The Holy See
back up
Search
riga

DISCORSO DI GIOVANNI PAOLO II
AD UN GRUPPO DI GIOVANI STUDENTI DEL BELGIO

Venerdì, 8 aprile 1988

 

De jaarlijkse ontmoeting met de jongeren die dellnemen aan de paasbedevaart, welke georganiseerd wordt door het Sint-Hubertuscollege in Neerpelt, is een karakteristiek en traditioneel moment geworden in het geheel van de vieringen rondom het Paasfeest en het is voor mij een echte vreugde om ook dit jaar weer zovele leerlingen en leraren van verschillende onderwijsinstituten uit Vlaams België te kunnen ontvangen.

Jullie zijn met name ook naar Rome gekomen om de opvolger van Petrus te ontmoeten, de opvolger van hem die tot Jezus gezegd heeft: «Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven »[1]. Jezus heeft niet alleen woorden van eeuwig leven gesproken. Hij is zelf het Woord van eeuwig leven, het Woord dat God de Vader van eeuwigheid uitspreekt en dat, toen de volheid van de tijd gekomen was, mens is geworden. Zo, als Woord van eeuwig leven, openbaart Hij God en tegelijk de mens: «Christus... maakt juist door de openbaring van het mysterie van de Vader... de mens voor zichzelf duidelijk en geeft hem inzicht in zijn hoge roeping », heeft het tweede Vaticaans Concilie verklaard[2]. «Hij die bestond in goddelijke majesteit... is aan de mensen gelijk geworden... Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven »[3]. Zo heeft Christus dus de mens voor zichzelf duidelijk gemaakt: door lijden en kruis heen naar de verheffing.

Jullie zijn jonge mensen, de lente van de maatschappij en de kerk. Door studie en op andere wijzen bereiden jullie je voor op je toekomstige functie in de maatschappij. Daarnaar gaan jullie hoop en verwachtingen uit. Door zijn menswording heeft Christus duidelijk gemaakt dat dit goed en waardevol is. Maar door zijn lijden en dood heeft Hij ook duidelijk gemaakt dat het relatief is. De menselijke hoop en verwachtingen mogen niet opgesloten blijven binnen het aardse leven, maar moeten de grenzen daarvan overschrijden en zich richten op het eeuwige leven. En hoe de mens zich daarop moet voorbereiden heeft Jezus met woorden aangegeven, zoals: « Gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ge elkaar liefhebben »[4]. Meer nog heeft Hij het aangegeven door zijn leven, door zijn lijden en dood: « Geen groter liefde kan iemand hebben, dan deze dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden »[5].

Dierbare jonge mensen, moge jullie voorbereiding op het leven als volwassene in de maatschappij niet alleen maar een inspanning zijn om in de toekomst een zo aangenaam mogelijke positie te verwerven, maar moge het vooral een inzet zijn om later zo goed mogelijk dienstbaar te kunnen zijn aan de naasten, vooral aan de meest behoeftigen, aan de lijdende medemensen, naar het voorbeeld van Christus, die zijn leven gegeven heeft voor zijn vrienden. En ook naar het voorbeeld van zijn Moeder Maria, die «op de pelgrimstocht van het geloof is voortgegaan en de vereniging met haar Zoon standvastig volgehouden heeft tot onder het kruis »[6].G Juist daarom heeft God ook haar verheven en met ziel en lichaam in zijn hemelse heerlijheid opgenomen. Moge de leidraad voor jullie leven zijn wat zij op de bruiloft van Kana aanbevolen heeft: «Doet maar wat Hij (Jezus) u zeggen zal »[7].


[1] Io. 6, 68.

[2] Gaudium et Spes, 22.

[3] Phil. 2, 6-9.

[4] Io. 13, 34.

[5] Ibid. 15, 13.

[6] Lumen Gentium, 58.

[7] Io. 2, 5.

 

© Copyright 1988 - Libreria Editrice Vaticana

 

top