The Holy See
back up
Search
riga

BESLUITEN VAN DE
PARTICULIERE SYNODE
VAN DE BISSCHOPPEN
VAN NEDERLAND
*  

 

INLEIDING

Dankbaar jegens God delen wij op het einde van deze Particuliere Synode mee, hetgeen wij besproken hebben onder het stimulerend voorzitterschap van Petrus' Opvolger, onze Paus Johannes Paulus II en met de deelneming door enkele Prefecten van de romeinse Congregaties naargelang hun competenties.

Wij hebben de resultaten van ons overleg aan de Heilige Vader voorgelegd met het oog op het welzijn van de Kerk in ons land, waarin de Kerk van Christus leeft als de éne, heilige, katholieke en apostolische Kerk.

Ons overleg had betrekking op hetgeen voor het pastorale werk in ons land en in onze tijd wenselijk is. Wij waren ons hierbij bizonder bewust van het feit dat de ernstige vraagstukken die zich aan ons als kerkelijke herders presenteren, eensgezindheid eisen, een diep besef van hartelijke en werkdadige gemeenschap. Zonder deze gemeenschap kan de Kerk haar zending onmogelijk vervullen.

Wij hebben over deze eenheid gedacht op twee niveaus :

— als de eenheid van alle gelovigen, waarvan het ideaal hetzelfde is als dat van de eerste kristelijke gemeenschap, beschreven in de Handelingen van de Apostelen : al de gelovigen »bleven volharden in de leer der Apostelen en de onderlinge gemeenschap, in het breken van het Brood en het gebed« (Hand. 2, 42) ;

— en als de eenheid van de kerkelijke herders, waarvan wij een model vinden bij de Apostelen, die rond Petrus te Jeruzalem samenkwamen om enkele vitale problemen op te lossen in een beslissende periode van de pas begonnen Kerk (cfr. Hand. 15, 6 e. v.).

De trouw aan de leer der Apostelen is derhalve een levensvoorwaarde voor de »Communio«, en zo blijven ook de geloofsleer en de kerkorde ook nu de norm om aan de broederlijke gemeenschap trouw te blijven.

Bij de toepassing van dit model op onze situatie, hebben wij vòòr alles gedacht aan de »Communio« van alle katholieke gelovigen in de zeven bisdommen van Nederland. Het is met het oog op die gemeenschap van allen, dat wij de onderscheiden taken en bedieningen in de Kerk besproken hebben.

De gemeenschap van de Kerk heeft een heel eigen karakter. Ze verwerkelijkt zich tegelijkertijd plaatselijk en over heel de wereld. Vervolgens heeft zij tegelijkertijd een institutionele en een spirituele zijde. Tenslotte leeft deze gemeenschap van een historische traditie, gebaseerd op de Apostelen, terwijl ze tegelijk geroepen is om zich in de hedendaagse wereld te realiseren.

Onze aandacht vestigend op deze complexe werkelijkheid zijn wij begonnen met een beschouwing van de Kerk als geestelijke gemeenschap. Om die reden gebruiken wij vaak het bijbelse woord »Communio«. Dit woord duidt op die speciale gemeenschap in geloof, hoop en liefde, welke de gelovigen verenigt met Christus en diens Vader, en die hen tegelijkertijd met elkaar verbindt. Het is de ene en onverdeelbare Heilige Geest die, verblijvend in de harten, de gelovigen verenigt in het éne Lichaam van Christus. Het woord »Communio« geeft dus te verstaan dat elke gelovige samen met zijn geloofsgenoten deel heeft aan dezelfde roeping, hetzelfde geloof, hetzelfde doopsel, dezelfde Eucharistie, dezelfde kerkelijke gemeenschap rondom de legitieme kerkelijke leiders, en aan dezelfde zending van de Kerk tenslotte in de wereld.

Over deze eenheid der gelovigen zegt de eerste Brief van Johannes dat zij tegelijkertijd een gemeenschap onder ons is en een gemeenschap »met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus« (1 Joh. 1, 3). Deze woorden leiden ons naar de eigenlijke bron van onze kerkelijke »Communio«. De Heer zelf sprak over deze bron in zijn hogepriesterlijk gebed, toen Hij vroeg : »Mogen ze allen één zijn, gelijk Gij, Vader, het zijt in Mij, en Ik in U ; mogen ze ook één zijn in Ons, opdat de wereld gelove dat Gij mij gezonden hebt« (Joh. 17, 21).

Deze woorden van de Heer herinneren ons er bovendien aan dat de konkrete en zichtbare eenheid kwetsbaar is en tegelijk zeer kostbaar en onmisbaar. Zeker, het is Christus die ons door zijn unieke Geest bijeen houdt ; maar deze »Communio« is evenzeer een gemeenschap van mensen.

Dit menselijk aspect helpt ons de zwakheden te begrijpen en ons niet te ergeren aan spanningen, irritaties en misverstanden. Die spanningen kunnen zich voordoen op elk niveau van het kerkelijk leven. Die spanningen kunnen zich ontwikkelen tot ware bedreigingen van de eenheid en zelfs het risico van breuken teweeg brengen. Zij zijn eigen aan een Kerk die Christus weliswaar als geestelijke »Communio« gewild heeft, maar evenzeer als een menselijke en historische instelling.

Dergelijke verwondingen kunnen wij echter te boven komen. Om die reden is de Kerk, »die in haar eigen schoot zondaars omvat, terzelfdertijd heilig en altijd tot zuivering geroepen, en streeft zij onophoudelijk de boetvaardigheid en de levensvernieuwing na« (Lumen Gentium, nr. 8). Het Tweede Vatikaanse Concilie heeft ons heel duidelijk onder ogen gebracht dat het leven van de Kerk een pelgrimstocht is en dat de Kerk bijgevolg »door Christus opgeroepen wordt tot die onafgebroken hervorming, die zij als aardse instelling voortdurend nodig heeft« (Unitatis Re- dintegratio, nr. 6).

Onze beraadslaging over hetgeen verbetering behoeft verliep als een broederlijk gesprek. Niet zonder reden spreekt de Heilige Vader de bis- schoppen aan als zijn broeders. De geloofsrijkdom van het woord »Communio« behelst daarom ook hartelijke en broederlijke betrekkingen. In die geest hebben wij dan ook elke dag samen gebeden en de Eucharistie gevierd. Met deze zelfde broederlijkheid hebben wij de verschillende kwesties besproken die ons gesteld waren en de resultaten hiervan delen wij U mede in de volgende bladzijden.

Wij hopen van harte dat de uitvoering van onze besluiten aan allen ten goede zal komen en dat de Kerk van Sint Willibrord des te overtuigender als »Communio« naar voren zal treden.

 

I
DE BISSCHOPPEN

 1. De Bisschoppen van Nederland spreken eensgezind hun vaste voornemen uit om hun hartelijke en broederlijke betrekkingen te verdiepen. Daarmee bedoelen zij niet alleen blijk te geven van hun broederlijke geest als menselijke waarde; zij zijn ervan overtuigd dat zij op deze wijze een gemeenschap tot stand brengen die gegrondvest is op de liefde die een gave is van de H. Geest — ondanks de moeilijkheden van velerlei aard die zij ondervinden wanneer zij deze geest van verbondenheid gestalte willen geven.

 2. De Bisschoppen zijn er zich van bewust dat dit gestalte geven aan de gemeenschap, en zeker wanneer dit op de juiste wijze moet gebeuren, afhankelijk is van bepaalde objectieve voorwaarden, te weten het katholieke geloof en de wijze van uitoefening van het bisschopsambt.

A) Het geelof, of de Bisschop als leraar van het geloof.

 3. De Bisschoppen belijden hun instemming met de inhoud van het katholieke geloof zoals dat geleerd wordt door de Rooms Katholieke Kerk. Zij spreken ook hun volledige en algehele verbondenheid uit met de Paus, Bisschop van Rome en Opperherder van de universele Kerk, en ook hun geloof in de hiërarchische inrichting van de Kerk. Noch de Bisschoppen, noch de priesters zijn afgevaardigden van de gelovigen, maar dienaren van Jezus Christus ten dienste van de kerkgemeenschap.

 4. De Bisschoppen belijden dat het uitgangspunt en de objectieve bron van het geloof liggen in de goddelijke Openbaring, want aan God die zich openbaart »is de mens de gehoorzaamheid van het geloof schuldig« (Rom. 1, 5; 16, 26; Dei Verbum, nr. 5).

 5. De Bisschoppen weten dat het hun opdracht is om de inhoud van de Openbaring, zoals die is vertolkt door het leergezag, in zijn volheid te verkondigen, en dat met inachtneming van de rechtmatige verlangens van de mensen van onze tijd. De Bisschoppen geven toe dat er verschillen bestaan in gevoeligheid voor de wijze waarop het christelijk geloof wordt verkondigd aan de mensen van vandaag.

 6. Voor wat betreft de harmonie tussen de Openbaring zoals die door het leergezag wordt vertolkt en de aspiraties van onze tijd zijn de Bisschoppen vast besloten om te komen tot een heldere en evenwichtige verkondiging van het geloof.

 7. De Bisschoppen zijn het er over eens dat er bij de gelovigen van alle tijden een geloofszin (sensus fidei) bestaat, waar de theologen altijd op moeten letten en waarmee men rekening moet houden bij het interpreteren van de Overlevering. Volgens Dei Verbum nr. 8 is het juist door de bezinning en de studie van de gelovigen, en door hun innerlijk verstaan van de geestelijke werkelijkheden die zij ervaren, dat het inzicht in de Overlevering groeit. Maar deze geloofszin is niet de Openbaring zelf, en hij heeft ook niet dezelfde autoriteit als de normatieve interpretatie die het leergezag van de Kerk, in volledige onderwerping aan de Open- baring zelf, er van geeft.

 8.Naast deze geloofszin die eigen is aan trouwe gelovigen, bestaan er algemeen menselijke religieuze evaringen. Deze laatste kunnen het uitgangspunt vormen voor de geloofsopvoeding en voor de catechese. Zij moeten echter gewaardeerd worden in het licht van de noodzakelijke groei naar de volledige kennis van het geloof. Men zal dus afstand moeten nemen van bepaalde catechetische methoden die niet verder komen dan de religieuze ervaring alleen.

 9. In het besef dat een zekere verscheidenheid bestaat (éénheid betekent inderdaad geen éénvormigheid) in de wijze waarop het geloof wordt uitgedrukt of weergegeven, hetzij door de massa-media, hetzij in de pers en andere publicaties, zullen de Bisschoppen ervoor waken dat deze verscheidenheid geen verwarring schept bij de gelovigen. De Bisschoppen stellen zich voor concrete middelen aan te wenden om datgene wat Vaticanum II heeft geleerd en de documenten van de H. Stoel de gewenste verspreiding te geven.

 10. De wijze waarop de pastores het geloof brengen is een zaak van voorzichtig beleid, met name wanneer het gaat om de christelijke moraal. Zij weten dat zij de norm zelf niet mogen prijsgeven. Aan de andere kant moeten zij bedacht zijn op het vinden van wegen om het gebrek aan bereidheid of de moeilijkheid te overwinnen die sommige gelovigen hebben om de normen die uit de christelijke waarden voortvloeien te aanvaarden of toe te passen. Als deze bereidheid eigenlijk in het geheel niet of in zeer geringe mate aanwezig is, of wanneer de moeilijkheden zeer groot zijn, moeten de pastores toch zorg blijven hebben voor dergelijke situaties.

B) Het bisschoppelijk bestuur of de Bisschop als Herder..

 11. De Bisschoppen van Nederland spreken hun trouw uit aan de kerkelijke regels, alsmede hun vaste wil om deze toe te passen, volgens de officiele documenten van de Kerk. Zij herinneren met name aan het belang in deze van Christus Dominus, van Ecclesiae Sanctae en van het Directorium voor de pastorale taak van de Bisschoppen.

 12. De Prefecten van de HH. Congregaties en de Bisschoppen hebben onderkend dat er tussen hen bepaalde moeilijkheden zijn ontstaan. Zij zijn het er over eens dat de samenwerking en het onderling vertrouwen zouden kunnen worden versterkt door het uitwisslen van informaties, zo volledig en zo regelmatig mogelijk, door bezoeken van Bisschoppen aan de Dicasteries, of door regelmatige contacten van een delegatie van de Bisschoppenconferentie, of ook door bezoeken van vertegenwoordigers van de Curie aan Nederland; tevens door het goed verzorgen van het vijfjaarlijks verslag van ieder Bisdom en van de notulen van de Bisschoppenvergaderingen. Het gewenste resultaat van dit alles moet zijn een versterkte relatie tussen de katholieke gelovige gemeenschap in Nederland en de universele Kerk. De Bisschoppen verzoeken om een zorgvuldig onderzoek, hetzij door navraag bij de belanghebbende bisschop, hetzij bij de Bisschoppenconferentie, telkens wanneer er buiten hen om inlichtingen of beschuldigingen naar de Romeinse Dicasteries worden gezonden.

 13. De Bisschoppen houden zich in sterke mate bezig met de noodzaak van het aanknopen en onderhouden van persoonlijke relaties met priesters, mannelijke en vrouwelijke religieuzen, geëngageerde leken. Zij weten ook dat de gelovigen, meer dan dat vroeger het geval was, prijs stellen op de persoonlijke aanwezigheid van de Bisschop in hun midden. In dit verband, en in overeenstemming met Christus Dominus nrs. 22-24, zijn de Bisschoppen ermee accoord gegaan dat in het kader van de Nederlandse Bisschoppenconferentie een studie zal worden gemaakt van de mogelijkheid voor een nieuwe indeling van de bisdommen in hun land. Deze nieuwe indeling behoeft niet noodzakelijkerwijze in één keer te worden doorgevoerd voor alle mogelijke gevallen.

 14. De Bisschoppen zijn er zich van bewust dat zij gesteld zijn voor een bijzonder moeilijk vraagstuk, n. 1. dat van het samengaan van de uitoefening van hun eigen verantwoordelijkheid binnen hun eigen Bisdom, en het uitvoeren van richtlijnen van de Bisschoppenconferentie of van de meerderheid van de leden daarvan.

Leerstellig beschouwd is de Bisschoppenconferentie een vergadering waarin de Bisschoppen van een bepaald land gezamenlijk hun pastorale taak uitoefenen "munus suum pastorale coniunctim exercent", (Christus Dominus nr. 38. 1). Practisch gezien kunnen »groeperingen van Bisschoppen veelvoudig en vruchtbaar werk leveren om de collegiale geest tot concrete toepassing te brengen« (Lumen Gentium nr. 23). Dat is het bijzonder waar voor Nederland, dat zeer dicht bevolkt is, en dat heden ten dage tot een- eenheid uitgroeit door nieuwe factoren als bijvoorbeeld de urbanisatie, de interne migratie en de massa-media. De Bisschoppenconferentie zal binnen dat geheel een waardevol instrument zijn om te komen tot een »geheiligde bundeling van krachten tot nut van het gemeenschappelijk welzijn van de betrokken Kerken« (Christus Dominus nr. 37). De aard van de verplichting voor leder Bisschop in dit verband is verwoord in het Directorium voor de pastorale taak van de Bisschoppen nr. 212 :

     a) »De beslissingen, welke door de Bisschoppenconferentie wettig werden genomen en door de Apostolische Stoel bevestigd, gelden als wet- ten van het hoogste kerkelijk gezag (cfr. Christus Dominus nr. 38, 4). De Bisschop neemt deze met respect en geest van geloof aan, en legt ze ten uitvoer, ook al was hij tevoren een andere mening toegedaan of bezorgt het hem enige last, en hij ziet op de uitvoering in zijn Bisdom toe.

     b) De overige beslissingen en regels van de Conferentie zijn juridisch niet verplichtend. Deze neemt de Bisschop gewoonlijk over, om wille van de éénheid en liefde ten aanzien van zijn broeders, tenzij er zware redenen tegenoverstaan, welke hij voor God overweegt. Deze beslissingen en regels kondigt hij zelf, in eigen naam en met eigen gezag in zijn Bisdom af, omdat de Conferentie niet de bevoegdheid bezit bindend de volmacht te omschrijven waarmee elke Bisschop persoonlijk in naam van Christus optreedt (cfr. Lumen Gentium nr. 27)« (Directorium noor de pastorale taak van de Bisschoppen, nr. 212).

De Bisschoppen zullen alles in het werk stellen opdat de »Communio« tussen hen, zowel affectief als effectief, zich kan verdiepen van dag tot dag en om te verhinderen dat men. hen zal beschouwen als onderling verdeeld. Met het oog daarop nemen zij zich voor :.

     a) om gelegenheden te zoeken voor gemeenschappelijk gebed en gemeenschappelijke vieringen,

     b) om elkaar behulpzaam te zijn bij het uitvoeren van de beslui- ten van deze Synode,

     c) om regelmatig gedachtenwisselingen te houden ten einde ideeën, initiatieven en personen te leren kennen, opdat allen daar voordeel van zullen hebben voor hun eigen pastorale taak en dat er gemeenschappelijke schikkingen kunnen getroffen worden met een betere kennis van zaken,

     d) om zich te onthouden vari verklaringen die schade kunnen berokkenen aan een mede-bisschop,

     e) om in aangelegenheden die meer delikaat zijn en die van nationaal of internationaal belang zijn, met zorg de procedures te respecteren die ontleend zijn aan het Directorium voor de pastorale taak van de Bisschoppen (nr. 212 a en b).

 15. De leden van de Synode hebben in hun beschouwingen betrokken het nogal gecompliceerd karakter van de organen en de raden die ten dienste staan van de Bisschoppenconferentie. De Bisschoppen besteden reeds beduidend veel tijd aan het werk van de Bisschoppenconferentie. Maar er bestaat een situatie van gedeelde verantwoordelijkheid die de band met de Bisschoppen niet altijd voldoende veilig stelt. Altijd moet de Bisschop degene blijven die voor de kudde uitgaat zonder zich er ooit van de verwijderen. De Bisschoppen zijn de eigenlijke verantwoordelijken voor besluiten, genomen door de Conferentie.

 16. De Bisschoppen hopen dat de reorganisatie van de Bisschoppenconferentie, die momenteel wordt voorbereid, een oplossing zal bieden voor het zo gestelde probleem. Het vermeerderen van het aantal bisschoppen-leden zou het vinden van de uitweg hierin kunnen vergemakkelijken, omdat het dan mogelijk zou worden dat de commissies worden voorgezeten of bijgestaan door een Bisschop.

 

II
DE PRIESTERS

 17. De leden van de Synode onderschrijven unaniem het wezenlijke onderscheid tussen het ambtelijke of sacramentele priesterschap, en het gemeenschappelijk priesterschap van de gedoopten en zij willen de practische konsekwenties, die hieruit voortvloeien, bewaken.

 18. Met dezelfde eenstemmigheid belijden zij het blijvend karakter van het ambtelijk priesterschap.

 19. De Nederlandse Bisschoppen spreken met grote nadruk hun waardering uit voor hun priesters, zowel seculieren als regulieren, »de ijverige medewerkers van de orde van de Bisschoppen« (Lumen Gentium nr. 25), voor hun toewijding aan de pastorale taak van de Kerk, die iu onze tijd dikwijls zo moeilijk is.

Voor wat betreft de spiritualiteit constateren de Bisschoppen een positieve ontwikkeling : de priesters spreken veelvuldiger en met groter openheid over hun geestelijk leven dan vroeger. Verschillende onder hen geven zich veel moeite om zich professioneel te bekwamen met het oog op specifieke taken, zodat zij des te meer voor de gelovigen beschikbaar zijn en opdat zij hun christelijk geloof met grotere inzet waar kunnen maken. Zij proberen door te dringen tot de wezenlijke problemen van het leven door hun contacten met de mensen. De bijbelse spiritualiteit neemt een eerste plaats in. Toch wordt het geestelijk leven van de priesters bedreigd door de secularisatie van de samenleving, door overbelasting, en soms ook door een al te »functionele« opvatting van hun taak.

 20. De leden van de Synode zijn overtuigd van de waarde van het geestelijk leven, van het getijdengebed, van de dagelijkse viering van de Eucharistie, van het sacrament van de boete en van liet geestelijk gesprek. Zij zijn bereid de priesters behulpzaam te zijn bij het verdiepen van hun geestelijk leven, bijvoorbeeld door het aanmoedigen van initiatieven ad hoc, genomen door hetzij de locale bisschop, hetzij door de Bisschoppenconferentie, als dat mogelijk is in samenwerking met de Hogere Oversten van de priester-religieuzen, met name wanneer het gaat over geestelijke leiding.

 21. De leden van de Synode zijn er allen van overtuigd dat het celibaat om der wille van het Koninkrijk der Hemelen een groot goed is voor de Kerk. Eensgezind willen zij trouw zijn aan de besluiten van de Pausen om de celibaatsregel te handhaven. De Bisschoppen hopen dat zij een voldoend aantal priesters zullen vinden. Maar ook als er gebrek aan candidaten is belijden de leden van de Synode hun vertrouwen in Hem die de Heer van de oogst is en die arbeiders in zijn oogst zal zenden (cfr. de brief van Paus Johannes Paulus II aan al de priesters van de Kerk op Witte Donderdag 1979).

Zij hechten veel waarde aan de steun die kan gevonden worden in het leven in een gemeenschap of minstens in de wederzijdse hulp van priesters onder elkaar. Zij zijn van oordeel dat liet celibaat slechts dan vrucht- baar zal zijn voor de priester persoonlijk en voor de pastoraal, wanneer het beleefd wordt als een ware evangelische raad, die niet losstaat van de andere raden van armoede en gehoorzaamheid.

 22. De leden van de Synode zijn vastbesloten om een actieve pastoraal te bevorderen met het oog op roepingen tot het priesterschap en tot het religieuze leven, ook al zetten zij de studies voort over de verschillende vormen die het apostolaat door leken kan aannemen.

 23. Om deze pastoraal te bevorderen, hebben de Bisschoppen besloten om in ieder Bisdom een commissie daarvoor op te richten, of anders om één of meerdere personen met deze taak te belasten. In ieder bisdom zullen zij iemand aanwijzen die contact houdt met de Theologische Hogescholen, met de konvikten en met die studenten in de theologie die zich op het priesterschap richten, wanneer tenminste niet de Bisschop persoonlijk deze taak ter hand neemt.

In geheel de kwestie van de pastoraal voor roepingen tot het priesterschap en tot het religieuze leven zullen de Bisschoppen nauw contact houden met de Hogere Oversten van de Religieuzen.

 24. Ten aanzien van mogelijke verenigingen van priesters is het noodzakelijk om in herinnering te roepen wat Vaticanum II leert over de relatie tussen de priester en de Bisschop :

     a) De priesters — seculieren zowel als regulieren — delen met de Bisschop in het éne priesterschap van Christus. Krachtens hun wijding staan alle priesters in hierarchische gemeenschap met de Orde van de Bisschoppen (Presbyterorum Ordinis nr. 28). Aangezien zij tevens geincardineerd zijn in een plaatselijke Kerk, vormen de seculiere priesters »een presbyterium en een familie, waarvan de Bisschop de vader is« (Christus Dominus nr 28).

     b) Het presbyterium wordt vertegenwoordigd door de priesterraad die een advies-college is (Ecclesiae Sanctae nr. 15).

     c) Eventuele verenigingen van priesters mogen dus nooit zodanig zijn dat zij de hierarchische verbondenheid van de priesters met hun Bisschop verduisteren, noch de unieke aard van het presbyterium of de onderscheiden functies van de Bisschop en van de priesterraad. Indien deze verenigingen trekken van een vakbond gaan vertonen zijn zij onverenigbaar met de inrichting en de geest van de Kerk.

 25. Eenstemmig spreken de Bisschoppen hun bezorgdheid en hun dringend verlangen uit om bijgestaan te worden door een celibataire clerus, om candidaten die een dergelijke roeping hebben te werven en om zonder dralen alles in het werk te stellen om op dit gebied resultaten te bereiken. De vorming van deze candidaten moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van Vaticanum II (met name Optatam Totius), of met de documenten die daarvan zijn afgeleid zoals de Ratio fundamentalis, waar door de eerste Bisschoppensynode om gevraagd is.

 26. Dat betekent dat deze vorming slechts gegarandeerd wordt door echte seminaries : ofwel seminaries die de gehele opleiding verzorgen, zoals te Rolduc, ofwel konvikten die als echte seminaries functioneren, zij het dat een groot gedeelte van het onderwijs gegeven wordt op een Faculteit of Theologische Hogeschool die door de H. Stoel zijn erkend.

 27. Deze Faculteiten of Theologische Hogescholen moeten, als zij toegankelijk willen zijn voor priesterstudenten, voldoen aan verschillende voorwaarden. Voor de details van deze voorwaarden verwijst de Synode naar de desbetreffende documenten. Maar bij wijze van voorbeeld herinnert zij aan enige daarvan, zoals : de rechten van de Bisschoppen, vooral van de Ordinarius loci, om ten aanzien van deze Hogescholen hun verantwoordelijkheid van leraren van het geloof en van behoeders van de orthodoxie te kunnen uitoefenen ; de rechten van de Bisschoppen om hun gezag te kunnen hanteren op het terrein van benoeming en ontsla:g van docenten, op dat van het leerplan en ten aanzien van de kerkelijke sfeer die beschermd moet worden, met name op het punt van het celibaat; en ten slotte de mogelijkheden die aan de Bisschoppen gelaten moeten worden om de situatie te regelen van de gehuwde priesters die aan die scholen doceren.

 28. Om er op toe te zien in hoeverre aan deze voorwaarden is of zal worden voldaan, met name aan de Theologische Hogescholen, en eveneens om zeker te zijn van het goed functioneren van de konvikten en van Rolduc, zullen de Bisschoppen een commissie van Bisschoppen instellen die zijn werkzaamheden zal afronden vòòr 1 Januari 1981. Deze commissie zal de Hogere Oversten van de Orden en Congregaties van priesterreligieuzen raadplegen, en tevens het oordeel inwinnen van de Ordinarius loci. De resultaten van het werk van de commissie zullen worden voorgelegd aan de Bisschoppenconferentie, die ze, voorzien van haar advies, zal doorzenden aan de H. Congregatie van de katholieke Opvoeding, daarbij rekening houdend met het begin van het academisch jaar in September 1981.

 

III
DE RELIGIEUZEN

 29. De Nederlandse Bisschoppen hebben hoge achting voor ,et religieuze leven als »een gave die de Kerk ontvangt van haar Heer« (Lumen Gentium, nr. 43). Zij zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de ontplooiïng en vooral ook de bezieling van het aan de Heer toegewijde leven. Zij willen deze verantwoordelijkheid gestalte geven in nauwe samenwarking met de Hoge Oversten van de Religieuzen.

 30. De leden van de Synode spreken hun bezorgdheid uit over het tekort aan novicen. Zij nemen zich voor alles in het werk te stellen om in de Kerk en in de christelijke gemeenschappen het luisteren naar God, die oproept tot het gewijde leven, te bevorderen, opdat velen edelmoedig daarop antwoorden.

 31. Meer dan ooit waarderen de Nederlandse Bisschoppen de hulp die zij voor de pastoraal ontvangen van de religieuzen, alsook de geestelijke. invloed die uitgaat van adbijen en kloosters van beschouwend leven. Zij prijzen zich gelukking met de contacten die bestaan tussen de Bisschoppenconferentie en de vier Verenigigen van Hogere Oversten.

 32. Ten aanzien van datgene wat wel genoemd wordt de affectieve integratie stellen de leden van de Synode vast dat deze uitdrukking op dubbelzinnige wijze wordt geinterpreteerd. Zij onderkennen het belang van een gezonde affectiviteit, opgevat in de zin van hartelijkheid en broederlijkheid in menselijke relaties. Zij beroepen zich op de H. Paulus en op de H. Johannes om te onderstrepen, dat de goed verstane liefde tot God en Christus in de Geest, veel kan bijdragen tot het integreren van de behoefte aan affectivitiet in de broederlijke liefde. Maar de leden van de Synode verwerpen eenstemmig een soort van »derde weg«, die geleefd wordt als een dubbelzinnige staat tussen het celibaat en het huwelijk in.

IV
DE LEKEN

A) In het algemeen.

33. De leden van de Synode zijn er zich van bewust dat de leken een groot aandeel hebben in het pastorale werk van de Kerk. Zij spreken hun dankbare waardering uit jegens de duizenden leken die, geheel belangeloos, regelmatig en op ontelbaar veel manieren deelnemen aan verschillende taken zoals de liturgie, sociale activiteiten, catechese aan kinderen en volwassenen, uitwisseling en onderlinge hulpverlening, het bevorderen van de rechtvaardigheid en de vrede. Deze leken spannen zich in om de Kerk aanwezig te doen zijn in een steeds meer geseculariseerde wereld, en dat dikwijls onder moeilijke omstandigheden. De Synode spreekt ook haar gevoelens van oprechte erkentelijkheid uit ten aanzien van de talloze christenen, in het bizonder van zieken en bejaarden, die hun steun verlenen aan hot werk van de Kerk door middel van hun ge- beden en hun offers.

De richtlijnen die hierna gegeven zullen worden voor de pastorale werkers zullen alleen dàn vruchtbaar kunnen zijn indien de vele leken die thans actief bezig zijn in de pastoraal dat zullen blijven doen.

 34. De leden van de Synode stellen vast dat de kritische groepen, waaraan overigens ook priesters en religieuzen deelnemen, soms een te, zware pressie uitoefenen op het leven van de Kerk. Dat geldt evenzeer voor bepaalde tijdschriften en andere vormen van publiciteit. Deze kritiek komt voort uit groeperingen die het onderling niet eens zijn : aan de ene kant »progressieve groepen«, aan de andere kant »conservatieve«. De Bisschoppen geven toe dat de kritiek gedeeltelijk juist is en dat deze soms gepaard gaat met redelijke verlangens en nuttige impulsen voor de pastoraal.

Maar de invloed van deze kritiek is negatief wanneer er wordt gegeneraliseerd, wanneer er sprake is van fanatisme, pressie, weigering om tot een dialoog te komen, en in het geval van ongegronde aanvallen op personen en instellingen van de Kerk. Dan roepen zij polarisatie op en zijn schadelijk voor het uitoefenen van de bisschoppelijke functie alsmede voor de gemeenschap onder de gelovigen ; zij ondermijnen de geest van broederlijke liefde en van vreugde die de kenmerken zijn van het christelijk leven.

De Bisschoppen willen contact houden met deze groepen in de hoop dat zij een matigende invloed kunnen uitoefenen en ook om op directe wijze op de hoogte te blijven. Maar zij nemen zich ook voor om de afwijkingen van het geloof en de regels van de Kerk te signaleren,opdat de ware »Communio« duidelijk aan de dag treedt.

B) De »Pastorale werkers«.

 35. De Synode neemt zich voor een bisschoppelijke commissie te benoemen die zal onderzoeken welke concrete vormen kunnen worden gevonden voor de werkzaamheid van leken in de pastorale taken van de Kerk. Deze commissie zal een analyse maken van de werkzaamheden van leken op dit terrein, in het bizonder waar deze werkzaamheden op professionele wijze worden verricht.

 36. Door zijn werkzaamheden zal de commissie moeten verduidelijken:

     a) het onderscheid tussen de pastorale taken van de priester, van de diaken en van de leek ;

     b) de wenselijkheid van een verbintenis langs de weg van het diakonaat, gezien de specifieke en belangrijke taak van dit permanente ambt zoals liet door Vaticanum II is hersteld (Lumen Gentium nr. 29) ;

     c) de specifieke taken die in de Kerk aan de leek zijn toevertrouwd (met name in het geval van een volledige dagtaak en op permanente wijze), met de specificatie dat het hier niet gaat om een soort nieuw »ambt« of ministerie — zoals het lectoraat en het acolytaat — noch om een permanente functie met een algemene opdracht, ten einde het ontstaan van een parallele »clerus« te vermijden, die zich zou aandienen als een alternatieve mogelijkheid naast het priesterschap en het diakonaat. Men moet er ook voor waken dat een eventuele presentatie in de gemeenschap niet het karakter krijgt van een installatie in een ambt.

Bij dit alles zal de commissie zich baseren op de conciliedocumenten (met name Lumen Gentium nr. 33 en Apostolicam Actuositatem nr. 24), alsmede op de documenten van de H. Congregatie voor de Sacramenten en voor de Goddelijke Eredienst (met name Immensae caritatis van 29-1-1973 en de brief aan de Zwitserse Bisschoppen van 17-7-1979) en van de H. Congregatie voor de Geloofsleer (brief van 5-3-1979).

Overigens hebben de Nederlandse Bisschoppen reeds ervaren, dat deze leken zeer gewaardeerd medewerkers kunnen zijn.

 37. Onder de priesters die gedispenseerd zijn in hun celibaatsbelofte, oefenen sommigen een functie uit in het onderwijs of in de pastoraal. De Bisschoppensynode van 1971 heeft gesteld dat »de priester die de uitoefening van zijn ambt heeft opgegeven rechtvaardig en broederlijk behandeld moet worden ; zelfs al zou hij hulp kunnen bieden in de kerkelijke dienst, dan moet hij toch niet worden toegelaten tot priesterlijke bedieningen« (IIe deel, 4, d aan het eind). In overeenstemming met de door de H. Stoel gegeven bepalingen, besluit deze Synode het volgende:

     1) hun situatie zal worden geregeld volgens de richtlijnen van de H. Congregatie van de Geloofsleer (met name die van 1971 en van 1972) ;

     2) in leder geval zal een dergelijke regeling niet kunnen worden afgerond van de ene dag op de andere, aangezien er rekening dient te worden gehouden met personen en omstandigheden ;

     3) de uitvoering van deze regeling zal worden toevertrouwd aan de pastorale prudentie van de locale Bisschop (die daarbij geholpen zal worden door de raad van de bisschoppelijke commissie die belast is met het onderzoek van het probleem van de »pastorale werkers«, en door de raadgevingen van de Bisschoppenconferentie).

 

V
ENIGE SECTOREN VAN HET KERKELIJK LEVEN

Deze sectoren zijn op het eind van de Synode doorgenomen bij wijze va n voorbeeld en derhalve noodzakelijkerwijze ietwat summier.

 38. Verbonden zijn met Christus, leven in Hem, betekent allereerst geloven in Zijn Woord, maar het is evenzeer deelnemen aan de sacramenten van het geloof. Door de sacramentele genade deelt Christus zichzelf aan ons mee, opdat wij vruchten zouden dragen (cfr. Joh. 15, 5).

 39. Dat is op heel bizondere wijze waar van de I3. Eucharistie. Door het Lichaam en Bloed van Christus te ontvangen krijgen wij gemeenschap met Hem, en door Hem, met de Vader en ook met onze broeders en zusters. Daarom vereren wij met respect tijdens de viering van de H. Eucharistie de geheiligde gaven. Wij aanbidden de Heer ook in de Heilige Reserve. Om met Christus te kunnen leven vraagt de Kerk aan de gelovigen deel te nemen aan de viering van de Eucharistie, het volmaakte offer van lof, op zijn minst iedere zondag en op verplichte feestdagen.

 40. Zoals het Woord des Heren aan de Kerk is toevertrouwd, zo ook de sacramenten. De regeling van de liturgie hangt uitsluitend af van het gezag van de Kerk. Deze regeling komt toe aan de H. Stoel, en — binnen de mate toegelaten door de wettelijke voorschriften — aan de bisschop, rekening houdend met bepaalde competenties die door het recht aan de Bisschoppenconferentie zijn toegekend (cfr. Sacrosanctum Concilium nr. 22, 1 en 2).

De Liturgie is een gemeenschappelijk goed van heel de Kerk; zij geeft uitdrukking van de volmaakte aanbidding die in Christus tot de Vader wordt gericht, en die ons samenbindt in de H. Geest. Uit trouw aan Christus en aan Zijn Kerk moet men de Liturgie geheel vieren volgens de officiele boeken, zoals die zijn herzien volgens de richtlijnen van Vaticanum II (cfr. Sacrosanctum Concilium nr. 22), waarbij gebruik gemaakt kan worden van de ruime mogelijkheden tot aanpassing die in de boeken zelf worden aangegeven.

 41. Om te kunnen delen in het heil dat Christus ons heeft gebracht hebben wij de bevrijding nodig van onze zonden en het herstel van de gemeenschap in liefde met de Vader en met onze broeders en zusters. Dit is reeds een van de effecten van het doopsel, en het wordt vernieuwd en verdiept door het sacrament van verzoening.

 42. Deze, verzoening met de Vader en met de Kerk veronderstelt de belijdenis van onze zonden en een oprechte wil tot bekering. Ondanks de huidige weerstand tegen de persoonlijke biecht, verzoeken de Bisschoppen aan de priesters om, in de prediking en in de catechese, bij de gelovigen de waardering voor het sacrament van de verzoening te herstellen. Zij verzoeken hen in het bizonder om beschikbaar te willen zijn voor eenieder die wil biechten, niet name in de vorm van een persoonlijk gesprek, en op vastgestelde uren, en ook om aan de jongeren te leren biechten. Zij spreken de hoop uit dat in het leven van de gelovigen ook de persoonlijke biecht zijn plaats zal herkrijgen, omdat deze het enige gewone middel is om zich met God en met zijn broeders en zusters in het geloof te verzoenen. De algemene absolutie is een buitengewoon middel dat de Bisschop slechts mag toestaan in bepaalde omstandigheden die voorzien en omschreven zijn in het nieuwe ritueel voor het sacrament van de verzoening.

 43. De leden van de Synode spreken hun oprechte waardering uit voor de zeer vele katecheten die trouw hun functie vervullen en die daarbij geen geringe moeilijkheden ondervinden in een geseculariseerde wereld.

 44. Ten aanzien van de inhoud van de catechese dringen de Bisschoppen er op aan dat het levende geloof van de universele Kerk moet worden uitgedrukt. Ten aanzien van de methode geldt, dat deze aangepast moet zijn aan het karakter, aan de mogelijkheden, aan de leeftijd en aan de situatie van de toehoorders (cfr. Christus Dominus nr. 14). In dit opzicht zijn con zekere vorm van onderzoek en van verstandig experimenteren toegestaan, en zijn geduldige en vertrouwvolle gesprekken met specialisten noodzakelijk.

 45. Als eerste verantwoordelijken voor de catechese, hebben de Bis- schoppen het voornemen om goede teksten voor de catechese te doen voorbereiden, alsmede richtlijnen gebaserd op het Algemeen Catechetisch Directorium, op de documenten van de Synode van 1977 en op de Apostolische Exhortatie Catechesi tradendae. Terwijl zij voortdurend een beroep doen op de medewerking van specialisten en van gespecialiseerde instellingen, willen de Bisschoppen toch op dit gebied evenzeer als op andere, persoonlijk hun taak als »leraren van het geloof« uitvoeren.

 46. De Bisschoppen moedigen uitdrukkelijk de oecumenische initiatieven aan als een ernstige plicht die ons met name door Vaticanum II is voorgehouden. Zij wijzen op het belang van het gebed, en op het feit dat iedere oecumenische activiteit in wezen zeer geestelijk van aard is. Bovendien is de oecumenische activiteit met het volste recht kerkelijk te noemen : in haar ontstaan, krachtens haar aard en in haar doel. Haar doel is niet om te komen tot een kleinste gemene veelvoud, maar in tegen- deel tot de volheid van het geloof. Daarom wordt de oecumenische activiteit gesteund door de Bisschoppen die ervoor zullen waken dat zij rekening blijft houden met de eisen die het geloof stelt, met name deze dat de intercommunie tussen gescheiden broeders niet het antwoord is op de oproep van Christus tot volmaakte eenheid. Deze volmaakte eenheid blijft het voorwerp van onze inspanningen en van een verwachting die is gegrondvest op het gebed van Christus zelf : »Mogen allen één zijn« (Joh. 17, 21. Vgl. de toespraak van Johannes Paulus II tot de Amerikaanse Bisschoppen, Chicago, 5 oktober 1979).

 

EPILOOG

Het zal duidelijk zijn dat wij hier niet over alle problemen gesproken hebben die zich voordoen in de Kerk in Nederland in deze tijd. De keuze van de onderwerpen werd bepaald door ons voornaamste oogmerk, namelijk de »Communio«, en naargelang de mogelijkheden die een Synode ons kon bieden.

Sprekend over »Communio«, spreken wij niet alleen over een genade die ons reeds geschonken is, maar ook over een opdracht die moet worden uitgevoerd. Op de grondslag van de »Communio« die ons reeds is gegeven moeten wij gezamelijk het nieuwe gebod van de wederzijdse liefde ten uitvoer brengen (cfr. Joh. 13, 34).

Op deze wijze is de Kerk, »terwijl zij aan de gehele mensheid het evangelie van de vrede brengt (cfr. Ef. 2, 17-18; Mc 16, 15) ; vol hoop op haar pelgrimstocht naar het eindpunt van het vaderland hierboven« (cfr. 1 Petr. 1, 3-9 ; Unitatis Redintegratio nr. 2).

 

AANVULLENDE REGELINGEN

 1. Om te waken over de uitvoering van de bovenstaande besluiten wordt een Synodale Raad ingesteld, samengesteld uit twee leden door de Synode gekozen onder de Nederlandse Bisschoppen en één benoemd door de Heilige Vader.

Deze drie leden zijn :

Zijne Eminentie Kardinaal Gabriel Marie Garrone, Zijne Eminentie Kardinaal Johannes Willebrands, Aartsbisschop van Utrecht, en Zijne Excellentie Monseigneur Johannes Bluyssen, Bisschop van 's-Hertogenbosch.

 2. Met betrekking tot de leden van de twee Commissies voorzien respektievelijk in nr. 28 en 35 van bovenstaande besluiten, stelde de Synode de volgende procedure vast : Zijne Eminentie Kardinaal Willebrands en Zijne Excellentie Monseigneur Danneels zullen aan de H. Vader de namen van de kandidaten voorstellen.

 3.  a) De bisschop van Roermond zal de samenwerking met de andere bisschoppen op het gebied van de Pauselijke Missiewerken, de Vastenaktie en de Week voor de Nederlandse Missionaris herstellen.

     b) De bisschoppen zijn zich bewust van bepaalde moeilijkheden tussen de bisschop van Roermond en personen en instellingen op deze drie gebieden. Zij zijn bereid hem te helpen voor deze moeilijkheden een oplossing te zoeken.

Na stemming aanvaard door de hier onderstaande leden van de Bijzondere Synode van de Bisschoppen in Nederland.

Rome, 31 januari 1980.

Sebastiano Card. Baggio, Prefect van de H. Congregatie voor de Bisschoppen.

Franjo Card. Seper, Prefect van de H. Congregatie voor de Geloofsleer.

Gabriel Card. Garrone, Oud-Prefect van de H. Congregatie voor de Katholieke Opvoeding.

Silvio Card. Oddi, Prefect van de H. Congregatie voor de Clerus.

Johannes Card. Willebrands, Aartsbisschop van Utrecht.

James Robert Card. Knox, Prefect van de H. Congregatie voor de Eredienst.

Eduardo Card. Pironio, Prefect van de H. Congregatie voor de Religieuzen en Seculiere Institnten.

Jozef Mgr. Tmko, Algemeen Secretaris van de Bisschoppensynode.

Godfried Mgr. Danneels, Aartsbisschop van Mechelen-Brussel.

Johannes Mgr. BBluyssen, Bisschop van 's-Hertogenbosch.

Theodorus Henricus Mgr. Zwartkruis, Bisschop van Haarlem.

Hubertus C. A. Mgr. Ernst, Bisschop van Breda.

Johannes B. Mgr. Moeller, Bisschop van Groningen.

Adrianus J. Mgr. Simonis, Bisschop van Rotterdam.

Johannes B. M. Mgr. Gijsen, Bisschop van Roermond.

— Dom P. van den Biesen O.S.B., Prior van St. Willibrord, Slangenburg (Doetinchem).

— Don A. van Luyn S.D.B., Provinciaal van de Salesianen van de H. Joannes Bosco.

Bovenstaande Besluiten hebben de instemming van de Vaders van de Bijzondere Synode van de Bisschoppen in Nederland. Krachtens de apostolische volmacht mij door Christus verleend, keur ik deze goed en ik geef opdracht dat hetgeen door de Synode werd vastgesteld, tot Gods glorie uitgevaardigd wordt.

Rome, in de Sixtijnse kapel, bij Sint-Pieters, 31 januari 1980.

 

IOANNES PAULUS PP. II


* A.A.S., vol. LXXII (1980), n. 2, pp. 235-250.

 

 

© Copyright 1980 - Libreria Editrice Vaticana

 

top