet onderwerpen, bouwen onze handelingen de ware gemeenschap van de personen op en verwerkelijken met de genade van God de liefde, “de band die alles samenhoudt en volkomen maakt” (Kol. 3, 14). Wanneer ze daarentegen de wet miskennen of, met of zonder schuld, daar ook maar onkundig van zijn, dan kwetsen onze handelingen de gemeenschap van de personen tot schade van ieder individueel.

52. Het is altijd en voor allen juist en goed, God te dienen, Hem de passende verering te bewijzen en de ouders te eren, zoals het hoort. Zulke positieve geboden die bevelen om bepaalde handelingen te volbrengen en bepaalde gedragswijzen te koesteren, verplichten algemeen; ze zijn “onveranderlijk”; 94 ze verenigen in hetzelfde gemeenschappelijke goed alle mensen van alle tijdperken der geschiedenis, die voor “dezelfde roeping en dezelfde goddelijke bestemming” 95 geschapen zijn. Deze universele en blijvende wetten beantwoorden aan inzichten van het praktische verstand en worden door het oordeel van het geweten toegepast op de afzonderlijke handelingen. Het handelende subject neemt persoonlijk de in de wet besloten waarheid in bezit: door de handelingen en de daarmee overeenstemmende deugden maakt het zich deze waarheid van zijn zijn tot iets eigens. De negatieve geboden van de natuurwet zijn algemeen geldig: ze verplichten allen en ieder afzonderlijk altijd en onder alle omstandigheden. Het gaat inderdaad om verboden, die een handeling semper et pro semper verbieden, zonder enige uitzondering, omdat de keuze van een dergelijke gedragswijze in geen geval met de goedheid van de wil der handelende persoon, met haar roeping tot leven met God en tot gemeenschap met de naaste verenigbaar is. Het is iedereen altijd verboden, geboden te overtreden die allen en tot elke prijs verplichten om in niemand en vooral niet in zichzelf de persoonlijke, aan allen gemeenschappelijke waardigheid te kwetsen.

Ook wanneer alleen de negatieve geboden altijd en onder alle omstandigheden verplichten, betekent dat anderzijds niet, dat in het zedelijk leven de verboden belangrijker zouden zijn dan het streven om het door de positieve geboden aangewezen goede te doen. De reden is veeleer de volgende: het gebod van de Gods- en van de naastenliefde heeft in zijn dynamiek geen bovengrens, wel echter een ondergrens: gaat men daaronder, dan schendt men het gebod. Bovendien hangt dat wat men in een bepaalde situatie moet doen, af van de omstandigheden, die niet alle van te voren al voorzien kunnen worden; omgekeerd echter zijn er gedragswijzen, die nooit, in geen enkele situatie, een passende - dat wil zeggen met de waardigheid van de mens overeenkomende - oplossing kunnen zijn. Tenslotte is het altijd mogelijk, dat de mens onder dwang of andere omstandigheden verhinderd wordt om bepaalde goede handelingen ten uitvoer te brengen; nooit echter kan hem belet worden bepaalde handelingen na te laten, vooral wanneer hij bereid is, liever te sterven dan het kwade te doen.

De Kerk heeft altijd geleerd, dat gedragswijzen die verboden worden door de in het Oude en het Nieuwe Testament in negatieve vorm geformuleerde negatieve geboden, nooit gekozen mogen worden. Zoals we gezien hebben, bevestigt Jezus zelf de onvermijdelijkheid van deze verboden: “Als je het eeuwige leven wilt bereiken, onderhoudt dan de geboden!.. Je zult niet doden, je zult niet echtbreken, je zult niet stelen, je zult niet vals getuigen” (Mt. 19, 17-18).

53. De grote gevoeligheid van de tegenwoordige mens voor historiciteit en cultuur verleidt sommigen ertoe, om aan de onveranderlijkheid van de natuurwet en daarmee aan het bestaan van “objectieve normen van zedelijkheid” 96 te twijfelen, die voor alle mensen van vandaag en van de toekomst gelden, zoals ze reeds voor die van het verleden gegolden hebben: Is het eigenlijk wel mogelijk, van bepaalde verstandige bepalingen, die ooit in het verleden, zonder kennis van de latere vooruitgang van de mensheid, vastgelegd werden, te beweren dat ze voor allen een universele en altijddurende geldigheid hebben?

Het valt niet te ontkennen dat de mens zich altijd in een bepaalde cultuur bevindt, maar evenmin kan men bestrijden, dat de mens zich in de cultuur van het moment ook niet helemaal geeft. Overigens bewijst de ontwikkeling van de cultuur zelf, dat er in de mens iets is dat alle culturen overstijgt. Dit “iets” is nu juist de natuur van de mens: zij precies is de maat van de cultuur en de voorwaarde, dat de mens niet wordt tot de gevangene van een van zijn culturen, maar dat hij zijn waardigheid als persoon verdedigt door in overeenstemming met de diepe waarheid van zijn wezen te leven. Wie de bijzonder en blijvende elementen van de mens, die ook met zijn lichamelijke dimensie samenhangen, in twijfel zou trekken, zou niet alleen in conflict blijken met de algemene ervaring, maar zou ook de verwijzing naar het “begin” onbegrijpelijk laten worden, die Jezus juist daar maakte waar de sociale en culturele tijdsomstandigheden de oorspronkelijke zin en de rol van enkele zedelijke normen misvormd had (vgl. Mt. 19, 1-9). In deze zin “belijdt de Kerk, dat aan alle veranderingen veel onveranderlijks ten grondslag ligt, wat zijn laatste grond in Christus heeft, die dezelfde is gisteren, vandaag en in eeuwigheid”. 97 Hij is het “Begin”, die, nadat Hij de menselijke natuur heeft aangenomen, haar in haar basiselementen en in haar dynamisme van Gods- en naastenliefde voorgoed verlicht. 98

Zeker moet voor de universeel en voortdurend geldende zedelijke normen een formulering gezocht en gevonden worden, die voor de verschillende culturele omstandigheden het passendst is, die in staat is om de historische actualiteit van deze normen onophoudelijk tot uitdrukking te brengen en haar waarheid begrijpelijk te maken en authentiek uit te leggen. Deze waarheid van de zedenwet ontvouwt zich - zoals die van het geloofsgoed (depositum fidei) -door de eeuwen heen: de normen, die de uitdrukking van deze waarheid zijn, blijven wezenlijk van kracht, moeten echter door het leergezag van de Kerk naar de historische omstandigheden van het ogenblik “eodem sensu eademque sententia” 99 preciezer worden gedefinieerd en bepaald; de beslissing van het leergezag wordt voorbereid en begeleid door het streven naar verstaanbaarheid en formulering, eigen aan het denken van de gelovigen en het theologische onderzoek. 100

II Geweten en waarheid

Het heiligdom van de mens

54. De betrekking tussen de vrijheid van de mens en de wet van God heeft haar levende zetel in het “hart” van de menselijke persoon, dat wil zeggen in haar zedelijk geweten: “In het diepst van zijn geweten ontdekt de mens een wet, die hij zichzelf niet stelt, maar waaraan hij moet gehoorzamen, en waarvan de stem, die hem steeds weer oproept om het goede te beminnen en het kwade te vermijden, op het juiste moment doorklinkt in de oren van zijn hart: doe dit, vermijd dat. Want de mens heeft de door God geschreven wet in zijn hart; daaraan te gehoorzamen is zijn waardigheid en volgens deze zal hij zelf geoordeeld worden (vgl. Rom. 2, 14-16)”. 101

Daarom hangt de wijze waarop men de betrekking tussen vrijheid en wet verstaat, tenslotte nauw samen met de opvatting die men over het zedelijk geweten heeft. In deze zin leiden de bovengenoemde culturele stromingen, die vrijheid en wet tegenover elkaar stellen en van elkaar scheiden en die vrijheid op afgodische manier verheerlijken, tot een opvatting van het zedelijk geweten als “scheppende” instantie, een opvatting die zich geheel verwijdert van de overgeleverde positie van de Kerk en haar leergezag.

55. Naar de mening van verschillende theologen heeft men, tenminste in zekere perioden in het verleden, de functie van het geweten enkel tot de toepassing van zedelijke normen op bepaalde gevallen van het persoonlijk leven beperkt gezien. Zulke normen -zo heet het - zijn echter niet in staat om de onherhaalbare bijzonderheid van alle afzonderlijke concrete daden van de personen in hun gezamenlijkheid te omvatten en er rekening mee te houden; ze zouden op bepaalde manier bij een juiste inschatting van de situatie behulpzaam kunnen zijn, maar niet in de plaats van de personen kunnen treden en hun taak overnemen, om een persoonlijke beslissing over hun gedrag in bepaalde afzonderlijke gevallen te nemen. Ja, de voornoemde kritiek op de traditionele interpretatie van de menselijke natuur en haar betekenis voor het zedelijk leven verleidt sommige auteurs tot de bewering dat deze normen niet zozeer een bindend objectief criterium zijn voor de oordelen van het geweten, als wel een algemene oriëntering, die in de eerste plaats de mens helpt om aan zijn persoonlijke en sociale leven een geregelde orde te geven. Daarenboven onthullen ze de complexiteit die het verschijnsel van het geweten eigen is: Deze hangt ten diepste samen met het totale psychologische en affectieve terrein en met de veelvoudige invloeden van de maatschappelijke en culturele omgeving van de mens. Anderzijds wordt de waarde van het geweten hoog geprezen, dat door het Concilie als “heiligdom in de mens, waar hij alleen is met God, wiens stem in zijn binnenste te horen is” 102 gedefinieerd werd. Deze stem -zo wordt gezegd -geeft de mens niet zozeer aanleiding tot pijnlijk nauwkeurige beschouwing van de universele normen, als wel tot een creatief en verantwoordelijk op zich nemen van de persoonlijke opgaven, die God hem toevertrouwt.

Met de bedoeling om het “creatieve” karakter van het geweten naar voren te brengen, noemen sommige auteurs het werken van het geweten niet meer “oordelen”, maar “beslissen”: alleen door dit beslissen “autonoom” te doen (beslissingen “autonoom” te nemen) zou de mens tot zijn zedelijke rijpheid kunnen komen. Enkelen huldigen ook de opvatting, dat dit rijpingsproces gehinderd zou worden door de al te categorische positie die het leergezag inneemt in veel morele vraagstukken: zijn ingrepen zouden bij de gelovigen het ontstaan van onnodige gewetensconflicten veroorzaken.

56. Ter rechtvaardiging van deze en soortgelijke houdingen hebben enkelen een soort van dubbele zijnswijze van de zedelijke waarheid voorgesteld. Naast het leerstellig-abstracte niveau zou dan de oorspronkelijkheid van een bepaalde concretere existentiële wijze van beschouwen erkend moeten worden. Deze zou, door rekening te houden met de omstandigheden en de situatie, legitiem uitzonderingen op de algemene regels invoeren en zo toestaan om in de praktijk, met een goed geweten dat te doen, dat door de zedenwet als in zich slecht wordt beschouwd. Op deze manier ontstaat in enkele gevallen een scheiding of ook een tegenstelling tussen de leer van het universeel geldende voorschrift en de norm van het individuele geweten, dat feitelijk ten laatste over goed en kwaad zou beslissen. Krachtens dit beginsel matigt men zich aan om het toelaten van zogenaamde “pastorale” oplossingen te motiveren, die in tegenstelling met de leer van het leergezag zijn en een “creatieve” hermeneutiek te rechtvaardigen, volgens welke het zedelijk geweten feitelijk niet in alle gevallen gehouden zou worden aan een bijzonder negatief gebod.

Er is wel niemand die niet begrijpen zal dat met deze aanzetten niets minder dan de identiteit van het zedelijk geweten zelf tegenover de vrijheid van de mens en de wet van God in twijfel wordt getrokken. Pas de voorafgaande verheldering van de op de waarheid steunende betrekking tussen vrijheid en wet maakt een beoordeling van deze “creatieve” interpretatie van het geweten mogelijk.

Het oordeel van het geweten

57. Dezelfde tekst uit de Romeinenbrief die ons het wezen van de natuurwet begrijpelijk maakt, wijst ook op de bijbelse zin van het geweten, bijzonder in zijn specifieke verbinding met de wet: “Wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, al bezitten zij de wet dan niet. Door hun daden tonen zij, dat de wet in hun hart geschreven staat, waarbij komt het getuigenis van hun geweten, terwijl hun gedachten hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken” (Rom. 2, 14-15).

Naar de woorden van de H. Paulus plaats het geweten de mens in zekere zin tegenover de wet, waardoor het zelf tot “getuige” voor de mens wordt: Getuige van zijn trouw of ontrouw jegens de wet, dat wil zeggen van zijn natuurlijke zedelijke rechtschapenheid of slechtheid. Het geweten is de enige getuige: wat in het binnenste van de menselijke persoon zich afspeelt, blijft voor de ogen van iedereen buiten verborgen. Het richt zich met zijn getuigenis alleen tot de persoon zelf. En alleen de persoon op haar beurt kent het eigen antwoord op de stem van het geweten.

58. De betekenis van de innerlijke dialoog van de mens met zichzelf zal men nooit ten volle kunnen waarderen. In werkelijkheid is het echter de dialoog van de mens met God, de Auteur van de wet, het eerste Voorbeeld en het laatste Doel van de mens. “Het geweten - schrijft de H. Bonaventura - is als het ware de heraut van God en de bode, en wat het zegt, beveelt het niet uit zichzelf, maar als boodschap die van God komt, zoals een heraut, wanneer hij het decreet van de koning afkondigt. En daar komt de bindende kracht van het geweten vandaan”. 103 Men kan dus zeggen, dat het geweten tegen de mens zelf getuigt van de rechtschapenheid, resp. de slechtheid van de mens, maar tegelijk, ja nog eerder, is het getuigenis van God zelf, wiens stem en wiens oordeel het innerlijk van de mens tot aan de wortels van zijn ziel doordringen, wanneer ze hem fortiter et suaviter tot gehoorzaamheid oproepen: “Het zedelijk geweten sluit de mens niet op in een onontkoombare en ondoordringbare eenzaamheid, maar maakt hem open voor de roep, voor de stem van God. Daarin en nergens anders in ligt het hele geheim en de hele waardigheid van het zedelijk geweten: dat het namelijk de plaats is, de heilige ruimte, waarin God tot de mens spreekt”. 104

59. De H. Paulus beperkt zich niet tot de erkenning van het geweten als “getuige”, maar hij onthult ook, hoe het zijn functie uitoefent. Het gaat om “gedachten” die de heidenen met betrekking tot tot hun gedrag aanklagen of verdedigen (vgl. Rom. 2, 15). De uitdrukking “gedachten” maakt het eigenlijke karakter van het geweten duidelijk, namelijk dat het een zedelijk oordeel over de mens en zijn handelingen is: Het is een oordeel, dat vrijspreekt of veroordeelt, al naargelang de menselijke handelingen overeenkomen met de in het hart geschreven wet van God of daarvan afwijken. En juist over het oordeel over de handelingen en tegelijk over hun initiator alsook over het tijdstip van de uiteindelijke vervulling van het oordeel spreekt de apostel Paulus in dezelfde tekst, als over “die dag, waarop God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus” (Rom. 2, 16).

Het oordeel van het geweten is een praktisch oordeel, dat wil zeggen een oordeel, dat meedeelt, wat de mens moet doen of laten, of dat een door hem reeds uitgevoerde daad beoordeelt. Het is een oordeel dat de verstandige overtuiging, dat men het goede moet liefhebben en het kwade vermijden, op een concrete situatie toepast. Dit eerste principe van het praktische verstand hoort tot de natuurwet, ja, het geeft haar eigenlijke grondslag weer, voorzover het dat oorspronkelijke licht ter onderscheiding van goed en kwaad tot uitdrukking brengt, dat als weerschijn van de scheppende wijsheid Gods als een onvernietigbare vonk (scintilla animae) in het hart van iedere mens straalt. Terwijl echter de natuurwet de objectieve en universele aanspraken van het zedelijk goede uiteenzet, is het geweten de toepassing van de wet op het individuele geval en wordt zo voor de mens tot een innerlijk gebod, tot een oproep om in de concrete situatie het goede te doen. Het geweten drukt dus de zedelijke verplichting in het licht van de natuurwet uit: het is de verplichting om dat te doen, wat de mens door het oordeel van zijn geweten als een goed herkent, dat hem hier en nu gegeven is. Het universele karakter van de wet en van de verplichting wordt niet uitgewist, maar veeleer erkend, wanneer het verstand hun toepassingen in de concrete actuele situatie bepaalt. Het oordeel van het geweten bevestigt “afsluitend” de overeenstemming van een bepaald concreet gedrag met de wet; het legt de meest nabije norm van de moraliteit van een bewuste handeling voor en verwezenlijkt “de toepassing van de objectieve wet op een individueel geval”. 105

60. Zoals de natuurwet zelf en iedere praktische kennis, heeft ook het oordeel van het geweten een bevelend karakter: de mens moet in overeenstemming daarmee handelen. Wanneer de mens tegen dit oordeel handelt of ook, wanneer hij bij ontbrekende zekerheid over de juistheid en goedheid van een bepaalde daad deze alsnog uitvoert, wordt hij door het eigen geweten, dat de laatste maatgevende norm van de persoonlijke zedelijkheid is, veroordeeld.

De waardigheid van deze intellectuele instantie en de autoriteit van haar stem en van haar oordeel komen voort uit de waarheid over zedelijk goed en kwaad: ze is ertoe geroepen om die te horen en uit te drukken. Op deze waarheid wordt door de “goddelijke wet”, de universele en objectieve norm van de zedelijkheid, gewezen. Het oordeel van het geweten maakt de wet niet, maar het bevestigt de autoriteit van de natuurwet en van de praktische verhouding tot het hoogste goed, waarvan de menselijke persoon de aantrekkingskracht ervaart en waarvan zij de geboden aanneemt: Het geweten is geen autonome en exclusieve instantie om te beslissen wat goed en wat slecht is; veeleer is daarin een principe van gehoorzaamheid jegens de objectieve norm diep ingegrift, die de overeenstemming van zijn beslissingen met de geboden en verboden staaft en vereist, die aan het menselijk gedrag ten grondslag liggen”. 106

61. De in de wet van het verstand uitgesproken waarheid over het zedelijk goede wordt door het oordeel van het geweten praktisch en concreet erkend, wat leidt tot het aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor het volbrachte goed en het bedreven kwaad. Wanneer de mens kwaad doet, blijft het juiste gewetensoordeel in hem getuige van de universele waarheid van het goede zoals ook van de slechtheid van zijn ene beslissing. Maar het oordeel van het geweten blijft in hem ook zoiets als een onderpand van de hoop en van het erbarmen: terwijl het het begane kwaad bevestigt, maant het ook, om vergeving te vragen, het goede te doen en onophoudelijk met Gods genade de deugd te beoefenen.

Zo openbaart zich in het praktische oordeel van het geweten, dat aan de mens de verplichting oplegt om een bepaalde handeling uit te voeren, de band tussen vrijheid en waarheid. Daarom drukt het geweten zich uit in “oordeels”-daden, die de waarheid over het goede weerspiegelen, en niet in willekeurige “beslissingen”. En de rijpheid en verantwoordelijkheid van deze oordelen - en in laatste instantie van de mens, die hun subject is - laat zich niet afmeten aan de bevrijding van het geweten van de objectieve waarheid, ten gunste van een veronderstelde autonomie van de eigen beslissingen, maar integendeel aan het hardnekkige zoeken naar de waarheid en aan de bereidheid om zich bij zijn handelen door haar te laten leiden.

Naar het ware en goede zoeken

62. Het geweten als oordeel over een handeling is niet vrij van de mogelijkheid tot dwaling. “Niet zelden gebeurt het - schrijft het Concilie - dat het geweten uit onoverkomelijke onkunde dwaalt, zonder dat het daardoor zijn waardigheid verliest. Dat kan men echter niet zeggen wanneer de mens te weinig moeite doet om naar het ware en goede te zoeken, en het geweten door gewenning aan de zonde stilaan bijna blind wordt”. 107 Met deze bondige woorden geeft het Concilie een samenvatting van de leer, die de Kerk in de loop van eeuwen over het dwalende geweten heeft uitgewerkt.

Zeker, de mens moet, om een “goed geweten” (1 Tim. 1, 5) te hebben, naar de waarheid zoeken en overeenkomstig deze waarheid oordelen. Het geweten moet, zoals de apostel Paulus zegt, “door de heilige Geest verlicht” zijn (Rom. 9, 1), het moet “rein” zijn (2 Tim. 1, 3), het mag “het woord van God niet vervalsen” maar moet “open de waarheid leren” (2 Kor. 4, 2). Anderzijds vermaant dezelfde apostel de christenen met de woorden: “Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit maken wat God wil: wat Hem bevalt, wat goed is en volmaakt” (Rom. 12, 20).

De vermaning van Paulus spoort ons aan tot waakzaamheid met de waarschuwende aanwijzing, dat zich in de oordelen van ons geweten altijd ook de dwaling kan nestelen. Het geweten is geen onfeilbare rechter: het kan dwalen. Desalniettemin kan de dwaling van het geweten het gevolg zijn van een onoverkomelijke onwetendheid, dat wil zeggen een onkunde waarvan de mens zich niet bewust is en waar hij alleen niet uit kan komen.

In het geval dat deze onoverkomelijke onwetendheid niet opzettelijk is, verliest het geweten - zo herinnert ons het Concilie -niet zijn waardigheid, omdat het, ook al instrueert het ons metterdaad op een van de objectieve zedelijke orde afwijkende manier, toch niet ophoudt in naam van die waarheid van het goede te spreken, waarnaar de mens oprecht moet zoeken krachtens zijn roeping.

63. In elk geval berust de waardigheid van het geweten altijd op de waarheid: in het geval van het rechte geweten gaat het om de door de mens aanvaarde objectieve waarheid; in het geval van het dwalende geweten gaat het om dat, wat de mens zonder schuld subjectief voor waar houdt. Aan de andere kant is het nooit toelaatbaar, een “subjectieve” dwaling ten aanzien van het zedelijk goede met de “objectieve” waarheid, die de mens op grond van zijn bestemming rationeel kan inzien, te vermengen of te verwisselen, noch om de zedelijke waarde van de met het ware en zuivere geweten voltrokken handeling met die eerste gelijk te stellen die krachtens het oordeel van een dwalend geweten werd uitgevoerd. 108 Het op grond van een onoverkomelijke onwetendheid of van een niet opzettelijk foutief oordeel begane kwaad kan de persoon die het begaat weliswaar niet als schuld aangerekend worden; maar ook in dit geval blijft het een kwaad, een wanorde ten opzichte van de waarheid van het goede. Bovendien draagt het niet herkende goede niet tot de zedelijke rijping van de betreffende mens bij: het vervolmaakt hem niet en helpt hem niet om hem te doen neigen naar het hoogste goed. Voor we ons zo lichtvaardig in naam van ons geweten gerechtvaardigd voelen, moeten we nadenken over de psalm: “Wie merkt zijn eigen fouten op? Spreek mij vrij van schuld, waarvan ik mij niet bewust ben”! (Ps. 19, 13). Er bestaat schuld die wij nog niet kunnen kennen en die toch schuld blijft, omdat wij geweigerd hebben, naar het licht te gaan (vgl. Joh. 9, 39-41).

Het geweten als laatste concrete oordeel zet zijn waardigheid op het spel, wanneer het opzettelijk dwaalt, dat wil zeggen “als de mens er geen moeite voor doet om het ware en goede te zoeken, en als het geweten als gevolg van gewenning aan de zonde blind wordt”. 109 Op de gevaren van de vervorming van het geweten doelt Jezus, wanneer Hij vermaant: “Het oog geeft het lichaam licht. Als het oog gezond is, dan zal je lichaam helder zijn. Maar wanneer je oog ziek is, dan zal je hele lichaam duister zijn. Wanneer nu het licht in jou duisternis is, hoe groot moet dan de duisternis zijn!” (Mt. 6, 22-23).

64. In de boven aangehaalde woorden van Jezus vinden we ook de oproep om het geweten te vormen, het tot voorwerp van voortdurende bekering tot het ware en goede te maken. Daarmee analoog moet men de oproep van de apostel verstaan, om ons gedrag niet af te stemmen op deze wereld, maar “om ons te veranderen en ons denken te vernieuwen” (vgl. Rom. 12, 2). In werkelijkheid is het tot de Heer en tot de liefde bekeerde “hart” de bron van de ware oordelen van het geweten. Want “opdat ge in staat zijt om uit te maken wat God van u wil en wat goed is: wat Hem bevalt, wat goed en volmaakt is” (Rom. 12, 2), is weliswaar de kennis van de wet Gods in het algemeen nodig, maar zij volstaat niet: een soort van “connaturaliteit” tussen de mens en het waarlijk goede is absoluut noodzakelijk. 110 Zo”n connaturaliteit schiet wortel en ontplooit zich in de deugdzame houdingen van de mens zelf: in de wijsheid en de andere kardinale deugden en, nog fundamenteler, in de goddelijke deugden van het geloof, de hoop en de liefde. in deze zin heeft Jezus gezegd: “Wie echter de waarheid doet, komt tot het licht” (Joh. 3, 21).

Een grote hulp voor de gewetensvorming hebben de christenen in de Kerk en haar leergezag, zoals het Concilie uitlegt: “De christenen moeten bij de vorming van hun geweten de heilige en zekere leer van de Kerk nauwlettend in acht nemen. Volgens de wil van Christus immers is de Kerk lerares van de waarheid. Haar taak bestaat erin de waarheid die Christus is te verkondigen en getrouw uiteen te zetten en tevens de beginselen van de zedelijke orde die uit de natuur zelf van de mens voortvloeien met haar gezag te verkondigen en te bevestigen”. 111

De autoriteit van de Kerk, die zich over morele vraagstukken uitspreekt, doet dus aan de gewetensvrijheid van de christenen generlei afbreuk: niet alleen, omdat de vrijheid van het geweten nooit vrijhei?” (los) van” de waarheid, maar altijd en alleen vrijheid “in” de waarheid is; maar ook omdat het leergezag het christelijke geweten geen waarheden aandraagt die het vreemd zijn, maar het wel wijst op de waarheden, die het al moest bezitten, terwijl het die, uitgaande van de oorspronkelijke geloofsdaad, tot ontplooiïng brengt. De Kerk stelt zich altijd alleen in dienst van het geweten en helpt het om niet heen en weer gedreven te worden door “iedere windstoot van leerstellige meningen, uitgeleverd aan het bedrog van de mensen” (vgl. Eph. 4, 14), en niet weg te raken van de waarheid over het goede van de mens maar, speciaal in de moeilijke vraagstukken, met zekerheid de waarheid te bereiken en in haar te blijven.

III Fundamentele beslissing en concrete gedragswijzen

Alleen, gebruik de vrijheid niet als voorwendsel voor het vlees, maar dient elkaar in liefde!” (Gal. 5, 13)

65. De tegenwoordig bijzonder felle belangstelling voor de vrijheid is voor veel vertegenwoordigers van de menswetenschappen en ook de theologie aanleiding om een fundamentelere analyse van haar natuur en haar dynamiek te ontwikkelen. Met recht beklemtoont men, dat vrijheid niet alleen betekent, deze of gene individuele handeling te kiezen; maar zij is, binnen zo”n keuze, ook oordeel over zichzelf en besluit over de vraag of men het eigen leven voor of tegen de waarheid, uiteindelijk voor of tegen God inzet. Met recht onderstreept men de eminente betekenis van enkele beslissingen die aan het hele zedelijke leven van een mens “vorm” geven, doordat zij als het ware tot de bedding worden, waarin dan ook andere dagelijkse afzonderlijke beslissingen plaats en ontplooiïng kunnen vinden.

Enkele auteurs stellen evenwel een veel radicaler herziening van de betrekking tussen persoon en handeling voor. Ze spreken van een “fundamentele vrijheid”, die dieper ligt en anders is dan de keuzevrijheid: zonder haar in acht te nemen zouden de menselijke handelingen noch begrepen, noch correct gewaardeerd kunnen worden. Volgens deze auteurs zou de sleutelrol in het zedelijk leven toekomen aan een “fundamentele optie”, die gerealiseerd wordt door die fundamentele vrijheid, door middel waarvan de menselijke persoon over zichzelf totaal beslist, en dit niet door bepaalde en bewuste keuze, of op het niveau van het reflectieve denken, maar op “transcendente” en “athematische” wijze. De afzonderlijke handelingen die uit deze optie voortkomen zouden alleen maar beperkte/concrete en nooit beslissende pogingen zijn, om deze fundamentele optie uit te drukken; ze waren alleen maar te beschouwen als “tekenen” of symptomen daarvoor. Onmiddellijk object van deze handelingen is - zo heet het - niet het absolute goede (waartegenover zich op transcendent niveau de vrijheid van de persoon zou uiten), maar het zijn de afzonderlijke bona (ook “categoriale “ bona genoemd”). Maar naar de mening van enkele theologen zou geen van deze bona, beperkt/concreet op grond van hun natuur, de vrijheid van de hele mens kunnen bepalen, ook wanneer de mens alleen door hun verwerkelijking respectievelijk hun afwijzing zijn fundamentele optie tot uitdrukking kan brengen.

Zo wordt tenslotte een onderscheid tussen de fundamentele optie en de vrije keuze van concreet gedrag ingevoerd, een onderscheid, dat bij enkele auteurs precies dan een vorm van ontkoppeling aanneemt, wanneer zij het zedelijk “goede” en “slechte” uitdrukkelijk voorbehouden aan de transcendente dimensie van de fundamentele optie, terwijl ze de keuze van afzonderlijke “binnenwereldse” - dat wil zeggen de betrekkingen van de mens tot zichzelf, tot de anderen en tot de dingen van de wereld betreffend - gedragswijzen als “juist “ of “verkeerd “ benoemen. Op deze manier schijnt zich in het menselijk handelen een splitsing tussen twee niveaus van de zedelijkheid af te tekenen: de van de wil afhankelijk orde van goed en kwaad aan de ene, en de concrete gedragswijze aan de andere kant, die pas na een technische afweging van de verhouding tussen “voormorele “ of “fysieke “ bona en mala, waarop de handeling feitelijk betrekking heeft als zedelijk juist of verkeerd worden beoordeeld. En dat gaat zover dat een concreet gedrag, ofschoon vrij gekozen, net als een louter natuurgebeuren en niet volgens de criteria die voor de menselijke handelingen gelden, wordt bekeken. Het resultaat waar men toe komt, luidt: de in eigenlijke zin zedelijke hoedanigheid van de persoon hangt alleen van de fundamentele optie af; welke afzonderlijke handelingen of concrete gedragswijzen men kiest, is daarvoor geheel of gedeeltelijk zonder belang.

66. Zonder twijfel erkent de christelijke zedenleer in haar eigen bijbelse wortels de bijzondere betekenis van een fundamentele beslissing, die het zedelijk leven kenmerkt en die met de vrijheid tegenover God radicaal rekening houdt. Het gaat om de beslissing van het geloof, om de gehoorzaamheid van het geloof (vgl. Rom. 16, 26), waarbij de mens zich in zijn geheel in vrijheid aan God toevertrouwt, door zich “aan de zich openbarende God met verstand en wil volledig te onderwerpen”.112 Dit geloof, dat in de liefde werkzaam is (vgl. Gal. 5, 6), komt uit het midden van de mens, uit zijn “hart” (vgl. Rom. 10, 10) en is en is vandaar geroepen, het goede voort de brengen in de werken (vgl. Mt. 12, 33-35; Lc. 6, 45; Rom. 8, 5-8; Gal. 5, 22). In de Decaloog staat boven de afzonderlijke geboden de fundamentele zin: “Ik ben Jahwe, uw God..” (Ex. 20, 2), die doordat hij de veelvoudige en verschillende afzonderlijke geboden hun oorspronkelijke betekenis inprent, aan de moraal van het Verbond het karakter van totaliteit, eenheid en diepte verzekert. De fundamentele beslissing van Israël betreft dus het fundamentele gebod (vgl. Jos. 24, 14-25; Ex. 19, 3-8; Mich. 6, 8). Ook de moraal van het Nieuwe Verbond wordt beheerst door de fundamentele oproep van Jezus tot “navolging” van Hem - zo zegt Hij ook tegen de jongeman: “Wanneer je volmaakt wilt zijn,.. kom en volg Mij!” (Mt. 19, 21) -: Op deze oproep antwoordt de leerling met een radicale beslissing. De evangelische gelijkenissen van de schat in de akker en van de kostbare parel, waarvoor iemand zijn hele bezit verkoopt, zijn welsprekende en effectieve beelden voor het radicale en onvoorwaardelijke karakter van de beslissing, die het Rijk Gods vraagt. De radicaliteit van de beslissing om Jezus na te volgen vindt een prachtige uitdrukking in zijn woorden: “Wie zijn leven redden wil, zal het verliezen; maar wie zijn leven om mijnentwil en omwille van het evangelie verliest, zal het redden (Mc. 8, 35).

De oproep van Jezus “kom en volg Mij” betekent de grootst mogelijke lofprijzing van de vrijheid en bevestigt tegelijkertijd de waarheid en verplichting van geloofsdaden en beslissingen, die men fundamentele optie kan noemen. Een soortgelijke hoogachting van de menselijke vrijheid ontmoeten we in de woorden van de H. Paulus: “Jullie zijn tot vrijheid geroepen, broeders” (Gal. 5, 13). Maar de apostel verbindt daaraan onmiddellijk een ernstige vermaning: “Alleen, neemt de vrijheid niet tot voorwendsel voor het vlees!” In deze vermaning klinken de woorden die eraan voorafgaan door: “Christus heeft ons tot vrijheid bevrijd. Blijft dus sterk en laat u niet opnieuw het juk van de knechtschap opleggen!” (Gal. 5, 1). De apostel Paulus roept ons op tot waakzaamheid: de vrijheid wordt voortdurend door de knechtschap bedreigd. En precies dat slaat op een geloofsdaad - in de zin van een fundamentele optie - die, volgens de boven aangeduide tendensen, van de keuze van de afzonderlijke daden gescheiden wordt.

67. Deze tendensen staan dus in tegenstelling met de bijbelse leer, die de fundamentele optie als een echte en eigenlijke beslissing van de vrijheid verstaat en die deze beslissing ten diepste met de concrete afzonderlijke handelingen verbindt. Door de fundamentele beslissing is de mens in staat om, de goddelijke oproep volgend, zijn leven op zijn doel te richten en dit met de hulp van de genade na te streven. Maar deze mogelijkheid wordt feitelijk steeds in de concrete keuze van bepaalde handelingen gerealiseerd, waardoor de mens zich uit vrije beslissing naar de wil, de wijsheid en de wet van God richt. Er moet dus aan vastgehouden worden, dat de zogenaamde fundamentele optie - voor zover zij zich onderscheidt van een louter algemene, met betrekking tot de concreet aangegane vastlegging van de vrijheid nog onbepaalde intentie - zich altijd door bewuste en vrije keuzen verwerkelijkt. Juist daarom wordt de fundamentele optie precies dan herroepen, wanneer de mens in een zedelijk ernstige materie zijn vrijheid door bewuste, in tegengestelde richting wijzende keuzen bindt.

De fundamentele optie van de concrete gedragswijzen te scheiden betekent, in strijd te zijn met de wezenlijke integriteit of met de personele eenheid-van-lichaam-en-ziel van het zedelijk handelen. Een fundamentele optie, verstaan zonder uitdrukkelijk de mogelijkheden die zij actualiseert in acht te nemen en de concretiseringen waarin zij tot uitdrukking komt, doet geen recht aan de rationele doelgerichtheid die inherent is aan het handelen van de mens en aan elk van zijn vrije keuzen. Zeker is de zedelijke kwaliteit van de menselijke handelingen niet alleen uit de bedoeling, de fundamentele oriëntering of de fundamentele optie af te leiden - begrepen in de zin van een intentie zonder duidelijk bepaalde bindende inhouden, resp. een intentie die niet beantwoordt aan een krachtige inzet voor de verschillende verplichtingen van het zedelijk leven. De moraliteit kan niet beoordeeld worden, wanneer men afziet van de overeenstemming, resp. de tegenspraak, van de gedachte keuze voor een bepaalde handelwijze, met de waardigheid en de integrale roeping van de menselijke persoon. Iedere handelingskeuze sluit altijd een betrekking in van de vrije wil met die bona en mala zoals zij door de natuurwet als het te volgen goed en het te mijden kwaad worden aangewezen. In het geval van de positief gebiedende zedelijke geboden heeft steeds het gezonde verstand de opgave om vast te stellen, in hoeverre ze van toepassing zijn op een bepaalde situatie, terwijl men bijvoorbeeld andere, misschien belangrijker of dringender verplichtingen in acht neemt. De negatief geformuleerde geboden daarentegen, dat wil zeggen die, die zekere concrete handelingen of bepaalde gedragswijzen als in zich slecht verbieden, kennen geen legitieme uitzondering; zij laten geen moreel aanvaardbare ruimte toe voor de “creativiteit” van een of andere tegengestelde bestemming. Is eenmaal de zedelijke soort van een door een algemeen geldende regel verboden concreet gedefinieerde handeling herkend, dan bestaat het zedelijk goede handelen alleen daarin, dat men de zedenwet gehoorzaamt en de handeling die zij verbiedt achterwege laat.

68. Het is hier de plaats om een belangrijke pastorale overweging toe te voegen. Overeenkomstig de logica van de hierboven geschetste posities zou de mens krachtens een fundamentele optie God trouw kunnen blijven, onafhankelijk van de vraag of sommige van zijn keuzebeslissingen en van zijn concrete handelingen met de specifiek daarop betrekking hebbende zedelijke normen of regels overeenstemmen of niet. Op grond van een aanvankelijke optie voor de liefde zou de mens zedelijk goed kunnen blijven, in de genade van God blijven en zijn heil bereiken, ook als enkele van zijn gedragswijzen uit vrije beslissing en in een ernstige zaak, beslist en ernstig in tegenstelling zouden zijn met de door de Kerk voorgelegde geboden van God.

Feitelijk gaat de mens niet alleen door de ontrouw jegens die fundamentele optie verloren, waardoor hij zich “vrijelijk geheel aan God” toevertrouwt. 113 Door iedere uit weloverwogen beslissing begane doodzonde beledigt hij God, die hem de wet gegeven heeft, en maakt hij zich dus jegens de hele wet schuldig (vgl. Jac. 2, 8-11); ook wanneer hij in het geloof blijft, verliest hij de “heiligmakende genade”, de “liefde” en de “eeuwige zaligheid”. 114 “De eenmaal ontvangen genade van de rechtvaardiging - zo leert het Concilie van Trente - kan niet alleen door de ontrouw, die de mens het geloof zelf doet verliezen, maar ook door iedere andere doodzonde verloren gaan”. 115

Doodzonde en dagelijkse zonde

69. De overwegingen over de fundamentele optie hebben, zoals we opmerkten, enkele theologen ertoe gebracht om ook het traditionele onderscheid tussen doodzonden en dagelijkse zonden te onderwerpen aan een ingrijpende herziening. Ze onderstrepen dat de oppositie tegen de wet van God, die het verlies van de heiligmakende genade - en, in geval van de dood in een dergelijke staat van zonde, de eeuwige verdoemenis - veroorzaakt, alleen het resultaat kan zijn van een daad die de persoon in haar totaliteit in beslag neemt, dat wil zeggen precies een daad van de fundamentele optie. Volgens deze theologen zou de doodzonde, die de mens van God scheidt, alleen plaatsvinden in de afwijzing van God, voltrokken op een niveau van vrijheid dat niet hetzelfde is als de keuze en niet in overdachte bewustheid te bereiken. In deze zin - zo voegen zij eraan toe - is het minstens psychologisch moeilijk het feit te aanvaarden, dat een christen, die met Jezus Christus en zijn Kerk verenigd wil blijven, zo gemakkelijk en steeds weer doodzonden kan begaan, zoals de “materie” van zijn daden af en toe zou doen vermoeden.

Zo zou het ook moeilijk vallen om aan te nemen, dat de mens in staat is om in korte tijd de gemeenschapsbanden met God radicaal te verbreken en zich daarna door oprechte boete tot Hem te bekeren. Vandaar dat het nodig zou zijn - zo heet het - om de zwaarte van de zonde eerder te meten aan de graad waarin zij de vrijheid van de handelende persoon engageert, dan in de materie van de betreffende handeling.

70. De post-synodale Apostolische Brief Reconciliatio et paenitentia heeft het belang en de blijvende actualiteit van het onderscheid tussen doodzonden en dagelijkse zonden, overeenkomstig de traditie van de Kerk, beklemtoond. En de bisschoppensynode van 1983, waaruit dit schrijven is voortgekomen, “heeft niet alleen de leer van het Concilie van Trente over het bestaan en de natuur van doodzonden en dagelijkse zonden bekrachtigd, maar heeft er ook aan willen herinneren, dat iedere zonde een doodzonde is, die een ernstige materie als object heeft en die bovendien bij volle bewustzijn en weloverwogen toestemming begaan wordt”. 116

De uitspraak van het Concilie van Trente heeft niet alleen de “ernstige materie” van de doodzonde op het oog, maar noemt ook als voorwaarde daarvoor “het volle bewustzijn en weloverwogen toestemming”. Overigens kent men zowel in de moraaltheologie als in de praktijk van de zielzorg gevallen, waarin een op grond van zijn materie ernstige daad daarom geen doodzonde is, omdat het volle bewustzijn of de weloverwogen toestemming van hem die de daad volbracht, niet aanwezig was. Evenzeer “moet men vermijden om de doodzonde te beperken tot de daad van een fundamentele beslissing of fundamentele optie (“optio fundamentalis”) tegen God, zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen, waar men dan een uitdrukkelijke en formele belediging van God of van de naaste of een impliciete en niet overdachte afwijzing van de liefde onder verstaat. “Er is namelijk ook sprake van een doodzonde, wanneer de mens bewust en vrij om welke reden dan ook tot iets beslist dat op ernstige wijze zedelijk ongeordend is. Feitelijk ligt immers in zo”n beslissing reeds een minachting van het goddelijk gebod besloten, een afwijzing van Gods liefde voor de mensheid en voor de hele schepping: De mens verwijdert zich zo van God en verliest de liefde. De fundamentele intentie kan dus door concrete afzonderlijke handelingen geheel veranderen. Zonder twijfel kunnen op psychologisch vlak veel complexe en duistere situaties bestaan, die invloed zouden kunnen hebben op de subjectieve schuld van de zondaar. Op grond van een beschouwing op psychologisch niveau kan men echter niet overgaan tot het scheppen van een theologische categorie, zoals precies die van de “optio fundamentalis”, waar ze zo verstaan wordt, dat ze op objectief niveau de traditionele opvatting van doodzonde verandert of in twijfel trekt”. 117

De ontkoppeling van de fundamentele optie en de weloverwogen keuze, die deze (fundamentele optie-vert.) onverlet zou laten, voor bepaalde, in zichzelf of door de omstandigheden ongeordende gedragswijzen, hangt dus samen met de miskenning van de katholieke leer over de doodzonde: “Met de hele traditie van de Kerk noemen wij die daad een doodzonde, waardoor een mens vrij God en zijn wet alsook het verbond van de liefde, dat Hij hem aanbiedt, afwijst, doordat hij er de voorkeur aan geeft, zich in zichzelf te keren of in een of andere geschapen of eindige werkelijkheid, een of andere zaak, die in tegenspraak is met de goddelijke wil (conversio ad creaturam - toewending naar het geschapene). Dit kan op directe en formele manier gebeuren, zoals bij de zonden van afgodenverering, afvalligheid van God en goddeloosheid, of op gelijkwaardige manier, zoals bij iedere ongehoorzaamheid tegenover de geboden van God in een ernstige materie”. 118

IV De zedelijke handeling

Teleologie en teleologisme

71. De relatie tussen de vrijheid van de mens en de wet van God, die haar diepste en levende zetel heeft in het zedelijk geweten, uit en verwerkelijkt zich in de menselijke handelingen. Juist door zijn handelingen vervolmaakt de mens zich als mens, als mens die geroepen is om uit eigen beslissing zijn Schepper te zoeken en in een toebehoren aan Hem vrij tot volle en zalige voleinding te komen. 119

Menselijke handelingen zijn zedelijke handelingen, omdat zij het goedzijn of de slechtheid van de mens die die handelingen voltrekt, uitdrukken en bepalen. 120 Ze roepen niet alleen veranderingen op in het uiterlijke gedrag van de mens, maar als vrije keuzen kwalificeren zij in moreel opzicht de persoon zelf, die ze voltrekt, en bepalen haar geestelijk diepteprofiel, zoals de H. Gregorius van Nyssa indrukwekkend constateert: “Alle wezens die aan wording onderhevig zijn, blijven nooit identiek met zichzelf, maar gaan door een voortdurend actieve verandering ten goede of ten kwade steeds van de ene toestand in een andere over.. Het menselijk leven is dus onafgebroken onderhevig aan verandering: dat betekent, aangezien het niet eeuwig en onveranderlijk is, onophoudelijk geboren worden.. Maar de geboorte volgt hier niet op een ingreep van buiten, zoals het bij een lichamelijke geboorte het geval is.. Ze is het resultaat van vrije keuze, en zo zijn wij in zekere zin onze eigen ouders, aangezien wij ons zo scheppen, zoals we willen, en ons met onze keuze de vorm geven, die wij willen”. 121

72. De zedelijkheid van de handelingen wordt bepaald op grond van de relatie van de vrijheid van de mens tot het waarlijk goede. Dit goede is als eeuwige wet door Gods wijsheid vastgesteld, die ieder wezen afstemt op zijn einddoel: Deze eeuwige wet wordt zowel door het natuurlijke verstand van de mens gekend (vandaar de naam “natuurwet”) alsook - op alomvattende en volmaakte wijze - door de bovennatuurlijke openbaring van God (dan noemt men het “goddelijke wet”). Het handelen is zedelijk goed, wanneer de uit de vrijheid voortkomende keuzen met het ware goed van de mensen overeenkomen en zo de uitdrukking zijn van de bewuste afstemming van de persoon op haar laatste doel, dus God zelf: het hoogste Goed, waarin de mens zijn volle en volmaakte geluk vindt. De inleidende vraag in het gesprek van de jongeman met Jezus: “Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te winnen?” (Mt. 19, 16), verduidelijkt rechtstreeks de wezenlijke samenhang tussen de morele waarde van een handeling en het laatste doel van de mens. Jezus bevestigt in zijn antwoord de overtuiging van zijn gesprekspartner: Het goede doen, zoals het door Hem geboden is, die “alleen de Goede” is, is de noodzakelijke voorwaarde voor, en de weg naar de zaligheid: “Wanneer je het Leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden” (Mt. 19, 17). Het antwoord van Jezus en het refereren aan de geboden maken ook duidelijk, dat de weg naar het doel uitgestippeld wordt door het opvolgen van de goddelijke geboden, die het menselijk welzijn beschermen. Alleen een handeling, die met het goede overeenkomt, kan weg ten leven zijn.

De door het verstand geleide afstemming van de menselijke handelingen op het waarlijk goede en het bewuste streven naar dit goede vormen de zedelijkheid. Het menselijk handelen kan dus niet louter daarom als zedelijk goed gekwalificeerd worden, omdat het ertoe dient dit of dat nagestreefd doel te bereiken, of simpelweg omdat de bedoeling van de handelende goed is. 122 Het menselijk handelen is dan zedelijk goed, wanneer het de bewuste afstemming van de menselijke persoon op het laatste doel en de overeenstemming van de concrete handeling met het ware menselijke goed, zoals het door het verstand in zijn waarheid herkend wordt, bevestigt en tot uitdrukking brengt. Wanneer het object van de concrete handeling niet met het ware goede van de persoon in overeenstemming is, maakt de keuze van deze handeling onze wil en ons zelf zedelijk slecht en brengt ons daarmee in tegenstelling met ons laatste doel, het hoogste goed, dat wil zeggen God zelf.

73. Dankzij de openbaring van God en van het geloof weet de christen van het “nieuwe”, waardoor de zedelijkheid van zijn daden gekenmerkt wordt; aan die daden komt het toe uitdrukking te geven aan de bestaande of niet bestaande consequente overeenstemming met die waardigheid en roeping, die hem door genade geschonken zijn: In Jezus Christus en zijn Geest is de christen een “nieuwe schepping”, kind van God en door zijn handelingen getuigt hij van zijn overeenstemming met of zijn afwijken van het beeld van de Zoon, die de Eerstgeborene onder vele broeders is (vgl. Rom. 8, 9), beleeft hij zijn trouw of ontrouw tegenover het geschenk van de Geest en opent zich, of sluit hij zich af, voor het eeuwig leven, de gemeenschap van aanschouwing, liefde en zaligheid met God de Vader, Zoon en heilige Geest. 123 Christus “vormt ons zo naar zijn beeld - schrijft de H. Cyrillus van Alexandrië -, dat door de heiliging en de gerechtigheid en het goede en deugdzame leven de trekken van zijn goddelijke natuur in ons tot schittering komen.. De schoonheid van dit beeld straalt in ons door, die in Christus zijn, wanneer wij ons in de werken goede mensen betuigen”. 124

In deze zin bezit het zedelijk leven een wezenlijk “teleologisch” karakter, omdat het uit de vrije en bewuste afstemming van het menselijk handelen op God, het hoogste goed en laatste doel (telos) van de mens, bestaat. Dat bevestigt weer de vraag van de jongeman aan Jezus: “Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te winnen?” Maar deze afstemming op het laatste doel beweegt zich niet in een louter subjectivistische dimensie, die alleen van de bedoeling zou afhangen. Zij veronderstelt, dat aan deze handelwijzen uit zichzelf de eigenschap toekomt, op dit doel afgestemd te kunnen worden, omdat zij namelijk overeenkomen met het authentieke door de geboden beschermde zedelijke goed van de mensen. Juist dat snijdt Jezus aan in het antwoord aan de rijke jongeling: “Wanneer je het eeuwig leven wilt bereiken, onderhoud dan de geboden! (Mt. 19, 17).

Blijkbaar gaat het om een door het verstand geleide en vrije, bewuste en overwogen afstemming, krachtens welke de mens voor zijn handelingen “verantwoordelijk” is en onderworpen aan het oordeel van God, de rechtvaardige en goede Rechter, die het goede beloont en het kwade straft, zoals de apostel Paulus uiteenzet: “Want wij allen moeten voor Christus” rechterstoel verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad” (2 Kor. 5, 10).

74. Maar waar hangt de morele waardering van het vrije handelen van de mens vanaf? Waarvan krijgt deze afstemming van de menselijke handelingen op God een waarborg? Van de intentie van het handelend subject, van de omstandigheden - en in het bijzonder van de gevolgen - van zijn handelen, van het object van zijn handelen zelf?

Dat is het, traditioneel zo genoemde, probleem van de “bronnen van de moraliteit”. En juist met het oog op dit probleem hebben zich in de laatste decennia nieuwe - of weer vernieuwde -culturele en theologische stromingen geopenbaard, die een zorgvuldige verheldering van de kant van het leergezag van de Kerk vereisen.

Enkele “teleologisch” genoemde ethische theorieën richten hun aandacht op de overeenstemming van de menselijke handelingen met de door de handelende nagestreefde doelen en met de waarden die hij voorheeft te realiseren. De criteria voor de morele beoordeling van een handeling worden gehaald uit de afweging van de niet-zedelijke en voor-morele bona die men wil bereiken en de daarmee overeenstemmende niet-zedelijke en voor-morele waarden die men wil respecteren. Voor sommigen zou het concrete gedrag juist, resp. verkeerd zijn, naar gelang het voor alle betrokken personen een betere toestand kan bewerken of niet: juist zou het gedrag zijn, dat in staat is de bona “zeer groot” en de mala “zeer klein te maken”.

Velen onder de katholieke moraaltheologen die deze opvatting volgen, zouden niets van doen willen hebben met utilitarisme en pragmatisme, waarbij de moraliteit van de menselijke handelingen beoordeeld wordt zonder betrekking met het laatste ware doel van de mens. Terecht zijn zij zich bewust van de noodzakelijkheid, om voor het verstand inzichtelijke, steeds steekhoudender argumenten te vinden, om de eisen van het zedelijk leven te rechtvaardigen en hun normen vast te stellen. En het onderzoek naar deze argumenten is legitiem en noodzakelijk, aangezien de in de natuurwet vastgelegde zedelijke orde voor kennis van het menselijk verstand toegankelijk is. Dit zoeken strookt overigens met de eisen van dialoog en samenwerking met de niet-katholieken en de niet-gelovigen, speciaal in zgn. pluralistische maatschappijen.

75. Maar bij het pogen een dergelijke redelijke moraal - soms ook “autonome moraal” genoemd - uit te werken, zijn er valse oplossingen, die vooral met een gebrekkig begrip van wat men het “object” van het zedelijk handelen noemt, samenhangen. Sommigen geven niet genoeg aandacht aan het feit, dat de wil in de concrete keuzen, die hij voltrekt, inbegrepen is: deze zijn voorwaarde voor zijn zedelijk goedzijn en voor zijn afstemming op het laatste doel van de mens. Anderen daarentegen laten zich inspireren door een opvatting van de vrijheid, die van de feitelijke voorwaarden voor haar uitoefening, van haar objectieve betrekking tot de waarheid van het goede en van haar bestemming door de keuze van concrete gedragswijzen, afziet. Volgens deze theorieën zou de vrije wil dus noch zedelijk onderworpen zijn aan bepaalde verplichtingen, noch zou hij door zijn keuzen gevormd worden, ook al blijft hij voor zijn handelingen en hun gevolgen verantwoordelijk. Dit “teleologisme”, als methode van de ontdekking van de morele norm, kan dus - volgens de aan verschillende denkstromingen ontleende terminologieën en geesteshoudingen - “consequentialisme” of “proportionalisme” genoemd worden. Het eerste tracht criteria voor de juistheid van een bepaald handelen te voorschijn te brengen, die enkel en alleen voortkomen uit de berekenbare gevolgen van een gemaakte keuze. Het tweede - onder afweging van de waarden en de beoogde bona - oriënteert zich eerder op de erkende evenredigheid tussen de goede en slechte effecten, met het oog op het “hogere goed” of het “kleinere kwaad”, die in een bijzondere situatie werkelijk mogelijk zijn.

De teleologische ethische doctrines (proportionalisme, consequentialisme) erkennen wel dat de zedelijke waarden door verstand en openbaring aangetoond worden; maar zij houden eraan vast, dat met betrekking tot concreet bepaalbare gedragswijzen, die onder alle omstandigheden en in alle culturen in tegenspraak zouden zijn met deze zedelijke waarden, nooit een absolute verbodsnorm geformuleerd kan worden. Het handelende subject zou vanzelfsprekend voor het verkrijgen van de nagestreefde waarden verantwoordelijk zijn, maar dit in dubbel opzicht: De door een menselijke handeling nagestreefde waarden of bona zouden enerzijds van morele aard zijn (betrokken op eigenlijk zedelijke waarden als liefde tot God, welwillendheid jegens medemensen, gerechtigheid enz.) en, in een ander opzicht, van voor-morele aard, een niveau, dat ook niet-zedelijk, fysisch, of ontisch wordt genoemd (betrokken op nuttigheden en schadelijkheden, die zowel voor de handelende als ook voor andere, vroeger of later erbij betrokken personen merkbaar zijn, zoals bijvoorbeeld: Gezondheid en haar aantasting, psychische ongeschondenheid, leven, dood, het verlies van materiële goederen, enz.). In een wereld waarin het goede altijd vermengd zou zijn met het kwaad en iedere goede werking met andere slechte effecten verbonden, zou men de zedelijkheid van de handeling gedifferentieerd moeten beoordelen: haar zedelijk “goedzijn” op grond van de op zedelijke bona gerichte bedoeling van het subject, haar “juistheid” op grond van haar voorzienbare werkingen of gevolgen en hun verhouding tot elkaar (proportio). Concrete gedragswijzen zouden daarom als “juist” resp. “verkeerd” gewaardeerd moeten worden, zonder dat het daarom al mogelijk zou zijn, de wil van de persoon die ze kiest, als zedelijk “goed” of “slecht” te bestempelen. Op deze wijze zou een handeling die, in tegenspraak met een universele verbodsnorm, als voor-moreel bestempelde bona direct kwetst, als zedelijk toelaatbaar beoordeeld worden, als de bedoeling van het subject, volgens een “verantwoordelijke” afweging van de bij de concrete handeling op het spel staande bona, zich richt op de zedelijke waarden die in de gegeven situatie voor beslissend worden gehouden.

De beoordeling van de gevolgen van de handeling op grond van de evenredigheid van de daad met zijn effecten en de onderlinge effecten zou enkel en alleen de voor-morele orde betreffen. Over de zedelijke soortbepaaldheid van de handelingen, dat wil zeggen over hun goedheid of slechtheid, zou alleen de trouw van de persoon jegens de hoogste waarden van liefde en wijsheid beslissen, zonder dat zulke trouw noodzakelijkerwijze onverenigbaar zou zijn met beslissingen, die ingaan tegen bepaalde afzonderlijke zedelijke geboden. Ook in het geval van een ernstige materie zouden deze laatste als steeds relatieve en aan uitzonderingen onderhevige handelingsnormen beschouwd worden.

Volgens deze visie zou dan de bewuste instemming met bepaalde gedragswijzen, die in de traditionele moraal als ongeoorloofd gelden, ook niets objectief zedelijk slechts insluiten.

Het object van de vrije menselijke handeling

76. Deze theorieën krijgen misschien op grond van hun verwantschap met de natuurwetenschappelijke denkwijze een zekere overtuigingskracht; het wetenschappelijk denken streeft er terecht naar, de technische en economische activiteit te ordenen op grond van de berekening van de hulpbronnen en de winsten, de werkwijzen en hun effecten. Ze willen bevrijden van de dwang van een voluntaristische en willekeurige plichtenmoraal, die onmenselijk zou blijken.

Dergelijke theorieën zijn echter niet trouw aan de leer van de Kerk, wanneer ze menen dat ze de vrije en weloverwogen keuze van gedragswijzen, die ingaan tegen de geboden van de goddelijke en van de natuurwet, als zedelijk goed kunnen rechtvaardigen. Deze theorieën kunnen zich niet beroepen op de katholieke morele traditie: als het waar is dat in deze laatste zich een casuïstiek ontwikkeld heeft, die erop bedacht is, in enkele concrete situaties de betere mogelijkheden voor het goede te overwegen, dan is het evenzeer waar, dat dit alleen gevallen betreft, waarin de wet onbepaald was en dus ook de absolute geldigheid van de morele negatieve geboden, die zonder uitzondering verplichten, niet in twijfel trok. De gelovigen moeten de specifieke, door de Kerk in de Naam van God, de Schepper en Heer, voorgelegde en geleerde zedelijke geboden te erkennen en te respecteren. 125 Wanneer de apostel Paulus de vervulling van de wet samenvat in het gebod om de naaste te beminnen als zichzelf (vgl. Rom. 13, 8-10), zwakt hij daarmee niet de geboden af, maar hij bevestigt ze veeleer, aangezien hij hun eisen en gewicht duidelijk maakt. De liefde tot God en de naastenliefde zijn niet te scheiden van het onderhouden van de geboden van het Verbond, dat in het Bloed van Jezus Christus en in de gave van de Geest vernieuwd werd. Het strekt de christenen tot eer, God meer te gehoorzamen dan de mensen (vgl. Hand. 4, 19; 5, 29) en daarvoor ook het martelaarschap op zich te nemen, zoals de heilige mannen en vrouwen van het Oude en Nieuwe Testament het gedaan hebben; ze werden heilig verklaard omdat ze liever hun leven gaven dan deze of gene handeling te verrichten die tegen het geloof of de deugd inging.

77. Om redelijke criteria voor de juiste zedelijke beslissing te verschaffen, houden de genoemde theorieën rekening met de bedoeling en de gevolgen van het menselijk handelen. Zeker moeten zowel de bedoeling - zoals Jezus in duidelijke tegenstelling met de schriftgeleerden en farizeeën, die zonder naar het hart te kijken, bepaalde uiterlijke werken tot in detail voorschreven, met bijzondere nadruk beklemtoont (vgl. Mc. 7, 20-21; Mt. 15, 19) -, alsook de als gevolg van een bijzondere handeling verworven bona en vermeden mala afdoend in aanmerking genomen worden. Het gaat om een eis van verantwoordelijkheid. Maar de overweging van deze gevolgen - evenmin als van de bedoelingen - volstaat niet voor de waardering van de morele kwaliteit van een concrete keuze. De afweging van bona en mala die als de gevolgen van een handeling voorzienbaar zijn, is geen geschikte methode, om te kunnen bepalen of de keuze van dit gedrag “naar haar soort” of “in zichzelf” zedelijk goed of slecht, geoorloofd of ongeoorloofd is. De voorzienbare gevolgen horen tot die omstandigheden van de daad, die weliswaar de zwaarte van een slechte handeling zouden kunnen modificeren, maar niet haar morele species veranderen.

Voor het overige weet iedereen, hoe moeilijk - of, beter, hoe onmogelijk - het is, om alle gevolgen en alle in voor-morele zin goede resp. slechte effecten van de eigen handelingen te beoordelen: een uitputtende verstandelijke raming is niet mogelijk. Hoe moet men proporties vaststellen, die van een waardering afhangen, waarvan de criteria in duisternis verkeren? Hoe zou men op grond van dergelijke dubieuze ramingen een absolute verplichting kunnen rechtvaardigen?

78. De moraliteit van de menselijke handeling is van het door de vrije wil redelijk gekozen object afhankelijk, zoals ook de scherpzinnige, nog altijd deugdelijke analyse van de H. Thomas aantoont. 126 Om het object van een handeling, dat haar zedelijk specificeert, te kunnen vaststellen, moet men zich daarom in het perspectief van de handelende persoon verplaatsen. Het object van de wilsdaad is immers een vrij gekozen gedrag. Voorzover het met de orde van het verstand overeenstemt, is het oorzaak van de goedheid van de wil, maakt het ons zedelijk volmaakter en helpt het ons, ons laatste doel in het volmaakte goed, de oorspronkelijke liefde, te kennen. Onder “object” van een bepaalde zedelijke handeling kan men dus niet een proces of een gebeurtenis van louter fysieke orde verstaan, die beoordeeld zouden moeten worden naar het feit dat ze in de uitwendige wereld een bepaalde toestand veroorzaken. Het object is het onmiddellijke doel van een vrije keuze, die de wilsakt van de handelende persoon stempelt. In deze zin zijn er, zoals de Catechismus van de katholieke Kerk leert, “concrete gedragswijzen, waarvan de keuze altijd verkeerd is, omdat hun keuze de ongeordendheid van de wil insluit, dat wil zeggen een zedelijk kwaad”. 127 “Het gebeurt niet zelden - schrijft de H. Thomas van Aquino - dat de mens met goede bedoeling, maar op nutteloze wijze handelt, omdat hem de goede wil ontbreekt. Bijvoorbeeld: wanneer iemand steelt, om een arme te eten te geven: Ofschoon in dit geval de bedoeling juist is, ontbreekt hier de juistheid van een gepaste wil. Kort en goed, de goede bedoeling is zeker geen excuus voor het uitvoeren van kwade werken. “Sommigen leggen ons in de mond: Laat ons het slechte doen, opdat er goed ontstaat. Deze mensen worden met recht veroordeeld” (Rom. 3, 8)”. 128

De reden waarom de goede bedoeling niet volstaat, maar ook de juiste keuze van de werken nodig is, ligt in het feit dat de menselijke handeling afhangt van haar object resp. van de vraag of dit object op God, Hem dus, die “alleen “de Goede” is, afgestemd kan worden of niet en zo de volmaaktheid van de menselijke persoon bewerkt. Een handeling is daarom goed, wanneer haar object overeenkomt met het goed van de persoon, met respect voor de bona die voor haar zedelijk van belang zijn. De christelijke ethiek, die voor het object van zedelijke handelingen een heel bijzondere belangstelling heeft, wijst het dus niet af om de innerlijk “teleologie” van het handelen in aanmerking te nemen, voorzover gericht op de bevordering van het ware goede van de persoon; zij houdt er echter aan vast, dat dat laatste pas dan waarlijk nagestreefd wordt, wanneer de wezenlijke aspecten van de menselijke natuur gerespecteerd worden. De krachtens haar object goede menselijke handeling bezit ook de eigenschap om op het laatste doel afgestemd te kunnen worden. Juist deze handeling krijgt dan haar laatste en beslissende volkomenheid, wanneer de wil haar door de liefde daadwerkelijk op God afstemt. In deze zin leert de patroon van de moraaltheologen en biechtvaders: “Het is niet voldoende, goede werken te doen, ze moeten goed gedaan worden. Opdat onze werken goed en volkomen zijn, moeten wij ze met het duidelijke doel verrichten, dat ze God bevallen”. 129

Het “in zichzelf slechte”: Men mag geen kwaad doen, opdat goed ontstaat (vgl. Rom. 3, 8).

79. Daarom moet men de opvatting, die typisch is voor teleologische en proportionalistische theorieën, afwijzen, dat het onmogelijk is om de bewuste keuze van enkele gedragswijzen resp. concrete handelingen naar hun species - hun “object” - als zedelijk slecht te beoordelen zonder de bedoeling, waarmee deze keuze gemaakt werd, of zonder het geheel van voorzienbare gevolgen van die handelingen voor alle betrokken personen te respecteren.

Het element dat voorrang heeft en beslissend is voor het morele oordeel is het object van de menselijke handeling dat erover beslist, of zij op het goede en op het laatste doel, dat God is, afgestemd kan worden. Of dit zo is, herkent het verstand in het zijn van de mens zelf, begrepen in zijn waarheid in volle omvang, en daarmee met inachtneming van zijn natuurlijke neigingen, zijn impulsen en doelgerichtheden, die altijd ook een geestelijke dimensie bezitten: Precies die zaken vormen de inhoud van de natuurwet en daarmee het geordende geheel van “bona voor de menselijke persoon” die zich in dienst stellen van het “goede van de persoon”, het goede, dat zij zelf en dat haar voltooiïng is. dat zijn de door de geboden (van de Decaloog) beschermde bona, die volgens de H. Thomas de hele natuurwet bevat. 130

80. Nu getuigt het verstand, dat er objecten van de menselijke handelingen zijn, die zich “niet op God laten afstemmen”, omdat zij in radicale tegenspraak met het goede van de naar zijn beeld geschapen persoon zijn. Dit zijn de handelingen, die in de morele overlevering van de Kerk “in zich slecht” (intrinsece malum) genoemd worden: Ze zijn altijd en op zichzelf reeds slecht, dat wil zeggen alleen al op grond van hun object, onafhankelijk van de verdere bedoelingen van de handelende en van de omstandigheden. Daarom leert de Kerk - zonder ook maar het minst de invloed te ontkennen die de omstandigheden en vooral de bedoelingen op de moraliteit hebben - dat “er handelingen zijn die door zichzelf en in zichzelf, onafhankelijk van de omstandigheden, vanwege hun object altijd ernstig ongeoorloofd zijn”. 131 Vaticanum II geeft, in samenhang met de eerbied, die de menselijke persoon verdient, een uitvoerige toelichting bij zulke handelingen aan de hand van voorbeelden: “Al wat verder tegen het leven zelf ingaat, zoals alle soorten van moord, uitroeiïng, abortus, euthanasie en vrijwillige zelfmoord; al wat de integriteit van de menselijke persoon aantast, zoals verminking, lichamelijke en geestelijke foltering, pogingen om de mens psychisch in zijn macht te krijgen; al wat een belediging is voor de menselijke waardigheid, zoals onmenselijke levensvoorwaarden, willekeurige arrestaties, deportaties, slavernij, prostitutie, handel in meisjes en minderjarigen; schandelijke arbeidsvoorwaarden waarbij de arbeiders als louter winst-werktuigen worden behandeld en niet als vrije en verantwoordelijke personen: dit alles en andere dergelijke dingen zijn onmiskenbaar schandelijk. Ze zijn een aantasting van de menselijke beschaving en zij werpen meer een smet op hen die zich zo gedragen dan op hen die het onrecht hebben te verdragen. En ze zijn volledig in tegenspraak met de eer van de Schepper”. 132

Over de in zichzelf slechte handelingen en met het oog op contraceptieve praktijken, door middel waarvan de huwelijksdaad opzettelijk onvruchtbaar gemaakt wordt, leert paus Paulus VI: “Want al kan het in werkelijkheid soms geoorloofd zijn een geringer moreel kwaad toe te laten om een groter kwaad te vermijden of om een hoger goed te bevorderen, nooit is het echter geoorloofd, zelfs niet om zeer ernstige redenen, het kwade te doen, opdat het goede daaruit zou volgen (vgl. Rom. 3, 8); dat wil zeggen dat men niet positief mag willen, wat in zijn wezen een overtreding van de morele orde betekent en dus mensonwaardig is, ook al bedoelt men daarmee het welzijn van het individu, van het gezin of van de maatschappij te verdedigen en te bevorderen”. 133

81. Wanneer de Kerk het bestaan van “in zichzelf slechte” handelingen leert, dan vat zij de leer van de Heilige Schrift op. De apostel stelt categorisch vast: “Maak uzelf niets wijs! Hoerenlopers noch afgodendienaars, echtbrekers noch schandknapen, knapenschenders noch dieven, geen gierigaards, dronkaards, lasteraars, oplichters zullen het rijk Gods erven” (1 Kor. 6, 9-10).

Wanneer de daden in zichzelf slecht zijn, dan kunnen een goede bedoeling of bijzondere omstandigheden hun slechtheid weliswaar afzwakken, maar niet opheffen: het zijn “onherstelbaar” slechte handelingen, die op zichzelf en in zichzelf niet af te stemmen zijn op God en op het goede van de menselijke persoon: “Wie zou met het oog op de handelingen die “van zichzelf” zonden zijn (cum iam opera ipsa peccata sunt) - schrijft de H. Augustinus -, zoals diefstal, ontucht, Godslastering, durven te beweren dat ze, als ze uit goede motieven (causis bonis) zouden worden gedaan, geen zonden meer zouden zijn of, een nog absurder conclusie, dat het gerechtvaardigde zonden zouden zijn? “.134

Daarom kunnen de omstandigheden of de bedoelingen nooit een reeds in zichzelf of door zijn object zedeloze daad in een “subjectief” goede of als keuze verdedigbare daad veranderen.

82. Voor het overige is de bedoeling dan goed, wanneer ze op het ware goed van de persoon, met het oog op haar laatste doel, gericht is. De handelingen echter die op grond van hun object niet op God zijn af te stemmen en die “de menselijke persoon onwaardig” zijn, staan altijd en in ieder geval tegenover dit goede. In deze zin betekent het in acht nemen van de normen, die zulke handelingen verbieden en semper et pro semper, dat wil zeggen zonder uitzondering, verplichten, niet alleen geen beperking voor de goede bedoeling, het is juist de fundamentele uitdrukking van een goede bedoeling.

De leer van het object als bron van de zedelijkheid is authentieke uitdrukkingsvorm van de bijbelse moraal van het Verbond en van de geboden, de liefde en de overige deugden. De zedelijke kwaliteit van menselijk handelen hangt van de trouw aan deze geboden af, die uitdrukking van gehoorzaamheid en liefde is. En daarom - we herhalen het nog eens - moet als dwaas worden afgewezen de mening, dat het onmogelijk zou zijn om de bewuste keuze van enkele gedragswijzen resp. concrete handelingen naar hun species als zedelijk slecht te kwalificeren, zonder de bedoeling op grond waarvan deze keuze gemaakt werd, of zonder het geheel van de voorzienbare gevolgen van iedere handeling voor alle betroffen personen in aanmerking te nemen. Zonder deze verstandelijke bepaling van de moraliteit van het menselijk handelen zou het onmogelijk zijn, een “objectieve zedelijke orde” 135 aan te nemen en een of andere door inhoudelijke gezichtspunten bepaalde norm vast te stellen, die zonder uitzondering verplicht: en dat tot schade van de broederlijkheid onder de mensen en de waarheid over het goede en evenzeer tot nadeel van de kerkelijke gemeenschap.

83. In het probleem van de zedelijkheid van het menselijk handelen en speciaal in de vraag naar het bestaan van in zichzelf slechte handelingen, concentreert zich, zoals men ziet, in zekere zin de vraag naar de mens zelf, naar zijn waarheid en de daaruit voortvloeiende consequenties. Wanneer de Kerk erkent en leert dat er concrete menselijke handelingen zijn, die in zichzelf al slecht zijn, blijft zij trouw aan de volle waarheid over de mens en respecteert hem daarmee en bevordert zijn waardigheid en roeping. Als gevolg daarvan moet zij de boven uiteengezette theorieën, die indruisen tegen deze waarheid, afwijzen.

Broeders in het bisschopsambt, wij mogen ons er echter niet toe beperken, de gelovigen over de dwalingen en gevaren van enkele ethische theorieën te onderrichten. We moeten vooral de fascinerende schittering van die waarheid laten zien, die Jezus Christus zelf is. In Hem, die de Waarheid is (vgl. Joh. 14, 6), kan de mens middels zijn goede daden zijn roeping in vrijheid tot gehoorzaamheid jegens de goddelijke wet, die in het gebod van de liefde tot God en de naaste samengevat is, volledig begrijpen en volmaakt beleven. En dat alles geschiedt door de gave van de heilige Geest, de Geest van de waarheid, de vrijheid en de liefde: in Hem is het ons gegeven, ons de wet eigen te maken en haar als een

impuls voor de ware persoonlijke vrijheid te begrijpen en te beleven. “De volmaakte wet is de wet van de vrijheid” (Jac. 1, 25).

Hoofdstuk III

“Opdat het kruis van Christus zijn kracht niet zou verliezen” (1 Kor. 1, 17)

Het zedelijk goede voor het leven van de Kerk en van de wereld

 “Christus heeft ons vrijgemaakt om in de vrijheid te blijven” (Gal. 5, 1)

84. De fundamentele vraag, die de bovengenoemde moraaltheorieën op een bijzonder indringende manier stellen, is die naar de relatie tussen de vrijheid van de mens en de wet van God, uiteindelijk de vraag naar de relatie tussen vrijheid en waarheid.

Volgens het christelijke geloof en de leer van de Kerk leidt “slechts de vrijheid, die zich aan de waarheid onderwerpt, de menselijke persoon naar zijn werkelijke welzijn. Het welzijn van de persoon bestaat erin, zich in de waarheid te bevinden en de waarheid te doen”. 136

De vergelijking van de positie van de Kerk met de huidige maatschappelijke en culturele situatie toont onmiddellijk de dringende noodzaak, dat juist met het oog op deze fundamentele vraag, door de Kerk zelf een intensieve pastorale arbeid ontwikkeld wordt: “Deze wezenlijke samenhang van de waarheid, het goede en de vrijheid is in de moderne cultuur praktisch verloren gegaan, en daarom is tegenwoordig een van de bijzondere eisen die aan de zending van de Kerk gesteld worden ter redding van de wereld, de mens te leiden naar het opnieuw ontdekken van deze samenhang. De vraag van Pilatus: “Wat is waarheid ? “, wordt ook tegenwoordig zichtbaar aan de troosteloze radeloosheid van een mens, die vaak niet meer weet, wie hij is, waar hij vandaan komt en waar hij naar toe gaat. En zo beleven we niet zelden het verschrikkelijke afglijden van de menselijke persoon in situaties van een voortgaande zelfvernietiging. Indien men naar bepaalde stemmen zou luisteren, dan lijkt het erop dat men niet meer de onveranderlijke absoluutheid van ook maar een zedelijke waarheid nog mag erkennen. Voor iedereen duidelijk is de verachting van het ontvangen maar nog niet geboren menselijke leven; de voortdurende schending van de grondrechten van de persoon; de onrechtvaardige vernietiging van de voor het ware menselijke leven noodzakelijke goederen. Ja, er zijn nog veel bedenkelijker zaken gebeurd: de mens is er niet meer van overtuigd, alleen in de waarheid het heil te kunnen vinden. De reddende, heilbrengende kracht van de waarheid wordt aangevochten, en alleen de - echter van elke objectiviteit beroofde - vrijheid wordt de taak toegedacht, autonoom te beslissen over wat goed en slecht is. Dit relativisme leidt op theologisch gebied tot wantrouwen in de wijsheid van God, die de mens door middel van de zedenwet leidt. Tegenover de geboden van de zedenwet stelt men de zogenaamde concrete situatie, omdat men er in feite niet meer er aan vast houdt dat de wet van God altijd het enige ware goede voor de mens is”. 137

85. De opgave van de Kerk om deze ethische theorieën onderzoekend te onderscheiden, beperkt zich niet tot de ontmaskering en afwijzing, maar richt zich erop, alle gelovigen bij te staan bij de vorming van een zedelijk geweten, dat in staat is te oordelen en waarheidsgetrouwe beslissingen te nemen, zoals de apostel Paulus vermanend schrijft: “Stemt uw gedrag niet af op deze wereld; wordt andere mensen, geleid door een nieuw inzicht, zodat gij kunt onderscheiden wat God wil, wat goed is, Hem gevallig en volmaakt. (Rom. 2, 12). Haar duidelijke houvast - haar pedagogische “geheim” - vindt dit werk van de Kerk niet zo zeer in de uitspraken van de leer en de pastorale oproepen tot waakzaamheid als veel meer daarin, dat ze de blik onafgewend op de Heer Jezus richt. Zo ziet de Kerk dag in dag uit met onvermoeibare liefde naar Christus, omdat ze zich volledig ervan bewust is, dat alleen bij Hem het ware en definitieve antwoord op de zedelijke probleemstellingen ligt.

Vooral in de gekruisigde Jezus vindt ze het antwoord op de vraag die tegenwoordig zoveel mensen kwelt: hoe kan de gehoorzaamheid aan de algemene en onveranderlijke zedelijke normen de uniciteit en onherhaalbaarheid van de persoon respecteren en niet een aanval op haar vrijheid en waarde worden ? De Kerk maakt zich die opvatting over het geweten eigen, die de apostel Paulus van de aan hem gegeven zending had: “Want Christus heeft mij.. gezonden.., het evangelie te verkondigen, en dat niet met fraaie en geleerde woorden; anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen.. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, Christus, Gods kracht en Gods wijsheid (1 Kor. 1, 17. 23-24). De gekruisigde Christusopenbaart de authentieke betekenis van de vrijheid, Hij leeft deze in de volheid van zijn totale zelfgave en roept de leerlingen op aan deze vrijheid deel te nemen.

86. Verstandige overweging en de alledaagse ervaring tonen de zwakte waardoor de vrijheid van de mens getekend is. Ze is echte, maar begrensde vrijheid: ze heeft haar absolute en onvoorwaardelijke uitgangspunt niet in zichzelf, maar in het bestaan, waar binnen ze zich bevindt en dat voor haar gelijktijdig een grens en een mogelijkheid is. Het is de vrijheid van een schepsel, dat wil zeggen geschonken vrijheid, die als kiem ontvangen en op een verantwoordelijke manier tot rijpheid gebracht moet worden. Ze hoort wezenlijk bij het geschapen evenbeeld van God, waardoor de waardigheid van de menselijke persoon gefundeerd wordt: in haar weerklinkt de oorspronkelijke roeping, waarmee de Schepper de mens tot het ware goede en, meer nog, door deopenbaring van Christus ertoe geroepen heeft door deelname aan het goddelijke leven zelf met Hem vriendschap te sluiten. Ze is tevens onveranderlijk eigen bezit en een veelomvattende opening naar alle mensen, in zoverre ze buiten zichzelf treedt, om de andere te leren kennen en van hem te houden. 138 De vrijheid heeft dus haar wortels in de waarheid over de mens en haar uiteindelijke doel in de gemeenschap.

Verstand en ervaring spreken niet alleen over de zwakte van de menselijke vrijheid, maar ook over haar drama. De mens ontdekt, dat zijn vrijheid op een raadselachtige wijze ertoe neigt, deze openheid voor het ware en goede te misbruiken, en dat hij inderdaad er vaak de voorkeur aan geeft, eindige, begrensde en vergankelijke goederen te kiezen. Ja meer nog, in de vergissingen en negatieve beslissingen bespeurt de mens het begin van een radicaal verzet, dat hem de waarheid en het goede laat afwijzen, om zich tot absoluut principe van zichzelf op te werpen. “Dat gij gelijk aan God zult worden” (Gen. 3, 5). De vrijheid moet dus bevrijd worden. Christus is haar Bevrijder: Hij “heeft ons vrijgemaakt om in de vrijheid te blijven”. (Gal. 5, 1).

87. Eerst openbaart Christus, dat het eerlijk en openlijk erkennen van de waarheid de voorwaarde voor een authentieke vrijheid is: “Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken” (Joh. 8, 32). 139 De waarheid maakt vrij ten opzichte van de macht en verleent de kracht tot het martelaarschap. Zo spreekt Jezus het uit voor Pilatus: “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid” (Joh. 18, 37). Zo moeten de ware aanbidders van God Hem “in geest en in waarheid” aanbidden (Joh. 4, 23): door deze aanbidding worden ze vrij. De samenhang met de waarheid en de aanbidding van God worden in Jezus Christus als de diepste wortel van de vrijheid openbaar.

Al het overige openbaart Jezus met zijn eigen bestaan en niet alleen door woorden, maar doordat de vrijheid zich in de liefde dat wil zeggen in de zelfgave, verwezenlijkt. Hij die zegt: “Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden” (Joh. 15, 13), gaat uit vrije wil de passie tegemoet (vgl. Mat. 26, 46) en geeft in zijn gehoorzaamheid aan de Vader zijn leven aan het kruis (vgl. Phil. 2, 6-11). Op deze wijze is de beschouwing van de gekruisigde Jezus de koninklijke weg die de Kerk dag voor dag moet gaan, als ze de hele betekenis van de vrijheid wil begrijpen: de zelfgave in dienst aan God en de broeders. De gemeenschap met de gekruisigde en verrezen Heer is dan de nooit opdrogende bron, waaruit de Kerk onophoudelijk put, om in vrijheid te leven, zich te geven en te dienen. In zijn commentaar op het vers uit psalm 100 “Dient de Heer met vreugde” zegt de heilige Augustinus “In het huis van de Heer zijn de knechten vrij. Vrij omdat niet de dwang maar de liefde de diensten oplegt.. De liefde maakt je tot knecht (dienaar) zoals de waarheid je vrij gemaakt heeft.. Je bent tegelijk dienaar en vrij: Dienaar, omdat je ertoe geworden bent, vrij, omdat God, je Schepper van je houdt; ja vrij ook, omdat het je gegeven is, van je Schepper te houden.. Je bent dienaar van de Heer en je bent bevrijd door de Heer. Zoek niet een vrijheid die je weg brengt van het huis van je Bevrijder”. 140

Op deze manier is de Kerk, en elke christen in haar, ertoe geroepen, deel te nemen aan het koninkrijk van Christus aan het kruis (vgl. Joh. 12, 32), aan de genade en aan de verantwoordelijkheid van de Mensenzoon die niet gekomen is om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen” (Mt. 20, 28). 141

Jezus is dus de levende en gepersonifieerde synthese van volmaakte vrijheid en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de wil van God. Zijn gekruisigd Lichaam is de volle openbaring de van de onverbrekelijke band tussen vrijheid en waarheid, zoals zijn verrijzenis van de dood de meest verheven verheerlijking is van de vruchtbaarheid en de heilbrengende kracht van een in waarheid geleefde vrijheid.

In het licht gaan (vgl. 1 Joh. 1, 7)

88. Het tegenover elkaar plaatsen, ja de radicale scheiding van vrijheid en waarheid is gevolg, uiting en voltooiïng van een andere nog ernstiger en schadelijker dichotomie, die het geloof scheidt van de moraal.

Deze scheiding is onderwerp van een van de dringendste pastorale zorgen van de Kerk in het huidige secularisatieproces, waarin veelal te veel mensen denken en leven, “alsof God niet bestaat”. We staan tegenover een mentaliteit die vaak op ingrijpende en verregaande manier en tot in de verste uithoeken van de maatschappij de houdingen en manier van handelen zelfs van christenen beïnvloedt, wier geloof daardoor ontkracht wordt en zijn oorspronkelijkheid als zelfstandige maatstaf voor het eigen zelfverstaan en het handelen in het persoonlijke, familie- en het maatschappelijk leven verliest. De door dezelfde gelovigen overgenomen beoordelings- en beslissingscriteria presenteren zich in het kader van een cultuur inderdaad zo, als zouden ze met de criteria van het evangelie niets te maken hebben of zelfs in tegenspraak hiermee zijn.

Het is nu dringend nodig, dat de christenen de nieuwheid van hun geloof en zijn oordeelskracht tegenover de heersende, ja zich opdringende cultuur opnieuw ontdekken: “Want eens waren jullie duisternis - zo leert ons de apostel Paulus -, nu echter zijn jullie door de Heer licht geworden. Leeft als kinderen van het licht ! Het licht brengt louter goedheid, gerechtigheid en waarheid voort. Onderzoekt, wat de Heer bevalt, en hebt niets gemeen met de werken van de duisternis, die geen vrucht brengen, maar legt ze open!.. Let er dus zorgvuldig op, hoe u uw leven leidt, niet dwaas, maar verstandig. Benut de tijd, want deze dagen zijn slecht” (Eph. 8, 8-11. 15-16; vgl. Thess. 5, 4-8).

Het is dringend nodig, het ware gelaat van het christelijk geloof terug te winnen en weer bekend te maken; dit is immers niet alleen een som van uitspraken, die door het verstand aangenomen worden en bevestigd moeten worden. Het is veel meer een geleefde kennis van Christus, een levende herinnering aan zijn geboden, een waarheid, die geleefd moet worden. Een woord wordt uiteindelijk pas dan werkelijk aangenomen, als het in handelen over gaat, als het in praktijk wordt gebracht. Het geloof is een beslissing, die een beroep doet op de hele existentie. Het is ontmoeting, dialoog, liefdes- en levensgemeenschap van de gelovigen met Jezus Christus die de Weg de Waarheid en het Leven is (vgl. Joh. 14, 6). Het vraagt een daad van vertrouwen en van zich geven aan Christus en geeft ons een leven, zoals Hij zelf geleefd heeft (vgl. Gal. 2, 20) dat wil zeggen in de grootste liefde tot God en tot zijn broeders.

89. Het geloof heeft ook een zedelijke inhoud: het schept en verlangt een consequente geëngageerdheid van het leven, het ondersteunt en voltooit het aannemen en het onderhouden van de goddelijke geboden. Zoals de evangelist Johannes schrijft: “God is licht en in Hem is geen duisternis. Als we zeggen dat we gemeenschap met Hem hebben en toch in duisternis wandelen, liegen wij en doen de waarheid niet.. Hierdoor weten we dat we Hem kennen: als we zijn geboden onderhouden. Wie zegt dat hij Hem kent maar zich niet stoort aan zijn geboden, is een leugenaar, en de waarheid is niet in hem. Wie zich echter aan zijn woord houdt, in hem is de liefde van God waarachtig voltooid: dan weten we zeker dat we “in Hem zijn”. Wie zegt, dat hij in Hem blijft, moet ook leven, zoals Hij geleefd heeft” (1 Joh. 1, 5-6; 2, 3-6).

Door het zedelijke leven wordt het geloof tot “belijdenis” en dat niet alleen voor God maar ook voor de mensen: er wordt een getuigenis afgelegd. “Gij zijt het licht der wereld - heeft Jezus gezegd -. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is” (Mt. 5, 14-16). Dat zijn vooral die van de naastenliefde (vgl. Mt. 25, 31-46) en van de ware vrijheid die zich in het zichzelf geven openbaart en leeft. Tot de totale gave van zichzelf, zoals Jezus het gedaan heeft, die aan het kruis “van de Kerk gehouden en zich voor haar gegeven heeft” (Eph. 5, 25). Het getuigenis van Christus is bron en maatstaf (paradigma) voor het getuigenis van de leerling, die opgeroepen wordt, dezelfde weg in te slaan: “Wie mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen” (Lc. 9, 23). De eis van het evangelisch radicalisme volgend kan de liefde van de gelovige het uiterste getuigenis van het martelaarschap afleggen. Over het voorbeeld van de aan het kruis stervende Jezus schrijft Paulus aan de christenen van Ephese: “Weest navolgers van God, zoals geliefde kinderen past. Leidt een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave en slachtoffer, God tot een lieflijke geur” (Eph. 5, 1-2).

Het martelaarschap, verheerlijking van de onschendbare heiligheid van de wet van God

90. In de onvoorwaardelijke achting voor die onopgeefbare eisen, die uit de persoonlijke waardigheid van iedere mens voortkomen, deze door de zedelijke normen verdedigde eisen, die de in zich slechte handelingen zonder uitzondering verbieden, straalt de relatie tussen geloof en moraal in haar volle luister. De universaliteit en onveranderlijkheid van de zedelijke norm maken de waarde van de persoon, dat wil zeggen de onschendbaarheid van de mens, op wiens aangezicht de hele schittering van God afstraalt, openbaar en stellen zich gelijktijdig op in dienst van haar bescherming (vgl. Gen. 9, 5-6)

Het onacceptabele van de “teleologische”, “consequentialistische” en “proportionalistische” ethische theorieën, die het bestaan van negatieve zedelijke normen ontkennen: normen die bepaalde gedragingen betreffen en die zonder uitzondering gelden, vindt duidelijke bevestiging in het feit van het christelijke martelaarschap, dat het leven van de Kerk steeds begeleid heeft en nog steeds begeleidt.

91. Reeds in het Oude Verbond komen we indrukwekkende getuigenissen van trouw aan de heilige wet van God tegen, die met de vrijwillige aanvaarding van de dood betaald werd. Een duidelijk voorbeeld is het verhaal van Susanna: De beide onrechtvaardige rechters, die haar in het geval, dat ze zou weigeren, hun onrein begeren ter wille te zijn, met de dood bedreigden, antwoordde ze: “Het is mij van alle kanten benauwd; want doe ik het, dan wacht mij de dood; doe ik het niet, dan zal ik niet aan uw handen ontsnappen. Maar toch is het veel beter, het niet te doen, en in uw handen te vallen, dan te zondigen voor het aanschijn des Heren (Dan. 13, 22-23). Susanna, die er de voorkeur aan geeft “onschuldig” in de handen van de rechters te vallen, getuigt niet alleen van haar geloof en haar verbondenheid met God, maar ook van haar gehoorzaamheid tegenover de waarheid en de absoluutheid van de zedelijke orde: door haar bereidheid, het martelaarschap op zich te nemen, geeft ze aan dat het niet rechtvaardig is dat te doen wat de goddelijke wet als slecht verklaart, om daardoor een of ander goed te bereiken. Ze kiest voor zich het “betere deel”: een duidelijk en compromisloos getuigenis voor de waarheid van het goede en voor de God van Israël; zo verkondigt zij door haar handelingen de heiligheid van God.

Op de drempel van het Nieuwe Testament weigert Johannes de Doper te zwijgen over de wet van de Heer en met het kwade mee te doen, “hij offerde zijn leven voor de rechtvaardigheid en de waarheid” 142 en werd zo ook als martelaar voorloper van de Messias (vgl. Mc. 6, 17-29). Daarom “werd degene in het donker van de kerker opgesloten, die gekomen was om getuigenis over het Licht af te leggen, en door juist dit Licht, dat Christus is, het verdiende, licht, dat in de duisternis schijnt, genoemd te worden. En in het eigen bloed werd degene gedoopt, aan wie het ten deel gevallen was, de Verlosser van de wereld te dopen. 143

In het Nieuwe Verbond vinden we talrijke getuigenissen van Jezus” leerlingen, te beginnen met de diaken Stefanus (vgl. Hand. 6, 8-7, 70) en de apostel Jacobus (vgl. Hand. 12, 1-2), die als martelaren stierven om van hun geloof en hun liefde te getuigen en om hem niet te verloochenen. Daarin volgden zij de Heer Jezus, die voor Kajafas en Pilatus “het goede getuigenis aflegde” (1 Tim. 6, 13), en de waarheid van zijn boodschap door het geven van zijn leven bevestigde. Talloze andere martelaren namen eerder de vervolgingen en de dood op zich, dan dat zij een afgodische daad stelden door voor het standbeeld van de keizer wierook te verbranden (vgl. openb. 13). Ze wezen het zelfs af, te doen alsof ze zo”n cultus verrichtten, en gaven daarmee het voorbeeld voor de zedelijke verplichting, zich ook maar van een enkele concrete gedragswijze te onthouden als deze in strijd was met de liefde tot God en het getuigenis van het geloof. In hun gehoorzaamheid vertrouwden ze, evenals Christus zelf gedaan had, hun leven toe aan de Vader en stelden het Hem ter beschikking, die hen van de dood kon bevrijden (vgl. Hebr. 5, 7).

De Kerk biedt de voorbeelden van talrijke heiligen, die de zedelijke waarheid gepreekt hebben en tot het martelaarschap verdedigd hebben of de voorkeur aan de dood boven ook maar een doodzonde gegeven hebben. Met hun heiligverklaring heeft de Kerk hun getuigenis bevestigd en hun overtuiging voor juist verklaard, volgens welke de liefde tot God ook onder de moeilijkste omstandigheden bindend inhoudt, dat men zich houdt aan de geboden en weigert deze te verraden - en al zou het zijn met het doel het eigen leven te redden.

92. Als bevestiging van de onverbrekelijkheid van de zedelijke orde komen in het martelaarschap de heiligheid van de wet van God en tegelijkertijd de onaantastbaarheid van de persoonlijke waardigheid van de naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen mens te voorschijn: Het is een waardigheid die nooit, ook niet met goede bedoelingen, omlaaggehaald of vervormd mag worden, hoe de moeilijkheden er ook uit mogen zien. Met grote strengheid vermaant Jezus ons: “Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen als dit ten koste gaat van zijn ziel ? “ (Mc. 8, 36).

Het martelaarschap ontmaskert elke poging, een op zichzelf slechte handeling, al is het onder “uitzonderlijke” omstandigheden, een “humane zin” te willen geven, als illusoir en onjuist: meer nog, het onthult openlijk het ware gezicht van de zedelijk slechte handeling: ze is een schending van de “menselijkheid” van de mens, en zelfs nog meer bij hem die het onrecht begaat, dan bij degene die het ondergaat. 144 Het martelaarschap is daarom ook verheerlijking van het volkomen “menszijn” en het ware “leven” van de menselijke persoon, zoals de heilige Ignatius van Antiochië betuigt als hij zich tot de christenen van Rome, de plaats van zijn martelaarschap, wendt: “Hebt medelijden met mij broeders: verhinder mij niet, te leven, wenst niet, dat ik sterf.. Laat mij tot het zuivere licht doordringen; als ik tot daar kan komen, zal ik waarachtig mens zijn. Laat mij het lijden en sterven van mijn God nadoen”. 145

93. Het martelaarschap is uiteindelijk een lichtend teken van de heiligheid van de Kerk: de met de dood betuigde trouw aan de heilige wetten van God is feestelijk getuigenis en missionaire inzet usque ad sanguinem, opdat niet de schittering van de zedelijke waarheid in de gewoonten en denkwijzen van de mensen en de maatschappij van zijn lichtende kracht beroofd wordt. Een dergelijk getuigenis geeft een buitengewoon waardevolle bijdrage, opdat men - niet alleen in de burgerlijke maatschappij, maar ook binnen de kerkelijke gemeenschappen - niet in de gevaarlijkste crisis terecht komt, waarin de mens maar terecht kan komen: de verwarring inzake goed en kwaad, wat de opbouw en het bewaren van de zedelijke orde van het individu en de gemeenschappen onmogelijk maakt. De martelaren en, in bredere zin, alle heiligen van de Kerk verspreiden licht door het welsprekende en fascinerende voorbeeld van een geheel door de luister van de zedelijke waarheid omgevormd leven van elk tijdperk uit de geschiedenis, door het zedelijke gevoel nieuw leven in te blazen. Door hun uitmuntende getuigenis van het goede zullen ze een levend verwijt worden aan al degenen die de wet overschrijden (vgl. Wijsh. 2, 12) en laten ze ook in deze, onze tijd de woorden van de profeet nieuw opklinken: “Wee jullie, die het slechte goed en het goede slecht noemt, die de duisternis tot licht en het licht tot duisternis maakt, die het bittere zoet en het zoete bitter maakt” (Jes. 5, 20).

Als het martelaarschap het hoogtepunt van het christelijke getuigenis is voor de zedelijke waarheid, waartoe slechts vergelijkenderwijze weinigen geroepen worden, dan is er toch nog een coherent getuigenis, dat alle christenen dagelijks bereid zouden moeten zijn te geven, ook ten koste van lijden en zware offers. Inderdaad is de christen gezien de veelvuldige moeilijkheden, die de trouw aan de absoluutheid van de zedelijke orde ook onder normale omstandigheden kan verlangen, met het smeken om goddelijke genade in het gebed tot af en toe heroïsche inspanningen opgeroepen, waarbij hem de deugd van heldhaftigheid zal steunen, met welke hulp hij - zoals de heilige Gregorius de Grote leert - zelfs “de moeilijkheden van de wereld met het oog op de eeuwige beloning lief kan hebben”. 146

94. In dit getuigenis van de absoluutheid van het zedelijk goede staan de christenen niet alleen: Ze vinden bevestiging in het zedelijke bewustzijn van de volkeren en in de grote tradities van de godsdienst- en de cultuurgeschiedenis van het Avondland en de Oriënt, niet zonder het voortdurend en geheimzinnig werken van de Geest van God. Voor allen moet de uitspraak van de Latijnse dichter Juvenalis gelden: “Beschouw het als het allergrootste vergrijp, het eigen overleven boven het eergevoel te plaatsen en uit liefde voor het lijfelijke leven de eigenlijke reden voor het leven te verliezen”. 147 De stem van het geweten heeft steeds zonder tweeduidigheid erop gewezen dat er zedelijke waarheden en waarden zijn, waarvoor we bereid zou moeten zijn het leven te geven. In het woord, maar vooral in het offer van het leven voor de zedelijke waarde erkent de Kerk juist dat het getuigenis voor deze reeds in de schepping aanwezige waarheid, op het gezicht van Christus vol straalt: “We weten - schrijft de heilige Justinus - dat de aanhangers van de stoïcijnse leer gehaat en gedood werden, omdat ze, zoals ook af en toe de dichters, vooral in hun uitingen over vraagstukken uit de moraal, zich voortreffelijk hebben gedragen, op basis van de kiem van de goddelijke logos, die in het hele mensengeslacht is ingeplant”. 148

De algemene en onveranderlijke zedelijke normen in dienst van de menselijke persoon en de maatschappij

95. De leer van de Kerk en vooral haar standvastigheid in de verdediging van de universele en blijvende geldigheid van de zedelijke geboden die op zichzelf staande slechte handelingen verbieden, worden niet zelden als teken van een onverdraaglijk gebrek aan toegeeflijkheid bekritiseerd, vooral als het gaat om zeer complexe en conflictrijke situaties van het huidige leven van het individu en de maatschappij: een ontoegeeflijkheid die strijdig zou zijn met een moederlijk gevoel van de Kerk.

Deze zou het, zo zegt men, aan begrip en barmhartigheid ontbreken. Maar in feite kan de moederlijkheid van de Kerk nooit gescheiden worden van haar zendingsopdracht als lerares, die ze als trouwe bruid van Christus, die de Waarheid in Persoon is, steeds moet uitvoeren: “Als lerares wordt ze niet moe, de zedelijke norm te verkondigen.. Deze norm is niet door de Kerk geschapen en niet overgelaten aan haar willekeur. In gehoorzaamheid aan de waarheid, die Christus is, wiens beeld zich in de natuur en in de waarde van de menselijke persoon weerspiegelt, interpreteert de Kerk de zedelijke norm en legt haar aan alle mensen van goede wil voor zonder hun eis tot radicaliteit en volmaaktheid te verbergen”. 149

Waarachtig begrip en echte barmhartigheid betekenen in werkelijkheid liefde voor de menselijke persoon, voor haar ware welzijn, voor haar authentieke vrijheid. En dit komt beslist niet tot stand, doordat men de zedelijke waarheid verbergt of afzwakt, maar doordat men ze in haar diepe betekenis als uitstraling van de eeuwige wijsheid van God, die ons in Christus bereikt, en als dienst aan de mensen, aan de groei van zijn vrijheid en aan het bereiken van zijn zaligheid voorlegt. 150

Tegelijkertijd kan de duidelijke en krachtige voorstelling van de zedelijke waarheid nooit afzien van een diep en oprecht respect, getekend door geduldige en vertrouwen schenkende liefde, dat de mens op zijn morele weg nodig heeft, die vaak vanwege zwakheden en pijnlijke situaties moeilijk blijkt. De Kerk kan nooit van het “beginsel van de waarheid en de juistheid van haar gevolgen” afzien, op basis waarvan ze “het niet toestaat, goed te noemen, wat slecht is, en slecht wat goed is”. 151 Paus Paulus VI heeft geschreven: “Het is een uitmuntende vorm van liefde voor de onsterfelijke zielen, als men op geen enkele manier beperkingen oplegt aan de heilzame leer van Christus. Dit moet echter steeds door geduld en liefde begeleid worden, waarvoor de Heer zelf in zijn omgang met de mensen een voorbeeld heeft gegeven. Hij is gekomen, niet om te oordelen maar om te redden (vgl. Joh. 3, 17); heel zeker was hij onverzoenlijk ten opzichte van de zonde, maar hij was barmhartig voor de zondaar”. 152

96. De vasthoudendheid van de Kerk bij de verdediging van de universele en onveranderlijke zedelijke normen heeft niets onderdrukkends in zich. Ze dient enkel en alleen de ware vrijheid van de mens: Omdat er buiten de waarheid of tegen haar geen vrijheid kan zijn, moet de categorische, dat wil zeggen ontoegeeflijke en compromisloze verdediging van de absoluut nooit prijs te geven eisen van de persoonlijke waarde van de mens, weg en zelfs existentiële voorwaarde voor de vrijheid genoemd worden.

Deze dienst wordt elke mens aangeboden, gezien in de uniciteit en onherhaalbaarheid van zijn wezen en zijn bestaan. Alleen in gehoorzaamheid aan de universele zedelijke normen vindt de mens een volledige bevestiging van het unieke van zijn persoon en van de mogelijkheid van werkelijke zedelijke groei. En juist daarom is deze dienst gericht op alle mensen: niet alleen op het individu, maar ook op de gemeenschap als zodanig. Deze normen vormen inderdaad het onwrikbare fundament en de betrouwbare garantie voor een rechtvaardige en vreedzame menselijke samenleving en daarmee voor een echte democratie, die alleen in de gelijkheid van al haar in rechten en plichten verenigde leden ontstaan en groeien kan. Ten aanzien van de zedelijke normen die het in zichzelf slechte verbieden, zijn er voor niemand privileges of uitzonderingen. Of iemand heer van de wereld of de “ellendigste” is op aarde, dat maakt geen verschil: Voor de zedelijke eisen zijn we allen volkomen gelijk.

97. Zo ontsluiten de zedelijke normen, en op de eerste plaats de negatieve, die het doen van kwaad verbieden, hun betekenis en de tegelijkertijd persoonlijke en sociale kracht: doordat ze de onvoorwaardelijke persoonlijke waardigheid van elke mens beschermen, dienen ze het behoud van de menselijke sociale netwerken en de juiste en vruchtbare ontwikkeling hiervan. Vooral de geboden van de tweede tafel van de Decaloog, waar Jezus de jongeman uit het evangelie aan herinnert (vgl. Mt. 19, 18) vormen de grondregels van elk maatschappelijk leven.

Deze geboden worden in algemene bewoordingen geformuleerd. Maar het feit dat “begin, draagster en doel van alle maatschappelijke instituten de menselijke persoon is en ook zijn moet” 153 staat toe en maakt het mogelijk een precisering en verklaring te geven in een uitvoerige gedragscodex. In deze zin zijn de zedelijke grondregels van het maatschappelijke leven met bepaalde eisen verbonden, die zowel de publieke machten als de burgers moeten navolgen. Ongeacht de soms goede bedoelingen en de vaak moeilijke omstandigheden zijn deze ambtsdragers en de afzonderlijke individuen nooit bevoegd, de onvervreemdbare grondrechten van de menselijke persoon te schenden. Alleen een moraal, die normen erkent, die altijd en voor allen zonder uitzondering gelden, kan daarom het ethische fundament voor het maatschappelijke samenleven zowel op nationaal als internationaal niveau garanderen.

De moraal en de vernieuwing van het maatschappelijke en politieke leven

98. In het licht van de ernstige vormen van sociaal en economisch onrecht en politieke corruptie, waardoor hele volkeren en naties geteisterd worden, groeit de verontwaardiging van ontelbare met voeten getreden en in hun menselijke grondrechten vernederde mensen en steeds breder en heftiger wordt het verlangen naar radicale persoonlijke en maatschappelijke vernieuwing merkbaar, die alleen in staat is, gerechtigheid, solidariteit, waarachtigheid en doorzichtigheid te garanderen.

Zeker moet er nog een lange en moeizame weg afgelegd worden, talrijke geweldige inspanningen moeten worden ondernomen, opdat zo”n vernieuwing verwezenlijkt kan worden; Reden daarvoor zijn ook de veelheid en de ernst van de oorzaken, die de huidige onrechtvaardige toestanden in de wereld kweken en voeden. Maar zoals de geschiedenis en de ervaring van elk individu leren, kan men gemakkelijk aan de wortels van deze situaties eigenlijk “culturele” oorzaken ontdekken, dat wil zeggen oorzaken, die met bepaalde opvattingen van de mens van de maatschappij en van de wereld samenhangen. In feite staat in het middelpunt van de culturele kwestie het zedelijk gevoel, dat van zijn kant op het religieuze gevoel rust en zich hierin voltooit. 154

99. Alleen God, het hoogste goed, vormt het onvervreemdbare fundament en de onvervangbare voorwaarde van de zedelijkheid, dus de geboden, in het bijzonder die negatieve geboden, die steeds en in elk geval de met de waardigheid van elke menselijke persoon onverenigbare gedragspatronen en handelingen verbieden. Zo ontmoeten het hoogste goed en het zedelijke goed elkaar in de waarheid; de waarheid over God, de Schepper en Verlosser en de waarheid over de door Hem geschapen en verloste mens. Slechts op het fundament van deze waarheid is het mogelijk, een vernieuwde maatschappij op te bouwen en de gecompliceerde en drukkende problemen, die deze doen beven, op te lossen: in de eerste plaats dat van het overwinnen van verschillende vormen van totalitarisme, om de weg te banen voor de authentieke vrijheid van de persoon. “Het totalitarisme komt voort uit de ontkenning van de waarheid in de objectieve zin: Als er geen transcendente waarheid bestaat, in gehoorzaamheid waaraan de mens tot zijn volledige identiteit komt, dan bestaat er geen zeker principe dat rechtvaardige betrekkingen tussen mensen garandeert. Hun klassebelang, groepsbelang en nationaal belang brengt hen onverzoenlijk tegen over elkaar. Als de transcendente waarheid niet erkend wordt dan triomfeert het geweld van de macht en probeert iedereen, tot het uiterste van de hem ter beschikking staande middelen gebruik te maken om zonder naar rechten van de anderen te kijken zijn belangen en zijn mening door te zetten. Dan wordt de mens alleen gespaard voorzover hij kan worden gebruik als middel tot profijt van de heersenden. De wortel van het moderne totalitarisme ligt daarom in de ontkenning van de transcendente waardigheid van de mens, het zichtbare beeld van de onzichtbare God. Juist daarom, vanwege deze natuur, is hij drager van rechten, die niemand mag schenden: noch het individu, noch de groep, de klasse, de natie of de staat. Ook de meerderheid in de maatschappij mag dit niet doen: tegen de minderheid optreden, haar buitensluiten, onderdrukken, uitbuiten of proberen haar te vernietigen”. 155

Daarom heeft de niet te scheiden samenhang tussen waarheid en vrijheid - uitdrukking van de wezenlijke band tussen wijsheid en wil van God - een uiterst belangrijke betekenis voor het leven van de mens op het sociaal-economische en socio-politieke vlak. Dat blijkt uit de sociale leer van de Kerk - die “op het gebied van de theologie en vooral van de moraaltheologie” 156 - en de uitleg van de geboden, die het maatschappelijke, economische en politieke leven niet alleen met betrekking tot algemene houdingen, maar ook met betrekking tot precies bepaalde gedragswijzen en concrete handelingen regelen.

100. Zo benadrukt de Catechismus van de katholieke Kerk op de eerste plaats, dat “op economisch gebied het respecteren van de menselijke waardigheid de deugd van de matigheid vraagt, om de hechting aan de goederen van deze wereld te beteugelen; de deugd van gerechtigheid, om de rechten van de naaste te garanderen en hem te geven wat hem toekomt; en de solidariteit overeenkomstig de gouden regel en de vrijgevigheid van de Heer, want “Hij is om uwentwil arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede” (2 Kor. 8, 9)”, 157 om dan een reeks van gedragingen en van handelingen, die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, bij de naam te noemen: Diefstal, bewust achterhouden van geleende of verloren voorwerpen, bedrog in het zakenleven (vgl. Dt. 25, 13-16), oneerlijke lonen (vgl. Dt. 24, 14-15; Jac. 5, 4), prijsverhogingen door het misbruik maken van de onwetendheid en de noodsituatie van anderen (vgl. Am. 8, 4-6), het zich toeëigenen van bedrijfsvermogen van een onderneming voor privé-gebruik, slecht geleverd werk, belastingfraude, het vervalsen van cheques en rekeningen, buitensporige uitgaven, verspilling etc. 158 En verder: “Het zevende gebod verbiedt handelingen en ondernemingen, die om de een of andere reden - uit egoïsme, vanwege een ideologie, uit zucht naar winst of vanuit een totalitaire gezindheid, - ertoe leiden, dat mensen geknecht, en van hun persoonlijke waardigheid beroofd worden of als waren gekocht, verkocht of geruild worden. Het is een zonde tegen hun menselijke waardigheid en hun grondrechten, ze op gewelddadige wijze tot louter gebruikswaar of tot bron van winst te maken. De heilige Paulus beval een christelijke heer, zijn christelijke slaven “niet meer als slaven, maar als veel meer: als geliefde broeders” te behandelen (Phlm. 16)”. 159

101. Op politiek gebied is het nodig te benadrukken, dat waarachtigheid, in de relaties tussen regerenden en geregeerden, doorzichtigheid van het openbare bestuur, onpartijdigheid bij het dienen van de staat, respect voor de rechten ook van politieke tegenstanders, bescherming van de rechten van de aangeklaagden tegen summiere processen en veroordelingen, juist en gewetensvol gebruik van gemeenschappelijke financiële middelen, het afwijzen van twijfelachtige of ongeoorloofde middelen om de macht te allen prijze te veroveren, vast te houden en te uit te breiden, principes zijn, die hun diepste wortel - zoals ook hun unieke dringende noodzaak - in de transcendente waarde van de persoon en in de objectieve zedelijke eisen voor het functioneren van de staat hebben. 160 Als men zich er niet aan houdt, breekt het fundament van het politieke samenleven stuk, en het hele maatschappelijke leven wordt daardoor steeds meer, bedreigd en aan het verval prijsgegeven (vgl. Ps. 14, 3-4; Openb. 18, 2-3, 9-24). Na de neergang van de ideologieën in veel landen, die de politiek met een totalitair wereldbeeld verbonden - waaronder vooral het marxisme - tekent zich nu een niet minder ernstig gevaar af, met het oog op de ontkenning van de grondrechten van de menselijke persoon en het vertalen van de religieuze vraag die in het hart van elk menselijk wezen bestaat, in politieke categorieën: Het is het gevaar van het verbinden van democratie met ethisch relativisme, dat aan de burgerlijke samenleving elk zeker zedelijk referentiepunt ontneemt, ja meer nog, haar berooft van de erkenning van de waarheid. Want “als er geen laatste waarheid is, die het politieke handelen leidt en er oriëntering aan geeft, dan kunnen de ideeën en overtuigingen gemakkelijk voor machtsdoeleinden misbruikt worden. Een democratie zonder waarden verandert, zoals de geschiedenis bewijst, gemakkelijk in een openlijk of achterbaks totalitarisme”. 161

In alle sectoren van het persoonlijke, familiale maatschappelijke en politieke leven bewijst dus de moraal - die zich op de waarheid baseert en zich in de waarheid voor de authentieke vrijheid opent - niet alleen voor de individuele mens en zijn groei in het goede, maar ook voor de maatschappij en haar ware ontwikkeling een oorspronkelijke niet te vervangen en zeer waardevolle dienst.

Genade en gehoorzaamheid aan de wet van God

102. Ook in de moeilijkste situatie moet de mens letten op de zedelijke norm, om gehoorzaam te zijn aan het heilige gebod

van God en om in overeenstemming te zijn met de eigen persoonlijke waardigheid. Zeker vraagt de harmonie tussen vrijheid en waarheid nu en dan buitengewone offers en wordt zij duur betaald: ze kan ook het martelaarschap inhouden. Maar zoals onze algemene en dagelijkse ervaring bewijst, is de mens ertoe geneigd, deze harmonie te verbreken: “Ik doe niet dat wat ik wil, maar dat, wat ik haat. Ik doe niet het goede, dat ik wil, maar het kwade, dat ik niet wil” (Rom. 7. 15. 19).

Waar komt uiteindelijk deze innerlijke gespletenheid van de mens vandaan? De geschiedenis van zijn schuld begint zodra hij niet meer de Heer als zijn Schepper erkent en in volledige onafhankelijkheid zelf erover wil beslissen, wat goed en wat kwaad is. “Jullie worden als God en kennen goed en kwaad” (Gen. 3, 5); dat is de eerste verleiding, waarna alle andere verleidingen volgen; om daaraan toe te geven is de mens na de verwondingen door de zondeval nog meer geneigd.

Maar de verleidingen kunnen overwonnen, de zonden kunnen voorkomen worden, omdat de Heer ons samen met de geboden de mogelijkheid schenkt, de wet te onderhouden: “De ogen van God kijken naar het handelen van de mensen, Hij kent al hun daden. Niemand gebiedt Hij te zondigen en de bedriegers ondersteunt Hij niet” (Sir. 15, 19-20). Het onderhouden van de geboden van God kan in bepaalde situaties moeilijk, zeer moeilijk zijn: nooit is het echter onmogelijk. Dit is een constante leer uit de traditie van de Kerk, zoals deze door het concilie van Trente geformuleerd werd: “Niemand echter, hoe zeer hij ook gerechtvaardigd mag zijn, mag menen, dat hij vrij is van het onderhouden van de geboden, niemand mag dat lichtzinnige en door de Kerkvaders onder dreiging van het Anathema verboden woord gebruiken, dat de voorschriften van God voor een gerechtvaardigde mens onmogelijk te onderhouden zouden zijn. “Want God beveelt niets onmogelijks, maar als hij beveelt, dan maant hij, te doen, wat men kan en af te smeken wat men niet kan”, en hij helpt zo, dat men het kan; “zijn geboden zijn niet moeilijk” (1 Joh. 5, 3), zijn “juk is zacht en (zijn) last is licht” (Mt 11, 30)”. 162

103. Met hulp van de goddelijke genade en door de medewerking van de menselijke vrijheid staat voor de mens steeds de geestelijke weg van de hoop open.

In het reddende kruis van Jezus, in de gave van de Heilige Geest, in de sacramenten, die uit de doorboorde zijde van de Verlosser voortkomen (vgl. Joh. 19, 34), vindt de gelovige de genade en de kracht, de heilige wet van God steeds, ook onder grote moeilijkheden, te onderhouden. Zoals de heilige Andreas van Kreta zegt, werd de wet “door de genade nieuw leven ingeblazen, in harmonische en vruchtbare verbinding, in haar dienst gesteld, zonder vermenging en verwarring van haar steeds bijzondere eigenschappen; en toch heeft zij op goddelijke wijze de vroeger belastende en tirannieke wet in een lichte last en een bron van vrijheid veranderd”. 163

Alleen in het verlossingsgeheim van Christus wortelen de “concrete” mogelijkheden van de mens. “Het zou een ernstige vergissing zijn de conclusie te trekken.., dat de door de Kerk geleerde norm op zichzelf slechts een “ideaal” zou zijn, dat, zoals men zegt, aan de concrete mogelijkheden van de mens aangepast zou moeten worden, geschikt en genuanceerd, na “afweging van de verschillende ter discussie staande belangen”. Maar wat zijn de “concrete mogelijkheden van de mens? “ En over welke mens wordt gesproken? Over de mens die door begeerte beheerst wordt, of over de mens, die door Christus verlost werd? Uiteindelijk gaat het om het volgende: om de werkelijkheid van de verlossing door Christus. Christus heeft ons verlost! Dat betekent: Hij heeft ons de mogelijkheid geschonken, de hele waarheid van ons zijn te verwezenlijken; Hij heeft onze vrijheid van de heerschappij van de begeerte bevrijd. En ook als de verloste mens nog zondigt, dan is dat niet op het niet-volkomen-zijn van de verlossingsdaad terug te voeren, maar op de wil van de mens, zich te onttrekken aan de genade die uit deze daad voortkomt. Het gebod van God is zeker aangepast aan de mogelijkheden van de mens: Maar de mogelijkheden van de mens, aan wie de heilige Geest geschonken is; de mens, die, hoewel hij tot zonde verviel, steeds vergeving kan krijgen en zich verheugen over de aanwezigheid van de Geest”. 164

104. In deze context wordt aan het erbarmen van God met de zonde van de zich bekerende mens, en het begrip voor de menselijke zwakte de juiste ruimte gegeven. Dit begrip betekent nooit, de maatstaf voor goed en kwaad op het spel te zetten en te vervalsen, om hem aan de omstandigheden aan te passen. Terwijl het menselijk is, dat de mens, nadat hij gezondigd heeft, zijn zwakte erkent en vanwege zijn schuld om vergeving smeekt, is daarentegen de houding van een mens, die zijn zwakte tot criterium van de waarheid van het goede maakt, om zich vanzelf gerechtvaardigd te voelen, zonder het nodig te hebben, zich tot God en zijn barmhartigheid te wenden, niet aanvaardbaar. Een dergelijke houding bederft de zedelijkheid van de gehele maatschappij, omdat ze leert, dat aan de objectiviteit van de zedelijke wetten in het algemeen getwijfeld kan worden en de absoluutheid van de zedelijke verboden in relatie met bepaalde menselijke handelingen ontkend kan worden, wat uiteindelijk ertoe leidt, dat men alle waardeoordelen door elkaar gaat halen.

Veelmeer moeten we de boodschap aannemen die ons in de bijbelse gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar overgeleverd is (vgl. Lc. 18, 9-14). De tollenaar had misschien de een of andere rechtvaardiging kunnen aanvoeren voor zijn zonden, die zijn verantwoordelijkheid verminderde. Maar zijn gebed houdt zich niet op met zulke rechtvaardigingen, maar heeft de eigen onwaardigheid ten aanzien van de oneindige heiligheid van God voor ogen: “God, wees mij zondaar genadig” (Lc. 18, 13). De farizeeër echter rechtvaardigt zichzelf, doordat hij misschien voor elke afzonderlijke zonde een verontschuldiging vindt. We worden dus zo met twee verschillende houdingen van het zedelijke geweten van de mens van alle tijden geconfronteerd. De tollenaar toont ons een “berouwvol” geweten, dat zich volledig bewust is van de zwakheid van de eigen natuur en van de eigen gebreken, ongeacht welke subjectieve rechtvaardiging er ook zijn mag, hij ziet een bevestiging van de noodzaak van zijn verlossing. De farizeeër toont ons een “zelfgenoegzaam” geweten, dat zich inbeeldt, de wet zonder de hulp van de genade te kunnen volgen, en dat ervan overtuigd is, geen vergeving nodig te hebben.

105. Van iedereen wordt grote waakzaamheid gevraagd, zich niet te laten aansteken door de houding van de farizeeër, die tracht het besef van de eigen beperktheid en zonde op te heffen, en die tegenwoordig in de poging, de zedelijke norm aan te passen aan eigen mogelijkheden en de eigen belangen, en zelfs in het afwijzen van het normbegrip op bijzondere manier tot uitdrukking komt. Omgekeerd roept het accepteren van “de ongelijkheid” tussen de wet en de mogelijkheden van de mens - dat wil zeggen de mogelijkheden van de zedelijke krachten van de aan zichzelf overgelaten mens - het verlangen op naar genade en maakt de grond rijp om deze te ontvangen. “Wie zal mij uit dit tot de dood veroordeelde lichaam bevrijden ? “ vraagt de apostel Paulus zich af. En met een vreugdevol en dankbaar getuigenis antwoordt hij: “Dank zij God door Jezus Christus, onze Heer! (Rom. 7, 24-25).

Hetzelfde besef treffen we aan in het volgende gebed van de heilige Ambrosius van Milaan: “De mens is niets waard, als U hem niet opzoekt. Vergeet de zwakke niet, denk eraan, dat U mij uit stof hebt gevormd. Hoe zal ik mij overeind kunnen houden, als U mij niet zonder onderbreking in het oog houdt, om deze klei te verstevigen, zo dat mijn standvastigheid uit uw blik voortkomt? “Verbergt U uw gezicht dan ben ik ontsteld” (Ps. 104, 29). Wee mij als U mij aankijkt! U kunt bij mij alleen verdorvenheden door falen zien; het is geen voordeel, om verlaten te worden, noch om gezien te worden, want als we gezien worden, zijn we een reden tot afschuw. We mogen echter aannemen, dat God hen niet afwijst, naar wie Hij kijkt, want hij maakt hen rein, die hij aankijkt. Voor Hem een alle schuld verzengend vuur” (vgl. Joel 2, 3). 165

Moraal en nieuwe evangelisatie

106. De evangelisatie is de belangrijkste en opwindendste uitdaging, die de Kerk zich vanaf het begin moet stellen. In feite komt deze uitdaging niet zo zeer voort uit maatschappelijke en culturele situaties, waarmee de Kerk in de loop van de geschiedenis geconfronteerd werd als veeleer uit de opdracht van de verrezen Jezus Christus, die de eigenlijke reden geeft voor het bestaan van de Kerk; “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping” (Mc. 16, 15).

Wat wij echter tegenwoordig, tenminste bij talrijke volkeren, waarnemen, is eigenlijk een zeer grote uitdaging aan de nieuwe evangelisatie dat wil zeggen aan de verkondiging van het steeds nieuwe en steeds nieuwe zaken doorgevende evangelie, een evangelisering, die nieuw moet zijn, “nieuw in haar ijver, nieuw in haar methoden en nieuw in haar manier van uitdrukken”. 166

De ontkerstening die op hele volkeren en gemeenschappen drukt, die eens vervuld waren van het geloof, leidt niet alleen tot het verlies van het geloof of tenminste tot het verdwijnen van de betekenis ervan, maar noodzakelijkerwijze ook tot een verval of een verduistering van het zedelijke gevoel: en dat aan de ene kant door de ontbrekende zin voor de oorspronkelijkheid van de moraal van het evangelie, en aan de andere kant vanwege de verduistering van fundamentele zedelijke kernpunten en waarden. De tegenwoordig zo ver verbreide subjectivistische, utilitaristische en relativistische tendensen treden niet eenvoudig op als pragmatische posities met het karakter van gewoonten maar, vanuit theoretisch perspectief, als vaste concepten, die hun volledige culturele en maatschappelijke legitimatie opeisen.

107. De evangelisatie - en daarmee de nieuwe evangelisatie -omvat ook de verkondiging en het aanbieden van de moraal. Jezus zelf heeft toen hij het rijk Gods en zijn reddende liefde verkondigde, tot geloof en tot bekering opgeroepen (vgl. Mc. 1, 15). En met de andere apostelen spreekt Petrus als hij de verrijzenis van Jezus van Nazareth van de doden verkondigt over een nieuw leven, dat men leven, van een weg die men volgen moet, om leerling van de Verrezene te zijn (vgl. Hand. 2, 37-41; 3, 17-20).

Zoals in het geval van de geloofswaarheden, ja in nog hogere mate, getuigt een nieuwe evangelisatie die de fundamenten en inhouden van de christelijke moraal uiteenzet, van haar authenticiteit en laat gelijktijdig haar hele missionaire kracht uitstromen, als dit zich door het geschenk niet alleen van het verkondigde, maar, en in zekere zin vooral, ook door het geleefde woord voltrekt. In het bijzonder is het leven in heiligheid, dat in zovele deemoedige en vaak voor de blikken van mensen verborgen ledematen van het Volk Gods doorstraalt, dat de eenvoudigste en meest fascinerende weg vormt waarop men onmiddellijk de schoonheid van de waarheid, de bevrijdende kracht, de liefde van God, de waarde van onvoorwaardelijke trouw, zelfs onder de moeilijkste omstandigheden, ten aanzien van alle eisen van de wet van de Heer, waar kan nemen. Daarom heeft de Kerk in haar moraalpedagogie steeds de gelovigen uitgenodigd, in de heilige mannen en vrouwen en vooral in de leerlingen en de Moeder Gods, die “vol van genade” en “geheel heilig” is, het voorbeeld, de kracht en de vreugde te zoeken en te vinden, om een leven volgens de geboden van God en de zaligsprekingen van het evangelie te leiden.

Het leven van de heiligen - het spiegelbeeld van de goedheid van God, die “alleen de Goede is” - geeft niet alleen een echt geloofsgetuigenis en een impuls om dat aan de anderen mee te delen, maar ook een verheerlijking van God en zijn oneindige heiligheid. “Het heilige leven leidt zo tot voltooiïng in woord en daad van het ene en drievoudige ambt: munus propheticum, sacerdotale et regale, dat elke christen bij de wedergeboorte in de doop “uit water en geest” (Joh. 3, 5) als geschenk ontvangt. Het zedelijke leven heeft de waarde van een “godsdienst” (Rom. 12, 1; vgl. Phil. 3, 3), die uit die onuitputtelijke bron van heiligheid en verheerlijking gevoed wordt, die van de sacramenten, in het bijzonder de eucharistie: Want door de deelname aan het kruisoffer heeft de christen gemeenschap met de zich wegschenkende liefde van Christus en wordt erdoor in staat gesteld en ertoe verplicht dezelfde liefde in al zijn levenshoudingen en gedragingen te leven. In het zedelijk bestaan openbaart en verwezenlijkt zich ook de koninklijke dienst van de christen: hoe meer hij met behulp van de genade gehoorzaamt aan de nieuwe wet van de heilige Geest, des te meer groeit hij in de vrijheid, waartoe hij in dienst van de waarheid, de liefde en de rechtvaardigheid geroepen is.

108. Aan de oorsprong van de nieuwe evangelisatie en het nieuwe zedelijke leven dat zij in haar vruchten van heiligheid en de missionaire geëngageerdheid aanbiedt en opwekt, staat de Geest van Christus, principe en kracht van de vruchtbaarheid van de heilige Moeder de Kerk zoals Paulus VI ons in herinnering roept: “Zonder het werken van de heilige Geest zal de evangelisering nooit mogelijk zijn “.167 Aan de Geest van Jezus die door het deemoedige en bereidwillige hart van de gelovige opgenomen wordt, is dus het opbloeien en gedijen van het zedelijke leven van de christen en het getuigenis van de heiligheid in de grote variëteit van roepingen, van gaven, van verantwoordelijkheden en de levensvoorwaarden en -situaties te danken: het is de heilige Geest - beklemtoonde reeds Novitianus en bracht daarmee het authentieke geloof van de Kerk tot uitdrukking - “die de leerlingen in hart en geest standvastigheid gegeven heeft, die hun de geheimen van het evangelie heeft onthuld, die in hun licht ontstoken heeft voor de koninklijke dingen; door Hem zijn ze gesterkt zodat ze noch voor gevangenissen noch voor kettingen terwille van de naam van God angst hadden; ja ze traden juist op deze machten en kwellingen van de aarde, bewapend en gesterkt door Hem; in zich droegen ze de gaven, die juist deze Geest schenkt en aan de Kerk als bruid van Christus als waardevolle juwelen verder doorgeeft. Hij is het immers die in de Kerk profeten doet opstaan, leraren opleidt, de tongen stuurt, tekenen en genezingen volbrengt, wonderlijke werken voortbrengt, de onderscheiding van de geesten mogelijk maakt, (de leiding verenigt, raadgeeft), elke andere geestesgave ordent en uitdeelt en zo door alles en in alles de Kerk van de Heer vervolmaakt en voltooit”. 168

In levende samenhang met deze nieuwe evangelisatie, die “het geloof dat in de liefde werkzaam is” (Gal. 5, 6) voortbrengt en bevorderen moet, en met het oog op het werken van de heilige Geest kunnen we nu begrijpen, welke plaats in de Kerk, de gemeenschap van de gelovigen, aan de reflectie over het zedelijke leven toekomt, zoals de theologie die op gang moet brengen en ontwikkelen, zoals we nu de opdracht en de eigen verantwoordelijkheid van de moraaltheologen uiteen kunnen zetten.

De dienst van de moraaltheologen

109. Tot evangelisatie en getuigenis van een geloofsleven is de hele Kerk geroepen die aan het munus propheticum van de Heer Jezus door het geschenk van zijn Geest deel heeft.

Dankzij de voortdurende aanwezigheid van de Geest van de waarheid in haar (vgl. Joh. 14, 16-17) “kan het geheel van de gelovigen, die de zalving door de heilige Geest hebben (vgl. Joh. 2, 20. 27) in geloofszaken niet dwalen. En deze haar bijzondere eigenschap maakt ze door de bovennatuurlijke geloofszin van het hele volk dan bekend, als ze “van de bisschoppen tot de laatste gelovige leek” haar algemene overeenstemming in zaken van geloof en zeden uit”. 169

Om haar profetische zending uit te oefenen, moet de Kerk haar geloofsleven voortdurend opnieuw opwekken en “nieuw tot leven brengen” (vgl. Tim. 1, 6) op bijzondere manier door steeds verder gaande reflecties, die zich onder leiding van de heilige Geest met de inhoud van het geloof zelf bezighouden. In de dienst van deze “gelovige studie van het geloofsbegrip” staat op bijzondere wijze de “roeping” van de theoloog in de Kerk: “Onder de door de Geest in de Kerk geïnspireerde roepingen - zo lezen we in de instructie Donum veritatis - onderscheidt zich die van de theoloog, wiens taak daaruit bestaat, in gemeenschap met het leergezag een steeds dieper begrip van het woord van God te verkrijgen, zoals dit in de geïnspireerde en door levende traditie van de Kerk gedragen Schrift bewaard wordt. Het geloof appelleert vanuit zijn natuur aan het verstand, want het onthult de mens de waarheid over zijn bestemming en de weg om deze te bereiken. Hoewel deze geopenbaarde waarheid al ons spreken te boven gaat en onze begrippen onvoldoende zijn om haar grootsheid (vgl. Eph. 3, 19), die niet in haar geheel bevat kan worden, uit te drukken, toch nodigt ze ons verstand - dit geschenk van God, gegeven tot het begrijpen van de waarheid - uit, om in haar licht te treden en zo in staat te worden om tot op zekere hoogte ook te begrijpen wat het gelooft. Theologische wetenschap die zich inspant om het geloof te begrijpen, als antwoord op de stem van de waarheid, helpt het volk Gods, volgens de opdracht van de apostel (vgl. 1 Petr. 3, 15) aan degenen die vraagt naar zijn hoop, daarvan rekenschap en verantwoording af te leggen”. 170

Voor de bepaling van de identiteit van de theologie en aldus voor de verwezenlijking van haar eigenlijke functie is het uiterst belangrijk, haar innerlijke en levende samenhang met de Kerk, haar geheim, haar leven en haar zending te erkennen: “De theologie is kerkelijke wetenschap, omdat ze in de Kerk groeit en over de Kerk gaat.. Ze staat in dienst van de Kerk en moet zich daarom dynamisch betrokken voelen bij de zending van de Kerk, vooral in haar profetische functie”. 171 Krachtens haar natuur en haar dynamiek kan de authentieke theologie alleen door een overtuigd en verantwoordelijk deelnemen aan en horen bij de Kerk als “geloofsgemeenschap” bloeien en zich ontplooien, zoals aan deze Kerk en haar geloofsleven het resultaat van theologisch onderzoek en verdieping vruchtbaar is.

110. Wat we over de theologie in het algemeen gezegd hebben, kan en moet opnieuw voor de moraaltheologie naar voren gebracht worden, in zoverre ze zich als wetenschap kenmerkt door wetenschappelijke reflectie over het evangelie als geschenk en gebod van nieuw leven, over het leven, dat “door de liefde geleid, zich aan de waarheid houdt” (vgl. Eph. 4, 15) over het heilige leven van de Kerk, waarin de waarheid van het tot voltooiïng gebrachte goede schittert. Niet alleen op het gebied van het geloof, maar ook en onverbrekelijk daarmee verbonden in de moraal treedt het leergezag van de Kerk op, welks taak het is “door oordelen die het geweten van de gelovige binden, zich over die handelingen uit te spreken die in zichzelf met de eisen van het geloof overeenstemmen en waarvan de praktijk in het leven bevorderd moet worden, maar ook die handelingen, die op basis van hun in-wezen-slecht-zijn met deze eisen onverenigbaar zijn”. 172 Door de verkondiging van de geboden van God en de liefde van Christus leert het leergezag van de Kerk de gelovigen ook bijzondere, concrete geboden en verlangt van hen, deze gewetensvol als zedelijk verplichtend te beschouwen. Bovendien oefent het leergezag een belangrijke bewakingstaak uit, doordat het de gelovigen voor mogelijke, ook slechts impliciet bestaande dwalingen waarschuwt, als het geweten er niet toe komt de juistheid en waarheid van de door het leergezag van de Kerk geleerde zedelijke regels te erkennen.

Hierbij komen de bijzondere opgaven van al degenen die in opdracht van de verantwoordelijke bisschoppen in de priesterseminaries en aan de theologische faculteiten moraaltheologie doceren. Ze hebben de zware verplichting, de gelovigen - vooral de toekomstige zielzorgers - over alle geboden te onderwijzen, die de Kerk met autoriteit verkondigt. 173 De moraaltheologen worden ertoe opgeroepen, zonder schade voor de mogelijke grenzen van de menselijke, door het leergezag voorgelegde bewijsvoeringen, de argumentatie van zijn voorschriften te verdiepen, de juistheid van zijn voorschriften en hun verplichtend karakter toe te lichten, en hun onderlinge samenhang en die met het einddoel van de mens te laten zien. 174 De moraaltheologen hebben de taak om de leer van de Kerk voor te leggen en bij de uitoefening van hun ambt een voorbeeld te zijn van loyale, innerlijke en uiterlijke instemming met de leer van het leergezag zowel op het gebied van het dogma als op dat van de moraal. 175 De moraaltheologen zullen zich, als ze hun krachten verenigen in samenwerking met het hiërarchisch leergezag tot taak stellen, de bijbelse fundamenten, samen met de ethische aanwijzingen en de antropologische argumenten, waarop de door de Kerk voorgelegde moraal en mensvisie rust, steeds duidelijker aan te bieden.

111. De dienst waartoe de moraaltheologen in de huidige tijd opgeroepen worden, is niet alleen voor het leven en de zending van de Kerk, maar ook voor de menselijke samenleving en cultuur van de grootste betekenis. Op hen rust de taak, in een diepe en levende verbondenheid met de bijbelse en dogmatische theologie in een wetenschappelijke reflectie “het dynamische aspect te onderstrepen, dat het antwoord bepaalt, dat de mens in zijn groeiproces in liefde, binnen de heilsgemeenschap op de goddelijke oproep moet geven. Op deze manier zal de moraaltheologie een innerlijke geestelijke dimensie aannemen, die overeenkomt met de eisen voor een volledige ontplooiïng van de imago Dei, het beeld van God, dat zich in de mens bevindt, en dat met de wetten van het in de christelijke ascese en mystiek beschreven geestelijke proces overeenkomt”. 176

Zeker ondervinden de moraaltheologie en haar leer in deze tijd bijzondere moeilijkheden. Omdat de moraal van de Kerk noodzakelijkerwijze een normatieve dimensie mee insluit, kan de moraaltheologie zich niet beperken tot een alleen binnen het kader van de menswetenschappen verworven kennis. Terwijl deze zich met de fenomenen van de zedelijkheid als historisch en sociaal feit bezighouden, is daarentegen de moraaltheologie, die weliswaar gebruik moet maken van de mens- en natuurwetenschap, niet aan het produkt van empirisch-formele waarneming of van fenomenologische begrip ondergeschikt. In feite moet de bevoegdheid van de menswetenschappen in de moraaltheologie steeds aan de oorspronkelijke vraag gemeten worden: Wat is goed resp. slecht ? Wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?

112. De moraaltheologie moet daarom in het kader van de huidige

overheersende natuurwetenschappelijke en technische cultuur, die aan de gevaren van relativisme, pragmatisme en positivisme blootstaat, zorgvuldig de onderscheiding beoefenen. Vanuit het theologische standpunt zijn de morele principes niet afhankelijk van het historische moment, waarop ze ontdekt worden. Het feit, dat menige gelovige handelt, zonder de leer van het leergezag te volgen, of dat hij een gedrag ten onrechte als zedelijk juist beschouwt, dat door zijn herders als tegengesteld aan de wet van is verklaard, kan geen steekhoudend argument zijn, om de waarheid van de door de Kerk geleerde zedelijke normen af te wijzen. De bevestiging van zedelijke normen valt niet onder de verantwoordelijkheid van de empirisch-formele methode. Zonder de geldigheid van dergelijke methoden te ontkennen, maar ook zonder haar eigen perspectief hiertoe te beperken, houdt de moraaltheologie in trouw aan de bovennatuurlijke zin van het geloof vooral het oog gericht op de geestelijke dimensie van het menselijke hart en zijn roeping tot goddelijke liefde.

Terwijl de menswetenschappen namelijk, net als alle experimentele wetenschappen een empirisch en statistisch concept van “normaliteit” ontvouwen, leert het geloof, dat een dergelijke normaliteit de sporen van de val van de mens uit de hoogte van zijn oorspronkelijke toestand in zich draagt, dus de wonden van de zonde. Enkel en alleen het christelijke geloof wijst de mens de terugweg naar het “begin” (vgl. Mt. 19, 8) een weg, die vaak zeer veel anders is dan die van de empirische normaliteit. Zo kunnen de menswetenschappen zonder de grote waarde van deze kennis, die ze aanbieden, te kort te doen niet gelden als beslissende wegwijzer voor het opstellen van zedelijke normen. Het is het evangelie, dat de hele waarheid over de mens en over de zedelijke weg onthult en zo de zondaars verlicht en vermaant en hun over de barmhartigheid van God vertelt, die onophoudelijk werkt, om hen te beschermen zowel tegen de wanhoop, dat ze de goddelijke wet niet kunnen kennen en volgen, als ook tegen de verkeerde mening, dat ze zich zonder verdiensten kunnen redden. Het herinnert hen bovendien aan de vreugde van de vergeving, die alleen de kracht geeft, in de zedelijke wet een bevrijdende waarheid, een genade tot hoop te zien, een levensweg te erkennen.

113. De zedenleer vereist de bewuste aanvaarding van deze intellectuele, geestelijke en pastorale verantwoordelijkheid. Daarom hebben de moraaltheologen, die de opdracht tot onderwijzing in de leer van de Kerk aannemen, de zware taak, de gelovigen tot dit zedelijk onderscheidingsvermogen, tot inzet voor het ware goede en tot het zich in vertrouwen richten op de goddelijke genade, op te voeden.

Ook als discussies en meningsverschillen in het kader van een representatieve democratie normale uitdrukkingsvormen van het openbare leven zijn, dan kan de zedenleer niet van het eenvoudig volgen van een beslissingsprocedure afhangen: Ze wordt eenvoudigweg niet door het volgen van regels en beslissingsprocedures van democratische aard bepaald. Het door berekend protest en polemiek bepaalde, door de communicatiemiddelen opgeworpen meningsverschil is in strijd met de kerkelijke gemeenschap en met het juiste begrip van de hiërarchische structuur van het volk Gods. In het verzet tegen de leer van de herders is noch een legitieme uitdrukkingsvorm van de christelijke vrijheid noch het veelvoud van gaven van de Geest te erkennen. In dit geval hebben de herders de plicht, volgens hun apostolische opdracht te handelen en te verlangen, dat er steeds gelet wordt op het recht van de gelovigen, de katholieke leer zuiver en onverkort te ontvangen. “Omdat hij nooit vergeten zal, dat ook hij een lidmaat van het Volk Gods is, moet de theoloog dit respecteren en zich inspannen, om dit Volk een leer aan te bieden, die op geen enkele manier schade aan de geloofsleer berokkent”. 177

Onze verantwoordelijkheden als herders

114. De verantwoordelijkheid inzake het geloof en het geloofsleven van het volk Gods drukt heel bijzonder en wezenlijk op de bisschoppen, waaraan Vaticanum II ons herinnert.: “Onder de voornaamste taken van de bisschoppen neemt de verkondiging van het evangelie een bijzondere plaats in. Want de bisschoppen zijn geloofsboden, die nieuwe leerlingen naar Christus leiden; ze zijn authentieke, dat wil zeggen met de autoriteit van Christus toegeruste leraren. Ze verkondigen het aan hen toevertrouwde volk de boodschap van het geloof en de toepassing in het zedelijke leven en verklaren deze in het licht van de heilige Geest, doordat ze uit de schat van de openbaring, nieuwe en oude zaken voortbrengen (Mt. 13, 52) Zo laten ze het geloof vruchtbaar worden en houden de dwalingen die hun kudde bedreigen waakzaam op afstand (vgl. 2 Tim 4, 1-4)”. 178

Het is onze gezamenlijke plicht en eerder nog onze gemeenschappelijke genade, als herders en bisschoppen van de Kerk de gelovigen dat te leren, wat ze op weg naar de Heer brengt, zoals eens de Heer Jezus dat met de jongeman uit het evangelie gedaan heeft. Als antwoord op zijn vraag: Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verkrijgen? heeft Jezus verwezen naar God, de Heer van de schepping en het Verbond; Hij heeft de reeds in het Oude Testament geopenbaarde zedelijke geboden in herinnering geroepen; Hij heeft op de geest en radicaliteit ervan gewezen, toen Hij hem opriep tot navolging in armoede, deemoed en liefde: “Kom en volg mij na”. De waarheid van deze leer is bezegeld aan het kruis in het bloed van Christus: Ze is in de heilige Geest tot nieuwe wet van de Kerk en van elke christen geworden.

Dit antwoord op de vragen van de moraal wordt door Jezus op een bijzondere manier aan ons bisschoppen van de Kerk toevertrouwd, die opgeroepen zijn, ze tot voorwerp van ons onderricht te maken, ons toevertrouwd in de vervulling van ons munus propheticum. Tegelijkertijd moet zich onze verantwoordelijkheid als herder tegenover de christelijke zedenleer ook in de vorm van het munus sacerdotale vervullen: Dat gebeurt als we de gelovigen de gaven van de genade en heiliging uitreiken als middel tot gehoorzaamheid aan de heilige wetten van God en als we door ons voortdurende gebed de gelovigen sterken, opdat ze aan de eisen die het geloof stelt trouw blijven en volgens het evangelie leven (vgl. Kol. 1, 9-12). De christelijke zedenleer moet vooral tegenwoordig een van de bevoorrechte sectoren van onze pastorale waakzaamheid zijn, de uitoefening van ons munus regale.

115. Het is inderdaad de eerste keer dat het leergezag van de Kerk de fundamenten van deze leer in een zekere uitvoerigheid uiteenzet en de vereisten voor een pastorale onderscheiding die in de complexe en soms kritische praktische en culturele situatie absoluut noodzakelijk aangeeft.

In het licht van de openbaring en de voortdurende leer van de Kerk en vooral van Vaticanum II heb ik kort de wezenlijke trekken van de vrijheid, de met de waardigheid van de menselijke persoon en met de waarheid van haar handelingen verbonden fundamentele waarden in herinnering geroepen, om zo in de gehoorzaamheid aan de zedenleer een genade en een teken van ons kindzijn van God in Jezus Christus de ene Zoon (vgl. Eph. 1, 4-6) te kunnen herkennen. In het bijzonder worden met deze encycliek beoordelingen van enkele van de huidige tendensen in de moraaltheologie gegeven. Deze deel ik hier mee in gehoorzaamheid aan het woord van de Heer, die Petrus de opdracht gaf zijn broeders te sterken (vgl. Lc. 22, 32) tot verlichting van en hulp voor onze gemeenschappelijke taak van de onderscheiding van de geesten.

Ieder van ons weet hoe belangrijk de leer is, die de kern van deze encycliek vormt en waaraan nu met de autoriteit van de opvolger van Petrus herinnerd wordt. Ieder van ons kan de ernst onderkennen van alles, waarom het bij de hernieuwde bekrachtiging van de universaliteit en onveranderlijkheid van zedelijke geboden gaat en vooral van die geboden, die altijd en zonder uitzondering in zich slechte daden verbieden, niet alleen voor de individuele persoon maar ook voor de maatschappij.

Wanneer het deze geboden erkent, vernemen het hart van de christen en onze pastorale liefde de oproep van Hem, die “ons het eerst heeft liefgehad” (1 Joh. 4, 19). God verlangt van ons, heilig te zijn, zoals Hij heilig is (vgl. Lev. 19, 2) volmaakt te zijn, - in Christus - zoals Hij volmaakt is (vgl. Mt. 5, 48): De veeleisende standvastigheid van het gebod berust op de onuitputtelijke barmhartige liefde van God (vgl. Lc. 6, 36) en het doel van de geboden is het, ons met de genade van Christus op de weg naar de volheid van het leven van de kinderen van God te leiden.

116. We hebben als bisschoppen de plicht, erover te waken, dat het woord van God getrouw wordt doorgegeven. Mijn medebroeders in het bisschopsambt, het hoort tot onze herderstaak, over de getrouwe weergave van deze moraaltheologie te waken en de passende maatregelen te nemen, opdat de gelovigen beschermd worden tegen elke leer of theorie die hiermee in strijd is. Bij deze taak worden we allen door de theologen ondersteund; de theologische meningen vormen echter noch de regel noch de norm voor ons leergezag. Zijn autoriteit berust, met de bijstand van de heilige Geest en in de gemeenschap cum Petro et sub Petro, op onze trouw aan het van de apostelen ontvangen katholieke geloof. Als bisschoppen hebben we de ernstige verplichting, persoonlijk erover te waken, dat in onze bisdommen de “gezonde leer” (1 Tim. 1, 10) van geloof en moraal geleerd wordt.

Een bijzondere verantwoordelijkheid hebben de bisschoppen wat betreft de katholieke instituten. Of het nu gaat om organen voor de gezins- of sociale pastoraal of om inrichtingen die zich bezig houden met het onderwijs of de medische dienstverlening

en ziekenhulp, de bisschoppen kunnen deze structuren opzetten en erkennen en hun een reeks verantwoordelijkheden geven; dat ontheft hen echter nooit van hun eigen verplichtingen. De bisschoppen hebben samen met de heilige stoel de taak, scholen, 179 universiteiten, 180 ziekenhuizen evenals andere medische en sociale inrichtingen, die zich op de Kerk beroepen, de naam “katholiek” te geven of, in het geval van ernstig gebrek aan overeenstemming, de erkenning in te trekken.

117. In het hart van de christen, in de meest verborgen kern van de mens, komt steeds weer de vraag op, die op zekere dag de jongeman in het evangelie aan Jezus stelde: “Meester wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te winnen ? (Mt. 19, 16). Het is natuurlijk noodzakelijk, dat iedereen deze vraag aan de “goede” Meester richt, want Hij is de enige die in elke situatie en onder de meest verschillende omstandigheden in het volle bezit van de waarheid antwoorden kan. En als christenen aan Hem een vraag stellen die uit hun geweten voortkomt, antwoordt de Heer met de woorden van het Nieuwe Verbond, die hij zijn Kerk heeft toevertrouwd. We zijn nu eenmaal, zoals de apostel over zichzelf zegt, gezonden, “het evangelie te verkondigen, maar niet met handige en slimme woorden, opdat het kruis van Christus niet zijn kracht verliest” (1 Kor. 1, 17). Daarom heeft het antwoord van de Kerk op de vraag van de mens, de wijsheid en macht van de gekruisigde Christus, de zich wegschenkende Waarheid.

Als de mensen aan de Kerk gewetensvragen stellen, als in de Kerk de gelovigen zich tot de bisschoppen en herders wenden, dan vinden ze in het antwoord van de Kerk de stem van Jezus Christus, de stem van de waarheid over goed en kwaad. In het door de Kerk verkondigde woord klinkt in het binnenste van de mens de stem van God die “alleen de Goede” (Mt. 19, 17) die” alleen de liefde” is (1 Joh. 4, 8. 16).

Dit tegelijkertijd beminnelijke als ook veeleisende woord wordt in de zalving met de Geest tot licht en leven voor de mens. Weer is het de apostel Paulus, die ons uitnodigt, vertrouwen te hebben, want “onze talenten stammen van God. Hij heeft ons in staat gesteld, dienaar van het Nieuwe Testament te zijn, niet van de letter, maar van de geest.. De Heer echter is de Geest, en waar de Geest van de Heer werkt, daar is vrijheid. Wij allen weerspiegelen met onthuld aangezicht de heerlijkheid van de Heer en worden zo in zijn eigen beeld veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de Geest van de Heer (2 Kor. 3, 5-6. 17-18).

Slot

Maria, Moeder van barmhartigheid

118. Tot slot van deze beschouwingen vertrouwen we ons zelf, het lijden en de vreugden van ons bestaan, het zedelijke leven van de gelovigen en de mensen van goede wil, de studie van de vakmensen voor ethiek en moraaltheologie toe aan Maria de Moeder Gods en Moeder van barmhartigheid.

Maria is de moeder van barmhartigheid, omdat Jezus Christus, haar Zoon, door de Vader als openbaring van de barmhartigheid van God gezonden werd (vgl. Joh. 3, 16-18). Hij is niet gekomen om te vervloeken maar om te vergeven, barmhartigheid uit te oefenen (vgl. Mt. 9, 13). En de grootste barmhartigheid bestaat eruit, dat Hij onder ons verblijft, en uit de roeping waardoor wij worden uitgenodigd Hem te ontmoeten en, samen met Petrus, Hem als de “Zoon van de levende God” (Mt. 16, 16) te belijden. Geen zonde van de mens vermag de barmhartigheid van God uit te doven, vermag het te verhinderen dat haar overwinnende kracht uitstroomt, zo gauw we er om vragen. Ja, juist de zonde laat sterker de liefde van de Vader stralen, die, om de knecht vrij te kopen zijn Zoon geofferd heeft. 181 Zijn barmhartigheid voor ons is verlossing. Tot voltooiïng komt deze barmhartigheid in het geschenk van de Geest, die het nieuwe leven voortbrengt en laat verlangen. Hoe talrijk en groot de door de zwakheid en zonde van de mens tegen hem opgeworpen hindernissen ook zijn mogen, de Geest, die het aanschijn van de aarde vernieuwt (vgl. Ps. 104, 30), maakt het wonder van de volledige vervulling van het goede mogelijk. Deze vernieuwing die het mogelijk maakt te doen wat goed, edel, mooi is, wat God bevalt en volgens zijn wil is, is tot op zekere hoogte het opbloeien van het geschenk van de barmhartigheid, dat van de slavernij van het kwade bevrijdt en de kracht schenkt, niet meer te zondigen. Door het geschenk van het nieuwe leven maakt Jezus ons tot deelhebbers van zijn liefde en leidt ons in de Geest naar de Vader.

119. Dat is de troostende zekerheid van het christelijke geloof, waaraan het zijn diepe menselijkheid en zijn buitengewone eenvoud dankt. In de discussies over de nieuwe en complexe morele vragen kan af en toe de indruk ontstaan, dat de christelijke moraal op zichzelf te moeilijk is, slechts moeizaam te begrijpen en bijna onmogelijk in praktijk te brengen. Dat is niet juist, want ze bestaat, om het met de eenvoud van het evangelie te zeggen, uit het volgen van Jezus Christus, zich aan Hem over te geven, zich door de genade te laten veranderen en door zijn barmhartigheid zich te laten vernieuwen, die ons door het leven in de gemeenschap van zijn Kerk bereiken. “Wie leven wil - herinnert ons de heilige Augustinus - die weet, waar te leven en waar naar toe te leven. Laat hij naderen, geloven, zich aansluiten, om levend gemaakt te worden. Laat hij niet uit de gemeenschap van de ledematen wegvluchten”. 182 De noodzakelijke essentie van de christelijke moraal kan, met het licht van de Geest, iedere mens begrijpen, ook de minder gevormde, ja vooral hij die een “eenvoudig hart” weet te bewaren (vgl. Ps. 86, 11). Aan de andere kant ontslaat deze eenvoud volgens het evangelie niet ervan op te komen voor de gecompliceerde werkelijkheid, maar kan ons binnenleiden in haar echte betekenis, omdat het navolgen van Christus langzaam maar zeker de wezenlijke kenmerken van de authentieke christelijke zedelijkheid openlegt en tegelijkertijd de levenskracht voor haar verwezenlijking zal geven. Het is de taak van het leergezag van de Kerk, erover te waken, dat zich de dynamiek van het navolgen van Christus organisch ontwikkelt, zonder dat de zedelijke eisen met al hun consequenties vervalst of verduisterd worden. Wie van Christus houdt, houdt zich aan de geboden (vgl. Joh. 14, 15).

120. Maria is ook moeder van barmhartigheid, omdat Jezus haar zijn Kerk en de hele mensheid toevertrouwt. Als zij aan de voet van het kruis Johannes als zoon aanneemt, als ze samen met Christus de Vader voor hen om vergeving smeekt, die niet weten wat zij doen (vgl. Lc. 23, 34) ervaart Maria in volledige beschikbaarheid tegenover de Geest de volledigheid en universaliteit van de liefde van God, die haar hart opent en het geschikt maakt het hele mensengeslacht te omvatten. Zo is ze tot Moeder van ons allen en van ieder van ons geworden, een moeder, die voor ons de goddelijke barmhartigheid verkrijgt.

Maria is lichtend teken en fascinerend voorbeeld voor het morele leven; “haar leven alleen is voorbeeld voor allen” schrijft de heilige Ambrosius183 die zich vooral richt tot de maagden, maar uiteindelijk in een voor allen open perspectief het volgende vaststelt: “Het eerste brandend verlangen om te leren schenkt de adel van de meester. En wie is edeler dan de Moeder Gods, of luisterrijker dan zij, die door de Luister zelf uitverkoren werd? 184 Maria koestert en voltooit haar vrijheid, doordat ze zich aan God geeft en in zich de gave Gods ontvangt. Ze hoedt in haar maagdelijke schoot de mensgeworden Zoon van God tot op het moment van de geboorte, ze voedt Hem, ze brengt Hem groot en begeleidt Hem tot die hoogste daad van vrijheid, die het volledige offer van het eigen leven is. Met zichzelf te geven treedt Maria volledig binnen in het plan van God, die zich aan de mensen geeft. Terwijl zij de gebeurtenissen die ze niet steeds begrijpt, in haar hart bewaart en daarover nadenkt (vgl. Lc. 2, 19), wordt ze tot voorbeeld voor allen die het woord van de Heer horen en het navolgen (vgl. Lc. 11, 28) en verdient de naam “zetel der Wijsheid”. Deze wijsheid is Jezus Christus zelf, het eeuwige Woord van God, dat de wil van de Vader openbaart en volkomen vervult (vgl. Hebr. 10, 5-10). Maria nodigt elk mens uit, deze wijsheid aan te nemen. Ook ons draagt ze, net als de dienaren tijdens de bruiloft van Kana in Galilea, op: “Wat Hij jullie zegt, doe dat! “ (Joh. 2, 5).

Maria deelt onze menselijke situatie, maar volledig transparant voor de genade van God. Hoewel ze de zonde niet kende, is ze in staat, met elke zwakke mee te lijden. Ze begrijpt de zondaar en houdt van hem met moederlijke liefde. Juist daarom staat ze aan de kant van de waarheid en deelt in de zware taak van de Kerk, alle mensen voortdurend op de morele eisen te wijzen. Om dezelfde reden neemt ze het niet, dat de zondaar misleid wordt door hem, die doet alsof hij iemand liefheeft, doordat hij zijn zonde rechtvaardigt; want ze weet, dat op deze wijze het offer van Christus, haar Zoon, van zijn kracht beroofd wordt. Geen vrijspraak, die door welgevallige doctrines, ook van theologische of filosofische aard, aangeboden wordt, zal de mensen waarlijk gelukkig maken: Alleen het kruis en de heerlijkheid van de verrezen Christus kunnen zijn geweten vrede en zijn leven redding schenken.

O Maria,

Moeder van barmhartigheid,

waak over allen, opdat het kruis van Christus

niet zijn kracht wordt afgenomen,

opdat de mens

niet van de weg van het goede afkomt,

niet het besef van de zonde verliest,

opdat hij groeit in de hoop op God,

“die vol barmhartigheid is” (Eph. 2, 4)

opdat hij uit vrije wil

de goede werken doet,

die door Hem van te voren

bereid werden (vgl. Eph. 2, 10),

en opdat hij zo met zijn hele leven

“tot lof van zijn heerlijkheid bestemd”

(Eph. 1, 12) is.

Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, op 6 augustus, het feest van de Gedaanteverandering van de Heer van het jaar 1993, het vijftiende van mijn pontificaat.

Johannes Paulus PP II




1 Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 22.



2 Vgl. Vat. II, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 1.



3 Vgl. ibid., 9.



4 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 4.



5 Paulus VI, Toespraak tot de vergadering van de Verenigde Naties, (4 oktober 1965): AAS 57 (1965), 878; Encycliek Populorum progressio (26 maart 1967), 13: AAS 59 (1967), 263-264.



6 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 33.



7 Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 16.



8 Pius XII had deze theoretische ontwikkeling binnen de leer reeds laten erkennen. Vgl. Radiotoespraak ter gelegenheid van de 50e verjaardag van Rerum novarum (1 juni 1941): AAS 33 (1941),194f. Zie ook Johannes XXIII, encycliek Mater et magistra (15 mei 1961): AAS 53 (1961), 410-413.



9 Apostolische brief Spiritus Domini (1 augustus 1987): AAS 79 (1987), 1374.



10 Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1692.



11 Apostolische constitutie Fidei depositum (11 oktober 1992), 4.



12 Vgl. Vat. II, Dogmatische constitutie over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum, 10.



13 Vgl. Apostolische brief Parati semper tot de jongeren van de wereld bij gelegenheid van het internationale jaar van de jeugd (31 maart 1985), nr 2-8: AAS 77 (1985), 581-600.



14 Vgl. Vat. II, Decreet over de priesteropleiding Optatam totius, 16.



15 Encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), 13: AAS 71, (1979), 282.



16 Ibid.:10: aa(), 274.



17 Exameron, dies VI, sermo IX, 8, 50: CSEL 32, 241



18 Leo de Grote, Sermo XCII, cap III: PL 54, 454.



19 Thomas van Aquino, In duo praecepta caritatis et in decem legis praecepta. Prologus: Opuscula theologica, II, nr 1129, Ed. Taurinens. (1954), 245; Vgl. Summa Theologiae, I-II, q. 91, a. 2; Catechismus van de Katholieke Kerk, nr 1955.



20 Vgl. H. Maximus Confessor, Quaestiones ad Thalassium, Q. 64: PG 90, 723-728.



21 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 24.



22 Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2070.



23 In Iohannis Evangelium Tractatus, 41, 10: CCL 36, 363.



24 Vgl. H. Augustinus, De Sermone Domini in Monte, I, 1, 1: CCL 35, 1-2.



25 In Psalmum CXVIII Expositio, sermo 18, 37: PL 15, 1541; Vgl. H. Cromatius van Aquileia, Tractatus in Mathaeum, XX, I, 1-4: CCL 9/A, 291-292.



26 Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1717.



27 In Iohannis Evangelium Tractatus, 41, 10: CCL 36, 363.



28 Ibid.: 21, 8: CCL 36, 216.



29 Ibid.: 82, 3: CCL 36, 533.



30 De spiritu et littera, 19, 34: CSEL 60, 187.



31 Confessiones, X, 29, 40: CCL 27, 176; Vgl. De gratia et libero arbitrio, XV: PL 44, 899.



32 Vgl. De spiritu et littera, 21, 36; 26, 46: CSEL 60, 189-190; 200-201.



33 Vgl. Summa Theologiae, I-II, q. 106, a. 1 c. en ad 2.



34 In Matthaeum, hom. I, 1: PG 57, 15.



35 Vgl. H. Irenaeus, Adversus haereses, IV, 26, 2-5: Sch 100/2, 718-729.



36 Vgl. H. Justinus, Apologia, I, 66: PG 6, 427-430.



37 Vgl. 1 Petr 2, 12 ff.; vgl. Didaché, II, 2: Patres Apostolici, ed. F.X. Funk, I, 6-9; Clemens Alexandrinus, Paedagogus, II, 10: PG 8, 355-364; Tertullian, Apolegeticum, IX. 8: CSEL 69, 24.



38 Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Ad Magnesios, VI, 1-2: Patres Apostolici, ed. F.X. Funk, I, 234-235; H. Irenaeus, Adversus Haereses, IV, 33, 1.6.7: Sch 100/2, 802-805; 814-815; 816-819.



39 Dogmatische constitutie over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum, 8.



40 Vgl. ibid., 8.



41 Ibid., 10.



42 Codex van het canonieke recht, can. 747, 2.



43 Vat. II, Dogmatische constitutie over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum, 7.



44 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 22.



45 Vat. II, Decreet over de priesteropleiding Optatam totius, 16.



46 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 62.



47 Ibid.



48 Vat. II, Dogmatische constitutie over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum, 10.



49 Vgl. Vat. I, Dogmatische constitutie over het Katholieke geloof Dei Filius, cap. 4: DS, 3018.



50 Vat. II, Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten, Nostra actate, 1.



51 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 43-44.



52 Vat. II, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 1, met verwijzing naar Johannes XXIII, encycliek Pacem in terris (11 april 1963): AAS 55 (1963), 279; ibid., 265, en naar Pius XII, Radiotoespraak (24 december 1944): AAS 37 (1945), 14.



53 Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 1.



54 Vgl. Encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), 17: AAS 71 (1979), 295-300; Toespraak op het 5e Internationale Juristencollege (10 maart 1984), 4: Insegnamenti VII, 1 (1984), 656; Congregatie voor de geloofsleer, Instructie over de christelijke vrijheid en bevrijding Libertatis conscientia (22 maart 1986), 19: AAS 79 (1987), 561.



55 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 11.



56 Ibid., 17.



57 Ibid.



58 Vgl. Vat. II, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 2; Vgl. ook Gregorius XVI, encycliek Mirari vos arbitramur (15 augustus 1832): Acta Gregorii Papae XVI, I, 169-174; Pius IX, encycliek Quanta cura (8 december 1864): Pii IX P.M. Acta, I, 3, 687-700; Leo XIII, encycliek Libertas praestantissimum (20 juni 1888): Leonis XIII P.M. Acta, VIII, Romae 1889, 212-246.



59 A letter addressed to His Grace the Duke of Norfolk: Certain Difficulties Felt by Anglicans in Catholic Teaching (Uniform Edition: Longman, Green and Company, London, 1868-1881), Bd. 2, S. 250.



60 Vgl. Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 40 en 43.



61 Vgl. H. Thomas van Aquino Summa Theologiae, I-II, q. 71, a. 6; zie ook ad 5um.



62 Vgl. Pius XII, encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42 (1950), 561-562.



63 Concilie van Trente, Sess. VI, decreet over de rechtvaardiging Cum hoc tempore, can. 19-21: DS, 1569-1571.



64 Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 17.



65 Gregorius van Nyssa, De hominis opificio, c. 4: PG 44, 135-136.



66 Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 36.



67 Ibid.



68 Ibid.



69 Vgl. H. Thomas van Aquino Summa Theologiae, I-II, q. 93, a. 3, ad 2um, geciteerd uit Johannes XXIII, encycliek Pacem in terris (11 april 1963): AAS 55 (1963), 271.



70 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 41.



71 Thomas van Aquino, In duo praecepta caritatis et in decem legis praecepta. Prologus: Opuscula theologica, II, n. 1129, Ed. Taurinens. (1954), 245.



72 Vgl. Toespraak tot een groep bisschoppen uit de Verenigde Staten van Amerika bij gelegenheid van hun “ad limina”-bezoek, (15 oktober 1988), 6: Insegnamenti, XI, 3 (1988), 1228.



73 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 47.



74 H. Augustinus, Enarratio in Psalmum LXII, 16: CCL 39, 804.



75 Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 17.



76 Summa Theologiae, I-II, q. 91, a. 2.



77 Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, n. 1955.



78 Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 3.



79 Contra Faustum, boek 22, hoofdstuk 27: PL 42, 418.



80 Summa Theologiae, I-II, q. 93, a. 1.



81 Vgl. ibid., I-II, 90. 4, ad 1um.



82 Ibid.: I-II, q. 91, a. 2.



83 Encycliek Libertas praestantissimum (20 juni 1888): Leonis XIII P.M. Acta, VIII, Romae 1889, 219.



84 In Epistulam ad Romanos, c. VIII, lect. 1.



85 Vgl. Sess. VI, decreet over de rechtvaardiging Cum hoc tempore, cap. 1: DS, 1521.



86 Concilie van Wenen, constitutie Fidei catholicae: DS, 902; concilie van Lateranen, oorkonde Apostolici regiminis: DS, 1440.



87 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 14.



88 Vgl. Sess. VI, decreet over de rechtvaardiging Cum hoc tempore, cap. 15: DS, 1544. De postsynodale, apostolische brief over vergeving en boete in de zending van de Kerk van vandaag citeert andere plaatsen uit het Oude en Nieuwe Testament, die velen aan het lichaam gebonden gedragingen als doodzonden aanmerken: Vgl. Reconciliatio et paenitentia (2 december 1984), 17: AAS 77 (1985), 218-223.



89 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 15.



90 Congregatie voor de geloofsleer, Instructie over de eerbied voor het beginnende leven en de waarde van de voortplanting Donum vitae (22 februari 1987), inl. 3: AAS 80 (1988), 74; Vgl. Paulus VI, encycliek Humanae vitae (25 juli 1968), 10: AAS 60 (1968), 487-488.



91 Johannes Paulus II, apostolische brief Familiaris consortio (22 november 1981), 11: AAS 74 (1982), 92.



92 De Trinitate, XIV, 15, 21: CCL 50/A, 451.



93 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa theologiae, I-II, q. 94, a. 2.



94 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 10; vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, verklaring Persona humana (29 december 1975), nr. 4: AAS 68 (1976) 80: “Maar in werkelijkheid stellen de goddelijke openbaring en ook, op eigen terrein, de wijheid van de natuurlijke rede, daar zij de echte behoeften van het menselijk wezen betreffen, tegelijk onvermijdelijk de onveranderlijke wetten die in de bepalende elementen van de natuur van de mens geworteld zijn en die in alle met verstand begiftigde levende wezens hetzelfde blijken.”



95 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 29.



96 Vgl. ibid., 16.



97 Ibid., 10.



98 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I-II, q. 108, a. 1. De h. Thomas baseert het niet zuiver formele maar inhoudelijk bepaalde karakter van de zedelijke normen ook binnen het gebied van de nieuwe wet hierop, dat het Woord de menselijke natuur heeft aangenomen.



99 H. Vincenzo di Lerins, Comminitorium primum, c. 23: PL 50, 668.



100 De ontwikkeling van de zedenleer van de Kerk is gelijk aan die van de geloofsleer: vgl. Vat. II, Dogmatische constitutie over het katholieke geloof Dei Filius, cap. 4: DS, 3020, en can. 4: DS, 3024. Ook voor de zedenleer gelden de woorden die Johannes XXIII bij de opening van het Tweede Vaticaans Concilie (11 oktober 1962) heeft gesproken: “men moet deze veilige en onveranderlijke leer, waaraan men een trouwe onderdanigheid dient te bewijzen, op zo”n manier onderzoeken en verklaren, dat zij aan onze tijd wordt aangepast. De substantie zelf van het geloof of de waarheden van onze eerbiedwaardige leer dienen onderscheiden te worden van de wijze waarop zij geformuleerd worden, waarbij men echter dezelfde zin en betekenis moet behouden.”: AAS 54 (1962), 792; vgl. “L”Osservatore Romano”, 12 oktober 1962, S. 2.



101 Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 16.



102 Ibid.



103 In Librum Sentent, dist. 39, a. 1, q. 3, concl.: Ed. Ad Claras Aquas, II, 907 b.



104 Toespraak (Algemene audiëntie, 17 augustus 1883), 2: Insegnamenti, VI, 2 (1983), 256.



105 Congregratie van het H. Officie, instructie over de “Situatiemorral” Contra doctrinam (2 februari 1956): AAS 48 (1956), 144.



106 Encycliek Dominum et vivicantem (18 mei 1986), 43: AAS 78 (1986), 859; Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 16; verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 3.



107 Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 16.



108 Vgl. H. Thomas van Aquino, De Veritate, q. 17, a. 4.



109 Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 16.



110 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q. 45, a. 2.



111 Vat. II, Verklaring over de geloofsvrijheid Dignitatis humenae, 14.



112 Vat. II, Dogmatische constitutie over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum, 5; vgl. Vat. II, Dogmatische constitutie over het katholieke geloof Dei Filius, cap. 3: DS, 3008.



113 Vat. II, Dogmatische constitutie over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum, 5; vgl. H. Congregatie voor de geloofsleer, verklaring over enkele vraagstukken van de seksuele ethiek Persona humanae (29 december 1975), 10: AAS 68 (1976), 88-90.



114 Vgl. de postsynodale apostolische brief Reconciliatio et paenitentia (2 december 1984), 17: AAS 77 (1985), 218-223.



115 Sess. VI, Decreet over de rechtvaardiging Cum hoc tempore, cap. 15: DS, 1544; can. 19: DS, 1569.



116 Postsynodale apostolische brief Reconciliatio et paenitentia (2 december 1984), 17: AAS 77 (1985), 221.



117 Ibid.: aa()., 223.



118 Ibid.: aa()., 222.



119 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 17.



120 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa theologiae, I-II, q. 1, a. 3: “Idem sunt actus morales et actus humani”.



121 Gregorius van Nyssa, De vita Moysis, II, 2-3: PG 44, 327-328.



122 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q. 148, a. 3.



123 Het Tweede Vaticaans concilie verklaart in de pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd: “Dit geldt niet alleen voor de christengelovigen, maar ook voor alle goedwillende mensen, in wier hart de genade op een onzichtbare wijze werk. Daar Christus immers voor allen is gestorven en daar er voor alle mensenslechts één uiteindelijke roeping is, namelijk een goddelijke, moeten wij eraan vasthouden, dat de Heilige Geest aan allen de mogelijkheid schenkt om, op een wijze die aan God bekend is, aan dit paasmysterie deel te hebben.”: Gaudium et spes, 22.



124 Tractatus ad Tiberium Diaconum sociosque, II. Responsiones ad Tiberium Diaconum sociosque: H. Cyrillus van Alexandrië, In D. Johannis Evangelium, vol. III, ed. Philip Edward Pusey, Bruxelles, Culture et Civilisation (1965), 590.



125 Vgl. Concilie van Trente, Sess. VI, decreet over de rechtvaardiging Cum hoc tempore, can. 19: DS, 1569. Vergelijk ook: Clemens XI, constitutie Unigenitus Dei Filius (8 september 1713) tegen de dwalingen van Pascasio Quesnel, nr. 53-56: DS, 2453-2456.



126 Vgl. Summa Theologiae, I-II, q. 18, a. 6.



127 Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1761.



128 In duo praecepta caritatis et in decem legis praecepta. De dilectione Dei: Opuscla theologica, II, n. 1168, Ed. Taurinens. (1954), 250.



129 H. Alfonsus Maria van Liguori, Pratica di amar gesù Christo, VII, 3.



130 Vgl. Summa Theologiae, I-II, q. 100, a. 1.



131 Postsynodale apostolische brief Reconciliatio et paenitentia (2 december 1984), 17: AAS 77 (1985), 221. vgl. Paulus VI, Toespraak tot de leden van de Congregatie van de Heiligste Verlosser (September 1967): AAS 59 (1967), 962: “Men moet vermijden de gelovigen te verleiden anders erover te denken als zouden na het concilie vandaag de dag sommige gedragingen zijn toegestaan, die de Kerk vroeger als in zich slecht had verklaard. Wie ziet niet, dat hieruit een betreurenswaardig moreel relativisme zou ontstaan, dat gemakkelijk het gehele erfgoed van de leer van de Kerk in twijfel zou kunnen trekken?”



132 Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 27.



133 Encycliek Humanae vitae (25 juli 1968), 14: AAS 60 (1968), 490-491.



134 Contra mendacium, VII, 18: PL 40, 528; vlg. H. Thomas van Aquino, Quaestiones quodlibetales, IX, q. 7, a. 2; Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1753-1755.



135 Vat. II, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dinitatis humanae, 7.



136 Toespraak tot de deelnemers van het Internationale Congres voor moraaltheologie (10 april 1986), 1: Insegnamenti IX, 1 (1986), 970.



137 Ibid., 2: aa(); 970-971.



138 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 24.



139 Vgl. Encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), 12: AAS 71 (1979), 280-281.



140 Enarratio in Psalmum XCIX, 7 CCL 39, 1397.



141 Vgl. Vat. II, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 36; vgl. Encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), 21: AAS 71 (1979), 316-317.



142 Gebed van de dag op de feestdag van de onthoofding van Johannes de Doper.



143 H. Beda Venerabilis, Homeliarum Evangelii Libri, II, 23; CCL 122, 556-557.



144 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 27.



145 Ad Romanos, VI, 2-3: Patres Apostolici, hrsg. F.X. Funk, I, 260-261.



146 Moralia in Job, VII, 21, 24: PL 75, 778: “huius mundi aspera pro aeternis praemiis amare”.



147 “Summum crede nefas animam praeferre pudori et propter vitam vivendi perdere causas!”: Juvenal, Satirae, VIII, 83-84.



148 Apologia II, 8: PG 6, 457-458.



149 Apostolische brief Familiaris consortio (22 november 1981), 33: AAS 74 (1982), 120.



150 Vgl. ibid, 34: aa(), 123-125.



151 Postsynodale apostolische brief Reconciliatio et paenitentia (2 december 1984), 34: AAS 77 (1985), 272.



152 Encycliek Humanae vitae (25 juli 1968), 29: AAS 60 (1986), 501.



153 Vgl. Vat. II, Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd Gaudium et spes, 25.



154 Vgl. Encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 24: AAS 83 (1991), 821-822.



155 Ibid., 44: aa(), 848-849. vlg. Leo XIII, encycliek Libertas praestantissimum (20 juni 1888): Leonis XIII P.M. Acta, VIII, Romae 1889, 224-226.



156 Encycliek Sollicitudo rei socialis (30 december 1987), 41: AAS 80 (1988), 571.



157 Catechismus van de Katholieke Kerk, n. 2407.



158 Vgl. ibid., nr. 2408-2413.



159 Ibid., n. 2414.



160 Vgl. Postsynodale apostolische brief Christifideles laici (30 december 1988), 42: AAS 81 (1989), 472-476.



161 Encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 46: AAS 83 (1991), 850.



162 Concilie van Trente, Sess. VI, decreet over de rechtvaaridiging Cum hoc tempore, cap. 11: DS, 1536; vgl. can. 18: DS, 1568. De bekende tekst van de H. Augustinus, die het concilie in het vermelde stuk citeert, komt uit De natura et gratia, 43, 50 (CSEL 60, 270).



163 Oratio I: PG 97, 805-806.



164 Toespraak tot de deelnemers van een cursus over verantwoord ouderschap (1 maart 1984), 4: Insegnamenti VII, 1 (1984), 583.



165 De interpellatione David, IV, 6, 22: CSEL 32/2, 283-284.



166 Toespraak aan de bisschoppen van CELAM (9 maart 1983), III: Insegnamenti, VI, 1 (1983), p. 698.



167 Apostolische brief Evangelii muntiandi (8 december 1975), 75: AAS 68 (1976), 64.



168 De Trinitate, XXIX, 9-10: CCL 4, 70.



169 Vat. II, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 12.



170 Congregatie voor de Geloofsleer, instructie over de kerkelijke roeping van de theoloog Donum veritatis (24 mei 1990), 6: AAS 82 (1990), 1552.



171 Toespraak tot professoren en studenten van de pauselijke Universiteit Gregoriana (15 december 1979), 6: Insegnamenti II, 2 (1979), 142.



172 Congregatie voor de Geloofsleer, instructie over de kerkelijke roeping van de theoloog Donum veritatis (24 mei 1990), 6: AAS 82 (1990), 1557.



173 Vgl. C.I.C., can. 252, 1; 659, 3.



174 Vgl. Vat. II, Dogmatische constitutie over het Katholieke geloof Dei Filius, cap. 4: DS, 3016.



175 Vgl. Paulus VI, Encycliek Humanae vitae (25 juli 1968), 28: AAS 60 (1968), 501.



176 H. Congregatie voor de katholieke opvoeding, La formazione teologica dei futuri sacerdoti (22 februari 1976), nr. 100. Zie nr. 95-101, die de perspectieven en de voorwaarden voor een vruchtbare arbeid met betrekking tot moraal-theologische vernieuwing uiteenzetten.



177 Congregatie voor de Geloofsleer, instructie over de kerkelijke roeping van de theoloog Donum veritatis (24 mei 1990), 11: AAS 82 (1990), 1554; Vgl. in het bijzonder nr. 32-39, die aan het probleem van het meningsverschil zijn gewijd: ibid., aa(), 1562-1568.



178 Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 25.



179 Vgl. C.I.C., can. 803, 3.



180 Vgl. C.I.C., can. 808.



181 “O inaestimabilis delectio caritatis: ut servum redimeres, Filium tradidisti”: Missale Romanum, In Resurrectione Domini, Praeconium paschale.



182 In Iohannis Evangelium Tractatus, 26, 13: CCL, 36, 266.



183 De Virginibus, lib. II, cap. 15: PL 16, 222.



184 Ibid., lib. II, cap. II, 7: PL 16, 220.

top