The Holy See
back up
Search
riga

VIAGGIO APOSTOLICO NEI PAESI BASSI

INCONTRO DI GIOVANNI PAOLO II
CON LA COMUNIT
À UNIVERSITARIA DI LOVANIO

Lunedì, 20 maggio 1985

 

Mijnheer de Rector,
beste Professoren en studenten,
en gij allen, inwoners of vrienden van Leuven.

1. Van ganser harte dank ik de goddelijke Voorzienigheid, die mij vandaag de vreugde geeft de universitaire gemeenschap en de inwoners van Leuven te ontmoeten, alsook allen die zich vanavond bij hen gevoegd hebben. Ik groet ook de vertegenwoordigers van de andere katholieke universitaire instellingen van Vlaanderen: van Kortrijk, Hasselt en Antwerpen. Ik ben vergezeld van uw bisschoppen, die de hoge verantwoordelijkheid dragen voor de universiteit, en in het bijzonder van mijnheer de kardinaal Godfried Danneels, de Groot-Kanselier.

Ik ben bijzonder gelukkig die wereld van professoren en studenten terug te vinden waarin ikzel zoveel verrijkende momenten heb beleefd, meer speciaal aan de universiteiten van Krakau en van Lublin, waarvan gij de nauwe banden met deze universiteit van Leuven, in treffende bewoordingen, in herinnering hebt gebracht. Graag laat ik u ook delen in mijn overtuiging dat gij u op de voorposten bevindt waar het geloof en de cultuur elkaar ontmoeten.

De verhoudingen tussen het geloof en de cultuur vormen dan ook het hoofdthema van wat ik hier wilde naar voren brengen. De dialoog van de Kerk met de culturen van onze tijd is immers een levensbelangrijke onderneming, waarvan de inzet aanzienlijk is voor het lot van de Kerk en de wereld op het einde van de twintigste eeuw. In die zin, zijt gij er allen in betrokken, te meer omdat gij in Leuven woont, in straten en wijken waar overal gebouwen oprijzen van de universiteit. Gij leeft tussen de studenten, tussen de jeugd, en, misschien ook, midden hun onstuimigheid! Gij vertegenwoordigt vooral de gehele gemeenschap van de mensen in wiens dienst de universiteit zich wil stellen. Bovendien is de cultuur niet enkel de zaak van de wetenschapsmensen, zoals ze zich ook niet moet opsluiten in musea. Ik zou zeggen dat de cultuur de woning is van de mens, dat wat heel zijn levenswijze en gedrag kenmerkt, zelfs zijn huisvesting en kledij. Dc cultuur wordt bepaald door wat de mens schoon vindt, door zijn opvattingen over het leven en de dood, over de liefde, het gezin, de inzet, over de natuur, zijn persoonlijk bestaan, over het gemeenschapsleven en over God.

Deze avond echter zal ik de cultuur benaderen op het niveau van haar diepste dynamiek, van haar voornaamste vragen, op het vlak van het bewustzijn dat de mensen er van hebben en op dat van het wetenschappelijk onderzoek, dat de glorie uitmaakt van de menselijke geest.

Morgen, in Louvain-la-Neuve, zal ik het uitdrukkelijk hebben over de eigen kenmerken van de katholieke universiteit. De twee thema's vullen elkaar aan en betreffen natuurlijk zowel de ene als de andere universiteit.

2. Goede vrienden van deze Leuvense universiteit, zoals u het terecht hebt onderstreept, zijt gij de erfgenamen van een lange universitaire traditie waarover gij fier moogt zijn. Uw universiteit kan zich haar stichtingsakte herinneren, nu reeds ongeveer vijf en een halve eeuw geleden. U hebt in herinnering geroepen hoe mijn voorganger, Martinus V het ontwerp had uitgewerkt en de grote doelstellingen ervan had vastgelegd. Het aanvankelijk bescheiden « Studium generale » met twaalf professoren en drie faculteiten — die van de « artes », de rechten en de geneeskunde — zou weldra uitgroeien tot de Katholieke Universiteit van Leuven. Deze universiteit heeft op ononderbroken wijze haar roeping vervuld door als levende cel in de Kerk, als hoogstaand centrum van onderzoek en als haard van culturele uitstraling, bevoegde verantwoordelijken voor te bereiden op hun dienst in de maatschappij en de Kerk, en dit in talrijke streken. Gij zijt dus de dragers van een toekomst die vruchtbaar zal zijn in de mate van uw trouw en van uw creativiteit.

Het geloof is bron van cultuur en in de cultuur bloeit het geloof open. Gij deelt ongetwijfeld in die intuïtie die er mij toe gebracht heeft een Pauselijke Raad voor de Cultuur in het leven te roepen: «De synthese tussen cultuur en geloof is niet alleen een eis van de cultuur maar ook van het geloof. Een geloof dat geen cultuur wordt, is een geloof dat niet in zijn volheid ontvangen wordt, niet geheel en al doordacht is en niet met trouw beleefd wordt »[1].

Heel de levende traditie van de Kerk leert ons dat het geloof zoekt te begrijpen en het verstand zoekt te geloven. De nood aan inzicht en de nood aan geloof zijn beide diep geworteld in het hart van de mens. Daarom staat de Kerk aan de wieg van de universiteiten. Zij is er diep van overtuigd dat het zoeken naar waarheid, zo eigen aan de menselijke geest, niet wordt tegengewerkt door het ontvangen van de volle Waarheid, maar er uiteindelijk geweldig door gestimuleerd wordt. Zoals ik het op 1 juni 1980 reeds zei tot de studenten van het « Institut Catholique » van Parijs, stellen de katholieke universiteiten u in staat « om in uw intellectueel werk, op een existentiële wijze twee verkelijkheidsniveaus te verenigen, die men al te dikwijls tegenover elkaar stelt alsof ze antithetisch waren; met name, het zoeken naar waarheid en de zekerheid reeds de bron van de waarheid te kennen ».

3. Deze overtuiging, eigen aan de katholieke universiteiten, sluit hen zeker niet op in een onverzoenlijke, onverdraagzame en ontoegankelijke houding binnen de dialoog met personen die een andere levensbeschouwing hebben. Reeds door uw professionele en wetenschappelijke competentie beschikt gij over een ruim gspreksterrein in uw contacten met iedere man of vrouw van goede wil die het welzijn van de mens en de voortuitgang van de cultuur zoekt te dienen. Bovendien kunt gij in uw midden studenten ontvangen die niet noodzakelijk uw geloofsovertuiging delen. Zij zullen er zich rekenschap van geven dat ze in de door u gedoceerde disciplines de best mogelijke vorming ontvangen. Maar laten we daaraan toevoegen dat in de schoot van een levendige, katholieke universiteit, de gelovige professoren en studenten als het ware instinctief — of beter gezegd, door een speciale genade — hun kennis en onderzoek leren plaatsen in een perspectief dat zich openstelt voor geheel de waarheid en voor het volle geloof dat door de Kerk van Christus onderwezen wordt. Zo is de levende en vruchtbare symbiose tussen het geloof en de cultuur geen dode abstractie maar een bestaan dat getuigt van een overweldigende vitaliteit. Dan staat het mysterie van het geloof in het hart van het dagelijks leven, in het hart van het onderzoek, van het onderwijs, van het werk en van het vreugdevol broederlijk samenleven. De universitaire gemeenschap moet inderdaad, in de daden van iedere dag, op een existentiële wijze, haar geloof weten te incarneren in haar cultuur. Sterke tijden van bezinning en gebed voor de viering van de grondslagen van haar geloof, hoop en liefde, zullen daar een voorname rol in spelen. Wanneer de gelegenheid zich voordoet, weet dan steeds getuigenis af te leggen van de hoop die uw werk bezielt, in eerbied voor de opvattingen van anderen maar zonder ooit uw geloof te verbergen. Zo kunnen uw collega's en de mensen uit andere culturele middens op het spoor komen van de laatste motivaties die u in staat stellen aan uw onderwijs en onderzoek deze toemaat aan bezieling te geven, dit hoger licht dat uit het Evangelie oprijst.

Dit alles nochtans zonder ooit de rechtmatige autonomie van uw onderzoeksmethodes in vraag te stellen waarover het Concilie heeft gesproken[2], en waarvoor ook ik reeds be

4. We dienen inderdaad twee doelstellingen voor ogen te houden, die onderscheiden zijn maar tevens in éénzelfde richting wijzen. Enerzijds moet men uitmunten in de vooruitgang van de natuur — en menswetenschappen, maar terzelfdertijd mag men nooit nalaten het erfgoed van het theologisch onderricht uit te diepen, als bijdrage tot het welzijn van de hedendaagse mensen. Elke discipline heeft eigen methodes en eisen alsook eigen voorwaarden waaraan haar vooruitgang gebonden is.

De theologie, van haar kant, hoort per definitie thuis binnen de geloofsschat zoals die door het kerkelijk leergezag wordt doorgegeven, bewaard en verklaard, zowel wat het dogma betreft als de christelijke, ethische implicaties.

Het strekt het theologisch onderzoek en onderricht tot eer de verantwoordelijkheid op zich te nemen om, binnen de Kerk en in dienst van de Kerk, in te staan voor het uitdiepen van de leer. Daardoor gesteund, zullen de komende generaties het katholieke geloof authentiek kunnen beleven, in de culturele context die hen eigen is, en midden tal van nieuwe vragen die aan hun geweten gesteld worden. Deze dienst van de theologie kan voor katholieke professoren een hulp zijn om moeilijke situaties te doorleven, tegelijk trouw aan hun eerlijk onderzoek én aan de Kerk.

Hun rol bestaat er juist in duidelijk te maken dat er tussen die twee geen tegenstelling bestaat.

De Kerk rekent op u om dit op alle domeinen in het licht te stellen. Het leergezag rekent vooral op uw hulp in het beantwoorden van de grote ethische vragen van onze tijd. Dit in overeenstemming met de normen die vervat liggen in het erfgoed van het geloof en van de katholieke moraal, en tevens zoekend naar de diepere redenen die van aard zijn onze tijdgenoten tot meer klaarheid te brengen en hen te overtuigen. In het verleden heeft uw universiteit op dit vlak grote naam gemaakt. « Adel verplicht ».

Ja, op de beste momenten in haar geschiedenis is uw universiteit erin geslaagd de profane wetenschappen en de religieuze disciplines in gelijke mate te doen opgang maken, steeds er op bedacht bruggen te slaan en verbanden te leggen. Dit laatste verleent aan een katholieke universiteit juist een eigen gelaat. Dit ideaal vereist een waakzame houding in geheel de instelling, bij allen die erin werken. Zonder ophouden moet een katholieke universiteit voor zichzelf herhalen en publiek verkondigen — zij het op een bescheiden wijze, maar toch niet zonder fierheid — dat zij het menselijk weten wil dienen in het licht van het Evangelie van Jezus Christus. Slechts in geloof, gebed en edelmoedige inzet — die een vorm van liefde is — kan een katholieke universiteit als de uwe trouw blijven aan haar wezen. Heden ten dage, bestaat één van de mooiste vormen van liefde erin samen de waarheid en de vrijheid te dienen.

5. Goede vrienden, het avontuur waartoe de Kerk u door mijn woorden oproept is schoon en edel: weest in onze tijd mannen en vrouwen van cultuur en van geloof! Om haar twijfels, bekoringen en zwakheden te boven te komen heeft onze moderne maatschappij — die bedreigingen van ontbinding in zich draagt — meer dan ooit nood aan mannen en vrouwen die voldoende gewapend zijn om alle uitdagingen van het ogenblik aan te kunnen.

Door uw kennis te ontwikkelen, door uw cultuur tot bloei te brengen, door uw geloof te verdiepen en uw overtuigingen te verstevingen, bereidt gij u voor om die krachtige getuigen te zijn van de waarheid en de liefde, waar onze tijd om vraagt.

We beleven immers een tijd waarin de mens, midden een anonieme massa, alleen staat en niet meer weet wat het betekent te leven, te beminnen, te lijden n te sterven. Wat is de mens? Op die vraag dient een antwoord gegeven te worden. De uitdaging van het praktisch materialisme, van de religieuze onverschilligheid en van het afbrekend scepticisme, mag men niet uit de weg gaan. Ja, wat is de mens, steeds heen en weer geslingerd tussen zijn oneindige verlangens en de eindigheid van zijn genot, tussen zijn hardnekking zoeken naar waarheid en het stukwerk van zijn kennen? Zelfs degenen die aan God twijfelen — en er ook vlug toe komen aan de mens te twijfelen — voelen heden ten dage, min of meer bewust, de noodzaak aan om de eerbied voor de mens te funderen en te garanderen:

de eerbied voor het leven in al de stadia van zijn ontwikkeling;
de eerbied voor de liefdesrelaties;
de eerbied voor de vrijheid van de mens, voor zijn overtuigingen en zijn geweten.

Moet de katholieke universiteit geen bijdrage leveren in het beantwoorden van deze fundamentele vragen over de mens, en dit met de ernst die door de zwaarte van de problemen vereist wordt?

6. Beste professoren, wetenschappelijke navorsers en studenten van de Katholieke Universiteit van Leuven, als de mens een vraag is, dan is Christus een antwoord. Al is het leven problematisch, toch is het geen ondoordringbaar raadsel maar een verrukkelijk liefdesmysterie. Door zijn leven en sterven, die doordrongen waren van oneindige liefde, heeft Christus, de Zoon van de Maagd Maria, de diepste aspecten van ons bestaan in een nieuw daglicht gesteld. Christus, één van de miljarden mensen, en toch de Enige!

In uw studies ontdekt gij de ontzaglijke rijkdom van het menselijk weten, de onvermoede overvloed van de schepping — van de allergrootste tot de allerkleinste schepselen —, de luister van het heelal en de wonderen van het leven. Leert terzelfdertijd de Schepper van alle leven te bedanken. Tracht weer de organische en fundamentele band op het spoor te komen tussen de cultus en de cultuur. Die band is steeds het hart geweest van de rijkste beschavingen.

7. Beste professoren, beste verantwoordelijken van de universitaire parochie, ik nodig u van harte uit om in de schoot van de universiteit een pastoraal van het intellect tot ontwikkeling te brengen. Deze pastoraal richt zich tegelijkertijd tot alle jongeren die zich in vertrouwen tot u hebben gewend en tot alle sectoren van het christelijk denken, in zijn intellectueel streven naar de hoogste cultuur. Vergeet nooit dat het meest verheven niveau van onderzoek de grootste spirituele diepgang vergt. Tracht uw wijsheid van denken en leven uit te werken in een vernieuwde cultuur. Geloof en cultuur komen beide voort uit de oneindige rijkdom van het Goddelijk Woord, dat er tegelijk de reden van is en de zin, de bron en de volheid. Ik roep u allen op tot een hernieuwd Verbond met de eeuwige Wijsheid, en tot de wondervolle ontdekking van het heelal, dat inzichtelijk is omdat het de weerspiegeling is van een Intellect en het werk is van een Liefde.

8. Maar naast dit sterk contemplatief en intellectueel perspectief denk ik ook aan andere pastorale inspanningen die tegemoetkomen aangepast is aan hun zoekend geloof, hun menselijke problemen en hun mogelijkheden tot gebed en sacramenteel leven. Het is een pastoraal die aandacht heft voor hun nood aan vriendschap, om samen lief en leed te delen, en voor de vele vormen van hun engagement in dienst van de kerkgemeenschap of van de noden in de samenleving, die hen omringt. De studente, die in uw naam het woord voerde, heft over deze initiativen gesproken. Ze zijn des te noodzakelijker nu een belangrijk aantal van uw kameraden, die aan de universiteit studeren, zich wat vreemd voelen tegenover het geloof en de Kerk. Mochten zij de gelegenheid vinden om het geloof en de Kerk echt te ontdekken! Dit hangt ook van u af. Wij zijn allen verantwoordelijk voor de gebreken van onze Kerk maar ook voor haar getuigenis en dynamiek. We dienen de Kerk een warm hart toe te dragen; zij is immers door de wil van de Heer sacrament van het hail.

9. Tenslotte, beste studenten, zijt gij aan deze universiteit alleen maar op doortocht. Gij zijt immers geroepen, om in dienst van de Kerk en van het maatschappelijk leven in uw land, menigvuldige professionele taken te vervullen en tal van engagementen te behartigen, met de grote bevoegheid en de onbaatzuchtig toewijding die ze vereisen. Met een beroep op de woorden van Mijnheer de rector en op wat ikzelf heb opgemerkt, denk ik met vreugde en dankbaarheid aan alle oud-studenten van Leuven. Zij hebben in dit land vele verantwoordelijkheden op zich genomen, tot welzijn van hun landgenoten. Tevens denk ik aan alle buitenlandse studenten die de vorming die ze hier hebben genoten, in de verschillende disciplines, ten nutte hebben weten te maken voor hun land en in de internationale instanties. Mochten zij zich overal weten in te zetten voor de vrede, de gerechtigheid, de economische en sociale vooruitgang, voor de filosofische bezinning, de totale ontplooiing van de mens en voor de evangelisatie!

Among the numerous students from abroad, I do not wish to omit a greeting to the English-speaking group, and in particular to the seminarians and priests of the North American College.

Dear friends:

I offer you my best wishes for your studies, at this renowned University, in this hospitable country, and also my best wishes for your future, both professional and religious, in your respective lands.

10. En nu richt ik mij in het bijzonder tot u, geliefde christenen van Leuven en tot u allen, vrienden die van dichtbij of van veraf naar hier zijt gekomen. De boodschap die ik speciaal gericht heb tot de universitaire gemeenschap van deze stad, richt ik ook tot ieder van u. Iedere mens, ieder volk is geroepen om de liefde van de Heer te beantwoorden met zijn eigen kwaliteiten, talenten en mogelijkheden. Zo wordt de universele christelijke roeping op een bijzondere wijze «vlees en bloed» in onze persoonlijke cultuur en in die van ons volk. Trouw aan de beste talenten van ons hart en van de mensegemeenschap waartoe wij behoren, kunnen wij een specifiek aspect van de rijkdom van de christelijke boodschap in het licht stellen.

Bovendien is het christelijk geloof van die aard dat het ons menselijk leven tot volle bloei brengt. Als wij ons hart openen voor de liefde van God dan ontvangen wij de gaven van de Heilige Geest, de vrede, de vreugde, de vrijheid en de liefde. Zo worden wij gesterkt om ons leven nog meer uit te bouwen in dienst van onze medemensen. En bet is juist in deze gave van onszelf dat wij het waarachtige leven vinden. Het christelijk geloof is dus een eminente vorm van humanisme. Deze cultuur van het Evangelie bloeit vooral open in uw christengemeenschappen. Tracht deze cultuur te beleven en door te geven in uw gezinnen door het gezamenlijk gebed en een evangelische levensstijl. Verwezenlijk deze eenheid van hart en geest in uw parochiegemeenschappen, vooral tijdens de eucharistieviering van iedere zondag.

In zo'n gemeenschappen zullen de roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven spontaan ontluiken. En gij weet hoezeer uw streek, het zo diep christelijke Vlaams Brabant, nood heeft aan jonge priesters en religieuzen om uw gemeenschappen te bezielen!

Ik bid de Heer opdat zijn vreugde in u volkomen moge zijn.

En in zijn Naam schenk ik u mijn Apostolische Zegen.


 [1] Ioannis Pauli PP. II, Epistola ad Em. mum Augustinum Casaroli missa qua Ponticium Consilium pro hominum Cultura instituitur, 20 maii 1982: Insegnamenti di Giovanni Paolo II, V, 2 [1982] 1777.
[2] Cfr. Gaudium et Spes, 36.

 

© Copyright 1985 - Libreria Editrice Vaticana

 

top