The Holy See
back up
Search
riga

VIAGGIO APOSTOLICO NEI PAESI BASSI

DISCORSO DI GIOVANNI PAOLO II
ALLA CONFERENZA EPISCOPALE DEI PAESI BASSI
NEL CONVENTO DI NOSTRA SIGNORA DI TER EEM

Amersfoort
Martedì, 14 maggio 1985

 

Eerbiedwaardige broeders,

1. Nog altijd staan mij levendig de dagen voor de geest van de Bijzondere Synode, die gehouden werd in het begin van het jaar 1980 en van de ontmoeting, die ik vervolgens mocht hebben met het Nederlandse Episcopaat bij gelegenheid van het bezoek « ad limina ».

Met een hart vol broederlijke genegenheid kom ik nu in zekere zin die bezoeken beantwoorden. Met de heilige Paulus mag ik wel zeggen: Mijn hart « staat wijd voor u open: Gij zijt voorwaar niet door ons in het nauw gebracht »[1]. Ik ben er bovendien zeker van, dat ik kan rekenen op uw genegenheid jegens mij. Wij weten immers, dat wij een eensgezind college moeten vormen.

Krachtens de wonderlijke beschikking, waardoor wij onze onderscheiden bedieningen hebben ontvangen, weerspiegelt zich in ons het apostelcollege, dat rondom Petrus en onder zijn leiding verenigd was en waaraan de Heer Jezus het herderlijk bestuur van zijn kerk heeft willen toevertrouwen[2]. Moge Hij, die door de apostel Petrus « herder en behoeder van onze zielen »[3] en « opperherder »[4] genoemd wordt, deze uiting van warme en waarachtige collegialiteit vruchtbaar maken en zegenen.

2. Terwijl ik u groet met de betuiging van mijn eerbiedige en broederlijke hoogachting, gaan mijn gedachten aan het begin van dit onderhoud met u spontaan uit naar de twee grote bisschoppen, met wie de kerk in Nederland verbonden is door diepe en onverbrekelijke banden.

De eerste van deze uitmuntende mannen heette Servatius. Hij had het charisma van de kerkstichters, die de grond rijp maken voor het zaad en de fundamenten leggen voor het bouwwerk. Hij kwam van verre om zich in onbekende landstreken te wijden aan een zending, waarvan hij zich geen voorstelling kon maken.

Uit zijn bisschoppelijke dienst komt zo een aspect naar voren, dat, hoe dan ook, niet mag ontbreken in het dienstwerk van een bisschop: het besef gezonden te zijn, ofwel de volledige bereidheid om naar een werkterrein te gaan, dat men als het eigen arbeidsveld aanvaardt, ook al lijkt het een vreemd gebied te zijn, omdat het getekend is door secularisme en ontkerstening. Grote delen van Europa worden missiegebieden die van de bisschoppen een edelmoedige missionaire geest vragen. Zij mogen het zich niet gemakkelijk maken in de warmte van het bisschopshuis, maar moeten naar de mensen toe gaan om hun de Blijde Boodschap van het heil te brengen. Zo is het profiel van de herder, dat Servatius voorhoudt aan de bisschoppen van deze tijd.

Uit de biografische gegevens en uit betrouwbare historische be- richten rijst de figuur van deze herder op, verwikkeld in de harde strijd, welke in de Kerk ontbrand was door de ketterij van het arianisme. In de moeilijkste ogenblikken van de strijd voor het geloof bleef hij trouw aan de grote Athanasius. Hij herstelde zich snel van enige ogenblikken van aarzeling en van verminderde kracht en helderheid, en bevestigde zijn bereidheid om met volkomen duidelijkheid de leer van de Kerk te verkondigen en te verdedigen.

Is het niet waar, dat zijn getuigenis nog al zijn kracht heeft bewaard na ruim vijftienhonderd jaar vanaf de tijd, waarin Servatius leefde? Welke bisschop voelt niet, dat hij van hem moet leren om waakzaam, duidelijk en precies te zijn in het uiteenzetten en verdedigen van de geopenbaarde waarheid, waarvan de Kerk de behoedster is? En welke bisschop zal niet uit het voorbeeld van deze medebroeder uit vroegere tijden nieuwe moed willen putten voor het vervullen van de taak om het ware geloof ten volle en in heel zijn zuiverheid te verkondigen?

3. De andere figuur, die ons voor ogen staat, is die van Willibrordus, die bijna vier eeuwen na Servatius leefde. Ook hij kwam van verre, uít zijn geboorteland Northumbrië. Uit de abdij van Ripon, waarin hij « statim ablactatus » (volgens Alcuinus) als novice was ingetreden en uit het klooster van Ratmelsigi (Mellifont) in Ierland, waar hij gevormd was in de school van grote monniken als Egbertus. In de herfst van het jaar 690 ging hij als jong priester aan land in Friesland, het arbeidsveld, dat paus Sergius I aan hem en enige metgezellen had toevertrouwd om er het missiewerk te ontplooien. Juist vanwege zijn onvermoeibare arbeid stelde de Paus hem op 21 november 695 aan tot aartsbisschop van die uitgestrekte gebieden. Zonder ophouden reisde hij om te preken, te dopen en gemeenschappen te vormen. Hij trok door Friesland, Vlaanderen, de Kempen, Luxemburg, de Rijnoevers en Zeeland, en vestigde zijn bisschopszetel eerst in Antwerpen, toen in Utrecht en vervolgens te Echternach.

Het beeld, dat hij heeft nagelaten, is het beeld van een herder, wiens gehechtheid aan het monastieke leven — aan stilzwijgen, versterving en gebed — geen beletsel was, maar juist een stuwkracht voor een ijverige en onvermoeibare apostolische en pastorale activiteit.

Niet minder opvallende trekken van zijn activiteit zijn, zoals de biografen opgemerlct hebben:

— het vermogen om het eigen leven, de taal en het dienstwerk geheel af te stemmen op de omgeving en de mensen van Friesland, zonder ook maar iets af te doen aan de boodschap van het Evangelie, waarvan hij de verkondiger was, of te verhullen, dat hij leerling van Christus was;

— de ijver en openheid, waarmee hij zich wist te wenden, zowel tot de eenvoudigen en geringen, als tot de wijzen en machtigen;

— het organisatie-vermogen, waarmee hij gestalte wist te geven aan de kerk, waarvan hij de herder was (men schrijft aan hem de aanstelling van hulpbisschoppen toe, die hem moesten helpen bij zijn pastorale taak);

— de vaderlijke goedheid, die gepaard ging met gestrengheid in het persoonlijke leven; de onwrikbare toewijding aan de Stoel van Petrus;

— het samengaan van overleg, moed en vasthoudendheid bij de grate werken die hij ondernam voor de evangelisatie; deugden, die eigen moeten zijn aan een bestuurder.

Deze karaktertrekken bewaren ook nu nog heel hun actualiteit. Iedere bisschop is geroepen deze deugden voortdurend uit te drukken in zijn leven en werken. Gelukkig de herder, die ze in zijn eigen persoon weet na te volgen, consequent en zonder compromissen.

4. In het licht van het onvergankelijke voorbeeld van deze bis- schoppen en om als het ware enige vruchten te plukken van hun kwaliteiten als bisschop, komt het spontaan bij mij op die aspecten te onderstrepen, welke de opvolgers van Servatius en Willibrordus beschouwen als kenmerken van hun hedendaags bischopsambt.

Dit is voor alles dienst aan de gerneenschap, aan de communio. Het is niet toevallig, dat de documenten van het tweede Vaticaans Concilie zowel de herder van de Wereldkerk als de herders van de particuliere kerken definiëren op grond van hun oorspronkelijk charisma om tekenen en bouwers, bevorderaars en verdedigers, apostelen en borgen te zijn van de kerkelijke gemeenschap. Deze dienst der communio is een kostbare en onmisbare dienst, vooral als het erom gaat de eenheid op te bouwen en te bewaren temidden van conflicten en van de onrust van verdeeldheid en onenigheid.

De genoemde Bijzondere Synode van het jaar 1980 (negentienhonderd-tachtig) heeft aan ons allen de opdracht nagelaten die gemeenschappen op te bouwen. Gemeenschap van doelstellingen en programma's van de bisschoppen onderling. Communio van de bisschoppen met hun geestelijkheid en met de afzonderlijke priesters. Gemeenschap van de herders met hun gelovigen, die dikwijls verdeeld zijn, niet alleen door ideologische en politieke keuzen, maar ook door tegengestelde visies op de Kerk, door polarisatie en door elkaar uit te sluiten. Gemeenschap van de particuliere kerken met de zusterkerken binnen het geheel van de Wereldkerk, doordat men zich openstelt voor de verademing en de verruiming van het universele, dat wat al te klein is en beperkt blijft tot eigen ervaring, doorbreekt. En op dit niveau gemeenschap van de bisschoppen met de bisschop van Rome en met zijn petrinisch ambt ten dienste van an de particuliere kerken en de Wereldkerk.

5. Maar wij weten allen, dat de gemeenschap, die tot het wezen zelf van de Kerk behoort, slechts tot stand kan komen en kan bestaan en voortduren rondom bepaalde fundamentele werkelijkheden, die de concrete band van die gemeenschap vormen.

Deze realiteiten hebben hun centrum in één persoon: Jezus Christus, het eeuwige Woord, dat mens geworden is, de Zoon van God en de zoon van Maria. De gemeenschap in liefde wordt opgebouwd rondom Hem, rondom de Waarheid, die Hij is, en rondom de waarheid, die Hij verkondigt.

Daarom is iedere bisschop in zijn eigen kerk leraar, dienaar en getuige van Christus, die de Waarheid is. Hij voedt zijn kudde op tot het geloof, dat er in bestaat de waarheid van Christus aan te hangen.

Het gewichtige voorbeeld van Servatius en Willibrordus als verkondigers van het Evangelie in deze streken doet zeer duidelijk het « munus docendi » van iedere bisschop uitkomen; namelijk zijn plicht om steeds te denken en te handelen als eerste verantwoordelijke voor het Kerugma, dat wil zeggen voor de eerste en fundamentele verkondiging van Jezus, in een geseculariseerde beschaving, die Hem steeds meer miskent; ook voor de geloofsverdieping door middel van de prediking en de onderrichting op verschillende niveaus; verder voor een betrouwbare catechese, zowel wat de inhoud als wat de methode en de taal betreft. Eerste verantwoordelijke ten- slotte voor het theologische onderricht en derhalve voor het delicate ambt van de theologen in de seminaries, aan de universiteiten, in de instituten, de kloosters, enzovoorts.

6. Het leergezag van de waarheid moet overigens uitgeoefend worden onder de inspiratie en de stuwing van de liefde. Ook dit hebben de twee voortreffelijke herders, overvloedig aangetoond en geleerd.

Beiden hebben zij hun missionaire en pastorale activiteit verricht met voorbeeldige standvastigheid en trouw, temidden van onuitsprekelijke moeilijkheden en belemmeringen. Hun werk blijft een bewijs van een « dilexit in finem », dat geen ander doel had, dan broederlijke liefde en een gemeenschap van broederlijke liefde op te wekken.

Een zending, die de bisschop niet mag verwaarlozen, is « veritatem facere in cantate », zó te handelen, dat in alle christelijke gemeenschappen de liefde de « suprema lex » is, zodat de bijkomstige zaken, die verdelen, nooit de overhand hebben over de wezenlijke zaken, die verenigen. In dit licht tekenen zich in de meester de trekken af van de herder, die tevens als een vader is. De bisschop moet de taak, die hij bij zijn wijding op zich genomen heeft, zonder te zwichten en zonder compromissen vervullen. De kracht, waarmee hij de waarheid verkondigt, onderricht en verdedigt, moet getemperd worden door de « innige barmhartigheid », waarin hij zich een vader toont, die beschermt, en een herder, die de zijnen naar de « grazige weiden » leidt.

De bisschop vertoont duidelijk de trekken van een vader en een herder en niet alleen van een bestuurder of « manager »

— wanneer hij zijn kudde nabij is in al haar noden, vooral in haar behoefte aan God;

— wanneer hij met zijn kudde meetrekt, vóór haar uit, om de weg te wijzen en te waarschuwen voor gevaren, om haar te verdedigen tegen de wolven, om haar een gevoel van veiligheid te geven. Niet achter de kudde aan, alsof hij geleid, beschermd en verdedigd moest worden. Niet los van de kudde, alsof hij zich niet bekommerde om haar lot.

— De bisschop is herder en vader, wanneer hij duidelijk heel de verantwoordelijkheid op zich neemt van de functie, waarvoor hij gewijd is en door de Heilige Geest is aangesteld;

— wanneer hij zich uitsluitend laat leiden door de eeuwige Hogepriester Jezus;

— wanneer hij zich één voelt met de andere herders en bereid is gebruik te maken van de diensten van alle instanties, die hem kunnen helpen in het veeleisend dienstwerk, dat hem door de Heer en de Kerk is toevertrouwd, zonder evenwel afstand te doen van zijn geheel eigen verantwoordelijkheid:

— wanneer hij onder de verschillende wegen, die de Kerk biedt of die zijn ijver, zijn wijsheid en zijn creativiteit hem suggereren, de beste weg vindt om zo dicht mogelijk bij de mensen te zijn, aan wie hij als herder en vader gegeven is en die hij moet bezielen.

8. Tenslotte, hoe zou men kunnen zwijgen over een laatste trek, die zich aftekent in het lichtende beeld van de twee heilige bisschoppen, wier werk voor altijd verbonden blijft met de geschiedenis van de Kerk in deze natie?

Dit werk van diepgaande evangelisatie was bovenal gericht « ad dandam scientiam salutis » en ook « in remissionem peccatorum »[5]. Op twee verschillende ogenblikken van de geschiedenis zijn de twee grote bisschoppen gekomen van verre, om aan talrijke mensen in deze streken het onpeilbare mysterie van de goedheid en genade van de levende God te openbaren en om zo een gehel volk van gelovigen naar de heiligheid te voeren.

In de lijn van het onveranderlijke onderricht van de Kerk heeft het tweede Vaticaans Concilie ons eraan herinnerd, dat de taak om het volk te heiligen, welke de twee uitmuntende herders met grote ijver vervuld hebben, kenmerkend is voor iedere bisschop. Hij moet heiligen door het Woord, dat hij predikt, door de kracht van de sacramenten, die hij bedient, door de evangelische deugden, die hij doet groeien, door de liefdevolle gehoorzaamheid aan het Evangelie, die hij opwekt, door de geestelijke leiding, die hij biedt.

De bisschop moet zich bewust zijn van deze heiligende zending. Door zijn eigen arbeid en door het coördineren van het werk van zijn medewerkers moet hij al het mogelijke doen om allen, die de opperherder en hogepriester Jezus Christus aan zijn herderlijke zorgen toevertrouwt, te doen groeien in hun christelijke roeping.

9. Eerbiedwaardige en geliefde broeders, al wat ik u in deze ontmoeting heb willen zeggen, als uitdrukking van oprechte gemeenschap met u en met uw bisschopsambt, voert ons in gedachten terug naar het belangrijke moment in het leven van de Kerk in Nederland, dat de Bijzondere Synode is geweest. Ik aarzel niet te zeggen — en wie er bij tegenwoordig is geweest, kan het bevestigen — dat het een moment is geweest van genade, van communio, hoop en moed, van werkdadigheid en van besluiten. Voor u en voor uw gelovigen was het een voortzetting van de onmetelijke genade van het Concilie. Het is een plicht standvastig trouw te blijven aan deze genade. Het is niet alleen nodig de voorstellen en besluiten van de Synode uit te voeren, maar ook de geest te doen heersen, waardoor zij bezield werd en die blijft leven in de letter van de besluiten, waartoe men toen gekomen is U, die zelf tegenwoordig geweest bent op de Synode of uw voorgangers, hebt aan uw priesters en gelovigen geschreven: « Nu kunnen wij u de resultaten en conclusies meedelen, waartoe wij gezamenlijk gekomen zijn, en die werden aangenomen en bekrachtigd door de Paus. Zij zullen ons leiden bij de verwezenlijking van de opbouw en inrichting van de Kerk, als gemeenschap van Christus ».

De Bijzondere Synode was uitdrukking van echte collegialiteit. Zij vraagt, ja eist, norm en inspiratie te worden voor het leven, allereerst van hen, die door de Heilige Geest aangesteld zijn om de Kerk in dit land te besturen, en vervolgens van heel de kerkgemeenschap. Mogen dus de letter en de geest van de conclusies u aansporen om met vreugde en vurigheid de geduchte en verheven eisen te vervullen van uw zending als « doctores fidei », als geestelijke vaders, als herders en gidsen, als «perfectores» en heiligmakers voor zovelen, die openlijk en stilzwijgend (misschien zelfs zon der het te beseffen) van u krachtige hulp verwachten. Mogen de conclusies u aanmoedigen om dicht bij uw priesters te staan en om hen aan te sporen steeds meer trouw te zijn aan de eisen van hun zending in dit uur van de Kerk in Nederland. Mogen zij u aansporen en steunen in uw inzet en inspanning voor een krachtige bevordering van de priester- en kloosterroepingen, zodat Nederland weer een bloeiende en veelbelovende kweekplaats wordt voor priesters en religieuzen, ook ten dienste van de missie ad gentes. Mogen de conclusies ook een waardevolle gids zijn voor uw taak om talrijke leken te vormen, die in staat zijn te beantwoorden aan hun charisma om actief in de wereld aanwezig te zijn en de aardse werkelijkheden te bezielen met het levendmakende zuurdeeg van het Evangelie. Mogen zij tenslotte bij alle gelovigen de geest van gemeenschap en van openheid voor de Wereldkerk bewaren. Met deze wensen die ik toevertrouw aan de moederlijke voorspraak van Maria, zegen ik u allen van harte.


[1] 2 Cor. 6, 11 s.

[2] Cfr. Lumen Gentium, 20 et 22.

[3] 1 Petr. 2, 25.

[4] Ibid. 5, 4.

[5] Cfr. Luc. 1, 77.

 

© Copyright 1985 - Libreria Editrice Vaticana

 

top