The Holy See
back up
Search
riga

INTERNATIONALE THEOLOGISCHE COMMISSIE

SENSUS FIDEIIN HET LEVEN VAN DE KERK

 

Noot vooraf

In haar quinquennium van 2009-2014 bestudeerde de Internationale Theologische Commissie de aard van de sensus fidei en zijn plaats in het leven van de Kerk. De werkzaamheden vonden plaats in een subcommissie voorgezeten door Mgr. Paul McPartlan (Washington Catholic University). Leden van de subcommissie waren: Serge-Thomas Bonino, O.P. (Frankrijk), secretaris-gneraal van de ITC, Sara Butler, M.S.B.T. (Verenigde Staten van Amerika), Antonio Castellano, S.D.B. (Italië), Adelbert Denaux (België), Mgr. Tomislav Ivanĉić (Kroatië), Mgr. Jan Liesen, bisschop van Breda (Nederland),  Léonard Santedi Kinkupu (Congo), Thomas Söding (Duitsland), Jerzy Szymik (Polen). Het ging om dezelfde subcommissie die in december 2011 de tekst Theology Today had afgerond, en die toen de opdracht kreeg om de nummers 33-36 van dit laatstgenoemde document verder uit te diepen in een nieuw document.

De algemene discussies over dit thema werden gehouden in tal van vergaderingen van de subcommissie tussen 2011 en 2014 en tijdens de twee zittingen van de zelfde Internationale Theologische Commissie gehouden in Rome in 2012 en 2013. De tekst “Sensus fidei in het leven van de Kerk” werd in forma specifica goedgekeurd door de meerderheid van de leden van de commissie, door een schriftelijke stemming (in mei 2014), en werd vervolgens aangeboden aan haar voorzitter, kardinaal Gerhard L. Müller, prefect van de Congregatie voor Geloofsleer, die opdracht gaf tot publicatie (in juni 2014).

Inhoudsopgave

Inleiding

Hoofdstuk 1 - De sensus fidei in Schrift en Traditie

 

1. Wat de Bijbel leert

a) Geloof als antwoord op Gods Woord
b) De persoonlijke en de kerkelijke dimensie van het geloof
c) Het vermogen van gelovigen om de waarheid te kennen en er getuigenis van af te leggen

2. De ontwikkeling van dit begrip, en de functie ervan in de geschiedenis van de Kerk

a) De periode van de patristiek
b) De periode van de middeleeuwen
c) De Reformatie en de periode na de Reformatie
d) De 19e eeuw
e) De 20e eeuw

Hoofdstuk 2 - De sensus fidei fidelis in het persoonlijke leven van de gelovige

1. De sensus fidei als een geloofsaanvoelen
2. Uitingen van de sensus fidei in het persoonlijke leven van gelovigen

Hoofdstuk 3 - De sensus fidei fidelium in het leven van de Kerk

1. De sensus fidei en de ontwikkeling van de christelijke leer en praktijk

a) Retrospectieve en prospectieve aspecten van de sensus fidei
b) De bijdrage van de leken aan de sensus fidelium

2. De sensus fidei en het leergezag

a) Het leergezag luistert naar de sensus fidelium
b) Het leergezag voedt, onderscheidt en beoordeelt de sensus fidelium
c) Receptie

3. De sensus fidei en de theologie

a) Theologen zijn afhankelijk van de sensus fidelium
b) Theologen denken na over de sensus fidelium

4. Oecumenische aspecten van de sensus fidei

Hoofdstuk 4 - Hoe authentieke manifestaties van de sensus fidei te onderscheiden

1. Geesteshoudingen die nodig zijn voor authentieke participatie in de sensus fidei

a) Deelnemen in het kerkelijke leven
b) Luisteren naar het woord van God
c) Openstaan voor de rede
d) Aanhankelijk aan het leergezag
e) Heiligheid - nederigheid, vrijheid en vreugde
f) De wil om de Kerk op te bouwen

2. Toepassingen

a) De sensus fidei en volksreligiositeit
b) De sensus fidei en de publieke opinie
c) Manieren om de gelovigen te raadplegen

 

Besluit

 

Inleiding

1. Omdat de Heilige Geest hun geschonken is, ‘de Geest der waarheid, die van de Vader komt’ en die getuigenis aflegt over de Zoon (Joh 15,26), hebben alle gedoopten deel aan het profetische ambt van Jezus Christus, ‘de getrouwe en waarachtige getuige’ (Apk 3,14). Zij moeten over het Evangelie en over het geloof van de Apostelen getuigenis afleggen in de Kerk en in de wereld. Zij worden gezalfd door de Heilige Geest, die hen toerust voor deze hoge roeping, en die hen zeer persoonlijk en innig vertrouwd maakt met het geloof van de Kerk. In de eerste Brief van Johannes wordt aan de gelovigen gezegd: ‘Ook u bent gezalfd door de Heilige, u allen bezit kennis’, ‘de zalving die u van Hem ontvangen hebt blijft u bij, u hebt geen andere leraar nodig’, ‘alles wat zijn zalving u leert, is waar’ (1Joh 2,20.27).

2. Dientengevolge beschikken de gelovigen over een aanvoelen van de waarheid van het Evangelie. Dat stelt hen in staat te onderkennen en te beamen wat authentiek christelijke leer en levenspraktijk is, en af te wijzen wat in dat opzicht niet deugt. Dat bovennatuurlijke aanvoelen, dat intrinsiek samenhangt met het geloof dat in de gemeenschap van de Kerk ontvangen wordt, heet de sensus fidei en stelt christenen in staat hun profetische roeping na te leven. In zijn eerste toespraak bij het Angelus haalde Paus Franciscus de woorden aan van een eenvoudige oudere vrouw die hij eens ontmoette: ‘Als de Heer niet alles vergaf, zou de wereld helemaal niet bestaan’; en hij voegde daar met bewondering aan toe: ‘Dat is wijsheid die van de Heilige Geest komt’.[1] Het inzicht van de vrouw is een treffend voorbeeld van de sensus fidei; die maakt een zekere mate van onderscheid in geloofskwesties mogelijk, voedt echte wijsheid, en leidt, zoals in dit geval, tot verkondiging van de waarheid. De sensus fidei is dus een levensechte bron voor de nieuwe evangelisatie die de Kerk zichzelf als ernstige opdracht gesteld heeft in deze tijd.[2]

3. Het theologische concept van de sensus fidei heeft betrekking op twee onderscheiden maar nauw samenhangende werkelijkheden, namelijk enerzijds de Kerk, die ‘pijler en grondslag van de waarheid’ is (1Tim 3,15)[3], en anderzijds de individuele gelovige, die tot de Kerk behoort dankzij de initiatiesacramenten en die, met name door het regelmatige vieren van de Eucharistie, deelneemt aan het geloof en het leven van de Kerk. Enerzijds verwijst de sensus fidei naar het persoonlijke vermogen van de gelovige om, binnen de gemeenschap van de Kerk, de geloofswaarheid te onderscheiden. Anderzijds verwijst de sensus fidei naar een sociale en kerkelijke werkelijkheid: het geloofsaanvoelen van de Kerk zelf, dat haar in staat stelt haar Heer te herkennen en zijn woord te verkondigen. Sensus fidei in deze betekenis is zichtbaar wanneer de gelovigen convergeren in een levende beaming van een gelovig leerstuk of een element van de christelijke praxis. Deze convergentie (consensus) speelt in de Kerk een vitale rol: de consensus fidelium  is een betrouwbaar criterium wanneer bepaald moet worden of een leerstuk of praktijk tot het geloof  van de Apostelen behoort.[4] In het document dat hier volgt gebruiken wij de term sensus fidei fidelis wanneer wij verwijzen naar het persoonlijke vermogen van de gelovige om tot een juiste onderscheiding te komen in geloofskwesties, en sensus fidei fidelium wanneer wij verwijzen naar het geloofsaanvoelen dat de Kerk zelf eigen is. Afhankelijk van de context verwijst sensus fidei ofwel naar de eerste, ofwel naar de tweede betekenis, en in het laatste geval wordt ook de uitdrukking sensus fidelium gebruikt.

4. Het belang van de sensus fidei in het leven van de Kerk werd sterk naar voren gehaald door het Tweede Vaticaans Concilie. Het concilie nam afstand van het karikaturale beeld van een actieve hiërarchie en een passief lekendom, en met name van de notie van een scherpe scheiding tussen de onderwijzende Kerk (Ecclesia docens) en de lerende Kerk (Ecclesia discens), en het leerde dat alle gelovigen op hun eigen manier delen in de drie ambten van Christus als profeet, priester en koning. Met name leerde het concilie dat Christus zijn profetische ambt niet alleen vervult door middel van de hiërarchie, maar ook door middel van de leken.

5. In de receptie en de toepassing van de leer van het concilie op dit punt komen evenwel veel vragen naar boven, met name wanneer het controverses betreft over een aantal leerstellige of morele kwesties. Wat is precies de sensus fidei, en hoe stel je die vast? Op welke Bijbelse bronnen kun je deze idee baseren, en hoe functioneert de sensus fidei in de overlevering van het geloof? Hoe verhoudt de sensus fidei zich tot het kerkelijke leergezag van paus en bisschoppen, en tot de theologie?[5] Onder welke voorwaarden kan de sensus fidei authentieke toepassing vinden? Is de sensus fidei iets anders dan wat de meerderheid van de gelovigen op een bepaald moment of in een bepaalde omgeving vindt, en zo ja, waarin ligt dan het verschil? Er moet een antwoord komen op al deze vragen, voor een vollediger begrip van de sensus fidei zelf, en voor meer vertrouwen in het gebruik van dit begrip in de Kerk van vandaag.

6. De voorliggende tekst wil de sensus fidei niet uitputtend behandelen, maar heeft een bescheiden doel: het verhelderen en verdiepen van enkele belangrijke aspecten van dit vitale begrip om een handvat te hebben voor de omgang met bepaalde kwesties, vooral voor het vaststellen van de  authentieke sensus fidei in geval van controverse, bijvoorbeeld bij spanningen tussen wat het leergezag voorhoudt en opvattingen die zeggen de sensus fidei weer te geven. Deze tekst zal daarom eerst kijken naar de Bijbelse bronnen voor de idee van de sensus fidei, en naar de manier waarop deze idee zich heeft ontwikkeld en gefunctioneerd heeft in de geschiedenis en de traditie van de Kerk (hoofdstuk 1). Vervolgens gaan we na wat de sensus fidei fidelis in wezen is, en hoe die zichtbaar wordt in het persoonlijke leven van de gelovige (hoofdstuk 2). Daarna reflecteert het document op de sensus fidei fidelium, dat wil zeggen, de ecclesiale vorm van de sensus fidei - eerst bekijken we hoe die functioneert in de ontwikkeling van de christelijke leer en praktijk, dan hoe die zich verhoudt tot respectievelijk het leergezag en de theologie, en vervolgens kijken we naar het belang ervan voor de oecumenische dialoog (hoofdstuk drie). Ten slotte probeert het document te beschrijven welke geesteshoudingen nodig zijn om op authentieke wijze in de sensus fidei te delen - de elementen daarvan vormen criteria om te beoordelen of er sprake is van ware sensus fidei - en reflecteert het op enkele toepassingen van de eigen bevindingen in het concrete kerkelijk leven (hoofdstuk vier).

Hoofdstuk 1 - De sensus fidei in Schrift en Traditie

7. De uitdrukking sensus fidei komt niet voor in de Schriften, en ook niet in de officiële leer van de Kerk tot aan Vaticanum II. Maar de idee dat de Kerk als geheel niet kan dwalen in haar geloof omdat zij het lichaam en de bruid van Christus is (zie 1Kor 12,27; Ef 4,12; 5,21-32; Apk 21,9), en omdat al haar leden een zalving hebben ontvangen die hen toerust (zie 1Joh 2,20.27), namelijk de gave van de Geest der waarheid (zie Joh 16,13), is overal waarneembaar vanaf het begin van het christendom. Dit hoofdstuk zal de ontwikkeling van deze idee langs hoofdlijnen weergeven, eerst in de Schrift en dan in de geschiedenis van de Kerk.

1. Wat de Bijbel leert

a. Geloof als antwoord op Gods Woord

8. In heel het Nieuwe Testament geeft de mens door te geloven een fundamenteel en beslissend antwoord op de Blijde Boodschap. Jezus verkondigt het Evangelie om mensen tot geloof te brengen: ‘De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! En geloof in de goede boodschap’ (Mc 1,15). Paulus herinnert de eerste christenen eraan, dat hij als apostel de dood en verrijzenis van Jezus Christus heeft verkondigd om hun geloof te vernieuwen en te verdiepen: ‘Broeders en zusters, ik wijs u nog eens op het Evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u hebt aanvaard, waarop u gegrondvest bent, en waardoor u ook gered wordt, tenminste als u zich houdt aan de bewoordingen waarin ik het u verkondigd heb; anders zou u het geloof zonder nadenken hebben aanvaard’ (1Kor 15,1-2). De manier waarop het Nieuwe Testament spreekt over geloof heeft zijn wortels in het Oude Testament, met name in het geloof van Abram, die zich geheel toevertrouwde aan Gods beloften (Gn 15,6; zie Rom 4,11.17). Dit geloof is een antwoord in vrijheid op de verkondiging van het woord van God, en als zodanig is het een gave van de Heilige Geest, geschonken aan wie waarlijk gelooft (zie 1Kor 12,3). De ‘geloofsgehoorzaamheid’ (Rom 1,5) komt voort uit Gods genade, God maakt mensen vrij en geeft hun een plaats in de Kerk (Gal 5,1.13).

9. Het Evangelie roept op tot geloof, omdat het niet alleen maar religieuze informatie doorgeeft, maar Gods woord en ‘een goddelijke kracht tot redding’ verkondigt die aanvaard moeten worden (Rom 1,16-17; zie Mt 11,15; Lc 7,22 [Js 26,19;29,18; 35,5-6; 61,1-11]). Het is de goede boodschap van Gods genade (Hnd 20,24), de ‘openbaring van het geheim’ van God (Rom 16,25), en het ‘woord van de waarheid’ (Ef 1,13). Het Evangelie gaat over iets wezenlijks:  de komst van Gods Koninkrijk, de verrijzenis en verheffing van de gekruisigde Jezus Christus, het geheim van redding en verheerlijking door God in de Heilige Geest. Het Evangelie heeft een sterke dragende oorsprong: Jezus zelf, het Woord van God, die zijn Apostelen en hun volgelingen uitzendt, en dit Evangelie drukt zich rechtstreeks uit in geïnspireerde en gezagvolle verkondiging in woord en daad. Het Evangelie behoeft een antwoord van de gehele persoon ‘met heel uw hart en met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht’ (Mc 12,31). Dat is het antwoord van het geloof, dat ‘de vaste grond is voor wat wij hopen, het bewijs van wat wij niet zien’ (Heb 11,1).

10. ‘“Geloof” is zowel een act van geloof of vertrouwen, als datgene wat men gelooft of belijdt, respectievelijk fides qua en fides quae. Beide aspecten werken onafscheidelijk tezamen, want vertrouwen betekent instemming met een boodschap die een verstaanbare inhoud heeft, en belijdenis kan niet alleen lippendienst zijn, maar moet uit het hart komen’.[6] Het Oude en Nieuwe Testament laten duidelijk zien dat vorm en inhoud van het geloof bijeen horen.

b. De persoonlijke en de kerkelijke dimensie van het geloof

11. De Schrift laat zien dat de persoonlijke dimensie van het geloof geïntegreerd is in de kerkelijke dimensie; voor de eerste persoon worden zowel enkelvouds- als meervoudsvormen gebruikt: ‘wij geloven’ (zie Gal 2,16) en ‘ik geloof’ (zie Gal 2,19-20). In zijn brieven beschouwt Paulus het geloof van gelovigen als een zowel persoonlijke als kerkelijke werkelijkheid. Hij leert dat ieder die belijdt dat ‘Jezus de Heer is’ onder invloed van de Heilige Geest staat (1Kor 12,3). De Geest neemt de individuele gelovige op in het lichaam van Christus en geeft hem of haar een eigen rol in de opbouw van de Kerk (zie 1Kor 12,4-27). In de brief aan de Efeziërs wordt het belijden van de ene en enige God verbonden met de werkelijkheid van een kerkelijk geloofsleven: ‘één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop, waarvoor Gods roeping borg staat’ (Ef 4,4-6).

12. Tot het geloof behoren, persoonlijk en kerkelijk gezien, de volgende, wezenlijke aspecten:

i) Geloof vraagt bekering. In de verkondiging door Israëls profeten en Johannes de Doper (zie Mc 1,4), alsook in de prediking van de Goede Boodschap door Jezus zelf (Mc 1,14v) en in de zending van de Apostelen (Hnd 2,38-42; 1Tes 1,9v) houdt bekering in: het belijden van de eigen zonden en het begin van een nieuw leven in de gemeenschap van Gods verbond (zie Rom 12,1v).

ii) Geloof manifesteert zich in en wordt gevoed door gebed en liturgie (leiturgia). Gebed kan verschillende vormen aannemen - vragen, smeken, prijzen, danken - en de geloofsbelijdenis is een speciale vorm van bidden.  Liturgisch gebed, en bij uitstek het vieren van de Eucharistie, was van meet af aan een wezenlijk onderdeel van het christelijke gemeenschapsleven (zie Hnd 2,42). Bidden gebeurt zowel in het openbaar (zie 1Kor 14) als in de binnenkamer (zie Mt 6,5). Jezus beschouwt het Onze Vader (Mt 6,9-13; Lc 11,1-4) als de kern van het geloof. Het is een ‘samenvatting van het hele geloof’.[7] Het is veelbetekenend dat de taal van het Onze Vader die van ‘wij’, ‘ons’ en ‘onze’ is.

iii) Geloof geeft kennis. Wie gelooft kan de waarheid van God onderkennen (zie Fil 3,10v). Die kennis ontspruit aan reflectie op de Godservaring, gebaseerd op de openbaring en gedeeld in de geloofsgemeenschap. Daarvan getuigt de wijsheidstheologie zowel in het Oude als het Nieuwe Testament (Ps 111,10; zie Spr 1,7; 9,10; Mt 11,27; Lc 10,22).

iv) Geloof zet aan tot belijdenis (marturia). Onder invloed van de Heilige Geest weten de gelovigen wie zij hun vertrouwen hebben geschonken (2Tim 1,12), en zijn zij in staat verantwoording af te leggen van de hoop die in hen leeft (zie 1Pe 3,15), dankzij de profetische en apostolische verkondiging van het Evangelie (zie Rom 10,9v). Zij doen dat als persoon, maar binnen de gemeenschap van gelovigen.

v) Geloof brengt vertrouwen mee. Vertrouwen op God betekent: je leven geheel baseren op Gods belofte. In Heb 11 wordt een groot aantal gelovigen uit het Oude Testament genoemd, die samen  een grote stoet vormen die door tijd en ruimte op weg is naar God in de hemel, onder leiding van Jezus, ‘leidsman en voltooier van ons geloof’ (Heb 12,2). Christenen zijn onderdeel van die stoet, zij hebben dezelfde hoop en overtuiging (Heb 11,1), en worden al  ‘door zo’n wolk van getuigen omgeven’ (Heb 12,1).

vi) Geloof leidt tot verantwoordelijkheid, en met name naastenliefde en dienstbaarheid (diakonia). De leerlingen zullen ‘aan hun vruchten’ gekend worden (Mt 7,20). De vruchten horen wezenlijk bij het geloof, omdat geloof voortkomt uit luisteren naar Gods woord en gehoorzaamheid vraagt aan zijn wil. Geloof dat de mens rechtvaardigt (Gal 2,16) is ‘geloof dat werkzaam is door de liefde’ (Gal 5,6; zie Jak 2,21-24). Liefde voor God wordt afgemeten aan de liefde die je betoont aan je broer en zus (1Joh 4,20).

c) Het vermogen van gelovigen om de waarheid te kennen en er getuigenis van af te leggen

13. In het boek Jeremia wordt een ‘nieuw verbond’ beloofd, een verbond dat inhoudt dat Gods woord eigen wordt aan de mens: ‘Ik schrijf mijn Wet in hun binnenste, Ik grif die in hun hart. Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn. Dan zal niemand meer zijn medeburger onderrichten, noch tegen zijn broeder zeggen: ‘Leer de Heer kennen’. Want iedereen, groot en klein, kent Mij al - godsspraak van de Heer. Ik vergeef hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden’ (Jr 31,33-34). Gods volk ondergaat een nieuwe schepping, het ontvangt een ‘nieuwe geest’ en kan daardoor de Wet kennen en in acht nemen (Ez 11,19-20). Deze belofte wordt vervuld in de dienende zending van Jezus en het leven van de Kerk middels de schenking van de Heilige Geest. Met name wordt de belofte vervuld in de viering van de Eucharistie, waar de gelovigen de beker ontvangen die ‘het nieuwe verbond’ is door het bloed van de Heer (Lc 22,20; 1Kor 11,25; zie Rom 11,27; Heb 8,6-12; 10,14-17).

14. In zijn afscheidsrede, in de context van het Laatste Avondmaal, heeft Jezus aan zijn leerlingen de ‘Helper’ beloofd, de Geest van de waarheid (Joh 14,16.26; 15,26; 16,7-14). De Geest zal hen de woorden van Jezus te binnen brengen (Joh 14,26), hen toerusten om van Gods woord getuigenis af te leggen (Joh 15,26-27), ‘het ongelijk van de wereld aantonen, en laten zien wat zonde, wat gerechtigheid en wat oordeel is’ (Joh 16,8), en de leerlingen leiden ‘naar de volle waarheid’ (Joh 16,13). Dat geschiedt dankzij de Heilige Geest, die geschonken wordt in het paasmysterie dat de christelijke gemeenschap viert, met name in de Eucharistie, totdat de Heer komt (zie 1Kor 11,26). De leerlingen bezitten een geïnspireerd aanvoelen van de altijd actuele waarheid van Gods woord, dat in Jezus mens geworden is, en van de betekenis ervan voor het leven van nu (zie 2Kor 6,2), en dat is wat het volk Gods, geleid door de Heilige Geest, ertoe drijft in de Kerk en in de wereld getuigenis af te leggen van zijn geloof.

15. Mozes wenste dat heel het volk van de Heer profeteerde en dat de Heer zijn geest op hen legde (Num 11,29). Zijn wens werd door de profeet Joël in een eschatologische belofte geformuleerd, en op Pinksteren verkondigt Petrus de vervulling van die belofte: ‘En het zal gebeuren in de laatste dagen, zegt God, dat Ik mijn Geest zal uitgieten over alle mensen; uw zonen en uw dochters zullen profeteren’ (Hnd 2,17; zie Joël 3,1). De Geest die beloofd was (zie Hnd 1,8) wordt uitgestort en stelt de gelovigen in staat te spreken ‘over de grote daden van God’ (Hnd 2,11).

16. In de eerste beschrijving van de gemeenschap van gelovigen in Jeruzalem komen vier elementen samen: ‘Ze wijdden zich trouw aan het onderwijs dat de Apostelen gaven, en aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed’ (Hnd 2,42). Als die vier elementen met overgave beoefend worden, is dat een krachtig apostolisch geloofsgetuigenis. Geloof zit vast aan het authentieke onderricht van de Apostelen, dat zelf het onderricht van Jezus in herinnering brengt (zie Lc 1,1-4); het geloof brengt gelovigen tot gemeenschap met elkaar; het vernieuwt zich door de ontmoeting met de Heer in het breken van het brood; en het wordt gevoed in het gebed.

17. Toen er in de kerk van Jeruzalem tussen de Hellenisten en de Hebreeën een conflict ontstond over de dagelijkse ondersteuning, riepen de twaalf ‘de hele groep leerlingen’ bij elkaar en deden een voorstel dat ‘bij de hele groep instemming vond’. De hele groep koos ‘zeven personen … die goed bekend staan, vol van de Geest en van wijsheid. … Ze droegen hen voor aan de Apostelen, en die legden hun na gebed de handen op’ (Hnd 6,1-6). Toen er in de kerk van Antiochië problemen ontstonden rond de besnijdenis en het onderhouden van de Thora, werd de kwestie voorgelegd aan het oordeel van de moederkerk van Jeruzalem. Het daarop volgende concilie van de Apostelen was van heel groot belang voor de toekomst van de Kerk. Lucas beschrijft heel zorgvuldig het verloop van de gebeurtenissen. ‘De Apostelen en de oudsten  kwamen bijeen om deze zaak te bezien’ (Hnd 15,6). Petrus vertelde hoe hij door de Geest geïnspireerd werd om Cornelius en diens huis te dopen, hoewel ze niet besneden waren (Hnd 15,7-11). Paulus en Barnabas vertelden over de ervaringen op hun missie in de plaatselijke kerk van Antiochië (Hnd 15,12; zie 15,1-5). Jakobus reflecteerde op deze ervaringen in het licht van de Schriften (Hnd 15,13-18), en stelde een beslissing voor die de eenheid in de Kerk kon waarborgen (Hnd 15,19-21).  ‘Daarop besloten de Apostelen en de oudsten in overleg met heel de gemeente enkele afgevaardigden met Petrus en Barnabas naar Antiochië te sturen’ (Hnd 15,22). De brief waarin zij de beslissing meedeelden, werd door de gemeenschap met gelovige blijdschap ontvangen (Hnd 15,23-33). Voor Lucas lieten deze gebeurtenissen een echt kerkelijke handelswijze zien, die bestond in zowel het pastorale dienstwerk van de Apostelen en oudsten als de participatie van de gemeenschap, door haar geloof gekwalificeerd tot deelname.

18. Aan de inwoners van Korinte schrijft Paulus, dat de dwaasheid van het kruis Gods wijsheid is (1Kor 1,18-25). Hij probeert uit te leggen hoe je die paradox moet begrijpen en zegt dan: ‘Wij hebben de gezindheid van Christus’ (1Kor 2,16; ἡμεῖς δὲ νοῦν Χριστοῦ ἔχομεν; nos autem sensum Christi habemus, in de Vulgaat). ‘Wij’ slaat hier terug op de kerk van Korinte, in gemeenschap met haar Apostel, als onderdeel van de grote gemeenschap van gelovigen (1Kor 1,1-2). Het vermogen om de gekruisigde Verlosser te herkennen als de wijsheid van God is een gave van de Heilige Geest; het is niet een privilege van wijzen en schriftgeleerden (zie 1Kor 1,20), maar iets dat gegeven wordt aan de armen, de gemarginaliseerden en degenen die ‘dwaas’ zijn in de ogen van de wereld (1Kor 1,26-29).  Toch vermaant Paulus de Korintiërs dat zij nog steeds ‘leven naar het vlees’, nog steeds niet toe zijn aan ‘vast voedsel’ (1Kor 3,1-4). Hun geloof moet nog rijpen en beter vertaald worden in hun woorden en daden.

19. In zijn eigen dienstwerk laat Paulus zien, dat hij het geloof van zijn gemeenschappen eerbiedigt en er verdieping aan wil geven. In 2Kor 1,24 beschrijft hij zijn zending als apostel met de volgende woorden: ‘Niet dat wij heer en meester zijn van uw geloof; wij willen alleen bijdragen tot uw vreugde. Want in het geloof staat u stevig genoeg’, en hij bemoedigt de Korintiërs: ‘Sta vast in het geloof’ (1Kor 16,13). Aan de Tessalonicenzen schrijft hij een brief ‘om u in uw geloof te sterken en te bemoedigen’ (1Tes 3,2), en hij bidt op dezelfde manier ook voor het geloof van andere gemeenschappen (zie Kol 1,9; Ef 1,17-19). De apostel zet zich niet alleen in om het geloof van anderen te doen groeien, hij weet zijn eigen geloof ook versterkt door een soort geloofsdialoog: ‘… om bij u en met u de vertroosting te genieten van ons gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne’ (Rom 1,12). Het geloof van de gemeenschap is een referentiepunt voor Paulus’ onderricht en de focus van zijn pastorale dienstwerk, uitmondend in een wederzijds weldoende uitwisseling tussen hem en zijn gemeenschappen.

20. In de eerste Brief van Johannes is sprake van de apostolische Traditie (1Joh 1,1-4), en de lezers worden herinnerd aan hun doopsel: ‘Ook u bent gezalfd door de Heilige, u allen bezit kennis’ (1Joh 2,20). De brief vervolgt: ‘Wat uzelf aangaat, de zalving die u van Hem ontvangen hebt blijft u bij, u hebt geen andere leraar nodig. Alles wat zijn zalving u leert, is waar en zonder bedrog. Blijft in Hem zoals uw zalving u heeft geleerd’ (1Joh 2,27).

21. Ten slotte zien we, in het Boek der Openbaring, hoe de profeet Johannes in al zijn brieven aan de kerken (zie Apk 2-3) de formule herhaalt: ‘Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’ (Apk 2,7  e.a.). De leden van de kerken worden opgeroepen aandacht te besteden aan het levende woord van de Geest, het te ontvangen, en God te verheerlijken. Door de geloofsgehoorzaamheid, die zelf al een gave van de Geest is, zijn gelovigen in staat het ontvangen onderricht te herkennen als onderricht van de Geest, en erop te antwoorden.

2. De ontwikkeling van dit begrip, en de functie ervan in de geschiedenis van de Kerk

22. Het concept van de sensus fidelium werd tijdens de Reformatie nader uitgewerkt en meer systematisch toegepast, ofschoon toch ook al in de tijd van de patristiek en de middeleeuwen erkend werd, dat de consensus fidelium een beslissende rol speelt bij het onderscheiden en ontwikkelen van geloofs- en zedenleer. Er moest evenwel nog meer nagedacht worden over de specifieke rol van de leken in dit verband. Aan dat onderwerp werd met name vanaf de 19e eeuw meer aandacht besteed.

a) De periode van de patristiek

23. De Kerkvaders en theologen van de eerste eeuwen beschouwden het geloof van de gehele Kerk als een betrouwbaar referentiepunt voor het onderscheiden van de inhoud van de apostolische Traditie. Hun overtuiging, dat de gehele Kerk betrouwbaar en zelfs onfeilbaar is bij de onderscheiding in kwesties van geloof en zeden, kreeg vorm in de context van controverses. Zij weerlegden de gevaarlijke nieuwigheden, door ketters ingebracht, door ze te vergelijken met wat in alle kerken gedacht en gedaan werd.[8] Tertullianus (ca. 160-ca. 225) is van mening, dat het feit dat alle kerken in wezen hetzelfde geloof hebben, getuigt van de aanwezigheid van Christus en van de leiding van de Heilige Geest; wie het geloof van de gehele Kerk loslaat, dwaalt.[9] Voor Augustinus (354-430) legt de Kerk als geheel, ‘van de bisschoppen tot de minste van de gelovigen’, getuigenis af van de waarheid.[10] De eenstemmigheid van de christenen werkt als een betrouwbaar criterium om vast te stellen wat het geloof van de Apostelen inhoudt: ‘Securus judicat orbis terrarum [het oordeel van de wereld als geheel is betrouwbaar]’.[11] Johannes Cassianus (ca. 360-435) vond dat universele eenstemmigheid van de gelovigen voldoende reden is om ketters te bestrijden,[12] en Vincent van Lérins († ca. 445) stelde als norm: het geloof is dat wat overal, altijd en door iedereen aangehouden wordt (quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est).[13]

24. Om twisten onder gelovigen te beslechten deden de Kerkvaders niet alleen een beroep op wat algemeen geloofd werd, maar ook op een constant aangehouden praktijk. Hiëronymus (ca. 345-420) bijvoorbeeld rechtvaardigde de verering van relieken door te wijzen op wat bisschoppen en gelovigen in de praktijk deden,[14] en Epiphanius (ca. 315-403) verdedigde Maria’s blijvende maagdelijkheid door te vragen of iemand ooit haar naam had durven uit te spreken zonder ‘de Maagd’ toe te voegen.[15]

25. Wat in dit opzicht met name naar voren komt in de patristische periode is, dat het Godsvolk als geheel een profetisch getuigenis aflegt, en dat dit iets als een objectief karakter heeft. De gelovigen gezamenlijk kunnen niet dwalen in zaken van geloof, stelde men, omdat zij van Christus een zalving hebben ontvangen, namelijk de Heilige Geest die beloofd was, die hen toerust om de waarheid te onderscheiden. Sommige Kerkvaders reflecteerden ook op het subjectieve vermogen van christenen, bezield door geloof en innerlijk bewoond door de Heilige Geest, om in de Kerk de ware leer vast te houden en dwaling te verwerpen. Augustinus bijvoorbeeld verwees daarnaar toen hij vaststelde dat Christus, als ‘de inwendige Leraar’, zowel de leken als hun pastores in staat stelt, niet alleen de openbaringswaarheid te ontvangen, maar die ook te beamen en door te geven.[16]

26. In de eerste vijf eeuwen bleek het geloof van de Kerk als geheel een decisieve factor als het erom ging de canon van de Schrift te bepalen en grotere leerstukken te definiëren zoals de goddelijkheid van Christus, de blijvende maagdelijkheid en het goddelijke moederschap van Maria, en de verering en aanroeping van de heiligen. In een aantal gevallen, merkte de zalige John Henry Newman (1801-1890) op, speelde met name het geloof van de leken een cruciale rol. Het meest opvallende voorbeeld stamt uit de beroemde controverse in de vierde eeuw met de arianen, die veroordeeld werden op het Concilie van Nicea (325 A.D.) toen de goddelijkheid van Jezus Christus werd gedefinieerd. Daarna bleef er echter onzekerheid bestaan onder de bisschoppen, tot aan het Concilie van Constantinopel  toe (381 A.D.). In die periode ‘werd de goddelijke traditie, die was toevertrouwd aan de onfeilbare Kerk, veel sterker verkondigd en vastgehouden door de gelovigen dan door het episcopaat’. ‘Er was sprake van een tijdelijke opschorting van de functies van de ‘Ecclesia docens’. De bisschoppen als zodanig schoten tekort in hun belijdenis van het geloof. Hun uitspraken liepen uiteen, ze spraken elkaar tegen; nergens was, na Nicea, iets te bespeuren van een stabiel, eensluidend, consistent getuigenis, bijna zestig jaar lang.’[17]

b) De periode van de middeleeuwen

27. Newman merkte ook op dat ‘in een latere periode, toen de geleerde Benedictijnen van Duitsland (bv. Hrabanus Maurus, ca. 780-856) en Frankrijk (bv. Ratramnus, † ca. 870) de leer van de werkelijke tegenwoordigheid maar met moeite konden formuleren, Paschasius (ca. 790-ca. 860) werd bijgevallen door de gelovigen toen hij aan de leer bleef vasthouden.’[18] Iets vergelijkbaars gebeurde met het dogma dat door Paus Benedictus XII werd vastgelegd in de constitutie Benedictus Deus (1336), betreffende de Godsaanschouwing die de overledenen al genieten na het vagevuur en voor de dag des oordeels:[19] ‘de traditie, op grond waarvan het dogma gedefinieerd werd, was zichtbaar in de consensus fidelium, zo helder en duidelijk als de opeenvolgende bisschoppen - velen van hen toch behorend tot de ‘Sancti Patres ab ipsis Apostolorum temporibus’ - niet opbrachten’. ‘De ‘sensus fidelium’ genoot buitengewone hoogachting; de mening en het advies van de gelovigen werden weliswaar niet gevraagd, maar hun getuigenis werd serieus genomen, hun gevoelen geraadpleegd, hun ongeduld - zou ik haast zeggen - werd gevreesd.’[20] De voortgaande ontwikkeling onder de gelovigen, van geloof in en verering van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria is, ondanks verzet tegen de leer bij bepaalde theologen, een ander sterk voorbeeld van de rol die de sensus fidelium in de middeleeuwen speelde.

28. De geleerden van de Scholastiek erkenden dat de Kerk, de congregatio fidelium, niet kan dwalen in geloofszaken omdat zij door God wordt onderricht, verbonden is met Christus als haar Hoofd, en innerlijk bewoond wordt door de Heilige Geest. Thomas van Aquino bijvoorbeeld neemt dit als uitgangspunt, op grond van het feit dat de universele Kerk geleid wordt door de Heilige Geest die, zoals de Heer Jezus beloofd heeft, haar ‘de volle waarheid’ zou leren (Joh 16,13).[21] Hij wist dat het geloof van de universele Kerk gezagvol wordt verwoord door haar kerkvorsten,[22] maar hij was ook met name geïnteresseerd in het persoonlijke geloofsaanvoelen van iedere gelovige, dat hij onderzocht in verband met de theologale deugd van geloof.     

c) De Reformatie en de periode na de Reformatie

29. De uitdaging van de Hervormers in de 16e eeuw vroeg om hernieuwde aandacht voor de sensus fidei fidelium, en een eerste systematische uiteenzetting ervan was het gevolg. De Hervormers benadrukten het primaat van Gods woord in de Heilige Schrift (Scriptura sola) en het priesterschap van de gelovigen. In hun optiek schenkt het innerlijke getuigenis van de Heilige Geest aan alle gedoopten het vermogen om zelf Gods woord te interpreteren; deze overtuiging weerhield hen er overigens niet van de leer te formuleren op synodes en catechismussen te ontwerpen voor de toerusting van de gelovigen. Hun leerstukken stelden vragen bij onder andere de rol en status van de Traditie, het leergezag van paus en bisschoppen, en het niet kunnen dwalen van concilies. Als antwoord op hun stelling, dat de belofte van Christus’ blijvende aanwezigheid en de leiding van de Heilige Geest aan de hele Kerk gegeven was, niet uitsluitend aan de Twaalf maar aan iedere gelovige,[23] vonden katholieke theologen aanleiding om uitvoeriger uit te leggen, op welke manier de pastores het geloof van het volk ondersteunen. Daarbij schonken zij toenemende aandacht aan het leergezag van de hiërarchie.

30. Theologen van de katholieke Reformatie bouwden voort op eerdere pogingen om een systematische ecclesiologie te ontwikkelen en wijdden zich aan het vraagstuk van de openbaring, de bronnen ervan, en het gezag van de bronnen. In eerste instantie reageerden zij op de kritiek van de Hervormers op een aantal leerstukken met een beroep op de onfeilbaarheid van de gehele Kerk - leken en clerus tezamen - in credendo. [24] Het Concilie van Trente zelf beriep zich meerdere keren op het oordeel van de gehele Kerk wanneer het zich verdedigde tegen omstreden artikelen van de katholieke leer. Het Decreet over het Sacrament van de Eucharistie (1551) bijvoorbeeld verwees uitdrukkelijk naar ‘het universele aanvoelen van de Kerk [universum Ecclesiae sensum].’

31. Melchior Cano (1509-1560), aanwezig bij het concilie, was de eerste die de sensus fidei fidelium uitgebreid behandelde, om de waarde te verdedigen die de katholieke leer hecht aan de bewijskracht van de Traditie in de theologische discussie. In zijn verhandeling De locis theologicis (1564)[25] wees hij de bestaande overeenstemming van de gelovigen aan als een van de vier criteria om vast te stellen of een leerstuk of praktijk tot de apostolische traditie behoort.[26] In een hoofdstuk over het gezag van de Kerk met betrekking tot de leer betoogde hij, dat het geloof van de Kerk niet kan dwalen omdat zij de Bruid (Hos 2; 1Kor 11,2) en het Lichaam van Christus (Ef 5) is, en omdat de Heilige Geest haar leidt (Joh 14,16.26).[27] Cano merkte ook op dat het woord ‘Kerk’ soms een aanduiding is voor alle gelovigen inclusief pastores, en soms een aanduiding voor de leiders en pastores (principes et pastores); zij bezitten immers ook de Heilige Geest.[28] Hij gebruikte het woord in de eerste betekenis toen hij stelde dat het geloof van de Kerk niet kan dwalen, dat de Kerk wanneer zij gelooft niet misleid kan worden, en dat onfeilbaarheid niet alleen eigen is aan de Kerk van voorbije eeuwen, maar ook aan de Kerk zoals zij op dit moment is. Hij gebruikte het woord ‘Kerk’ in de tweede betekenis toen hij naar voren bracht dat de pastores van de Kerk onfeilbaar zijn in hun gezagvolle oordeel over de leer, omdat zij voor deze taak immers door de Heilige Geest worden bijgestaan (Ef 4; 1Tim 3).[29]

32. Robertus Bellarminus (1542-1621) nam bij zijn verdediging van het katholieke geloof tegen de critici van de Reformatie de zichtbare Kerk, de ‘universele gemeenschap van alle gelovigen’, als uitgangspunt. Voor hem is alles wat de gelovigen als de fide beschouwen, en alles wat de bisschoppen leren als tot het geloof behorend, noodzakelijkerwijs waar en te geloven.[30] Hij was van mening dat de concilies van de Kerk niet kunnen dwalen, omdat zij in het bezit zijn van deze consensus Ecclesiae universalis.[31]

33. Andere theologen in de post-Tridentijnse periode bleven de onfeilbaarheid van de Ecclesia (bedoeld werd: de gehele Kerk, inclusief pastores) in credendo bevestigen, maar begonnen tamelijk scherp onderscheid te maken tussen de rol van de ‘onderwijzende Kerk’ en de ‘lerende Kerk’. De eerdere nadruk op de ‘actieve’ onfeilbaarheid van de Ecclesia in credendo werd gaandeweg vervangen door nadruk op de actieve rol van de Ecclesia docens. Het werd gangbaar om te zeggen dat de Ecclesia discens slechts over ‘passieve’ onfeilbaarheid beschikte.

d) De negentiende eeuw

34. De 19e eeuw was een beslissende periode voor de leer van de sensus fidei fidelium. In die periode ontstond in de katholieke Kerk, deels in reactie op kritiek van vertegenwoordigers van de moderne cultuur en van christenen van andere tradities, deels op grond van een innerlijk rijpingsproces en groei van historisch besef, opnieuw belangstelling voor de Kerkvaders en middeleeuwse theologen, en een hernieuwde verkenning van het mysterie van de Kerk. In dat verband besteedden katholieke theologen als Johann Adam Möhler (1796-1838), Giovanni Perrone (1794-1876), en John Henry Newman opnieuw aandacht aan de sensus fidei fidelium als een locus theologicus, om te verklaren hoe de Heilige Geest de gehele Kerk in waarheid bewaart, en om rechtmatige gronden aan te geven voor ontwikkelingen in de leer van de Kerk. Theologen haalden de actieve rol van de Kerk als geheel naar voren, in het bijzonder de bijdrage die de lekengelovigen hebben in het bewaren en doorgeven van het geloof van de Kerk; en het leergezag bevestigde dit inzicht impliciet in het proces dat leidde tot de definitie van de Onbevlekte Ontvangenis (1854).

35. In zijn verdediging van het katholieke geloof tegenover de stroming van het rationalisme probeerde Johann Adam Möhler, geleerde van Tübingen, de Kerk te beschrijven als een levend organisme, en de beginselen te formuleren die bepalend zijn voor de ontwikkeling van de leer. Het is de Heilige Geest, zegt hij, die de gelovigen bezielt, leidt en samenbrengt als gemeenschap in Christus, en zo in hen een kerkelijk ‘besef’ wekt van het geloof (Gemeingeist of Gesamtsinn), iets dat vergelijkbaar is met een Volksgeist of een nationaal gevoel.[32] Deze sensus fidei, de subjectieve dimensie van Traditie, bevat noodzakelijkerwijs ook een objectief element, de leer van de Kerk, want het christelijke ‘aanvoelen’ van de gelovigen, dat leeft in hun hart en virtueel equivalent is met Traditie, kan nooit los gezien worden van de inhoud ervan.[33]

36. John Henry Newman nam aanvankelijk de sensus fidei fidelium in zijn onderzoek op omdat hij een oplossing zocht voor het probleem dat hij zag bij leerontwikkeling. Hij was de eerste die over de leerontwikkeling een volledige verhandeling publiceerde, An Essay on the Development of Christian Doctrine (1845), en nauwkeurig de kenmerken omschreef van geloofsgetrouwe ontwikkeling. Om onderscheid te kunnen maken tussen ware en valse ontwikkeling nam hij de norm van Augustinus  over - de algehele overeenstemming van de gehele Kerk, ‘Securus judicat orbis terrarum’ - maar hij zag in dat er een onfeilbare gezagsinstantie nodig is om de Kerk in de waarheid te behouden.

37. Voortbouwend op inzichten van Möhler en Newman[34] hernam Perrone het patristische begrip sensus fidelium om tegemoet te komen aan een breed gespreid verlangen naar een pauselijke definitie van Maria’s Onbevlekte Ontvangenis; hij beschouwde de unanieme instemming, of conspiratio, van de gelovigen en hun pastores als een garantie dat dit leerstuk van apostolische oorsprong was. Hij was van mening dat de allerbelangrijkste theologen bewijskracht toeschreven aan de sensus fidelium, en dat de kracht van het ene ‘instrument van traditie’ het andere kan aanvullen wanneer dat tekortschiet, bijvoorbeeld door ‘het zwijgen van de Vaders’.[35]

38.  Dat Perrone’s studie invloed had op de beslissing van Paus Pius IX om verder te gaan met de definitie van de Onbevlekte Ontvangenis blijkt wel uit het feit dat de Paus, alvorens over te gaan tot de definitie, aan de bisschoppen in heel de wereld vroeg , hem schriftelijk verslag te doen van de verering bij hun priesters en gelovigen van de ontvangenis van de Onbevlekte Maagd.[36] In de Apostolische Constitutie waarin de definitie stond, Ineffabilis Deus (1854), zei Paus Pius IX dat hij weliswaar wist hoe de bisschoppen hierover dachten, maar dat hij de bisschoppen met name gevraagd had hem te informeren over de vroomheid en verering bij hun gelovigen in dit opzicht, en hij trok de conclusie dat ‘de Heilige Schrift, de eerbiedwaardige Traditie, het continue besef van de Kerk [perpetuus Ecclesiae sensus], de treffende overeenstemming van Katholieke bisschoppen en de gelovigen [singularis catholicorum Antistitum ac fidelium conspiratio], en de gedenkwaardige Acten en Constituties van onze voorgangers’ alle tezamen een schitterende illustratie en proclamatie waren van dit leerstuk.[37] Hij gebruikte feitelijk de taal van Perrone’s verhandeling om het gecombineerde getuigenis van de bisschoppen en de gelovigen te beschrijven. Newman haalde het woord conspiratio naar voren en merkte op: ‘de twee elementen, de Kerk die onderricht geeft en de Kerk die onderricht ontvangt, worden samengevoegd, als één tweevoudig getuigenis, ze illustreren elkaar wederzijds, en kunnen nooit zonder elkaar’.[38]

39. Toen Newman later On Consulting the Faithful in Matters of Doctrine (1859) schreef, wilde hij aantonen dat de gelovigen (onderscheiden van hun pastores) hun eigen, actieve rol te spelen hebben in het bewaren en doorgeven van het geloof. ’[D]e traditie van de Apostelen’ is ‘toevertrouwd aan heel de Kerk in al haar samenstellende delen en functies per modum unius’, maar de bisschoppen en de lekengelovigen getuigen daarvan op uiteenlopende wijzen. De traditie, zegt hij, ‘manifesteert zich in verschillende vormen op verschillende tijden: soms bij monde van het episcopaat, soms door theologen, soms door het volk, soms door liturgie, riten, vieringen en gebruiken, door gebeurtenissen, twistgesprekken, bewegingen, en alles wat zich verder allemaal voordoet in wat wij geschiedenis noemen’.[39] Voor Newman ‘omvat de “pastorum et fidelium conspiratio” iets dat niet eigen is aan de pastores alleen’.[40] In dit werk citeerde Newman uitvoerig uit de argumenten die Giovanni Perrone tien jaar eerder opvoerde ten gunste van de definitie van de Onbevlekte Ontvangenis.[41]

40. De dogmatische constitutie van het Eerste Vaticaans Concilie, Pastor Aeternus, waarin het onfeilbare leergezag van de paus werd gedefinieerd, ging geenszins voorbij aan de sensus fidei fidelium; integendeel, die werd verondersteld. De constitutie kwam voort uit een allereerste conceptversie, Supremi Pastoris, die een hoofdstuk bevatte over de onfeilbaarheid van de Kerk (hoofdstuk negen).[42] Toen evenwel de zaken een ander beloop kregen omdat de kwestie van de pauselijke onfeilbaarheid moest worden opgelost, werd de discussie over dat fundament uitgesteld en niet meer hernomen. In zijn relatio over de definitie van pauselijke onfeilbaarheid legde bisschop Vincent Gasser niettemin uit, dat de bijzondere bijstand die de paus geniet, hem niet afzondert van de Kerk en consultatie en samenwerking niet uitsluit.[43] De definitie van de Onbevlekte Ontvangenis, zei hij, was een voorbeeld van een kwestie die ‘zo ingewikkeld was dat de Paus het voor zijn informatie noodzakelijk acht om via de bisschoppen - langs de normale weg - te onderzoeken wat de kerken erover denken’.[44] In een zin die de bedoeling heeft gallicanisme uit te sluiten, verklaarde Pastor Aeternus dat ex cathedra geformuleerde leerdefinities van de paus over geloof en zeden onherroepelijk zijn ‘uit zichzelf en niet afhankelijk zijn van de instemming van de Kerk [ex sese non autem ex consensu ecclesiae]’,[45] maar dat betekent niet dat de consensus ecclesiae overbodig is. Het sluit wel de theorie uit dat zo’n definitie deze instemming, vooraf of achteraf, nodig heeft als voorwaarde voor haar gezagvolle status. [46] In antwoord op de crisis van het modernisme bevestigde een decreet van het Heilig Officie, Lamentabili (1907), de vrijheid die de Ecclesia docens heeft ten opzichte van de Ecclesia discens. Het decreet wees daarmee een propositie af die de pastores zou toestaan alleen te onderwijzen wat de gelovigen al geloofden.[47]

e) De twintigste eeuw

41. Katholieke theologen in de 20e eeuw onderzochten het leerstuk van de sensus fidei fidelium in de context van een theologie over de Traditie, een vernieuwde ecclesiologie, en een theologie over de leken. Zij benadrukten dat ‘de Kerk’ niet samenvalt met haar pastores; dat de gehele Kerk, door toedoen van de Heilige Geest, het subject of ‘orgaan’ van Traditie is; en dat leken een actieve rol hebben in het doorgeven van het geloof van de Apostelen. Het leergezag bekrachtigde deze ontwikkelingen zowel in de consultatie die leidde tot de definitie van de glorierijke Tenhemelopneming van de Heilige Maagd Maria, als in de heropname en bevestiging door het Tweede Vaticaans Concilie van het leerstuk van de sensus fidei.

42. In 1946 stuurde Paus Pius XII, aansluitend bij de werkwijze van zijn voorganger, een encycliek rond, Deiparae Virginis Mariae, aan alle bisschoppen in de wereld met de vraag hem te informeren ‘over de verering die de clerus en het volk bij u hebben (hun geloof en vroomheid in acht genomen) voor de Tenhemelopneming van de Heilige Maagd Maria’. Daarmee bevestigde hij de praktijk van raadpleging van de gelovigen alvorens een dogma vast te stellen, en in de Apostolische Constitutie Munificentissimus Deus (1950) deed hij verslag van de ‘bijna unanieme reactie’ die hij had gekregen.[48] Geloof in Maria’s Tenhemelopneming was dus ‘diep geworteld in de geest van de gelovigen’.[49]  Paus Pius XII verwees naar ‘het eenstemmige onderricht van het gewone leergezag van de Kerk en het eenstemmige geloof van het christenvolk’, en zei, ditmaal met betrekking tot het geloof in Maria’s Tenhemelopneming, zoals Paus Pius IX had gezegd met betrekking tot het geloof in haar Onbevlekte Ontvangenis, dat er een ‘singularis catholicorum Antistitum et fidelium conspiratio’ bestond. Hij voegde daaraan toe dat de conspiratio ‘op een volstrekt zekere en onfeilbare manier’ liet zien dat Maria’s Tenhemelopneming ‘een waarheid’ was ‘door God geopenbaard en ondergebracht in die goddelijke schat die Christus aan zijn Bruid gaf om getrouw in geloof bewaard te blijven en onfeilbaar onderricht te worden’.[50] In beide gevallen was het dus zo, dat de pauselijke definities bevestigden en vierden wat de gelovigen ten diepste geloofden.

43. Yves M.-J. Congar (1904-1995) droeg op belangrijke wijze bij aan de ontwikkeling van het leerstuk van de sensus fidei fidelis en de sensus fidei fidelium. In Jalons pour une théologie du laïcat (1953) onderzocht hij dit leerstuk in termen van de deelname van leken in de profetische zending van de Kerk. Congar was bekend met Newmans werk en gebruikte dezelfde structuur (dat wil zeggen het drievoudige ambt van de Kerk, en de sensus fidelium als uitdrukking van het profetische ambt), maar zonder dat rechtstreeks naar Newman terug te leiden.[51] Hij beschreef de sensus fidelium als een gave van de Heilige Geest ‘gegeven aan de hiërarchie en heel de gemeenschap van gelovigen’, en hij maakte onderscheid tussen de objectieve geloofswerkelijkheid (die de traditie vormt) en het subjectieve aspect, de genade van het geloof.[52] Terwijl eerdere auteurs het onderscheid accentueerden tussen de Ecclesia docens en de Ecclesia discens, was Congar er meer aan gelegen hun organische eenheid te laten zien. ‘De Kerk die liefheeft en gelooft, dat wil zeggen de gemeenschap van de gelovigen, is onfeilbaar op grond van haar levende geloofsbezit, niet op grond van een bepaalde handeling of oordeel’, schreef hij.[53] Het onderricht van de hiërarchie staat in dienst van de gemeenschap.

44. De leer van het Tweede Vaticaans Concilie weerspiegelt op veel manieren de bijdrage van Congar. Hoofdstuk één van Lumen Gentium over ‘Het mysterie van de Kerk’ leert dat de Heilige Geest ‘woont in de Kerk en in de harten van de gelovigen als in een tempel’. ‘De Kerk, die Hij tot de volle waarheid brengt (zie Joh. 16,13) en die Hij één maakt in gemeenschap en bediening, verrijkt en leidt Hij door alle hiërarchische en charismatische gaven en siert Hij met zijn vruchten (zie Ef 4,11-12; 1Kor 12,4; Gal 5,22)’.[54] Hoofdstuk twee spreekt dan verder over de Kerk als geheel, als het ‘volk Gods’, voorafgaand aan ieder onderscheid tussen leken en gewijden. De paragraaf waarin de sensus fidei genoemd wordt (LG 12) zegt: ‘[D]e gemeenschap als geheel van de gelovigen, die een zalving van de Heilige Geest hebben ontvangen (zie 1Joh 2,20.27), kan niet dwalen in het geloof’. De ‘Geest van de waarheid’ wekt en behoedt een ‘bovennatuurlijke geloofszin [supernaturali sensu fidei]’, die zichtbaar wordt wanneer ‘geheel het volk … “vanaf de bisschoppen tot aan de eenvoudigste gelovigen” zijn universele gezindheid uitdrukt in zaken van geloof en zeden’. Door de sensus fidei ontvangt ‘het volk Gods onder de leiding van het heilige leerambt (magisterium), waarvan het in trouwe volgzaamheid het woord aanvaardt, niet … een woord van mensen, maar werkelijk … het woord van God (1Tes 2,13).’ Volgens deze omschrijving is de sensus fidei een actief vermogen of aanvoelen, waarmee zij het geloof ‘dat eens voor al aan de heiligen werd overgeleverd’ (zie Jud 3) kunnen ontvangen en begrijpen. Daarmee is het volk dan ook ‘onwankelbaar trouw aan het geloof’, het ‘dringt met een juist inzicht er dieper in door, en brengt het steeds volmaakter in praktijk’.  Langs deze weg deelt het volk in ‘het profetische ambt van Christus’.[55]

45. Lumen Gentium beschrijft vervolgens, respectievelijk in het derde en vierde hoofdstuk, hoe Christus zijn profetische ambt uitoefent niet alleen door de pastores van de Kerk, maar ook door de gelovige leken. De constitutie leert dat de Heer, ‘tot aan de volle openbaring van zijn heerlijkheid’, zijn profetische ambt voortzet ‘niet alleen door de hiërarchie, die in zijn naam en op zijn gezag lerend optreedt, maar ook door de leken’. En de tekst vervolgt met betrekking tot deze laatsten: ‘die Hij daarom maakt tot zijn getuigen en toerust met de geest van geloof en de gave van het woord [sensu fidei et gratia verbi instruit] (zie Hnd 2,17-18; Apk 19,10) om zo de kracht van het Evangelie te doen uitstralen in het dagelijks leven, het gezinsleven en het maatschappelijk leven’. Gesterkt door de sacramenten, ‘zijn de leken de krachtige herauten van het geloof in hetgeen wij hopen (zie Heb 11,1)’. ‘Daarom kunnen en moeten de leken … een waardevolle activiteit ontplooien voor de verkondiging van het evangelie in de wereld’.[56] Hier wordt de sensus fidei voorgesteld als Christus’ gave aan de gelovigen, en opnieuw beschreven als een actief vermogen waardoor de gelovigen de goddelijke openbaringswaarheden  kunnen begrijpen, beleven en verkondigen. Dat is het fundament van hun evangelisatiewerk.  

46. De sensus fidei komt ook ter sprake in het onderricht van het concilie over de leerontwikkeling, in de context van het doorgeven van het geloof van de Apostelen. Dei Verbum zegt dat de apostolische Traditie ‘vordert onder bijstand van de Heilige Geest in de Kerk’. ‘Want de kennis van de overgeleverde werkelijkheden en woorden neemt toe’, en het concilie noemt drie manieren waarop zich dat voordoet: ‘door de beschouwing en studie van de gelovigen, die dit alles in hun hart bewaren (zie Lc 1,19.51)’; ‘door het innerlijk verstaan van de geestelijke werkelijkheden die zij ervaren [ex intima spiritualium rerum quam experiuntur intelligentia]’; en ‘door de verkondiging van hen [de bisschoppen] die het betrouwbare charisma van de waarheid ontvangen hebben’.[57] Hoewel deze passage de sensus fidei niet noemt, worden de aangeduide elementen van beschouwing, studie en ervaring van de gelovigen allemaal duidelijk in verband gebracht met de sensus fidei, en de meeste commentatoren zijn het erover eens dat de concilievaders bewust een beroep deden op Newmans theorie over de leerontwikkeling. Wanneer deze tekst gelezen wordt in het licht van de beschrijving van de sensus fidei in Lumen Gentium 12 als een bovennatuurlijke geloofsintuïtie, gewekt door de Heilige Geest, waardoor mensen onder leiding van hun pastores onwankelbaar trouw zijn aan het geloof, dan is goed te zien dat hier dezelfde idee tot uitdrukking wordt gebracht. Daar waar Dei Verbum verwijst naar de ‘unieke eensgezindheid’ die moet ontstaan tussen de bisschoppen en de gelovigen in het beleven en belijden van het door de Apostelen overgeleverde geloof, gebruikt deze constitutie opvallenderwijs precies de uitdrukking die gebruikt wordt in de definities van de twee Maria-dogma’s: ‘singularis fiat Antistitum et fidelium conspiratio[58]

47. Na het concilie heeft het leergezag kernbegrippen van de leer van het concilie over de sensus fidei herhaald,[59] en ook over een nieuwe kwestie gesproken, namelijk, dat het van betekenis is niet zonder meer aan te nemen dat de publieke opinie in (of buiten) de Kerk noodzakelijkerwijs hetzelfde is als de sensus fidei (fidelium). In de postsynodale apostolische exhortatie Familiaris Consortio (1981) besprak Paus Johannes Paulus II de vraag hoe de ‘bovennatuurlijke geloofszin’ zich verhoudt tot de ‘eensgezindheid van de gelovigen’ en tot meerderheidsopvattingen zoals sociologen en statistisch onderzoek die vaststellen. De sensus fidei, schreef hij, ‘bestaat niet alleen of noodzakelijkerwijze in de eensgezindheid van de gelovigen. Het is de taak van de herders van de Kerk ‘de geloofszin in alle gelovigen te bevorderen, de echtheid van de expressies ervan gezagvol te onderzoeken en te beoordelen, en de gelovigen op te voeden tot een steeds rijpere onderscheiding van de evangelische waarheid’.[60]

Hoofdstuk 2 - De sensus fidei fidelis in het persoonlijke leven van de gelovige

48. Dit tweede hoofdstuk richt zich op de aard van de sensus fidei fidelis. Het benut met name het klassieke theologische kader van argumenten en categorieën, om te reflecteren op de werking van het geloof in individuele gelovigen. Natuurlijk is de Bijbelse visie op het geloof breder, maar de klassieke benadering laat een wezenlijk aspect zien: het intellect omarmt, in liefde, de geopenbaarde waarheid. Deze conceptualisering van het geloof is ook vandaag de dag verhelderend voor het verstaan van de sensus fidei fidelis. In deze context kijkt dit hoofdstuk ook naar enkele manieren waarop de sensus fidei fidelis zich concreet toont in het persoonlijke leven van een gelovige, waarbij het vanzelf spreekt dat de persoonlijke en de kerkelijke aspecten van de sensus fidei onafscheidelijk zijn.

1. De sensus fidei als een geloofsaanvoelen

49. De sensus fidei fidelis is een soort spiritueel aanvoelen (instinct) dat de gelovige in staat stelt spontaan te beoordelen of een bepaald leerstuk of een handelwijze al dan niet in overeenstemming is met het Evangelie en met het geloof van de Apostelen. Hij is innerlijk verbonden met de geloofsdeugd zelf; hij vloeit voort uit, en is een eigenschap van het geloof.[61] Hij kan vergeleken worden met een instinct, omdat hij niet allereerst het gevolg is van rationele overwegingen, maar eerder een vorm van spontane en natuurlijke kennis is, iets als een gewaarwording (aisthesis).

50. De sensus fidei fidelis komt op de eerste plaats voort uit de nauwe verwantschap die de deugd van geloof tot stand brengt tussen het gelovende subject en het waarachtige geloofsobject, namelijk de waarheid van God die geopenbaard is in Jezus Christus. In meer algemene termen uitgedrukt: verwantschap verwijst naar een situatie waarin eenheid A een zo intieme relatie heeft met eenheid B, dat A deelheeft aan de natuurlijke geesteshoudingen van B alsof die van haarzelf waren. Verwantschap maakt een bijzondere en diepe vorm van kennis  mogelijk. Wanneer bijvoorbeeld vrienden of vriendinnen nauw met elkaar verbonden zijn, kunnen zij op den duur spontaan aanvoelen wat bij de ander past, omdat zij de specifieke voorkeuren van de ander delen en daardoor zo verwant zijn dat zij begrijpen wat goed of niet goed voor de ander is. Met andere woorden, dit is een kennis van andere orde dan objectieve kennis, die werkt met concepten en redeneringen. Het is kennis langs de weg van de empathie, kennis van het hart.

51. Elke deugd maakt haar subject, met andere woorden degene die haar bezit, verwant aan haar object, dat wil zeggen, aan een vorm van handeling. Met het woord deugd wordt hier bedoeld de duurzame houding (of habitus) waarmee iemand zich intellectueel of moreel gedraagt. Deugd is een soort ‘tweede natuur’ waarmee de menselijke persoon, man of vrouw, zichzelf opbouwt en in vrijheid en redelijkheid actualiseert wat aan dynamieken in de menselijke natuur is meegegeven. Ze geeft een vastomlijnde, stabiele oriëntatie aan de activiteit van de natuurlijke vermogens; ze stuurt die in de richting van gedrag dat de deugdzame persoon vervolgens vertoont op ‘natuurlijke’ manier, ‘rustig, beheerst en met vreugde’.[62]

52. Iedere deugd heeft een dubbele uitwerking: ten eerste doet ze de persoon die haar bezit op natuurlijke wijze neigen naar een object (een vorm van handeling), en ten tweede houdt ze hem of haar spontaan op afstand van wat dat object weerstreeft. Bijvoorbeeld, iemand die de deugd van kuisheid heeft ontwikkeld beschikt over een soort ‘zesde zintuig’, ‘een soort spiritueel aanvoelen’,[63] dat hem of haar in staat stelt om de juiste wijze van gedragen te onderscheiden ook in de meest complexe situaties, en spontaan waar te nemen wat te doen of te vermijden is. Een kuis persoon neemt daarbij als vanzelf de juiste houding aan, terwijl het begrippelijke redeneren van de moralist tot verwarring en besluiteloosheid zou kunnen leiden.[64]

53. De sensus fidei is de vorm die het aanvoelen, eigen aan elke deugd, aanneemt bij de deugd van geloof. ‘Net zoals in andere deugdvolle houdingen duidelijk is wat gepast is om te doen in het perspectief van die houding, zo wordt in de houding van het geloof de menselijke geest ertoe geleid, in te stemmen met wat hoort bij een oprecht geloof, en niet in te stemmen met andere dingen.’[65] Geloof is een theologale deugd die de gelovige in staat stelt te delen in de kennis die God heeft van zichzelf en alle dingen. In de gelovige neemt dat de vorm aan van een ‘tweede natuur’.[66] Dankzij genade en de theologale deugden, krijgen gelovigen ‘deel aan Gods eigen wezen’ (2Pe 1,4) en worden zij als het ware van goddelijke natuur. Daardoor reageren zij eigener beweging volgens die gedeelde goddelijke natuur, net zoals levende wezens instinctief reageren op wat bij hun natuur wel of niet past.

54. Anders dan de theologie, aan te duiden als scientia fidei, is de sensus fidei fidelis niet een reflectieve kennis van de geloofsgeheimen, die concepten ontwikkelt en via rationele stappen naar conclusies toewerkt. De naam ervan (sensus) duidt erop dat hij veeleer verwant is met een natuurlijke, directe en spontane reactie, en vergelijkbaar is met een vitaal instinct of een soort ‘aanvoelen’ waardoor de gelovige spontaan blijft hangen bij wat de geloofswaarheid benadert en vermijdt wat ermee in strijd is.[67]

55. De sensus fidei fidelis is onfeilbaar in zichzelf met betrekking tot zijn object: het ware geloof.[68] Maar in de actuele voorstellingswereld van de gelovige kunnen de juiste intuïties van de sensus fidei vermengd raken met allerlei louter menselijke opvattingen, of zelfs met dwalingen die voortkomen uit de beperkingen van een bepaalde culturele context.[69] ‘Ook al kan het theologale geloof zich dus niet vergissen, de gelovige daarentegen kan onjuiste ideeën hebben, want niet al zijn gedachten vinden hun bron in het geloof. Niet alle opvattingen die leven onder het Godsvolk zijn in overeenstemming met het geloof’.[70]

56. De sensus fidei fidelis vloeit voort uit de theologale deugd van geloof. Die deugd is een door liefde opgeroepen innerlijke geesteshouding, die zonder enig voorbehoud de gehele door God geopenbaarde waarheid wil aanhangen zodra die als zodanig wordt waargenomen. Geloof  houdt dus niet noodzakelijkerwijze expliciete kennis van de volledige geopenbaarde waarheid in.[71] Daaruit volgt dat een bepaalde vorm van sensus fidei  kan bestaan in ‘hen die gedoopt zijn en de naam van christen dragen, maar niet het volledige katholieke geloof belijden’[72] De katholieke Kerk moet daarom aandacht hebben voor wat de Geest haar te zeggen kan hebben via gelovigen in de kerken en kerkelijke gemeenschappen die niet in volledige eenheid met haar leven.

57. Omdat de sensus fidei fidelis een eigenschap is van de theologale  deugd van geloof, groeit hij verhoudingsgewijs mee met de groei van de geloofsdeugd. Hoe meer de deugd van geloof wortel schiet in hart en geest van de gelovigen en hun dagelijks leven bepaalt, hoe meer de sensus fidei fidelis in hen groeit en in kracht toeneemt. En omdat geloof, als een vorm van kennis, gebaseerd is op liefde, is een liefdevolle houding nodig om het geloof bezieling en vorm te geven, en het daarmee tot een levend en doorleefd geloof te maken (fides formata). Een toenemende geloofsintensiteit in de gelovige hangt dus met name af van een groeiende liefdevolle houding in de man of vrouw die het betreft, en de sensus fidei fidelis is daarom evenredig aan de heiligheid van iemands leven. Sint Paulus leert dat ‘Gods liefde in ons hart is uitgestort door de Heilige Geest die ons geschonken is’ (Rom 5,5), en daaruit volgt dat de sensus fidei in de geest van de gelovige groeit door toedoen van de Heilige Geest. Als Geest van liefde, die het menselijke hart met liefde doordringt, opent de Heilige Geest voor gelovigen de mogelijkheid, de Waarheid die Christus is dieper en intiemer te kennen, op basis van een liefdesband: ‘Het openbaren van de waarheid is eigen aan de Heilige Geest, want het is de liefde die de openbaring van de geheimen tot stand brengt’.[73]

58. Een liefdevolle houding laat in gelovigen de gaven van de Heilige Geest tot ontplooiing komen, die hen ‘in alle wijsheid en geestelijk inzicht’ (Kol 1,9) naar diepere geloofskennis leidt.[74] Dat wil zeggen, dat de theologale deugden hun volle omvang in het leven van de gelovige alleen bereiken als de gelovige toelaat dat de Heilige Geest hem of haar leidt (zie Rom 8,14). De gaven van de Geest zijn precies die genadevolle en ingestorte innerlijke geesteshoudingen die dienen als basis voor de werkzaamheid van de Geest in het leven van de gelovige. Door deze Geestesgaven, met name de gave van kennis en inzicht, kunnen gelovigen van binnen uit ‘de geestelijke dingen die zij ervaren’[75] leren verstaan, en interpretaties die strijdig zijn met het geloof afwijzen.

59. In elke gelovige bestaat een vitale interactie tussen de sensus fidei en het geloofsvertrouwen te midden van de wisselende omstandigheden van zijn of haar persoonlijke bestaan. Aan de ene kant schenkt de sensus fidei licht en leiding over de manier waarop de gelovige zijn of haar geloof in praktijk brengt. Aan de andere kant verwerft de gelovige, door de geboden te onderhouden en geloof in praktijk te brengen, dieper inzicht in het geloof: ‘Wie de waarheid doet komt naar het licht toe, zodat zichtbaar wordt dat zijn daden in God zijn verricht’ (Joh 3,21). Het praktiseren van het geloof in de concrete existentiële situaties waarin hij of zij zich door gezin en professionele en culturele relaties bevindt, verrijkt de persoonlijke ervaring van de gelovige. Hij of zij kan op grond daarvan nauwkeuriger zien waar de waarde en de beperkingen van een bepaald leerstuk zitten, en voorstellen doen voor verbetering van de formulering. Daarom moeten degenen die lerend optreden in de naam van de Kerk alle aandacht geven aan de ervaring van gelovigen, met name lekengelovigen, die proberen de kerkelijke leer in praktijk te brengen op de terreinen waar zij specifieke ervaring en deskundigheid hebben.

2. Uitingen van de sensus fidei in het persoonlijke leven van gelovigen

60. Drie belangrijke uitingen van de sensus fidei fidelis in het persoonlijke leven van de gelovige kunnen hier genoemd worden. De sensus fidei fidelis stelt individuele gelovigen in staat: 1) te onderscheiden of een bepaald onderricht of een praktijk waarmee zij op dat moment in de Kerk te maken krijgen, coherent is met het ware geloof van waaruit zij leven binnen de kerkelijke gemeenschap (zie hieronder, §§61-63); 2) in de verkondiging onderscheid te maken tussen wat wezenlijk en wat bijkomstig is (§64); en 3) vast te stellen en in praktijk te brengen welk getuigenis van Jezus Christus zij moeten afleggen in de historische en culturele context waarin zij leven (§65).

61. ‘Geliefden, vertrouw niet elke geest. Onderzoek de geesten, om te zien of ze wel van God komen, want onder hen die tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten’ (1Joh 4,1). De sensus fidei fidelis stelt de gelovige in staat te onderscheiden of een bepaald onderricht of een praktijk coherent is met het ware geloof van waaruit hij of zij reeds leeft. Als individuele gelovigen die coherentie waarnemen of ‘aanvoelen’, geven zij als vanzelf hun innerlijke instemming met die onderrichtingen of brengen ze persoonlijk in praktijk, of het nu gaat om waarheden die al expliciet verkondigd zijn of waarheden die nog niet expliciet verkondigd zijn.

62. De sensus fidei fidelis stelt individuele gelovigen ook in staat waar te nemen of er disharmonie, incoherentie of contradictie is tussen een bepaald onderricht of praktijk en het ware christelijke geloof van waaruit zij leven. Hun reactie is als die van een muziekliefhebber die valse noten hoort in de uitvoering van een muziekstuk. In dergelijke gevallen voelen de gelovigen innerlijke weerstand tegen de betreffende onderrichtingen of praktijken en aanvaarden die niet of nemen er niet aan deel. ‘De habitus van het geloof bezit een vermogen dat de gelovige ervan afhoudt in te stemmen met wat strijdig is met het geloof, net zoals een kuise levenshouding iemand beschermt tegen al wat strijdig is met kuisheid.’[76]

63. Gewaarschuwd door hun sensus fidei, kunnen individuele gelovigen zelfs weigeren in te stemmen met het onderricht van kerkelijk erkende pastores als zij in dat onderricht niet de stem herkennen van Christus, de Goede Herder. ‘De schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze nooit volgen; integendeel, ze gaan voor hem op de vlucht, omdat ze de stem van vreemden niet kennen’ (Joh 10,4-5). St.-Thomas meent dat een gelovige, ook zonder theologische scholing, zijn of haar bisschop kan en zelfs moet weerstaan met behulp van de sensus fidei, als hij heterodoxe meningen verkondigt.[77] In zo’n geval beschouwt de gelovige zichzelf niet als laatste criterium voor de geloofswaarheid; eerder is het zo dat hij of zij, geconfronteerd met materieel ‘gezagvolle’ verkondiging die hem of haar zorgen baart, en zonder precies te kunnen uitleggen waarom, zijn of haar instemming opschort en inwendig zich beroept op het allerhoogste gezag van de universele Kerk.[78]

64. De sensus fidei fidelis maakt het de gelovige ook mogelijk in de verkondiging te onderscheiden tussen wat wezenlijk is voor een authentiek katholiek geloof en wat, ook al is het niet formeel tegen het geloof, slechts bijkomstig is of zelfs neutraal ten opzichte van de kern van het geloof. Individuele gelovigen kunnen bijvoorbeeld, op grond van hun sensus fidei, heel bepaalde vormen van Mariaverering relativeren juist vanuit een authentieke devotie tot de Maagd Maria. Ze willen soms ook afstand nemen van verkondiging waarin christelijk geloof onterecht vermengd wordt met partijdige politieke stellingnames. De sensus fidei fidelis houdt de geest van de gelovige dus georiënteerd op wat wezenlijk is voor het geloof, waarborgt op die manier authentieke christelijke vrijheid (zie Kol 2,16-23) en draagt bij aan uitzuivering van het geloof.

65. Dankzij de sensus fidei fidelis en gesteund door de Geestesgave van de bovennatuurlijke prudentie is de gelovige in staat om, in nieuwe historische en culturele omstandigheden, aan te voelen welke manieren het meest geschikt zijn om  authentiek getuigenis af te leggen van de waarheid van Jezus Christus, en er bovendien naar te handelen. De sensus fidei fidelis krijgt in die zin een vooruitziende blik, dat wil zeggen dat hij de gelovige in staat stelt, vanuit het al geleefde geloof, te anticiperen op een ontwikkeling of verklaring van de christelijke praktijk. Omdat de gelovige praktijk en de inhoudelijke begripsvorming ervan met elkaar samenhangen, zorgt de sensus fidei fidelis er op deze wijze voor dat aspecten van het katholieke geloof die voorheen impliciet bleven, nu naar voren komen en in het licht treden; en omdat de sensus fidei van de individuele gelovige en de sensus fidei van de Kerk als zodanig, dat wil zeggen de sensus fidei fidelium, met elkaar samenhangen, zijn zulke ontwikkelingen nooit beperkt tot de privésfeer maar altijd ecclesiaal. De gelovigen staan altijd in relatie met elkaar, en met het leergezag en theologen, in de gemeenschap van de Kerk.

Hoofdstuk 3 - De sensus fidei fidelium in het leven van de Kerk

66. Omdat het geloof van de individuele gelovige deelheeft aan het geloof van de Kerk als gelovend subject, kan de sensus fidei (fidelis) van individuele gelovigen niet losgemaakt worden van de sensus fidei (fidelium) of ‘sensus Ecclesiae[79] van de Kerk zelf, door de Heilige Geest gedragen en van gaven voorzien, [80] en deze consensus fidelium vormt een betrouwbaar criterium om een bepaald onderricht of praktijk te kunnen herkennen als in overeenstemming met de apostolische Traditie.[81] Dit hoofdstuk wijdt zich dan ook aan de bestudering van allerlei aspecten van de sensus fidei fidelium. Het reflecteert allereerst op de rol die deze speelt in de ontwikkeling van de christelijke leer en praktijk; vervolgens op twee relaties die heel belangrijk zijn voor een gezond kerkelijk leven, namelijk de relatie tussen de sensus fidei en het leergezag, en de relatie tussen de sensus fidei en theologie; en ten slotte op enkele oecumenische aspecten van de sensus fidei.

1. De sensus fidei en de ontwikkeling van de christelijke leer en praktijk

67. De Kerk als geheel, leken en hiërarchie tezamen, is verantwoordelijk voor de openbaring zoals die vervat ligt in de heilige Schriften en in de levende apostolische Traditie en voor haar historische bemiddeling. Het Tweede Vaticaans Concilie stelde dat deze samen ‘één heilig pand van het Woord Gods’ vormen dat ‘aan de Kerk toevertrouwd’ is, dat wil zeggen aan ‘het gehele heilige volk, één met zijn herders’.[82] Het concilie leerde duidelijk dat de gelovigen niet louter passieve ontvangers zijn van wat de hiërarchie leert en theologen uitleggen; eerder zijn zij levende en actieve subjecten binnen de Kerk. In dit verband onderstreepte het concilie de vitale rol die alle gelovigen spelen in de articulatie en ontwikkeling van het geloof: ‘Deze van de Apostelen stammende Overlevering vordert onder bijstand van de Heilige Geest in de Kerk’.[83]

a) Retrospectieve en prospectieve aspecten van de sensus fidei

68. Om te begrijpen hoe hij werkzaam is en zich manifesteert in het leven van de Kerk, moeten we de sensus fidei zien in een historische context, in een geschiedenis waarin de Heilige Geest elke dag maakt tot een dag waarop de stem van de Heer te horen is (zie Heb 3,7-15). Het Goede Nieuws van leven, dood en verrijzenis van Jezus Christus wordt gegeven aan de gehele Kerk door de levende apostolische Traditie, waarvan de Schriften het gezagvolle schriftelijke getuigenis zijn. Door de genade van de Heilige Geest, die de Kerk alles in herinnering brengt wat Jezus gezegd en gedaan heeft (zie Joh 14,26), verlaten de gelovigen zich daarom op de Schriften en op de voortgaande apostolische Traditie voor hun geloofsleven en de uitoefening van de sensus fidei.

69. Geloof en de sensus fidei zijn echter niet alleen verankerd in het verleden; ze zijn ook gericht op de toekomst. De gemeenschap van gelovigen is een historische werkelijkheid: ‘gebouwd op het fundament van de Apostelen en profeten, waarvan Christus Jezus zelf de hoeksteen is … groeit het uit tot een heilige tempel in de Heer’ (Ef 2,20-21), in de kracht van de Heilige Geest, die de Kerk leidt ‘naar de volle waarheid’ en de gelovigen nu al alles meedeelt ‘wat komen gaat’ (Joh 16,13), zodat de Kerk, met name in de Eucharistie, anticipeert op de wederkomst van de Heer en de komst van zijn koninkrijk (zie 1Kor 11,26).

70. Terwijl de Kerk wacht op de wederkomst van haar Heer, worden haar leden steeds geconfronteerd met nieuwe omstandigheden, omdat kennis en cultuur zich verder ontwikkelen en de mensengeschiedenis hen voor uitdagingen plaatst; zij moeten de tekenen van de tijd lezen, ‘er in het licht van het goddelijk Woord een oordeel over geven’, en onderscheiden hoe ze de geopenbaarde waarheid zelf de mogelijkheid geven ‘steeds dieper gevat, steeds beter ingezien en steeds meer aangepast naar voren gebracht te worden’.[84] Er is in dit proces een wezenlijke rol weggelegd voor de sensus fidei fidelium. Hij is niet alleen reactief, maar ook proactief en interactief, op de pelgrimsweg die de Kerk en al haar leden afleggen door de geschiedenis. De sensus fidei  kijkt dan ook niet alleen terug maar ook vooruit, en ofschoon ons minder vertrouwd, zijn de prospectieve en proactieve aspecten van de sensus fidei uiterst belangrijk. De sensus fidei zorgt voor een intuïtie waarmee we de juiste weg vinden te midden van de onzekerheden en dubbelzinnigheden die de geschiedenis meebrengt, en zorgt voor een onderscheidend vermogen bij het luisteren naar wat de menselijke cultuur en de wetenschappelijke ontwikkelingen te melden hebben. Hij inspireert het gelovige leven en stuurt authentiek christelijk handelen aan.

71. Het kan lang duren voordat een onderscheidingsproces wordt afgesloten. Geconfronteerd met nieuwe situaties hebben het gelovige volk, de pastores en de theologen elk hun eigen rol te vervullen, en in hun onderlinge interactie is geduld en respect nodig, wil de sensus fidei aan het licht komen en een echte consensus fidelium, een conspiratio pastorum et fidelium bereikt worden.

b) De bijdrage van de leken aan de sensus fidelium

72. Vanaf het begin van het christendom speelden alle gelovigen een actieve rol in de ontwikkeling van het christelijke geloof. De gehele gemeenschap getuigde van het apostolische geloof, en de geschiedenis laat zien dat, wanneer er beslissingen over het geloof moesten worden genomen, de pastores rekening hielden met het getuigenis van de leken. Zoals bleek uit het historisch overzicht hierboven,[85] kan aangetoond worden dat de leken een belangrijke rol speelden bij het ontstaan van meerdere leerdefinities. Soms voelde het Godsvolk, en met name de leken, intuïtief aan in welke richting de leer zich zou ontwikkelen, ook al waren theologen en bisschoppen ter zake verdeeld. Soms bestond er een overduidelijke conspiratio pastorum et fidelium. En soms, wanneer de Kerk een leerstuk vaststelde, had de Ecclesia docens duidelijk de gelovigen ‘geraadpleegd’, en wees zij op de consensus fidelium als een van de argumenten die de vaststelling legitimeerden.

73. Wat minder bekend is, en doorgaans minder aandacht krijgt, is de rol die leken speelden in de ontwikkeling van het morele onderricht van de Kerk. Daarom is het van belang ook te reflecteren op de functie die leken hadden wanneer een christelijke interpretatie gezocht werd van adequaat menselijk gedrag in overeenstemming met het Evangelie. Het kerkelijke onderricht is op sommige terreinen voortgeschreden dankzij het feit dat leken ontdekten wat nieuwe situaties vereisten. De reflectie van theologen, en vervolgens het oordeel van het bisschoppelijk leergezag, berustten op de christelijke ervaring, die al helder geworden was door de gelovige intuïtie van leken. Een paar voorbeelden kunnen de rol van de sensus fidelium in de morele leerontwikkeling illustreren:

i) Tussen canon 20 van het Concilie van Elvira (ong. 306 A.D.), dat clerici en leken verbood rente te ontvangen, en het antwoord, Non esse inquietandos, van Paus Pius VIII aan de bisschop van Rennes (1830)[86] is een duidelijke leerontwikkeling te zien, die te danken is aan nieuwe inzichten bij leken die handel dreven, maar ook aan hernieuwde overdenking door theologen van wat geld precies is.

ii) De openheid van de Kerk voor sociale problemen, die zeer duidelijk aan het licht komt in de Encycliek van Paus Leo XIII, Rerum Novarum (1896), was langzaam gerijpt onder de sterke invloed van ‘sociale pioniers’, leken, zowel activisten als denkers.

iii) De treffende maar homogene ontwikkeling die loopt van de veroordeling van ‘liberale’ opvattingen in paragraaf 10 van de Syllabus Errorum (1864) van Paus Pius IX naar de Verklaring over de Godsdienstvrijheid, Dignitatis Humanae (1965), van Vaticanum II zou niet mogelijk geweest zijn zonder het engagement van vele christenen in de strijd voor mensenrechten.

Dat het zo moeilijk is, juist in gevallen als bovengenoemd, de authentieke sensus fidelium te onderscheiden, wijst erop dat het nodig is de geesteshoudingen te definiëren die voorwaarde zijn voor authentieke deelname in de sensus fidei, geesteshoudingen die op hun beurt als criteria kunnen dienen om de authentieke sensus fidei te onderscheiden.[87]

2. De sensus fidei en het leergezag

a) Het leergezag luistert naar de sensus fidelium

74. Wie gedoopt is kan in geloofszaken niet passief blijven. Gedoopten hebben de Geest ontvangen en als leden van het Lichaam van de Heer gaven en charisma’s toebedeeld gekregen ‘voor de vernieuwing en verdere uitbouw van de Kerk’,[88] en het leergezag moet dus letten op de sensus fidelium, de levende stem van het volk Gods. Niet alleen hebben zij het recht gehoord te worden, maar hun reactie op wat aangeboden wordt als behorend tot het geloof van de Apostelen, moet zeer ernstig genomen worden, want het apostolische geloof kan alleen door de Kerk als geheel onder de kracht van de Geest gebracht worden. Het leergezag  is daarvoor niet als enige verantwoordelijk. Het leergezag moet zich daarom verstaan met de geloofszin van de Kerk als geheel. De sensus fidelium kan een belangrijke factor zijn in de leerontwikkeling, en daaruit volgt dat het leergezag instrumenten moet hebben om de gelovigen te raadplegen.

75. De verbinding tussen de sensus fidelium en het leergezag is in het bijzonder te vinden in de liturgie. De gelovigen zijn gedoopt om een koninklijk priesterschap te zijn, dat voornamelijk wordt uitgeoefend in de viering van de eucharistie,[89] en de bisschoppen zijn de ‘hogepriesters’ die de eucharistieviering leiden,[90] en daar tevens regulier hun leraarsambt uitoefenen. De eucharistie is bron en hoogtepunt van het leven van de Kerk;[91] juist hier handelen de gelovigen en hun pastores tezamen, als één lichaam gericht op één doel, namelijk God te loven en te prijzen. De eucharistieviering geeft aan de sensus fidelium vorm en uitdrukking en draagt sterk bij aan de formulering en verdere verbetering van de woordenschat van het geloof, omdat dat de plaats is waar het onderricht van bisschoppen en concilies uiteindelijk ‘aanvaard’ wordt door de gelovigen. Vanaf de tijd van de eerste christenen verstevigde het vieren van de eucharistie de verwoording van de kerkelijke leer, omdat daar bij uitstek de ontmoeting en viering van het geloofsmysterie plaatsvond, en omdat de bisschoppen die te midden van hun gelovigen de eucharistieviering van hun plaatselijke kerken leidden, ook degenen waren die bijeenkwamen in concilies om vast te stellen hoe het geloof het beste in woorden en formules kon worden uitgedrukt: lex orandi, lex credendi.[92]

b) Het leergezag voedt, onderscheidt en beoordeelt de sensus fidelium   

76. Het leergezag  ‘van hen, die met de opvolging in het bisschopsambt de betrouwbare geestesgave van de waarheid ontvangen hebben’[93] is een dienstwerk voor de waarheid, uitgeoefend in en voor de Kerk, waarin alle leden gezalfd zijn door de Geest van waarheid (Joh 14,17; 15,26; 16,13; 1Joh 2,20.27), en toegerust zijn met de sensus fidei, een intuïtie voor de waarheid van het Evangelie. Omdat het leergezag verantwoordelijk is voor de trouw van de Kerk als geheel aan Gods woord, en om het Godsvolk in trouw aan het Evangelie te bewaren, is het zijn verantwoordelijkheid de sensus fidelium te voeden en te vormen. Uiteraard zijn degenen die het leergezag uitoefenen, namelijk de paus en de bisschoppen, zelf allereerst gedoopte leden van het Godsvolk, die precies op grond daarvan deelhebben in de sensus fidelium.

77. Het leergezag beoordeelt ook met gezag of meningen die leven onder het Godsvolk, en die de sensus fidelium lijken te vormen, feitelijk overeenkomen met de waarheid van de Traditie die is ontvangen van de Apostelen. Zoals Newman zei: ‘De gave van het onderscheid, het kritische oordeel, het definiëren, promulgeren en handhaven van elk stukje van die traditie berust uitsluitend bij de Ecclesia docens’.[94] Een oordeel derhalve over de authenticiteit van de sensus fidelium komt uiteindelijk niet toe aan de gelovigen zelf en ook niet aan de theologie, maar aan het leergezag. Maar zoals al benadrukt is, het geloof waaraan het leergezag dienst betoont is het geloof van de Kerk dat leeft in alle gelovigen, en dus oefent het zijn wezenlijke dienst van toezicht altijd uit binnen de eenheid van het kerkelijke leven.

c) Receptie

78. ‘Receptie’ kan omschreven worden als een proces waarin het Godsvolk, onder leiding van de Geest, intuïties of inzichten herkent en onderbrengt in zijn levenspatronen en liturgische structuren, en daarbij een nieuw getuigenis van de waarheid met bijbehorende uitingsvormen aanvaardt, omdat het inziet dat deze overeenstemmen met de apostolische Traditie. Het receptieproces is fundamenteel voor het leven en de gezondheid van de Kerk, die als volk van pelgrims in de geschiedenis op weg is naar de volheid van Gods Koninkrijk.

79. Alle gaven van de Geest, en in het bijzonder de gave van het primaat in de Kerk, hebben de bedoeling de eenheid van de Kerk in geloof en onderlinge verbondenheid te bevorderen,[95] en de Geest zelf stimuleert de receptie door de gelovigen van het onderricht door het leergezag, omdat de gelovigen immers, in bezit van de sensus fidei, de waarheid van het onderricht herkennen  en het aanhangen. Zoals hierboven gezegd, het onderricht van Vaticanum I dat onfeilbare definities van de paus onherroepelijk zijn ‘uit zichzelf en niet afhankelijk zijn van de instemming van de Kerk [ex sese non autem ex consensu ecclesiae]’[96] betekent niet, dat de paus losstaat van de Kerk of dat zijn onderricht onafhankelijk is van het geloof van de Kerk.[97] Het feit dat voorafgaand aan de onfeilbare uitspraken over de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria en haar lichamelijke Tenhemelopneming een uitgebreide raadpleging van de gelovigen plaatsvond op uitdrukkelijke wens van de betreffende pausen is een duidelijk bewijs daarvan.[98] Wat ermee bedoeld wordt is eerder dat dergelijk onderricht door de paus, en in het verlengde daarvan alle onderricht van paus en bisschoppen, gezagvol is in zichzelf omdat zij de gave van de Heilige Geest, het charisma veritatis certum, bezitten.

80. Het komt echter voor dat de receptie door de gelovigen van het onderricht van het leergezag problemen en weerstand ontmoet, en in zulke omstandigheden moet er adequate actie ondernomen worden aan beide kanten. De gelovigen moeten nadenken over het gegeven onderricht, en alles doen om het te begrijpen en te aanvaarden. Principiële weerstand tegen het onderricht van het leergezag is onverenigbaar met de authentieke sensus fidei. Evenzo moet het leergezag nadenken over het gegeven onderricht en overwegen of het verhelderd of geherformuleerd moet worden, om zo het wezen van de boodschap effectiever over te dragen. Deze inspanningen aan beide kanten in moeilijke tijden zijn op zichzelf al een teken van de verbondenheid die wezenlijk is voor het leven van de Kerk, en tegelijk drukken ze een diep verlangen uit naar de genade van de Geest die de Kerk ‘naar de volle waarheid’ leidt (Joh 16,13).

3. De sensus fidei en de theologie

81. De theologie, die dienst verleent aan het geloofsinzicht, probeert te midden van de conspiratio van alle kerkelijke charisma’s en functies de Kerk te helpen aan objectieve nauwkeurigheid met betrekking tot de inhoud van haar geloof, en steunt daarbij op het bestaan en de correcte uitoefening van de sensus fidelium. Die is voor theologen niet louter object van onderzoek, maar vormt het fundament van en een locus voor hun werk.[99] De theologie zelf heeft derhalve een tweevoudige relatie tot de sensus fidelium. Aan de ene kant zijn theologen afhankelijk van de sensus fidei, omdat het geloof dat zij bestuderen en formuleren zich in het Godsvolk bevindt. In die zin moet theologie plaatsnemen in de leerschool van de sensus fidelium en daar de diepe weerklank van het woord Gods beluisteren.  Aan de andere kant helpen theologen de gelovigen de authentieke sensus fidelium tot uitdrukking te brengen door hun de hoofdlijnen van het geloof voor te houden, en door hen te helpen zijwegen en verwarring te vermijden die veroorzaakt worden door de invloed van fantasierijke gegevens uit andere sferen. Deze tweevoudige relatie moet wat toegelicht worden, zoals hieronder in de secties (a) en (b).

a) Theologen zijn afhankelijk van de sensus fidelium

82.  Door plaats te nemen in de leerschool van de sensus fidelium, verdiept de theologie zich in de werkelijkheid van de apostolische Traditie die dieper en breder is dan de scherpe grenzen die getrokken worden door de uitdrukkingen waarin het kerkelijke onderricht is geformuleerd; deze Traditie omvat immers ‘alles wat zij zelf is, alles wat zij gelooft’.[100] Daarbij zijn drie afzonderlijke punten van overweging te noemen:

i)   Theologie zou op zoek moeten gaan naar het woord dat groeit als een zaadje in de aarde van de mensenlevens in het Godsvolk, en wanneer zij vastgesteld heeft dat een bepaald accent, verlangen of gedrag daadwerkelijk van de Geest afkomstig is, en dus overeenkomt met de sensus fidelium, zou zij het moeten opnemen in haar onderzoek.

ii) Door de sensus fidelium voelt het Godsvolk intuïtief aan wat, onder alle ideeën en leerstellingen die zich aandienen, overeenstemt met het Evangelie en dus kan worden aanvaard. Theologie zou zich zorgvuldig aan de taak moeten zetten, de verschillende receptieniveaus te onderzoeken die voorkomen in het leven van het Godsvolk.

iii)  De sensus fidelium is zowel een bron als een erkenning van de authenticiteit van de symbolische of mystieke taal die veelvuldig voorkomt in de liturgie en in volksreligiositeit. De theoloog moet op de hoogte zijn van de uitingen van volksreligiositeit,[101] en deelnemen in leven en liturgie van de plaatselijke kerk, teneinde op diep niveau, niet alleen met het hoofd maar ook met het hart, de reële historische en culturele context te kunnen aanvoelen, waarbinnen de Kerk en haar leden proberen hun geloof te beleven en van Christus te getuigen in de wereld van vandaag.

b) Theologen denken na over de sensus fidelium

83. Omdat de sensus fidelium niet zomaar samenvalt met een tijdgebonden meerderheidsopvatting van de gedoopten, moet de theologie beginselen en criteria vaststellen waarmee met name het leergezag de sensus fidelium kan onderscheiden.[102] Met hun kritische reflectie helpen theologen de inhoud van de sensus fidelium aan het licht te brengen en te verhelderen; ‘zij erkennen en tonen aan dat kwesties die met de geloofswaarheid van doen hebben complex kunnen zijn, en dat het onderzoek ernaar nauwgezet moet gebeuren’.[103] Om die reden moeten theologen ook met een kritisch oog kijken naar uitingen van volksgeloof, nieuwe denkstromingen en ook nieuwe kerkelijke bewegingen, met het oog op trouw aan de apostolische Traditie.[104] Door dat te doen helpen theologen onderscheiden waar de Kerk in voorkomende gevallen mee te maken heeft: met een afwijking veroorzaakt door een crisis of verkeerd begrijpen van het geloof, met een mening die thuishoort in de veelvormigheid van de christelijke gemeenschap zonder noodzakelijkerwijs gevolgen te hebben voor anderen, of met iets dat zozeer overeenstemt met het geloof dat het als een inspiratie of opwekking door de Geest moet worden gezien.

84. Theologie bewijst ook nog op een andere manier dienst aan de sensus fidelium. Ze helpt de gelovigen aan helderder en preciezer inzicht in de authentieke  betekenis van de Schrift, in de ware strekking van concilie-uitspraken, in de juiste inhoud van de Traditie, en ook in wat aan vragen open blijft - bijvoorbeeld omdat bepaalde uitspraken dubbelzinnig zijn, of omdat culturele factoren hun stempel gedrukt hebben op wat overgeleverd is - en waar eerder ingenomen stellingen herziening behoeven. De sensus fidelium berust op een sterk en betrouwbaar inzicht in het geloof, iets wat theologie probeert te bevorderen.

4. Oecumenische aspecten van de sensus fidei

85. De begrippen sensus fidei, sensus fidelium en consensus fidelium zijn allemaal besproken, of tenminste vermeld, in meerdere internationale dialogen tussen de katholieke Kerk en andere kerken en kerkelijke gemeenschappen. In grote lijnen is men het erover eens in deze dialogen, dat de gelovige gemeenschap als geheel, leken zowel als ambtsdragers, verantwoordelijk is voor het bewaren van het apostolische geloof en het getuigenis van de Kerk, en dat elke gedoopte, dankzij een goddelijke zalving (1Joh 2,20.27), in geloofszaken de waarheid vermag te onderscheiden. Er is ook algemene overeenstemming dat bij bepaalde leden van de Kerk speciale verantwoordelijkheid ligt voor onderricht en toezicht, maar altijd in samenwerking met de overige gelovigen.[105]

86. Met name twee kwesties met betrekking tot de sensus fidelium dienen zich aan in de context van de oecumenische dialoog, waarvoor de katholieke Kerk zich onomkeerbaar geëngageerd heeft:[106]

i) Kunnen alleen die leerstukken die de instemming van alle christenen verkrijgen worden beschouwd als weergave van de sensus fidelium en dus als betrouwbaar en verplichtend? Dit voorstel gaat in tegen geloof en praktijk van de katholieke Kerk. Middels de dialoog proberen katholieke theologen en die van andere tradities overeenstemming te bereiken over kwesties die de Kerk verdeeld houden, maar de katholieke deelnemers kunnen hun engagement met de eigen leer van de katholieke Kerk niet opschorten.

ii) Kunnen afgescheiden christenen geacht worden op een of andere manier deel te hebben of bij te dragen aan de sensus fidelium? Het antwoord is zonder twijfel bevestigend.[107] De katholieke Kerk erkent dat er ‘meerdere elementen van heiliging en waarheid’ te vinden zijn buiten haar zichtbare grenzen,[108] dat in andere gemeenschappen ‘bepaalde aspecten van het christelijke geheim soms zelfs effectiever aan de dag treden’,[109] en dat de oecumenische dialoog haar helpt bij het uitdiepen en verhelderen van haar eigen verstaan van het Evangelie.

Hoofdstuk 4 - Hoe authentieke manifestaties van de sensus fidei te onderscheiden

87. De sensus fidei is wezenlijk voor het leven van de Kerk, en we moeten nu zien hoe authentieke manifestaties van de sensus fidei onderscheiden en vastgesteld kunnen worden. Zo’n onderscheid is met name nodig in situaties waar spanning heerst; dan moet de authentieke sensus fidei worden onderscheiden van wat niet meer is dan een populaire opvatting, particuliere belangen of de tijdgeest. Ervan uitgaande dat de sensus fidei een kerkelijke werkelijkheid is waaraan individuele gelovigen deel hebben, probeert het eerste deel van dit hoofdstuk vast te stellen aan welke kenmerken gedoopten moeten voldoen, willen zij echte subjecten zijn van de sensus fidei, met andere woorden, welke geesteshoudingen zijn nodig, willen gelovigen op authentieke wijze deelnemen in de sensus fidelium. De criteria aangereikt in het eerste deel worden dan aangevuld met een beschouwing van de praktische toepassing ervan met betrekking tot de sensus fidei in het tweede deel van het hoofdstuk. Deel twee overdenkt drie belangrijke kwesties: ten eerste, het nauwe verband tussen de sensus fidei en volksreligiositeit; vervolgens, het noodzakelijke onderscheid tussen de sensus fidei en de publieke opinie binnen of buiten de Kerk; en ten slotte, de kwestie hoe de gelovigen te raadplegen in zaken van geloof en zeden.

1. Geesteshoudingen die nodig zijn voor authentieke deelname in de sensus fidei

88. Het gaat niet om één enkele geesteshouding, maar eerder om een samenstel van geesteshoudingen die bepaald worden door kerkelijke, spirituele en ethische factoren. Geen ervan kan los van de andere besproken worden; elke dispositie moet in relatie gezien worden met elke andere en met het geheel. Hieronder worden alleen de belangrijkste geesteshoudingen voor authentieke deelname in de sensus fidei aangegeven; ze zijn ontleend aan Bijbels, historisch en systematisch onderzoek, en geformuleerd met het oog op gebruik in praktische situaties waarin onderscheiding moet plaatsvinden.

a) Deelnemen in het kerkelijke leven

89. De eerste, zeer fundamentele geesteshouding is de actieve deelname in het leven van de Kerk. Formeel lidmaatschap van de Kerk is niet genoeg. Deelnemen in het kerkelijke leven betekent bidden zonder ophouden (zie 1Tes 5,17), actieve deelname in de liturgie, met name de eucharistie, het regelmatige ontvangen van het sacrament van de verzoening, het onderscheiden van en werken met de gaven en charisma’s geschonken door de Heilige Geest, en actief engagement in de missie en de diakonia van de Kerk. Het veronderstelt aanvaarding van de leer van de Kerk inzake geloof en zeden, bereidheid Gods geboden te volgen, en moed om zowel broeders en zusters te corrigeren als zelf correctie te aanvaarden.

90. Deze deelname kan talloze vormen aannemen, maar alle vormen worden gekenmerkt door een actieve solidariteit met de Kerk; die komt uit het hart, voelt zich verwant met andere gelovigen en met de Kerk als geheel, en voelt daarbij instinctief aan wat de Kerk nodig heeft of bedreigen kan. De houding die daarbij hoort, wordt goed verwoord in de uitdrukking sentire cum ecclesia, ofwel voelen, begrijpen en waarnemen in harmonie met de Kerk. Dit wordt niet alleen gevraagd van theologen, maar van alle gelovigen; het houdt alle leden van het Godsvolk bijeen op hun pelgrimstocht. Alleen daardoor ‘trekken zij samen op’.

91. De subjecten van de sensus fidei zijn leden van de Kerk die deelnemen in het kerkelijk leven, in het besef dat ‘wij allen tezamen in Christus één lichaam vormen, en ieder afzonderlijk zijn wij elkaars ledematen’ (Rom 12,5).

b) Luisteren naar het woord van God

92. Authentieke deelname in de sensus fidei berust noodzakelijkerwijs op een diepgaand en aandachtig beluisteren van het woord van God. Omdat de Bijbel het oorspronkelijke getuigenis is van Gods woord, dat van generatie op generatie wordt doorgegeven in de geloofsgemeenschap,[110] wijst coherentie met Schrift en Traditie het beste in de richting van zulk luisteren. De sensus fidei is de geloofszin waardoor het volk Gods ‘het woord aanvaardt, niet als een woord van mensen, maar werkelijk als het woord van God’.[111]

93. Er wordt beslist niet van alle leden van het Godsvolk gevraagd dat zij de Bijbel en de getuigenissen van de Traditie op een wetenschappelijke wijze bestuderen. Wat gevraagd wordt is veeleer een aandachtig en ontvankelijk luisteren naar de Schriften in de viering van de liturgie, en een antwoord vanuit het hart. ‘Wij danken God’ en ‘Wij verheerlijken U, Heer Jezus Christus’, een vurige belijdenis van het geloofsmysterie, en een ‘Amen’ dat antwoord is op het ‘Ja’ dat God tegen zijn volk heeft uitgesproken in Jezus Christus (2Kor 1,20). Deelname in de liturgie is de toegang tot deelname in de levende Traditie van de Kerk, en solidariteit met de armen en behoeftigen opent het hart om de aanwezigheid en de stem van Christus te herkennen (zie Mt 25,31-46).

94. De subjecten van de sensus fidei zijn leden van de Kerk die ‘het woord hebben aangenomen … met vreugde van de Heilige Geest’ (1Tes 1,6).

c) Openstaan voor de rede

95. Een fundamentele geesteshouding die nodig is voor authentieke deelname in de sensus fidei is het aanvaarden van de eigen rol die de rede speelt met betrekking tot het geloof. Geloof en rede horen bij elkaar.[112] Jezus leerde dat wij God moeten liefhebben, niet alleen ‘met heel uw hart en met heel uw ziel … en met heel uw kracht’, maar ook ‘met heel uw verstand [nous]’ (Mc 12,30). Omdat er slechts één God is, is er maar één waarheid, die herkend wordt vanuit verschillende gezichtspunten en op verschillende  wijzen door het geloof enerzijds en de rede anderzijds. Geloof zuivert de rede uit en verbreedt de blik ervan, en de rede zuivert het geloof uit en verheldert de coherentie ervan.[113]

96. De subjecten van de sensus fidei zijn leden van de Kerk die een ‘redelijke eredienst’ vieren en de eigen rol van de rede, verlicht door het geloof, aanvaarden in wat zij geloven en doen. Alle gelovigen horen de oproep: ‘Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid. Dan bent u in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, welgevallig en volmaakt’ (Rom 12,1-2).

d) Aanhankelijk aan het leergezag

97. Een volgende geesteshouding die nodig is om op authentieke wijze deel te nemen in de sensus fidei is aandacht voor het kerkelijke leergezag, en bereidheid naar het onderricht van de pastores van de Kerk te luisteren, en dat als vrije daad en uit diepe overtuiging.[114] Het leergezag is gefundeerd in Jezus’ zending, in het bijzonder in zijn eigen gezagvolle onderricht (zie Mt 7,29). Het is intrinsiek verbonden met zowel Schrift als Traditie; de drie zijn zo met elkaar verbonden ‘dat het een zonder de andere geen stand houdt’.[115]

98. De subjecten van de sensus fidei zijn leden van de Kerk die acht slaan op wat Jezus zegt tegen degenen die Hij uitzendt: ‘Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij, en wie jullie afwijst, wijst Mij af; maar wie Mij afwijst, wijst Hem af die Mij gezonden heeft’ (Lc 10,16).

e)         Heiligheid - nederigheid, vrijheid en vreugde

99. Authentieke deelname in de sensus fidei vraagt heiligheid. Heel de Kerk en iedere gelovige is geroepen om heilig te zijn.[116] Heilig zijn betekent in wezen dat iemand bij God hoort in Jezus Christus en in zijn Kerk, gedoopt is en gelovig leeft in de kracht van de Heilige Geest. Heiligheid is in feite deelnemen in het leven van God, Vader, Zoon en Heilige Geest, en omvat liefde voor God en de naaste, gehoorzaamheid aan Gods wil en inzet voor medemensen. Wie zo leeft wordt ondersteund door de Heilige Geest, die dan ook met regelmaat wordt aangeroepen en ontvangen door christenen (zie Rom 1,7-8.11), vooral in de liturgie.

100. In de geschiedenis van de Kerk zijn de heiligen de fakkeldragers van de sensus fidei. Maria, de Moeder van God, de Allerheiligste (Panagia), is dankzij haar volledige aanvaarding van Gods woord het geloofsvoorbeeld bij uitstek, zij is Moeder van de Kerk.[117] Zij bewaarde Christus’ woorden in haar hart (Lc 2,51) en bezong de grote daden van Gods heilswerk (Lc 1,46-55), en zij laat daarmee op volmaakte wijze zien wat de sensus fidei in de harten van de gelovigen tot stand brengt aan vreugde om Gods woord en vurig verlangen om de goede boodschap te verkondigen. In alle opeenvolgende generaties is dankzij de gave van de Geest aan de Kerk een rijke oogst aan heiligheid geschonken, alleen God kent van alle heiligen het getal.[118] Degenen die zijn zalig- en heiligverklaard zijn zichtbare voorbeelden van christelijk geloven en leven. De Kerk beschouwt Maria en alle heiligen, met hun bidden en hun passie, als bijzondere getuigen van de sensus fidei in hun eigen tijd en voor altijd, in hun eigen omgeving en overal.

101. Heiligheid vraagt ten diepste om een imitatio Christi (zie Fil 2,5-8), en heeft daarom wezenlijk van doen met nederigheid. Nederigheid in deze zin is het tegenovergestelde van onzekerheid of verlegenheid;  het is een geestelijk vrije opstelling. Vrijmoedigheid (parrhesia) naar het voorbeeld van Christus zelf (zie Joh 18,20) gaat samen met nederigheid en is ook een kenmerk van de sensus fidei. Eerst en vooral brengen we in de Kerk zelf deze nederigheid in praktijk. Het is niet alleen een deugd van leken ten opzichte van hun pastores, maar ook een plicht van de pastores zelf in hun dienstwerk voor de Kerk. Jezus leerde de twaalf: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen’ (Mc 9,35). Nederig is wie met vanzelfsprekendheid de geloofswaarheid aanvaardt, het pastorale ambt, en dat wat de gelovigen nodig hebben, met name de zwaksten.

102. Een echt teken van heiligheid is ‘vrede en vreugde door de heilige Geest’ (Rom 14,17; zie ook 1Tes 1,6). Dat zijn gaven die zich voornamelijk op spiritueel, niet op psychologisch of emotioneel niveau manifesteren, namelijk de vrede in het hart en de kalme vreugde van iemand die de rijkdom van het heil, de kostbare parel (zie Mt 13,44-46) gevonden heeft. Vrede en vreugde zijn inderdaad twee van de meest karakteristieke vruchten van de Heilige Geest (zie Gal 5,22). Het is de Heilige Geest die het hart beweegt en naar God toekeert, ‘de ogen van de geest opent, en “aan allen vreugde en smaak geeft om met de waarheid in te stemmen en erin te geloven [omnibus suavitatem in consentiendo et credendo veritati]”’.[119] Vreugde staat tegenover de bitterheid en boosheid die de Heilige Geest droevig stemmen (zie Ef. 4,31), vreugde is het waarmerk van het heil.[120] Sint-Petrus moedigt christenen aan om verheugd te zijn over hun deelname in het lijden van Christus, ‘dan kunt u ook bij de openbaring van zijn heerlijkheid juichen van vreugde’(1Pe 4,13).

103. De subjecten van de sensus fidei zijn kerkleden die luisteren naar en antwoorden op de oproep van Sint-Paulus: ‘maak mijn vreugde dan volledig door uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid’. ‘Geef niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar beschouw in alle nederigheid de ander als hoger dan uzelf’ (Fil 2,2-3).

f) De wil om de Kerk op te bouwen

104. Wanneer de sensus fidei authentiek tot uitdrukking komt, draagt hij bij aan de opbouw van de Kerk als één enkel lichaam, en bevordert hij geen interne verdeeldheid en particularisme. In de eerste Brief aan de Korintiërs is die opbouw de kern van het deelnemen in het leven en de zending van de Kerk (zie 1Kor 14). Opbouwen betekent dat de Kerk versterkt wordt zowel in haar innerlijk geloofsbewustzijn als met nieuwe leden, die gedoopt willen worden in het geloof van de Kerk. De Kerk is het huis van God, een heilige tempel, bestaande uit gelovigen die de Heilige Geest hebben ontvangen (zie 1Kor 3,10-17). De Kerk opbouwen betekent, de eigen gaven leren ontdekken en ontplooien, en ook anderen helpen hun charisma’s te ontdekken en ontplooien, hun vergissingen corrigeren en ook zelf correctie aanvaarden in een geest van christelijke naastenliefde, samenwerken en samen bidden met anderen, en delen in hun vreugden en zorgen (zie 1Kor 12,12.26).

105. De subjecten van de sensus fidei zijn kerkleden die laten zien wat Sint-Paulus bedoelt wanneer hij tegen de Korintiërs zegt: ‘Aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen’ (1Kor 12,7).

2. Toepassingen

106. Een discussie over geesteshoudingen die horen bij de sensus fidei moet worden aangevuld met een beschouwing over een paar belangrijke praktische en pastorale kwesties, in het bijzonder betreffende het verband tussen de sensus fidei en de volksreligiositeit; het noodzakelijke onderscheid tussen de sensus fidei enerzijds en de publieke opinie of meerderheidsopvatting anderzijds; en hoe de gelovigen kunnen worden geraadpleegd in kwesties van geloof en zeden. Deze punten worden nu achtereenvolgens behandeld.

a)De sensus fidei en volksreligiositeit

107. Er bestaat een natuurlijke, aangeboren menselijke ‘religiositeit’; religieuze vragen komen in ieder mensenleven als vanzelf naar boven, met een breed scala aan religieuze opvattingen en volksgebruiken. Aan het verschijnsel van volksreligiositeit is de laatste jaren veel aandacht en studie gewijd.[121]

108. De term ‘volksreligiositeit’ wordt soms meer specifiek gebruikt, bijvoorbeeld voor de grote verscheidenheid aan christelijke geloofsuitdrukkingen die onder het Godsvolk in de Kerk leeft, of beter gezegd,  voor ‘de katholieke volkswijsheid’ die op zo veelsoortige wijze tot uitdrukking komt. Die wijsheid ‘combineert op creatieve wijze het goddelijke en het menselijke, Christus en Maria, geest en lichaam, verbondenheid en institutie, persoon en gemeenschap, geloof en vaderland, intelligentie en emotie’, en is daarmee ook voor het volk ‘een beginsel van onderscheiding en een evangelisch instinct waardoor het spontaan aanvoelt wanneer het Evangelie gediend wordt in de Kerk, en wanneer het beroofd wordt van zijn inhoud en door andere belangen verstikt wordt’. [122] Volksreligiositeit is zo’n wijsheid, ze is beginsel en instinct en staat daarom duidelijk in zeer nauw verband met de sensus fidei; zij verdient in de context van deze studie zorgvuldige behandeling.

109. Jezus’ woorden, ‘Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen’ (Mt 11,25; Lc 10,21), zijn zeer relevant in deze context. Ze wijzen op de wijsheid en het inzicht in de dingen van God die gegeven zijn aan mensen van eenvoudig geloof. Grote massa’s eenvoudige christengelovigen (en natuurlijk ook mensen buiten de zichtbare kerkelijke grenzen) hebben op eigen bevoorrechte wijze toegang, minstens potentieel, tot de diepe waarheden van God. Volksreligiositeit komt met name voort uit de Godskennis die deze mensen ontvangen. Zij is ‘een uiting van theologaal leven dat wordt bezield door het werken van de Heilige Geest, die in onze harten is uitgestort (zie Rom 5,5)’.[123]

110. Volksreligiositeit, als beginsel of instinct, en als een rijke christelijke levenspraktijk met name in de vorm van culturele activiteiten zoals bijvoorbeeld volksdevoties, pelgrimstochten en processies, komt voort uit de sensus fidei en maakt haar zichtbaar; daarom verdient de volksreligiositeit respect en stimulans. Erkend moet worden dat met name de volksvroomheid ‘de eerste en meest fundamentele vorm van “inculturatie” van het geloof’ is.[124] Deze vroomheid is ‘een kerkelijke werkelijkheid die opgeroepen en bevorderd wordt door de Heilige Geest’,[125] die het Godsvolk daarmee feitelijk zalft tot een ‘heilig priesterschap’. Het is eigen aan het priesterschap van het volk dat het zich op veelsoortige wijze uitdrukt.

111. De priesterlijke activiteit van het volk vindt terecht haar hoogtepunt in de liturgie, en volksdevoties moeten met zorg ‘in overeenstemming met de heilige liturgie’ gebracht worden.[126] Meer in het algemeen gesproken moet volksreligiositeit, zoals Paus Paulus VI leerde, geëvangeliseerd worden, omdat ze het risico loopt dat er ‘vele godsdienstige misvormingen en zelfs bijgeloof’ in haar binnendringen.[127] Maar in de woorden van deze Paus is zij, wanneer ze met zorg in die richting geleid wordt, en ‘goed gericht’ staat, ‘rijk aan waardevolle elementen’. ‘Ze laat een sterk Godsverlangen zien dat alleen eenvoudige en arme mensen op die manier kennen. Ze brengt edelmoedigheid en offerbereidheid in mensen voort die soms bijna heldenmoed worden wanneer het erom gaat het geloof tot uitdrukking te brengen. Ze beschikt over een fijnzinnig aanvoelen van wezenlijke eigenschappen van God: vaderschap, voorzienigheid, levende en duurzame aanwezigheid. Ze brengt innerlijke attitudes voort die elders in deze mate nauwelijks voorkomen: geduld, gevoeligheid voor het kruis in het leven alledag, onthechting, openheid naar anderen, vroomheid … Wanneer ze goed gericht staat kan deze volksreligiositeit steeds meer voor talloos velen van ons volk een ware ontmoeting met God in Jezus Christus betekenen.’[128] Toen hij zijn bewondering uitte voor de opmerking van de oudere vrouw,[129] gaf Paus Franciscus weerklank aan de waardering die hier door Paus Paulus VI tot uitdrukking wordt gebracht. Nogmaals, goed gericht staande volksreligiositeit kan worden beschouwd als toonbeeld en uitdrukking van de sensus fidei, zowel vanwege haar inzicht in de diepe geheimen van het Evangelie als vanwege haar moedige geloofsgetuigenis.

112. We kunnen ook zeggen dat volksreligiositeit ‘goed gericht staat’ als zij in ware zin ‘kerkelijk’ is. Paus Paulus gaf in dezelfde tekst enkele criteria voor kerkelijkheid aan. Kerkelijk is iemand die zich laat voeden door Gods Woord, zich niet door politieke overwegingen of ideologieën laat gebruiken, sterk verbonden blijft met zowel de plaatselijke als de universele Kerk, met de pastores van de Kerk en met het leergezag, en een vurig missionair elan heeft.[130] Deze criteria formuleren voorwaarden waaronder volksreligiositeit alsook de onderliggende sensus fidei authentiek zijn. In die authentieke vorm inspireren ze allebei op bijzondere wijze de zending van de Kerk, zoals het laatste criterium al aangeeft. Paus Franciscus benadrukt de ‘missionaire kracht’ van de volksvroomheid en zegt, met een impliciete verwijzing naar de sensus fidei, dat er ‘onder de volksvroomheid’ ook zoiets als ‘een actieve evangeliserende kracht schuilgaat die wij niet moeten onderschatten: wie dat doet zou het werk van de Heilige Geest kunnen veronachtzamen’.[131]

b) De sensus fidei en de publieke opinie

113. Een zeer delicaat onderwerp is het verband tussen de sensus fidei  en de publieke opinie of de meerderheidsopvatting zowel binnen als buiten de Kerk. De publieke opinie is een sociologisch concept, dat primair van toepassing is in politieke gremia. Wat benoemd wordt als publieke opinie is voortgekomen uit en ontwikkeld binnen het politieke model van de representatieve democratie. Wanneer politieke macht gelegitimeerd wordt door het volk, moet het volk laten weten wat het vindt, en moet de politieke macht daarmee bij de bestuurlijke uitvoering rekening houden. De publieke opinie is daarom een wezenlijk element in een gezond functionerende democratische samenleving; het is van belang dat die op bekwame en eerlijke wijze wordt geïnformeerd en bijgestuurd. Daar ligt de rol van de massamedia, zij dragen sterk bij aan het welzijn van de samenleving, zolang zij tenminste niet proberen meningen te manipuleren ten gunste van particuliere belangen.

114. De Kerk waardeert de hoge menselijke en morele waarden waaraan de democratie zich verbonden heeft, maar is zelf niet gestructureerd volgens de beginselen van een seculiere politieke samenleving. De Kerk, als geheimvolle gemeenschap van de mensheid met God, wordt geconstitueerd door Christus. Hij is degene van wie de Kerk haar interne structuur en de beginselen voor haar bestuur ontvangt. De publieke opinie kan daarom in de Kerk niet de beslissende rol spelen die ze met recht vervult in de politieke samenlevingen die berusten op het beginsel van de soevereiniteit van het volk; toch heeft ze in de Kerk een eigen rol, zoals we hieronder willen toelichten.

115. De massamedia becommentariëren dikwijls godsdienstige kwesties. Publieke aandacht voor geloofszaken is een goed teken, en de persvrijheid is een fundamenteel mensenrecht. De katholieke Kerk is niet bang voor discussie of controverse over haar onderricht. Integendeel, zij verwelkomt het debat als een teken van godsdienstvrijheid. Mensen zijn vrij om de godsdienst te kritiseren of te ondersteunen. De Kerk weet dat eerlijke en constructieve kritiek haar kan helpen om problemen beter te onderkennen en geschiktere oplossingen te vinden. Op haar beurt is zij vrij om kritisch te reageren op onrechtvaardige kritiek, en heeft zij recht op toegang tot de media om zo nodig het geloof te verdedigen. Zij waardeert het als zij uitgenodigd wordt door onafhankelijke media om bij te dragen aan het publieke debat. Zij wil geen monopolie op de informatievoorziening, maar waardeert verscheidenheid en uitwisseling van gedachten. Ze is zich evenwel ook bewust van het belang dat de samenleving informatie krijgt over de ware betekenis en inhoud van wat zij gelooft en wat zij als ethische levensvorm voorhoudt.

116. Tegenwoordig is in de Kerk vaker te beluisteren wat leken te zeggen hebben, soms met behoudende, soms met vooruitstrevende stellingnamen, maar over het algemeen als een constructieve bijdrage voor het leven en de zending van de Kerk. Qua educatie heeft de samenleving een enorme ontwikkeling doorgemaakt en dat heeft de binnenkerkelijke verhoudingen sterk beïnvloed. De Kerk zelf is wereldwijd bezig met vormingsprogramma’s die mensen hun eigen stem en hun eigen rechten willen bezorgen. Het is daarom een goed teken als veel mensen tegenwoordig geïnteresseerd zijn in het onderricht, de liturgie en het dienstwerk van de Kerk. Veel kerkleden willen hun eigen deskundigheid inbrengen in de Kerk, en op hun eigen manier in het leven van de Kerk deelnemen. Ze organiseren zichzelf binnen de parochies en in allerlei groepen en bewegingen om de Kerk op te bouwen en de samenleving als geheel te beïnvloeden, en ze zoeken via de sociale media contact met andere gelovigen en met mensen van goede wil.

117. De nieuwe communicatienetwerken zowel binnen als buiten de Kerk vragen om nieuwe vormen van aandacht en commentaar, en om vernieuwing van de vaardigheden om tot onderscheiding te komen. Er bestaan invloedssferen van belangengroeperingen die niet, of niet helemaal, stroken met het katholieke geloof; er leven overtuigingen die alleen relevant zijn in een bepaalde omgeving of tijd; en er wordt druk uitgeoefend om de rol van de godsdienst in het publieke debat te verminderen of om de traditionele christelijke leer aan te passen aan moderne bekommernissen en opvattingen.

118. Zeker is dat de sensus fidei en de publieke opinie of de meerderheidsopvatting niet simpelweg met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Ze zijn beslist niet identiek.

i) Allereerst is de sensus fidei gerelateerd aan geloof, en geloof is een gave waarover niet iedereen noodzakelijkerwijs beschikt, en dus kan de sensus fidei zeker niet vereenzelvigd worden met wat als publieke opinie geldt in de samenleving als geheel. Het christelijke geloof is uiteraard de primaire factor die leden van de Kerk met elkaar verbindt, en vervolgens komen er veel verschillende invloeden samen die de opvattingen bepalen van christenen die leven in de wereld van vandaag. De uiteenzetting hierboven over geesteshoudingen laat impliciet zien, dat de sensus fidei daarom niet zomaar gelijkgesteld kan worden met de publieke opinie of de meerderheidsopvatting, ook niet in de Kerk. Geloof, en niet wat men vindt, is de focus waarop de aandacht gericht moet staan. Wat men vindt - een opinie - is dikwijls alleen maar een, vaak veranderlijke en voorbijgaande, uiting van de stemming of de behoeften van een bepaalde groep of cultuur, terwijl geloof het ene Evangelie laat weerklinken dat voor iedere tijd en plaats gelding heeft.

ii) De geschiedenis van het volk Gods laat zien dat het dikwijls niet de meerderheid, maar eerder een minderheid was die echt geleefd heeft naar en getuigd heeft van het geloof. Het Oude Testament wist van de ‘heilige rest’ van gelovigen, soms heel klein in aantal, die stonden tegenover de koningen, priesters en de meerderheid van de Israëlieten. Het christendom zelf begon als een kleine minderheid, afgewezen en vervolgd door de overheden. In de geschiedenis van de Kerk zijn evangelische bewegingen als de franciscanen en dominicanen, of later de jezuïeten, begonnen als kleine groepen die met achterdocht bejegend werden door allerlei bisschoppen en theologen. In veel landen is het tegenwoordig ook zo, dat christenen zwaar onder druk staan van andere godsdiensten of seculiere ideologieën om de geloofswaarheid te veronachtzamen en de grenzen die de kerkelijke gemeenschap stelt, niet meer zo nauw te nemen. Daarom is het uitermate belangrijk om te onderscheiden en te beluisteren wat de ‘kleinen die geloven’ (Mc 9,42) te zeggen hebben.

119. Het lijdt geen twijfel dat de sensus fidei iets anders is dan de publieke opinie of de meerderheidsopvatting, en daarom is het nodig geesteshoudingen te benoemen als voorwaarde voor deelname in de sensus fidei, zoals ze hierboven beschreven zijn. Toch is het zo dat het Godsvolk als geheel, innerlijk één, het ware geloof belijdt en beleeft. Het leergezag en de theologie moeten zich voortdurend inzetten voor een vernieuwde presentatie van het christelijke geloof in onderscheiden situaties, en daarbij zo nodig bestaande, dominante meningen over de christelijke waarheid confronteren met de eigenlijke waarheid van het Evangelie, maar het dient gezegd te worden dat de ervaring van de Kerk leert, dat de geloofswaarheid soms niet bewaard is door het werk van theologen of het onderricht van de meerderheid van de bisschoppen, maar wel in de harten van de gelovigen.

c) Manieren om de gelovigen te raadplegen

120. Alle gelovigen zijn wezenlijk gelijk in waardigheid, omdat zij gedoopt en daardoor allen in Christus herboren zijn. ‘Een gelijkheid waardoor allen, overeenkomstig ieders eigen plaats en taak, aan de opbouw van Christus’ Lichaam meewerken.’[132] Daarom hebben alle gelovigen ‘naar gelang hun kennis, deskundigheid en het aanzien dat zij genieten, het recht, soms ook de plicht, hun mening over wat het welzijn van de Kerk aangaat aan de gewijde Herders kenbaar te maken’.  ‘Zij hebben het recht hun meningen voor te leggen aan andere gelovige christenen, maar daarbij moeten zij altijd de integriteit van geloof en zeden eerbiedigen, aan de pastores het hun verschuldigde respect betonen, en rekening houden met het algemeen nut en de waardigheid van de personen.’[133] Dienovereenkomstig moeten de gelovigen, en met name de leken, door de pastores van de Kerk met respect en voorkomendheid behandeld worden, en op passende wijze geraadpleegd worden met het oog op het welzijn van de Kerk.

121. Het woord ‘raadplegen’ houdt zowel de idee in van het inwinnen van een oordeel of advies, alsook van het navraag doen naar een stand van zaken. Enerzijds kunnen en moeten de pastores van de Kerk in bestuurlijke en pastorale kwesties de gelovigen op sommige onderwerpen raadplegen, in de zin dat zij hun raad of hun oordeel vragen. Anderzijds, wanneer het leergezag een leerstuk vastlegt, is het passend om de gelovigen te raadplegen in de zin dat er naar de stand van zaken gevraagd wordt, ‘omdat het lichaam van de gelovige gemeenschap een van de getuigenissen is dat een geopenbaarde leer feitelijk is overgeleverd, en omdat hun consensus door het christendom de stem is van de onfeilbare Kerk’.[134]

122. Het raadplegen van de gelovigen is niet nieuw in het leven van de Kerk. In de Kerk van de middeleeuwen werd daarvoor een Romeins wetsbeginsel gebruikt: Quod omnes tangit, ab omnibus tractari et approbari debet (wat iedereen aangaat, moet door iedereen besproken en goedgekeurd worden).  In alle drie domeinen van het kerkelijke leven (geloof, sacramenten, bestuur) ‘was traditie een combinatie van een hiërarchische structuur met een concreet regime van samenwerking en overeenstemming’, en dat werd beschouwd als een ‘apostolische praktijk’ of een ‘apostolische traditie’.[135]

123. Er ontstaan problemen wanneer het merendeel van de gelovigen onverschillig blijft staan tegenover beslissingen die het leergezag genomen heeft inzake de leer of morele kwesties, of wanneer het die uitdrukkelijk afwijst. Dit ontbreken van receptie kan wijzen op een zwak of afwezig geloofsbesef bij het Godsvolk, ontstaan door een te weinig kritische aanvaarding van de moderne cultuur. Maar in sommige gevallen kan het erop wijzen dat bepaalde beslissingen door gezagsdragers genomen zijn zonder de ervaring en de sensus fidei van de gelovigen voldoende mee te wegen, of zonder dat het leergezag de gelovigen voldoende geraadpleegd heeft.[136]

124. Er hoort natuurlijk een constante communicatie en regelmatige dialoog over praktische kwesties en zaken van geloof en zeden te zijn tussen de leden van de Kerk. Publieke opinie is een belangrijke vorm waarin die communicatie binnen de Kerk plaatsvindt. ‘Omdat de Kerk een levend organisme is, heeft zij een openbare meningsvorming nodig die de uitwisseling tussen haar leden ondersteunt. Die is onmisbaar, omdat zij anders geen voortgang kan maken in denken en handelen.’[137] Deze ruggensteun voor een openbare uitwisseling van gedachten en meningen in de Kerk werd spoedig na Vaticanum II gegeven, en was precies gebaseerd op het onderricht van het concilie over de sensus fidei en over de christelijke naastenliefde; de gelovigen werden sterk aangemoedigd om actief deel te nemen in die openbare gedachtewisseling. ‘Katholieken moeten er zich goed van bewust zijn dat zij werkelijke vrijheid hebben om te zeggen wat hen op het hart ligt en wat voortkomt uit “geloofszin” [i.e. de sensus fidei] en uit liefde. Het komt voort uit de geloofszin die opgewekt en ondersteund wordt door de Geest van waarheid, opdat het Godsvolk, onder leiding van het leergezag dat het met getrouwheid opvolgt, onwankelbaar trouw blijft aan het geloof dat aan de jonge Kerk werd gegeven, de zin ervan door juistheid van oordeel dieper doorgrondt, en het steeds meer in zijn leven toepast [Lumen Gentium, 12]. Deze vrijheid komt ook voort uit liefde. Want de liefde … brengt het Godsvolk tot een intieme deelname aan de vrijheid van Christus zelf, die ons van onze zonden heeft verlost, opdat wij vrijelijk in staat zouden zijn tot een oordeel dat overeenkomt met Gods wil. Degenen die in de Kerk in gezag zijn gesteld zullen zorgen voor een betrouwbare en vrije context voor de uitdrukking en uitwisseling van meningen onder het Godsvolk. Sterker nog, zij zullen richtlijnen en voorwaarden opstellen die dit kunnen bevorderen.’[138]

125. Zulke publieke meningsvorming kan, normaal gesproken, een eerste graadmeter zijn voor de sensus fidei. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie zijn er echter meerdere structurele instrumenten in het leven geroepen, waarmee de gelovigen meer formeel gehoord en geraadpleegd kunnen worden, zoals bijvoorbeeld particuliere concilies waarvoor priesters en andere christengelovigen kunnen worden opgeroepen,[139] diocesane synodes waarbij de diocesane bisschop ook christengelovigen-leken als lid kan oproepen,[140] de pastorale raad in elk bisdom, die ‘bestaat uit christengelovigen die in volledige gemeenschap met de katholieke Kerk zijn, zowel clerici als leden van instituten van gewijd leven, alsook vooral leken,[141] en pastorale raden in parochies, waarin ‘christengelovigen samen met hen die krachtens hun ambt in de parochie deelhebben aan de pastorale zorg, aan de behartiging van de pastorale activiteiten hun hulp verlenen’.[142]

126. Zulke structuren van raadpleging als hierboven vermeld kunnen voor de Kerk van groot voordeel zijn, maar alleen als pastores en leken elkaars charisma’s wederzijds eerbiedigen en als zij zorgvuldig en onophoudelijk luisteren naar elkaars ervaringen en bekommernissen. Nederig luisteren op elk niveau en passende raadpleging van betrokkenen zijn wezenlijk onderdeel van een levende en levendige Kerk.

Besluit

127. Vaticanum II was een nieuw Pinkstergebeuren,[143] dat de Kerk toerustte voor de nieuwe evangelisatie waartoe pausen sinds het concilie hebben opgeroepen. Het concilie legde opnieuw de nadruk op de traditionele idee dat alle gelovigen beschikken over een sensus fidei, en de sensus fidei vormt een heel belangrijke bron voor de nieuwe evangelisatie.[144] Door de sensus fidei zijn de gelovigen in staat, niet alleen te herkennen wat met het Evangelie overeenstemt en af te wijzen wat ermee in strijd is, maar ook aan te voelen wat, zoals Paus Franciscus zegt, ‘nieuwe wegen’ voor het geloof van het pelgrimsvolk als geheel zijn. Een van de redenen waarom bisschoppen en priesters dicht bij hun volk onderweg moeten blijven en mee moeten lopen is juist, dat zij daardoor ‘nieuwe wegen’ die het volk aanvoelt kunnen opmerken.[145] Het onderscheiden van zulke nieuwe wegen, ontsloten en bijgelicht door de Heilige Geest, is van vitaal belang voor de nieuwe evangelisatie.

128. De sensus fidei is nauw gelieerd aan de ‘infallibilitas in credendo’ die het bezit is van de Kerk als geheel, terwijl zij als een gelovend ‘subject’ haar pelgrimstocht door de geschiedenis aflegt.[146] Met ondersteuning door de Heilige Geest stelt de sensus fidei de Kerk in staat om getuigenis af te leggen, en maakt hij de onderscheiding mogelijk waarmee de leden van de Kerk voortdurend moeten vaststellen, als individuele personen en als gemeenschap, op welke manier zij het beste kunnen leven en handelen en spreken in trouw aan de Heer. De sensus fidei is het instinct waarmee iedereen en allen ‘met de Kerk meedenken’,[147] met één geloof en één doel. Hij brengt pastores en volk bijeen, en maakt dat de onderlinge dialoog, gebaseerd op de gaven en de roeping die ieder inbrengt, zowel wezenlijk als vruchtbaar is voor de Kerk.

 

INTERNATIONALE THEOLOGISCHE COMMISSIE - ROME

Tekst definitief goedgekeurd op 6 mei 2014

Tekst vrijgegeven te Rome op 10 juni 2014

 

Vertaling uit het Engelse origineel door Maria ter Steeg

onder supervisie van Adelbert Denaux


 
[1] Paus Franciscus, Toespraak bij het Angelus, 17 maart 2013.
[2] Zie Paus Franciscus, Apostolische Exhortatie, Evangelii Gaudium (2013), nrs 119-120.
[3] Citaten uit de Schrift zijn genomen uit de Willibrordvertaling, Geheel herziene uitgave 1995, KBS, Den Bosch, 1995. Tenzij anders vermeld, zijn citaten uit de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie genomen uit de serie Ecclesia Docens, Gooi en Sticht, Hilversum, 1967-1968. De conciliedocumenten worden als volgt afgekort: Apostolicam Actuositatem (AA), Ad Gentes (AG), Dei Verbum (DV), Gaudium et Spes (GS), Lumen Gentium (LG), Perfectae Caritatis (PC). Sacrosanctum Concilium (SC). Verwijzingen naar Heinrich Denzinger, Enchiridion symbolorum definitionum et declarationum de rebus fidei et morum, 38e editie, Peter Hünermann Ed., (1999) zijn opgenomen als DH met paragraafnummer; verwijzingen naar de Katechismus van de Katholieke Kerk (1992) als KKK met paragraafnummer; en verwijzingen naar J.P. Migne, Ed., Patrologia Latina (1844-1864) als PL met deel- en paragraafnummer.
[4] In haar document over The Interpretation of the Dogma (1990) noemde de Internationale Theologencommissie (ITC) de sensus fidelium een ‘innerlijk zintuig’, waarmee het Godsvolk ‘in de woorden van de verkondiging hoort dat deze van God, en niet van mensen afkomstig zijn, en deze aanvaardt en bewaart in onverbrekelijke trouw’ (C, II, 1). Het document belichtte ook de rol die de consensus fidelium speelde bij de interpretatie van het dogma (C, II, 4).
[5]In haar recente document Theologie vandaag: Perspectieven, principes en criteria, §35 (zie Collationes 42 [2012], pp. 195-196) stelde de ITC vast, dat de sensus fidei een fundamentele locus, of referentiepunt, is voor de theologie.
[6] Theologie vandaag, §2, in Collationes 42 (2012), p. 185.
[7] Tertullianus, De oratione, I, 6; Corpus Christianorum, series latina (CCSL), 1, p. 258.
[8] Yves M.-J. Congar beschrijft een aantal leerstellige kwesties waarin de sensus fidelium als argument gebruikt wordt, in Jalons pour une théologie du laïcat (Paris, Éditions du Cerf, 1953), 450-453; Engelse vertaling: Lay People in the Church: A Study for a Theology of Lay People (London, Chapman, 1965), Appendix II: The ‘Sensus Fidelium’ in the Fathers, 465-467.
[9] Tertullianus, De praescriptione haereticorum, 21 en 28, CCSL, 1, pp. 202-203 en 209.
[10] Augustinus, De praedestinatione sanctorum, XIV, 27 (PL 44, 980). Hij zegt dat in verband met de vraag of het boek Wijsheid behoort tot de canon.
[11] Augustinus, Contra epistolam Parmeniani, III, 24 (PL 43, 101). Zie ook De baptismo, IV, xxiv, 31 (PL 43, 174) (over de doop van kleine kinderen): ‘Quod universa tenet Ecclesia, nec conciliis institutum, sed semper retentum est, nonnisi auctoritate apostolica traditum rectissime creditur’.
[12] Cassianus, De incarnatione Christi, I, 6 (PL 50, 29-30): ‘Sufficere ergo solus nunc ad confutandum haeresim deberet consensus omnium, quia indubitatae veritatis manifestatio est auctoritas universorum’.
[13] Vincent van Lerins, Commonitorium II, 5 (CCSL, 64, p. 149).
[14] Hiëronymus, Adversus Vigilantium 5 (CCSL, 64, p. 149).
[15] Epiphanius van Salamis, Panarion haereticorum, 78, 6; Die griechischen christlichen Schriftsteller der ersten Jahrhunderte, Epiphanius, Dl. 3, p. 456.
[16] Augustinus, In Iohannis Evangelium  tractatus, XX, 3 (CCSL 36, p. 204); Ennarratio in psalmum 120, 7 (PL 37, 1611).
[17] John Henry Newman, On Consulting the Faithful in Matters of Doctrine, uitgegeven met een inleiding door John Coulson (London, Geoffrey Chapman, 1961), pp. 75-101, m.n. 75 en 77. Zie ook zijn The Arians of the Fourth Century (1833; 3e ed. 1871). Congar is wat terughoudend in het gebruik van Newmans analyse van deze kwestie; zie Congar, Jalons pour une théologie du laïcat, p. 395; Engelse vertaling: Lay People in the Church, pp. 285-286.
[18] Newman, On Consulting the Faithful, p. 104.
[19] Zie DH 1000.
[20] Newman, On Consulting the Faithful, p. 70.
[21] Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.1, a.9, s.c.; IIa, q.83, a.5, s.c. (over Misliturgie); Quodl. IX, q.8 (over heiligverklaring). Zie ook Bonaventura, Commentaria in IV librum Sententiarum, d.4, p.2, dub. 2 (Opera omnia, vol. 4, Quaracchi, 1889, p. 105): ‘[Fides Ecclesiae militantis] quamvis possit deficere in aliquibus personis specialiter, generaliter tamen numquam deficit nec deficiet, iuxta illud Matthaei ultimo: “Ecce ego vobiscum sum usque ad consumationem saeculi”’; d.18, p.2, a. un. q.4 (p. 490). In Summa theologiae, IIa-IIae, q.2, a.6, ad 3 verbindt  St.-Thomas dit niet kunnen dwalen van de universele Kerk met Jezus’ belofte aan Petrus dat zijn geloof niet zou bezwijken (Lc 22,32).
[22]Summa theologiae, IIa-IIae, q.1, a.10; q.11, a.2, ad 3.
[23] Zie Martin Luther, De captivitate Babylonica ecclesiae praecludium, WA 6, 566-567, en Johannes Calvijn, Institutio christianae religionis, IV, 8, 11; de beloften van Christus staan in Mt 28,19 en Joh 14,16.17.
[24] Zie Gustave Thils, L’Infaillibilité du peuple chrétien ‘in credendo’: Notes de théologie post-tridentine (Paris, Desclée de Brouwer, 1963).
[25]De locis theologicis, ed. Juan Belda Plans (Madrid, 2006). Cano noemt tien loci: Sacra Scriptura, traditiones Christi et apostolorum, Ecclesia Catholica, Concilia, Ecclesia Romana, sancti veteres, theologi scholastici, ratio naturalis, philosophia, humana historia.
[26] De locis theol., Boek IV, hoofdstuk 3 (Plans ed., p. 117). ‘Si quidquam est nunc in Ecclesia communi fidelium consensione probatum, quod tamen humana potestas efficere non potuit, id ex apostolorum traditione necessario derivatum est.’
[27]De locis theol., Boek I, hoofdstuk 4 (pp. 144-146). 
[28] De locis theol., Boek I, hoofdstuk 4 (p. 149): ‘Non solum Ecclesia universalis, id est, collectio omnium fidelium hunc veritatis spiritum semper habet, sed eundem habent etiam Ecclesiae principes et pastores’. In Boek VI bevestigt Cano het gezag van de paus van Rome wanneer hij een leerstuk ex cathedra verkondigt.
[29] De locis theol., Boek I, hoofdstuk 4 (pp. 150-151): ‘Priores itaque conclusiones illud astruebant, quicquid ecclesia, hoc est, omnium fidelium concio teneret, id verum esse. Haec autem illud affirmat pastores ecclesiae doctores in fide errare non posse, sed quicquid fidelem populum docent, quod ad Christi fidem attineat, esse verissimum.’
[30] Robertus Bellarminus, De controversiis christianae fidei (Venetië, 1721), II, I, lib.3, cap.14.
[31]De controversiis II, I, lib.2, cap.2: ‘Concilium generale repraesentat Ecclesiam universam, et proinde consensum habet Ecclesiae universalis; quare si Ecclesia non potest errare, neque Concilium oecumenicum, legitimum et approbatum, potest errare’ (p. 28).
[32] J.A. Möhler, Die Einheit in der Kirche oder das Prinzip des Katholizismus [1825], ed. J.R. Geiselmann (Keulen en Olten, Jakob Hegner, 1957), 8vv., 50vv.
[33] J.A. Möhler, Symbolik oder Darstellung der dogmatischen Gegesätze der Katholiken und Protestanten, nach ihren öffentlichen Bekenntnisschriften [1832], ed. J.R. Geiselmann (Keulen en Olten, Jakob Hegner, 1958), §38. Hij bevestigde, tegenover het protestantse beginsel van de individuele interpretatie, opnieuw de betekenis van het oordeel van de Kerk als geheel.
[34] In 1847 ontmoette Newman Perrone, waarbij zij discussieerden over Newmans ideeën over de ontwikkeling van de leer. Newman gebruikte in deze context het begrip  sensus ecclesiae. Zie T. Lynch, ed., The Newman-Perrone Paper on Development’, Gregorianum 16 (1935), pp. 401-447, m.n. hoofdstuk 3, nrs. 2 en 5.
[35] Ioannis Perrone, De Immaculato B.V. Mariae Conceptu an Dogmatico Decreto definiri possit (Romae, 1847), 139, 143-145. Perrone concludeerde dat de christengelovigen ‘diep geschokt’ zouden zijn als Maria’s Onbevlekte Ontvangenis ‘ook maar aan de minste twijfel onderhevig’ zou zijn (p. 156). Hij verwees naar andere gevallen waarin het leergezag steunde op de sensus fidelium bij het vastleggen van de leer, bijvoorbeeld het leerstuk dat de zielen van de rechtvaardigen de Godsaanschouwing al genieten vóór de algemene verrijzenis van de doden (pp. 147-148).
[36] Zie Paus Pius IX, Encycliek, Ubi primum (1849), nr. 6.
[37] Paus Pius IX, Apostolische Constitutie, Ineffabilis Deus (1854), nr. 19.
[38] Newman, On Consulting the Faithful, pp. 70-71.
[39] Newman, On Consulting the Faithful, p. 63, zie ook p. 65. Newman onderscheidt doorgaans ‘pastores’ en ‘gelovigen’. Soms voegt hij ‘geleerden’ (theologen) toe als aparte categorie getuigen, en hij rekent de lagere clerus onder de ‘gelovigen’, behalve wanneer hij het specifiek heeft over de ‘gelovige leken’.
[40] Newman, On Consulting the Faithful, p. 104.
[41] Newman, On Consulting the Faithful, pp. 64-70; zie hierboven §37.
[42] Mansi, III (51), 542-543. Daarin staat dat de onfeilbaarheid van de Kerk alle geopenbaarde waarheid omvat, in de Schrift en in de Traditie - dat wil zeggen heel de geloofsschat - en alles wat nodig is om die waarheid te verdedigen en te bewaren, ook als dat niet geopenbaard is.
[43] Mansi, IV (52), 1213-1214.
[44] Ibid., 1217. Gasser voegt daaraan toe: ‘sed talis casus non potest statui pro regula’.
[45] DH 3074. Een van de ‘Vier Artikelen’ van de gallicaanse stellingname luidde dat het oordeel van de Paus ‘niet onveranderbaar is tenzij de Kerk haar instemming geeft’.
[46] Zie Gasser, in Mansi, IV, (52), 1213-1214.
[47] De veroordeelde propositie luidt: ‘De “luisterende/lerende Kerk” en de “onderwijzende Kerk” werken zodanig samen bij het definiëren van waarheden dat de “onderwijzende Kerk” tenslotte niet anders doet dan sanctioneren wat de “lerende Kerk” denkt’ (DH 3406).
[48] Paus Pius XII, Apostolische Constitutie, Munificentissimus Deus, nr. 12.
[49]Munificentissimus Deus, nr. 41.
[50]Munificentissimus Deus, nr. 12.
[51] Zie Congar, Jalons pour une théologie du laïcat, hoofdstuk 6. Het schema staat beschreven in het Voorwoord van de derde editie van Newmans Via Media (1877).
[52] Congar, Jalons pour une théologie du laïcat, p. 398; Engelse vertaling: Lay People in the Church, p. 288.
[53] Jalons pour une théologie du laïcat, p. 399; Engelse vertaling: Lay People in the Church, p. 289.
[54] LG 4.
[55] LG 12. Het concilie verwijst ook op een aantal andere plaatsen naar het ‘aanvoelen’ van gelovigen of de Kerk, analoog aan de sensus fidei van LG 12. Er is sprake van de sensus Ecclesiae (DV 23), sensus apostolicus (AA 25), sensus catholicus (SS 30), sensus Christi et Ecclesiae en sensus communionis cum Ecclesia (AA 19), sensus christianus fidelium (GS 52), en integer christianus sensus (GS 62).
[56] LG 35.
[57] DV 8.
[58] DV 10; zie Ineffabilis Deus, nr. 18, en Munificentissimus Deus, nr. 12.
[59] Zie bijvoorbeeld het onderricht van Paus Johannes Paulus II in zijn Apostolische Exhortatie, Christifideles Laici (1988), waarin hij zegt dat alle gelovigen delen in Christus’ drievoudige ambt, en dat de leken ‘delen in het aanvoelen van het bovennatuurlijke geloof van de Kerk (sensum fidei supernaturalis Ecclesiae) die “niet kan dwalen in het geloof”[LG 12]’ (nr. 14); zie ook, met betrekking tot de leer van LG 12, 35, en DV  8, de verklaring van de Congregatie voor de Geloofsleer, Mysterium Ecclesiae (1973), nr. 2.
[60] Paus Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie, Familiaris Consortio (1981), nr. 5. In haar Instructie over de kerkelijke roeping van de theoloog, Donum Veritatis (1990), waarschuwde de Congregatie voor de Geloofsleer, ervoor ‘de mening van zeer vele gelovigen’ niet te vereenzelvigen met de sensus fidei: de sensus fidei is ‘een theologaal geloofsvermogen’, een goddelijke gave, die de christen in staat stelt ‘op persoonlijke wijze de Waarheid te omarmen’, zodat zijn of haar geloof is wat de Kerk gelooft. Omdat niet alle meningen die gelovigen koesteren voortkomen uit geloof, en omdat veel mensen zich laten leiden door de publieke opinie, moet nadruk gelegd worden, zoals het concilie deed, op ‘het onlosmakelijk verband tussen de sensus fidei en de leiding van het Godsvolk door het Herderlijk Leergezag’ (nr. 35).
[61] De sensus fidei fidelis veronderstelt in de gelovige de deugd van geloof. Eigenlijk is het de levende geloofservaring die de gelovige in staat stelt om te onderscheiden of een leerstuk behoort tot de geloofsschat of niet. Daarom kan de onderscheiding die nodig is om de initiële geloofskeuze te maken, slechts in zeer brede en afgeleide zin aan de sensus fidei fidelis worden toegeschreven.
[62] KKK 1804.
[63] Vaticanum II, PC 12.
[64] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q,45, a.2.
[65] Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.1, a.4, ad 3. Zie IIa-IIae, q.2, a.3,ad 2.
[66] Zie Thomas van Aquino, Scriptum, III, d.23, q.3, a.3, q1a 2, ad 2: ‘Habitus fidei cum non rationi innitatur, inclinat per modum naturae, sicut et habitus moralium virtutum, et sicut habitus principiorum; et ideo quamdiu manet, nihil contra fidem credit.’
[67] Zie J.A Möhler, Symbolik, §38: ‘Der göttliche Geist, welchem die Leitung und Belebung der Kirche anvertraut ist, wird in seiner Vereinigung mit dem menschlichen ein eigenthümlich christlicher Tact, ein tiefes, sicher führendes Gefühl, das, wie er in der Wahrheit steht, auch aller Wahrheit entgegenleitet.’
[68] Het instinct kan niet dwalen omdat het rechtstreeks gerelateerd is aan zijn object. Het is in zichzelf onfeilbaar. Dierlijk instinct evenwel is alleen onfeilbaar wanneer het opereert binnen een bepaalde omgeving. Wanneer de context verandert, kan dierlijk instinct onaangepast blijken te zijn. Geestelijk instinct daarentegen heeft een breder bereik en meer subtiliteit.
[69] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.1, a.3, ad 3.
[70] Congregatie voor de Geloofsleer, Donum Veritatis, nr. 35.
[71] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.2, a.5-8.
[72] LG 15.
[73] Thomas van Aquino, Expositio super Ioannis evangelium, c.14, lect.4 (Marietti, nr. 1916).
[74] Zie ITC, Theologie vandaag, §§91-92, in Collationes 42 (2012), pp. 217-219.
[75] DV 8. In de theologie van de Geestesgaven die Sint-Thomas ontwikkelde, is het met name de gave van de kennis aanwezig, die de sensus fidei fidelis vervolmaakt tot een vermogen dat kan onderscheiden wat geloofd moet worden. Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.9, a.1 co. et ad 2.
[76] Thomas van Aquino, Quaestiones disputatae de veritate, q.14, a.10, ad 10; zie Scriptum, III, d.25, q.2, a.1, q1a 2, ad 3.
[77] Thomas van Aquino, Scriptum III, d.25, q.2, a.1, q1a, ad 3: ‘[De gelovige] moet niet instemmen met een kerkleider die tegen het geloof in verkondigt …  De ondergeschikte is door zijn onkunde niet geheel geëxcuseerd. Het is immers zo dat de geloofshabitus hem tegen zulke verkondiging doet neigen, omdat die habitus niet anders kan dan hem leren wat tot redding leidt. Omdat je niet zomaar aan iedere geest geloof moet hechten, moet je eigenaardig onderricht ook niet overnemen, maar meer informatie zoeken, of gewoon maar jezelf aan God overgeven zonder verder Gods geheimen te bevragen als die je te boven gaan.’
[78] Zie Thomas van Aquino, Scriptum III, d.25, q.2, a.1, q1a, ad 3; Quaestiones disputatae de veritate, q.14, a.11, ad 2.
[79] Zie hierboven, §30.
[80] Zie Congar, La Tradition et les traditions, II, pp. 81-101, over ‘L’”Ecclesia”, sujet de la Tradition’, en pp. 101-108, over ‘Le Saint-Esprit, Sujet transcendant de la Tradition’; Engelse vertaling: Tradition and Traditions, pp. 314-338, over ‘The “Ecclesia” as the Subject of Tradition’, en pp. 338-346, over ‘The Holy Spirit, the Transcendent Subject of Tradition’.
[81] Zie hierboven, §3.
[82] DV 10 (bijgewerkte vertaling).
[83] DV 8; zie ook LG 12,37; AA 2,3; GS 43.
[84] GS 44 (geamendeerde vertaling).
[85] Zie hierboven, hoofdstuk 1, deel 2.
[86] Zie DH 2722-2724.
[87] Zie hieronder, hoofdstuk 4.
[88] LG 12.
[89] Zie LG 10, 34.
[90] Zie LG 21, 26; SC 41.
[91] Zie SC 10. LG 11.
[92] KKK 1124. Zie Ireneüs, Adv. Haer., IV, 18, 5 (Sources chrétiennes, vol. 100, p. 610): ‘Onze manier van denken is afgestemd op de Eucharistie, en de Eucharistie op haar beurt bevestigt onze manier van denken’ (zie ook KKK, nr. 1327).
[93] DV 8.
[94] Newman, On Consulting the Faithful, p. 63.
[95] Zie Vaticanum I, Pastor Aeternus, DH 3051.
[96] Vaticanum I, Pastor Aeternus, hoofdstuk 4 (DH 3074).
[97] Zie hierboven, §40.
[98] Zie hierboven, §§38, 42. 
[99] Zie ITC, Theologie vandaag, §35, in Collationes 42 (2012), pp. 195-196.
[100] DV 8.
[101] Zie hieronder, §§107-112.
[102] Zie hieronder, hoofdstuk vier.
[103] ITC, Theologie vandaag, §35, in Collationes 42 (2012), pp. 195-196; zie Congregatie voor de Geloofsleer, Instruction on the Ecclesial Vocation of the Theologian, Donum Veritatis (1990), nrs. 2-5, 6-7.
[104] Zie Theologie vandaag, §35, in Collationes 42 (2012), pp. 195-196.
[105] Met name belangrijk in dit opzicht zijn de aangeduide passages in de volgende gezamenlijke verklaringen: Joint International Commission for Theological Dialogue between the Roman Catholic Church and the Orthodox Church, Ecclesiological and Canonical Consequences of the Sacramental Nature of the Church: Ecclesial Communion, Conciliarity and Authority (2007; de Verklaring van Ravenna), nr. 7; Anglican-Roman Catholic International Commission, The Gift of Authority (1999), nr. 29; Evangelical-Roman Catholic Dialogue on Mission, 1977-1984, Report, hoofdstuk 1.3; Disciples of Christ-Roman Catholic International Commission for Dialogue, The Church as Communion in Christ (1992), nrs. 40, 45; International Commission for Dialogue between the Roman Catholic Church and the World Methodist Council, The Word of Life (1995), nrs. 56, 58.
[106] Zie Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ut unum sint (1995), nr. 3.
[107] Zie hierboven, §56.
[108] Zie LG 8.
[109] Ut unum sint, nr. 14; zie nrs. 28 en 57, waar Paus Johannes Paulus  verwijst naar de ‘uitwisseling van gaven’ die plaatsvindt in de oecumenische dialoog. In de Brief aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk over enkele aspecten van de Kerk als Communio, Communionis Notio (1992), erkent de Congregatie voor de Geloofsleer eveneens dat de katholieke Kerk zelf ‘gewond’ is door het verlies van eenheid met de andere christelijke Kerken en kerkelijke gemeenschappen (nr. 17).
[110] Zie LG 12; DV 8.
[111] LG 12, met verwijzing naar 1Tes 2,13.
[112] Zie Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Fides et Ratio (1998).
[113] Zie Theologie vandaag, §§63, 64, 84, in Collationes 42 (2012), pp. 205-206, 215.
[114] Zie hierboven, §§74-80.
[115] DV 10.
[116] Zie LG hoofdstuk 5, over ‘De algemene roeping tot heiligheid in de Kerk’.
[117] KKK 963.
[118] Zie GS 11,22.
[119] DV 5
[120] Zie Paus Franciscus, Evangelii Gaudium, nr. 5.
[121] Zie de Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Directory on Popular Piety and the Liturgy: Principles and Guidelines (2001), nr. 10: ‘”Volksreligioisiteit” verwijst naar een universele ervaring: in het hart van mensen en volken en in hun collectieve uitingen zit altijd een religieuze dimensie. Alle volken proberen uitdrukking te geven aan hun omvattende visie op het transcendente, hun opvatting over de natuur, de samenleving en de geschiedenis door middel van riten. Zulke karakteristieke syntheses zijn spiritueel en menselijk van het allergrootste belang.’
[122] CELAM, Derde Algemene Vergadering (Puebla, 1979), Slotdocument, nr. 448, zoals geciteerd in KKK 1676.
[123] Paus Franciscus, Evangelii Gaudium, nr. 125.
[124] Joseph Ratzinger, Commento teologico, in: Congregatie voor de Geloofsleer, Il messaggio di Fatima (Libreria Editrice Vaticana, Città del Vaticano, 2000), p. 35; zie voor een Engelstalig citaat: Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Directory on Popular Piety and the Liturgy: Principles and Guidelines (2001), nr. 91.
[125] Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Directory, nr. 50.
[126] SC 13.
[127] Paus Paulus VI, Apostolische Exhortatie, Evangelii Nuntiandi (1975), nr. 48. Congar wees op ‘twijfelachtige vormen van dweperij en dwaze devoties’, en waarschuwde: ‘We moeten niet te veel toeschrijven aan de sensus fidelium, niet alleen uit het oogpunt van de prerogatieven van de hiërarchie …, maar op zichzelf’ (Jalons pour une théologie du laïcat, p. 399; Engelse vertaling: Lay People in the Church, p. 288).
[128] Paus Paulus VI, Apostolische Exhortatie, Evangelii Nuntiandi (1975), nr. 48. In zijn toespraak bij de opening van de vierde algemene vergadering van de CELAM (Santo Domingo, 12 oktober 1992) zei Paus Johannes Paulus dat de volksreligiositeit in Latijns-Amerika, met haar ‘wezenlijk katholieke wortels’ ‘een tegengif is tegen de sekten en een waarborg voor trouw aan de heilsboodschap’ (nr. 12). Paus Franciscus zegt met verwijzing naar het slotdocument van de derde algemene vergadering van de CELAM dat, wanneer een echte inculturatie van het christelijke geloof heeft plaatsgevonden, ‘volksvroomheid’ belangrijk bijdraagt aan het proces  waarin ‘een volk zichzelf voortdurend evangeliseert’ (Evangelii Gaudium, nr. 122).
[129] Zie hierboven, §2.
[130] Zie Paus Paulus VI, Evangelii Nuntiandi, nr. 58; met verwijzing naar de noodzaak dat communautés de base (basisgemeenschappen) in ware zin kerkelijk zijn.
[131] Paus Franciscus, Evangelii Gaudium, nr. 126.
[132] Kerkelijk Wetboek, canon 208.
[133] Kerkelijk Wetboek, canon 212, §3.
[134] Newman, On Consulting the Faithful, p. 63; zie pp. 54-55 voor de dubbele betekenis van het woord ‘consult’.
[135] Y. Congar, ‘Quod omnes tangit, ab omnibus tractari et approbari debet’, in: Revue historique de droit français et étranger 36 (1958) 210-259,  spec.. pp. 224-228.
[136] Zie hierboven, §§78-80.
[137] Pastorale Instructie over de sociale communicatiemedia, opgesteld op verzoek van het Tweede Vaticaans Concilie, ‘Communio et Progressio’ (1971), nr. 115, waarin ook een citaat van Paus Pius XII: ‘Er zou iets in het leven (van de Kerk) ontbreken als er geen openbare meningsvorming zou zijn. Zowel pastores als leken zou dat te verwijten zijn’ (Toespraak, 17 februari 1950, AAS XVIII [1950], p. 256.
[138] ‘Communio et Progressio’, nr. 116.
[139] Zie Kerkelijk Wetboek, canon 443, §4.
[140] Zie Kerkelijk Wetboek, canon 463, §2.
[141] Kerkelijk Wetboek, canon 512, §1.
[142] Kerkelijk Wetboek, canon 536, §1.
[143] Dit was een uitdrukking die Paus Johannes XXIII meerdere keren gebruikte wanneer hij zijn verwachtingen en gebeden voor het komende concilie uitsprak; zie bijvoorbeeld: Apostolische Constitutie, Humanae Salutis (1961), nr. 23.
[144] Zie hierboven, §§2, 45, 65, 70, 112
[145] Zie Paus Franciscus, Toespraak tot de priesters, de religieuzen en de leden van pastorale raden, San Rufino, Assisi, 4 oktober 2013. De Paus voegde daaraan toe dat diocesane synodes, als bijzondere vieringen van het ‘samen optrekken’ als leerlingen van de Heer, opmerkzaam moeten zijn voor ‘wat de Heilige Geest zegt tegen de leken, het volk van God, [en] tegen iedereen’.
[146] Interview met Paus Franciscus door Fr Antonio Spadaro, 21 september 2013; zie Paus Franciscus, Evangelii Gaudium, nr. 119.
[147] Interview met Paus Franciscus door Fr Antonio Spadaro; zie hierboven, §90.

 

 
top