The Holy See
back up
Search
riga

Internationale Theologische Commissie

THEOLOGIE VANDAAG:
Perspectieven, principes en criteria

 

Inhoudstafel
 

Introductie

Hoofdstuk 1: Het Woord van God beluisteren

1. Het primaat van Gods Woord
2. Geloof, het antwoord op Gods Woord
3. Theologie: het geloof dat begrijpt

Hoofdstuk 2. In de gemeenschap van de Kerk verblijven

1. De studie van de Schrift als ziel van de theologie
2. Trouw aan de apostolische traditie
3. Aandacht voor de sensus fidelium
4. In verantwoordelijkheid het kerkelijk leergezag volgen
5. In het gezelschap van theologen
6. In dialoog met de wereld

Hoofdstuk 3. Rekenschap afleggen van Gods waarheid

1. Gods waarheid en de rationaliteit van de theologie
2. De eenheid van de theologie in een veelvoud van methoden en disciplines
3. Wetenschap en wijsheid

Conclusie

Woord vooraf

De studie van het thema van de status van de theologie werd aangevat door de Internationale Theologische Commissie tijdens het quinquennium 2004-2008. De taak werd verricht door een subcommissie, die voorgezeten werd door E.H. Santiago del Cura Elena en bestond uit de volgende leden: Zijne Excellentie Mgr Bruno Forte, Zijne Excellentie Mgr. Savio Hon Tai-Fai, S.D.B., de EE.HH. Antonio Castellano, S.D.B., Tomislav Ivanĉić, Thomas Norris, Paul Rouhana, Leonard Santedi Kinkupu, Jerzy Szymik en Doctor Thomas Söding.

Aangezien deze subcommissie haar opdracht niet kon afronden met de publicatie van een document, werd de taak terug openomen in het daaropvolgende quinquennium, op basis van het reeds gepresteerde werk. Met dit doel werd een nieuwe subcommissie samengesteld, die voorgezeten werd door Mgr. Paul McPartlan en bestond uit volgende leden: Zijne Excellentie Mgr Jan Liesen, de EE.HH. Serge Thomas Bonino, O.P., Antonio Castellano, S.D.B., Adelbert Denaux, Tomislav Ivanĉić, Leonard Santedi Kinkupu, Jerzy Szymik, Sister Sara Butler, M.S.B.T., en Doctor Thomas Söding.

De discussies over dit thema werden gehouden in de bijeenkomsten van de subcommissie en gedurende de plenaire zittingen van de Internationale Theologische Commissie gehouden te Rome van 2004 tot 2011. De tekst werd in forma specifica goedgekeurd op 29 November 2011 en aangeboden aan de President van de Commissie, Kardinaal William Levada, prefect van de Congregatie voor Geloofsleer, die opdracht gaf tot de publicatie.

 

Introductie

1. De jaren na het Tweede Vaticaans Concilie zijn buitengewoon vruchtbaar geweest voor de katholieke theologie. Nieuwe theologische stemmen klonken, met name van leken, mannen en vrouwen. Nieuwe culturele contexten  meldden zich in de theologie, met name die van Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Er waren nieuwe thema’s voor reflectie, zoals vrede, rechtvaardigheid, ecologie en bio-ethiek. Oude thema’s werden dieper doordacht, omdat de studie van Bijbel, liturgie, patristiek en middeleeuwen zich vernieuwde. En er werd met nieuwe gesprekspartners van gedachten gewisseld in de oecumenische, interreligieuze en interculturele dialoog. Dat zijn fundamenteel positieve ontwikkelingen. De katholieke theologie heeft het pad willen volgen, opengelegd door het Concilie, dat uitdrukking wilde geven aan ‘zijn verbondenheid ... met, en zijn zorg en liefde voor de gehele mensheid’, door met haar in dialoog te gaan, en ‘aan de mensheid de heilskracht ter beschikking te stellen, welke de Kerk zelf onder leiding van de Heilige Geest van haar Stichter ontvangt’[1]. Maar in deze periode is de theologie ook wat gefragmenteerd geraakt, terwijl in de dialoog die we zojuist noemden, de theologie uitgedaagd wordt haar ware identiteit te bewaren. Daarom rijst de vraag wat de kenmerken zijn van de katholieke theologie en wat haar, in al haar veelvormigheid, een klaar zelfbesef geeft in haar contacten met de wereld van tegenwoordig.

2. Het is evident dat de Kerk in zekere mate  een gemeenschappelijke taal nodig heeft om de ene boodschap van Christus aan de wereld te kunnen meedelen, zowel theologisch als pastoraal. Met recht kunnen we daarom zeggen dat een zekere eenheid in de theologie noodzakelijk is. Maar het woord eenheid moet hier zorgvuldig begrepen worden; we moeten het niet verwarren met uniformiteit of een bepaalde stijl. De theologie moet, net als de Kerk - zoals het credo belijdt - haar eenheid vinden in nauwe correlatie met de idee van katholiciteit, alsook met die van heiligheid en apostoliciteit[2]. De katholiciteit van de Kerk is een afgeleide van Christus zelf, die de verlosser van de hele wereld en van heel de mensheid is (zie Ef. 1,3-10; 1Tim 2,3-6). De Kerk is daarom thuis in alle volken en culturen, en probeert ‘alles te verzamelen dat bijdraagt tot hun redding en heiliging’[3]. Het feit dat er één Verlosser is laat zien dat katholiciteit en eenheid noodzakelijk met elkaar verbonden zijn. Theologie exploreert het onuitputtelijke mysterie van God en de talloze wijzen waarop Gods genade heil tot stand brengt in uiteenlopende omstandigheden; daarom neemt theologie terecht en noodzakelijk vele vormen aan, maar omdat ze de sporen zoekt van de unieke waarheid van de drie-ene God en van het ene heilsplan, met als middelpunt de ene Heer Jezus Christus, zal dit theologische veelvoud ook karakteristieke familietrekken vertonen.

3. De Internationale Theologische Commissie (ITC) heeft meerdere aspecten van de opdracht van de theologie bestudeerd en gepubliceerd in eerdere documenten, met name Theological Pluralism (1972), Theses on the Relationship between the Ecclesiastical Magisterium and Theology (1975), en The Interpretation of Dogma (1990)[4]. Het huidige document probeert eigen familietrekken van katholieke theologie te beschrijven[5]. Het kijkt naar fundamentele perspectieven en principes die de katholieke theologie kenmerken, en presenteert criteria waaraan vele en onderscheiden vormen van theologie desalniettemin kunnen worden herkend als authentiek katholiek, en als deelnemend in de zending van de katholieke Kerk; die zending houdt in dat zij het goede nieuws verkondigt aan mensen uit alle rassen en stammen en volken en talen (zie Mt 28,18-20 en Apk 7,9) en dat zij, door hun de stem te laten horen van de ene Heer, allen verzamelt tot één kudde met één herder (zie Joh 10,16). Voor die zending is nodig, dat katholieke theologie zowel in eenheid verscheidenheid toont, als in verscheidenheid eenheid. Verschillende vormen van katholieke theologiebeoefening moeten als zodanig herkenbaar zijn, elkaar ondersteunen en aan elkaar verantwoording afleggen, zoals alle christenen dat moeten doen, in de gemeenschap van de Kerk, om zo God te eren. Dit document heeft dan ook drie hoofdstukken, gegroepeerd rond de volgende thema’s: in de rijke meervoudigheid van uitdrukkingsvormen, protagonisten, ideeën en contexten is theologie katholiek, en in die zin fundamenteel één, als zij voortkomt uit een aandachtig beluisteren van het Woord van God (Hoofdstuk 1); als zij zich bewust en getrouw situeert binnen de gemeenschap van de Kerk (Hoofdstuk 2); en als zij gericht staat op het dienen van God in de wereld, door goddelijke waarheid aan de mannen en vrouwen van deze tijd aan te bieden in een verstaanbare vorm (Hoofdstuk 3).

Hoofdstuk 1: Het Woord van God beluisteren

4.  ‘Het heeft God in zijn goedheid en wijsheid behaagd zichzelf te openbaren en het geheim van zijn wilsbesluit bekend te maken (zie Ef 1,9), waardoor de mensen door Christus, het vlees geworden Woord, in de Heilige Geest toegang hebben tot de Vader en deelgenoten worden gemaakt van de goddelijke natuur (zie Ef 2,18; 2 Pe 1,4)’[6]. ‘Het nieuwe van de Bijbelse openbaring bestaat in het feit dat God zich laat kennen in de dialoog die Hij met ons wenst te hebben’[7]. Theologie berust, in al haar uiteenlopende tradities, disciplines en methoden, op de fundamentele geloofsdaad van het luisteren naar het Woord van God dat ons geopenbaard is, naar Christus zelf. Luisteren naar Gods Woord is het beslissende principe van katholieke theologie; het leidt tot begrijpen en spreken en tot christelijke gemeenschapsvorming: ‘De Kerk is immers gegrondvest op het Woord van God, wordt hieruit geboren en leeft hiervan’[8]. ‘Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verkondigen wij ook aan u, opdat u met ons verbonden bent. En onze verbondenheid is een verbondenheid met de Vader en met zijn Zoon, Jezus Christus’ (1 Joh 1,3)[9]. De oproep tot redding is gericht aan de hele wereld, opdat deze ‘door te luisteren, moge geloven in de boodschap van het heil, door te geloven, hopen, en door te hopen, liefhebben’[10].

5.  Theologie is de wetenschappelijke doordenking van de goddelijke openbaring, die de Kerk in geloof aanvaardt als universeel verlossende waarheid. Die openbaring is zo veel bevattend en zo rijk, dat zij te groots is om door een enkele theologie begrepen te worden; zij geeft dan ook aanleiding tot veel vormen van theologie, want mensen ontvangen de openbaring op verschillende wijzen. In al haar variaties vindt theologie niettemin eenheid in haar dienst aan de ene goddelijke waarheid. De eenheid van de theologie vraagt derhalve niet om uniformiteit, maar veeleer om een gerichte focus op Gods Woord, en om verklaring van de onmetelijke rijkdom ervan door vormen van theologiebeoefening die met elkaar kunnen dialogeren en communiceren. Anders gezegd, de pluraliteit van theologieën betekent geen versplintering of tweedracht, maar veeleer het duizendvoudige zoeken naar Gods ene verlossende waarheid.

 

1. Het primaat van Gods Woord

6. ‘In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God’ (Joh 1,1). Het evangelie van Johannes begint met een ‘proloog’. Deze hymne werpt licht op het kosmische bereik van de openbaring en op de menswording van Gods Woord als hoogtepunt van de openbaring. ‘Wat ontstaan was, had leven in Hem, en het leven was het licht van de mensen’ (Joh 1,3-4). Schepping en geschiedenis vormen de tijd en de ruimte waarin God zichzelf openbaart. De wereld, door God geschapen door toedoen van zijn Woord (zie Gen 1), is echter ook de context waarin God door mensen verworpen wordt. Toch is Gods liefde voor hen altijd oneindig groter; ‘het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan’ (Joh 1,5). De menswording van de Zoon is het hoogtepunt van die duurzame liefde: ‘Ja, het Woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid’ (Joh 1,14). De openbaring van God als een Vader die van de wereld houdt (zie Joh 3,16; 35) vindt plaats in de openbaring van Jezus Christus, die gekruisigd en verrezen is, de Zoon van God en de ‘redder van de wereld’ (Joh 4,42). ‘Vele malen en op velerlei wijze’ heeft God vroeger gesproken door de profeten, maar in de volheid van de tijd heeft Hij tot ons gesproken ‘door de Zoon, die Hij tot erfgenaam gemaakt heeft van al wat bestaat, door wie Hij ook het heelal geschapen heeft’ (Hebr 1,1-2). ‘Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen’ (Joh 1,18).

7.  De Kerk heeft grote eerbied voor de Schriften, maar het is belangrijk te erkennen dat ‘het christelijk geloof niet een “godsdienst van het boek” is: het christendom is “de godsdienst van het Woord van God”, niet van “een geschreven en stom woord, maar van het mensgeworden en levende Woord”’[11]. Van de goede boodschap van God wordt fundamenteel getuigenis afgelegd in de heilige Schrift van zowel het Oude als het Nieuwe Testament[12]. ‘Deze geschriften, door God geïnspireerd en eens voor al opgetekend, delen het woord van God zelf onveranderlijk mee en doen in de woorden van de profeten en apostelen de stem van de Heilige Geest weerklinken’[13]. Traditie is het getrouw doorgeven van Gods Woord, waarvan getuigenis wordt afgelegd in de canon van de Schrift door de profeten en de apostelen en in de leiturgia (liturgie), martyria (getuigenis) en diakonia (dienst) van de Kerk.

8.  De Heilige Augustinus schreef dat Gods Woord gehoord werd door geïnspireerde schrijvers en door hun woorden werd doorgegeven: God ‘spreekt bij monde van een mens op de manier van mensen, omdat Hij door zo te spreken ons ook zoekt’[14]. De Heilige Geest inspireerde niet alleen de auteurs van de Bijbel om de juiste woorden te vinden voor hun getuigenis, maar helpt ook in alle tijden diegenen die de Bijbel lezen om het Woord van God te begrijpen, dat in de menselijke woorden van de heilige Schriften is weergegeven. Dat Schrift en Traditie met elkaar verbonden zijn, is gefundeerd in de waarheid die God openbaart in zijn Woord ter wille van onze redding, namelijk ‘dat de boeken van de Schrift de waarheid die God omwille van ons heil in de heilige geschriften heeft willen doen optekenen onwankelbaar, trouw en zonder dwaling leren’[15],en dat de Heilige Geest door de geschiedenis heen ‘de gelovigen tot de volle waarheid leidt en het woord van Christus overvloedig in hen doet wonen (zie Kol. 3,16)[16]. ‘Het Woord van God wordt ons immers gegeven in de heilige Schrift als geïnspireerd getuigenis van de openbaring die met de levende overlevering van de Kerk de hoogste geloofsregel vormt’[17].

9. Erkenning van het primaat van Gods Woord is een criterium voor katholieke theologie. God spreekt ‘vele malen en op velerlei wijze’ – in de schepping, door profeten en wijzen, door de heilige Schriften, en op definitieve wijze door het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus, het vleesgeworden Woord (zie Hebr 1,1-2).

 

2. Geloof, het antwoord op Gods Woord

10. De Heilige Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: ‘Het geloof komt dus voort uit het horen, en het horen door het woord van Christus’ (Rom 10,17). Hij zet hier twee belangrijke punten neer. Enerzijds legt hij uit dat geloof voortkomt uit het luisteren naar Gods Woord, altijd ‘in de kracht van de Geest van God’ (Rom 15,19). Anderzijds laat hij zien op welke manier Gods Woord het oor van mensen bereikt: in wezen door toedoen van degenen die gezonden zijn om het Woord te verkondigen en geloof te wekken (zie Rom 10,14-15). Daaruit volgt dat het Woord van God in alle tijden alleen authentiek kan worden verkondigd op het fundament van de apostelen (zie Ef 2,20-22) en in apostolische successie (zie 1Tim 4,6).

11. Omdat Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, ‘tegelijk de middelaar en de volheid van de gehele openbaring is’[18], zoekt het Woord ook een geloofsantwoord dat persoonlijk is. Door te geloven vertrouwen mensen alles wat zij zijn helemaal aan God toe, door 'volledige onderdanigheid’ van verstand en wil jegens de openbarende God[19]. De ‘gehoorzaamheid van het geloof’ (Rom 1,5) is dus een persoonlijke aangelegenheid. Wanneer zij geloven, openen mensen hun oren om naar Gods Woord te luisteren, en ook hun mond om tot hem te bidden en hem te loven, zij openen hun hart om Gods liefde te ontvangen, die in hen wordt uitgestort als gave van de Heilige Geest (zie Rom 5,5); zo ‘vloeien zij over van hoop, door de kracht van de Heilige Geest’ (zie Rom 15,13), ‘en de hoop wordt niet teleurgesteld’ (Rom 5,5). Levend geloof is dus, in andere woorden, het omarmen van hoop en liefde. Paulus benadrukt ook, dat het geloof waartoe het Woord opwekt zijn plaats heeft in het hart, en van daaruit woorden vindt voor een belijdenis: ‘Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden. Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond brengt de redding’ (Rom 10,9-10).

12. Geloof is ervaring en daardoor ook kennis van God, want de openbaring geeft toegang tot de waarheid over God die ons redt (zie 2 Tes 2,13) en vrij maakt (zie Joh 8,32). Aan de Galaten schrijft Paulus dat zij door het geloof ‘God hebben leren kennen, of liever, door God gekend zijn’ (Gal 4,9; zie 1 Joh 4,16). Zonder geloof zou het niet mogelijk zijn inzicht te krijgen in deze waarheid, want die wordt geopenbaard door God. De waarheid die wordt geopenbaard door God en aanvaard in geloof is bovendien niet iets dat buiten de rede valt. Veeleer leidt ze tot de ‘geestelijke eredienst [logiké latreia]’, waarvan Paulus zegt dat die een nieuwe gezindheid meebrengt (Rom 12,1-2). Dat God bestaat en één is, schepper en Heer van de geschiedenis, kan met de rede begrepen worden uit de werken van de schepping, en daarvan getuigt een lange traditie in zowel het Oude (zie W 13,1-9) als het Nieuwe Testament (zie Rom 1,18-23)[20]. Maar dat God zich geopenbaard heeft door de menswording, het leven, de dood en de verrijzenis van zijn Zoon om de wereld te redden (zie Joh 3,16), en dat Gods innerlijk leven bestaat uit Vader, Zoon en Heilige Geest – die kennis wordt alleen bemiddeld door het geloof.

13. ‘Geloof’ is zowel een act van geloof of vertrouwen, als datgene wat men gelooft of belijdt, respectievelijk fides qua en fides quae. Beide aspecten werken onafscheidelijk tezamen, want vertrouwen betekent instemming met een boodschap die een verstaanbare inhoud heeft, en belijdenis kan niet alleen lippendienst zijn, maar moet uit het hart komen. Geloof is een realiteit die diep persoonlijk en ecclesiaal tegelijkertijd is. Wanneer christenen  hun geloof belijden zeggen zij zowel ‘ik geloof’ als ‘wij geloven’. Het geloof wordt beleden in de koinonia van de Heilige Geest (zie 2 Kor 13,13), die alle gelovigen met God en met elkaar verbindt (zie 1 Joh 1,1-3), en haar hoogste uitdrukking vindt in de eucharistie (zie 1 Kor 10,16-17). Vanaf het eerste begin hebben zich geloofsbelijdenissen ontwikkeld binnen de geloofsgemeenschap. Alle christenen zijn geroepen om persoonlijk getuigenis af te leggen van hun geloof, maar de geloofsbelijdenissen stellen de Kerk als zodanig in staat om haar geloof te belijden. Deze belijdenis stemt overeen met het onderricht van de apostelen, met het goede nieuws waarin de Kerk haar standplaats heeft en waardoor zij gered wordt (zie 1Kor 15,1-11).

14. ‘Toch zijn er onder het volk ook valse profeten geweest, en zo zullen er onder u dwaalleraren komen. Ze zullen verderfelijke ketterijen invoeren’ (2 Pe 2,1)[21]. In het Nieuwe Testament is ruimschoots te zien dat sommige mensen, vanaf het eerste begin van de Kerk, een ‘ketterse’ interpretatie voorstelden van het gemeenschappelijk beleden geloof, een interpretatie die in tegenspraak was met de apostolische traditie. In de eerste brief van Johannes wordt het zich losmaken uit de liefdesgemeenschap beschouwd als een aanwijzing voor valsheid in de leer (1 Joh 2,18-19). Ketterij vertekent dus niet alleen het evangelie, het brengt ook schade toe aan de kerkelijke gemeenschap. ‘Ketterij wordt genoemd: het, na het ontvangen van het doopsel, hardnekkig ontkennen of in twijfel trekken van een of andere waarheid die met goddelijk en katholiek geloof geloofd moet worden’[22]. Degenen die zich schuldig maken aan een dergelijke hardnekkige twijfel aan de leer van de Kerk, laten hun eigen oordeel de plaats innemen van de gehoorzaamheid aan Gods Woord (de formele weg waarlangs het geloof ontstaat), het fides qua. Ketterij attendeert ons erop, dat de gemeenschap van de Kerk alleen veiliggesteld kan worden als zij berust op het integrale katholieke geloof; ze is voor de Kerk aanleiding om steeds dieper te zoeken naar waarheid die in gemeenschap gedeeld wordt.

15. Criterium voor katholieke theologie is dat zij het geloof van de Kerk als vertrekpunt, context en norm beschouwt. Theologie houdt het fides qua en fides quae bij elkaar. Ze zet de leer van de apostelen, het goede nieuws over Jezus Christus ‘volgens de Schriften’ (1 Kor 15,3-4) uiteen, zodat het functioneert als meetlat en aanmoediging voor het geloof van de Kerk.

 

3. Theologie: het geloof dat begrijpt

16. Door de geloofsdaad, als antwoord op het Woord van God, verruimt zich de horizon voor de rede van de gelovige. De Heilige Paulus schrijft: ‘Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus’ (2 Kor 4,6). In dit licht beschouwt het geloof heel de wereld op nieuwe wijze, op meer werkelijke en ware wijze, omdat het door de kracht van de Heilige Geest deelt in Gods eigen perspectief. Dat is de reden waarom de Heilige Augustinus alle waarheidszoekers oproept tot ‘geloof om te kunnen verstaan’ [crede ut intelligas]’[23]. ‘Wij hebben … de Geest die van God komt ontvangen’, zegt Sint Paulus, ‘zo weten wij alles wat God ons in zijn genade gegeven heeft’ (1 Kor 2,12). Het is zelfs zo, dat wij door deze genadegave tot begrip van God zelf kunnen komen, omdat ‘de Geest alles doorgrondt, zelfs de diepste geheimen van God’. Als de Heilige Paulus zegt dat wij ‘de gezindheid van Christus hebben’(1 Kor 2,16), dan bedoelt hij dat wij door Gods genade zelfs op een of andere wijze deelhebben aan Christus’ eigen kennis van zijn Vader, en daardoor aan Gods eigen zelfkennis.

17. Gelovige mensen zijn, door te geloven, in bezit gekomen van ‘de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus’ (Ef 3,8), en proberen steeds vollediger te begrijpen wat zij geloven, ze overwegen het in hun hart (zie Lc 2,19). Geleid door de Geest, en met behulp van alle instrumenten van hun verstand, proberen zij zich de voor het verstand toegankelijke inhoud van Gods Woord eigen te maken, zodat het hun geloof kan verlichten en voeden. Zij smeken God, hun ‘alle wijsheid en geestelijk inzicht te schenken, zodat zij zijn wil volledig verstaan’ (Kol 1,9). Zo gaat het geloofsverstaan (intellectus fidei) in zijn werk. De Heilige Augustinus legt uit, dat het zich ontwikkelt uit de eigen dynamiek van het geloof: ‘Iemand die nu dan begrijpt op grond van een ware redenering wat hij tevoren alleen maar geloofde, verdient natuurlijk de voorkeur boven iemand die nog in het stadium is dat hij verlangt te begrijpen wat hij gelooft; maar als we dat verlangen niet hebben, en als we denken dat we alleen mogen geloven wat we kunnen begrijpen, dan zien we niet waar het geloof op uit is’[24]. De inspanning om het geloof te begrijpen draagt uit zichzelf bij aan de voeding van het geloof, en aan de uitgroei ervan[25]. ‘Geloof en rede zijn als twee vleugels waarmee de menselijke geest zich verheft om de waarheid te beschouwen’[26]. De intellectus fidei legt in feite de weg af die loopt van geloven, dat de bron en het permanente principe ervan is, naar het zien in heerlijkheid (de visio beatifica; zie 1 Joh 3,2), waarvan de intellectus fidei een anticipatie is.

18. De intellectus fidei neemt uiteenlopende vormen aan in het leven van de Kerk en in de geloofsgemeenschap, al naar gelang de verschillende gaven van de gelovigen (lectio divina, meditatie, preek, theologie als wetenschap etc.).  Het wordt theologie in de strikte zin van het woord, wanneer de gelovige de inhoud van het christelijke mysterie op rationele en wetenschappelijke wijze gaat presenteren. Theologie is daarom scientia Dei in die zin, dat het een rationeel deelnemen is in de kennis die God bezit van zichzelf en van al het bestaande.

19. Criterium van katholieke theologie is dat zij, juist omdat zij geloofswetenschap, ‘geloof dat inzicht zoekt [fides quaerens intellectum]’ is[27], een rationele dimensie heeft. Theologie probeert te begrijpen wat de Kerk gelooft, waarom zij gelooft, en wat er te weten valt sub specie Dei. Als scientia Dei streeft theologie ernaar op rationele en systematische wijze Gods verlossende waarheid te begrijpen.

Hoofdstuk 2: In de gemeenschap van de Kerk verblijven

20. Theologie hoort thuis binnen de Kerk, die samengeroepen is door Gods Woord. Theologie is ecclesiaal, en dat is een constitutief aspect van de theologische opdracht, omdat theologie gebaseerd is op geloof, en geloof zelf zowel persoonlijk als ecclesiaal is. Gods openbaring is erop gericht het volk van God te verzamelen en te vernieuwen, en theologen ontvangen via de Kerk het object van hun onderzoek. In de katholieke theologie is uitvoerig nagedacht over de ‘loci’ van de theologie, dat wil zeggen de fundamentele referentiepunten voor de theologische opdracht[28]. Van belang is te weten, niet alleen welke de loci zijn, maar ook welk gewicht aan elk ervan moet worden toegekend, en hoe hun onderlinge relatie is.

 

1. De studie van de Schrift als ziel van de theologie

21. De ‘studie van de sacra pagina’ moet ‘hart en ziel van de heilige theologie’[29] zijn. Dat is de kernboodschap met betrekking tot theologie van het Tweede Vaticaans Concilie. Paus Benedictus XVI  herhaalt: ‘Waar de theologie in wezen geen interpretatie van de Schrift in de Kerk is, heeft deze theologie geen fundament’[30]. Theologie als geheel moet zich conformeren aan de Schriften, en de Schriften moeten alle theologische arbeid ondersteunen en begeleiden, want theologie houdt zich bezig met ‘de waarheid van het evangelie’ (Gal 2,5), en kan die waarheid alleen kennen als zij het normatieve getuigenis daarvan in de canon van de heilige Schrift onderzoekt[31], en als zij, door dat te doen, de menselijke woorden van de Bijbel in verband brengt met het levende Woord van God. ‘Katholieke exegeten moeten nooit vergeten dat wat zij interpreteren het Woord van God is… Zij bereiken het eigenlijke doel van hun werk alleen als zij de betekenis van de Bijbeltekst hebben uitgelegd als Gods Woord voor deze tijd’[32].

22. Dei Verbum ziet als taak voor de exegese, dat deze zekerheid geeft over ‘wat God ons heeft willen bekendmaken’[33]. Om de bedoeling van de Bijbelteksten te begrijpen en te verklaren[34], moet zij gebruik maken van alle passende filologische, historische en literaire methoden, om zo de heilige Schrift te verhelderen en te verstaan in zijn eigen context en ontstaanstijd. Op die manier wordt methodisch recht gedaan aan de historiciteit van de openbaring. Dei Verbum 12 maakt in het bijzonder melding van de noodzaak om aandacht te schenken aan literaire genres: ‘Want de waarheid wordt op uiteenlopende manier voorgesteld en uitgedrukt in teksten die op een verschillende wijze historisch, profetisch, dichterlijk of van een ander genre zijn.’ Na het Concilie zijn nog andere methoden ontwikkeld, waarmee nieuwe aspecten van de betekenis van de Schrift aan het licht kunnen worden gebracht[35]. Dei Verbum 12 wijst er echter op dat, ‘om de juiste zin van de gewijde teksten te achterhalen’ en een echt ‘theologische’ interpretatie van de Schrift te realiseren, er ook ‘drie fundamentele criteria’ moeten worden aangehouden[36]: de eenheid van de Schrift, het getuigenis van de traditie, en de analogie van het geloof[37]. Het Concilie vermeldt de eenheid van de Schrift, omdat de Bijbel alleen in een pluriform geheel van de volledige heilswaarheid getuigenis aflegt[38]. De exegese heeft methoden ontwikkeld om de canon van de Schrift als geheel te benutten als een hermeneutisch referentiepunt voor de verklaring van de Schrift. Daarmee kan aan de plaatsing en de inhoud van de verschillende boeken en perikopen betekenis worden toegekend. Globaal gesproken moet de exegese, zo leert het Concilie, ernaar streven, de Bijbelteksten te lezen en te interpreteren tegen de achtergrond van het geloof en het leven van het volk van God, dat door de eeuwen heen ondersteund wordt door de Heilige Geest. Dat is de context waarin exegese zoekt naar de letterlijke betekenis en zich openstelt voor de spirituele of vollere betekenis (sensus plenior) van de Schrift[39]. ‘Alleen daar waar met de twee methodologische niveaus – het historisch-kritische en het theologische – rekening wordt gehouden, kan men spreken van een theologische exegese – een exegese die past bij het Boek’[40].

23. Als Dei Verbum zegt dat de studie van de heilige Schrift de ‘ziel’ is van de theologie, dan bedoelt zij alle theologische disciplines. Gefundeerd zijn in het geopenbaarde Woord van God, zoals Schrift en traditie daarvan getuigenis afleggen, is wezenlijk voor theologie. Haar primaire taak is Gods waarheid als heilswaarheid te interpreteren. Aangespoord door het Tweede Vaticaans Concilie tracht de katholieke theologie met haar werk het Woord van God en daarmee het Schriftgetuigenis van dienst te zijn[41]. Dat brengt mee dat in theologische uiteenzettingen 'de bijbelse themata allereerst naar voren komen’, voor al het andere[42]. Deze benadering komt weer dicht bij die van de kerkvaders, die ‘op de eerste plaats en in wezen “commentatoren van de heilige Schrift” waren’[43], en maakt oecumenische samenwerking mogelijk: ‘Het gemeenschappelijk luisteren naar de Schriften zet aan tot een dialoog van liefde en doet de dialoog van de waarheid groeien’[44].

24. Criterium van katholieke theologie is dat ze voortdurend put uit het canonieke Schriftgetuigenis en bevordert dat leer en praktijk van de Kerk geheel gefundeerd zijn in dat getuigenis. ‘Alle kerkelijke prediking en de christelijke godsdienst zelf moeten derhalve door de heilige Schrift worden gevoed en beheerst’[45]. Theologie moet proberen de Schriften wijd open te leggen voor de christengelovigen[46], zodat de gelovigen in aanraking kunnen komen met het levende Woord van God (zie Heb 4,12).

 

2. Trouw aan de apostolische traditie

25. De Handelingen van de Apostelen beschrijven de levenswijze van de eerste christengemeenschap als fundamenteel richtinggevend voor de Kerk in alle tijden: ‘Ze wijdden zich trouw aan het onderwijs dat de apostelen gaven, en aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed’ (Hnd 2,42; zie Apk 1,3). Deze beknopte beschrijving - als afsluiting van het verslag van het Pinksterfeest, toen de Heilige Geest de apostelen de mond opende om te prediken en velen die hen gehoord hadden tot geloof bracht - laat verschillende aspecten zien die wezenlijk zijn voor het blijvende werken van de Geest in de Kerk. De omtrekken zijn al te zien van wat het onderricht en het sacramentele leven, de spiritualiteit en de liefdesdienst van de Kerk zal zijn. Die vonden alle hun begin in de gemeenschap van de apostelen; het doorgeven van heel deze levensstijl in de Geest is de apostolische traditie. Lex orandi (de gebedsregel), lex credendi (de geloofsregel) en lex vivendi (de levensregel) maken alle evenzeer deel uit van het wezen van de traditie. Paulus wijst op de traditie waarin hij als apostel is ingeschakeld, als hij spreekt over het ‘overleveren’ van wat hij zelf heeft ‘ontvangen’ (1 Kor 15,1-11; zie ook 1 Kor 11,23-26).

26. Traditie is dan ook iets levends en vitaals, een voortgaand proces waarin de eenheid van het geloof tot uiting komt in de veelheid van talen en verscheidenheid van culturen. Ze houdt op traditie te zijn als ze begint te verstenen. ‘Deze van de apostelen stammende overlevering vordert in de Kerk onder bijstand van de Heilige Geest. Want het inzicht zowel in de overgeleverde werkelijkheden als in de overgeleverde woorden groeit … De Kerk streeft in de loop der eeuwen onafgebroken naar de volheid van de goddelijke waarheid, totdat in haar de woorden van God in vervulling gaan’[47]. Traditie vindt plaats in de kracht van de Heilige Geest, die, zoals Jezus zijn leerlingen beloofd heeft, de Kerk leidt naar de volle waarheid (zie Joh 16,13) door stevig de herinnering vast te houden aan Jezus zelf (zie Joh 14,26), de Kerk trouw te houden bij haar apostolische oorsprong, de overlevering van het geloof veilig te stellen, en te zorgen dat het evangelie steeds als nieuw wordt aangeboden onder leiding van herders die opvolgers zijn van de apostelen[48]. Vitale componenten van traditie zijn derhalve: een voortdurend hernieuwde studie van de heilige Schrift, liturgie, aandacht voor wat de geloofsgetuigen door de eeuwen heen geleerd hebben, catechese die groei in geloof bevordert, daadwerkelijke liefde jegens God en de naaste, gestructureerd kerkelijk ambt, en de dienst van het leergezag aan het Woord van God. ‘Wat door de apostelen is overgeleverd, omvat alles wat strekt tot de heilige levenswandel van het volk van God en zijn groei in geloof. Zo bestendigt de Kerk in haar leer, leven en eredienst alles wat zijzelf is, alles wat zij gelooft en geeft dit door aan alle geslachten’[49].

27. ‘De uitspraken van de heilige vaders leggen getuigenis af van de tot leven wekkende aanwezigheid van deze overlevering, waarvan de rijkdom de praktijk en het leven van de gelovende en biddende Kerk doordringt’[50]. Omdat de kerkvaders, zowel van het Oosten als van het Westen, een unieke plaats innemen in ‘het getrouw doorgeven en uitleggen’ van de geopenbaarde waarheid[51], vormen hun geschriften een specifiek referentiepunt (locus) in de katholieke theologie. De traditie zoals de kerkvaders die kenden en beleefden, was zeer veelzijdig en bruiste van leven – dat blijkt uit het veelvoud van liturgische families en van spirituele en exegetisch-theologische tradities ( bijvoorbeeld in de scholen van Alexandrië en Antiochië), een veelvoud dat stevig verankerd was in het ene geloof dat hen verbond. Tijdens de grote theologische controversen van de 4e en 5e eeuw werd orthodoxie of ketterij van een doctrine afgemeten aan de mate waarin die al dan niet overeenstemde met de consensus van de kerkvaders[52]. Het gemeenschappelijke getuigenis van de kerkvaders was voor Augustinus de stem van de Kerk[53]. De concilies van Chalcedon en Trente begonnen  hun plechtige verklaringen met de formule: ‘In navolging van de heilige Vaders…’[54], en het Concilie van Trente en Vaticanum I gaven duidelijk aan dat de ‘unanieme consensus’ van de kerkvaders een veilige gids was voor de interpretatie van de Schrift[55].

28. Veel kerkvaders waren bisschoppen, die met hun medebisschoppen bijeenkwamen in aanvankelijk regionale, en later wereldwijde of ‘oecumenische’ concilies die het kerkelijke leven markeren vanaf de eerste eeuwen, naar het voorbeeld van de apostelen (zie Hnd 15,6-21). Geconfronteerd met de christologische en trinitarische ketterijen, die in de tijd van de kerkvaders een bedreiging vormden voor het geloof en de eenheid van de Kerk, kwamen de bisschoppen bijeen in de grote oecumenische concilies – Nicea I, Constantinopel I, Efese, Chalcedon, Constantinopel II, Constantinopel III en Nicea II – om dwaling te veroordelen en het orthodoxe geloof af te kondigen in credo’s en geloofsdefinities. Deze concilies legden hun onderricht, met name hun plechtige definities, op als normatief en universeel bindend; deze definities zijn een uitdrukking van en behoren tot de apostolische traditie, en zij dienen nog steeds het geloof en de eenheid van de Kerk. Latere concilies, die in het Westen erkend zijn als oecumenisch, hebben deze praktijk voortgezet. Het Tweede Vaticaans Concilie vermeldt het leerambt of magisterium van de paus en de bisschoppen van de Kerk, en verklaart dat de bisschoppen onfeilbaar leren wanneer zij, ofwel bijeen rond de bisschop van Rome in een oecumenisch concilie ofwel in gemeenschap met hem maar verspreid over de wereld, gezamenlijk van mening zijn dat een bepaalde leer inzake geloof of moraal ‘definitief en absoluut moet worden aanvaard’. De paus zelf, hoofd van het college van bisschoppen, leert onfeilbaar wanneer hij ‘als opperste herder en leraar van alle gelovigen … een leerpunt betreffende geloof of zeden in een definitieve uitspraak afkondigt’[56].

29. Katholieke theologie erkent het leergezag van oecumenische concilies, het gewone en universele leergezag van de bisschoppen, en het pauselijke leergezag. Ze aanvaardt de bijzondere status van dogma’s, dat wil zeggen, verklaringen ‘waarin de Kerk een geopenbaarde waarheid definitief vastlegt, op een wijze die bindend is voor de universele Kerk, zodanig dat ontkenning ervan als ketterij verworpen wordt en onder een anathema valt’[57]. Dogma’s behoren tot de levende en voortgaande apostolische traditie. Theologen zijn zich bewust van de moeilijkheden die met hun interpretatie gepaard gaan. Het is bijvoorbeeld nodig om de betreffende kwestie exact te verstaan in het licht van de historische context ervan, en te ontleden hoe betekenis en inhoud van een dogma gerelateerd zijn aan de formulering ervan[58]. Toch zijn dogma’s veilige referentiepunten voor het geloof van de Kerk en worden zij als zodanig gebruikt in theologische reflectie en argumentatie.

30. Voor het katholieke geloof vormen Schrift, traditie en kerkelijk leergezag een onafscheidelijke eenheid. ‘De heilige overlevering en de heilige Schrift vormen één heilig aan de Kerk toevertrouwd pand’, en ‘de taak om het geschreven of overgeleverde woord van God op authentieke wijze te verklaren, is alleen aan het levende leraarsambt van de Kerk toevertrouwd’[59]. De heilige Schrift is niet zomaar een tekst maar ‘locutio Dei’[60] en ‘verbum Dei[61], waarvan aanvankelijk getuigenis werd afgelegd door de profeten van het Oude Testament en tenslotte door de apostelen in het Nieuwe Testament (zie Rom 1,1-2). De heilige Schrift is ontstaan te midden van het volk van God, en is samengebracht, gelezen en geïnterpreteerd door het volk van God, en behoort daarom tot de levende traditie van de Kerk als het canonieke geloofsgetuigenis voor alle tijden. Inderdaad, ‘de Schrift is de eerste schakel in de geschreven overlevering’[62]. ‘Daarom dient de Schrift te worden verkondigd, aanhoord, gelezen, ontvangen en beleefd als het Woord van God, in de stroom van de apostolische overlevering waarmee het onlosmakelijk is verbonden’[63]. Dit proces wordt geleid door de Heilige Geest, ‘door wie de levende stem van het evangelie in de Kerk en door haar in de wereld weerklinkt’[64]. ‘De heilige Schrift immers is het spreken van God, voor zover dit onder aandrift van de Geest schriftelijk wordt vastgelegd; de heilige overlevering geeft het woord van God, door Christus de Heer en de Heilige Geest aan de apostelen toevertrouwd, ongerept door aan hun opvolgers, opdat zij dit, in het licht van de Geest der waarheid, door hun verkondiging trouw bewaren, uiteenzetten en verbreiden. Vandaar dat de Kerk haar zekerheid over al het geopenbaarde niet put uit de Schrift alleen’[65]. Zij ontleent het ook aan de apostolische traditie, omdat deze het levende proces is waarin de Kerk naar Gods Woord luistert.

31. Vaticanum II maakte onderscheid tussen de traditie zelf en die tradities die horen bij bepaalde kerkhistorische perioden, of bij bepaalde regio’s en gemeenschappen, zoals religieuze ordes of specifieke lokale kerken[66]. Aan het uiteenleggen van Traditie en tradities heeft de katholieke theologie na Vaticanum II veel werk besteed, net als de theologie in het algemeen dat deed in de voorbije decennia[67]. Dit werk is ten diepste verbonden met de katholiciteit van de Kerk, en heeft veel oecumenische implicaties. Daarbij rijzen talloze vragen, bijvoorbeeld: ‘Is het mogelijk om nauwkeuriger te bepalen wat de inhoud is van de ene Traditie, en op welke manier? Bevatten alle tradities die van zichzelf zeggen dat zij christelijk zijn de Traditie? Hoe kunnen wij onderscheid maken tussen tradities die de echte Traditie vertegenwoordigen en louter menselijke tradities? Waar treffen wij authentieke Traditie aan, en waar een traditie de verarmd is of zelfs vertekend’[68]? Enerzijds moet de theologie laten zien dat de apostolische traditie niet iets abstracts is, maar concreet bestaat in de verschillende tradities die zich binnen de Kerk ontwikkeld hebben. Anderzijds moet theologie bezien waarom sommige tradities kenmerkend zijn, niet voor de Kerk als geheel, maar alleen voor bepaalde religieuze ordes, plaatselijke kerken of historische perioden. Terwijl kritische bespreking van de apostolische traditie zelf ongepast is, moeten tradities altijd openstaan voor kritiek, zodat de ‘onafgebroken hervorming’ die de Kerk nodig heeft[69] kan plaatsvinden, en de Kerk zich voortdurend opnieuw kan vestigen op haar ene fundament, Jezus Christus. Deze vorm van kritiek wil vaststellen of een specifieke traditie inderdaad het geloof van de Kerk uitdrukt in een bepaalde plaats en tijd, en wil dienovereenkomstig versterking of correctie aanbrengen door contact met het levende geloof van alle plaatsen en tijden.

32. Trouw aan de apostolische traditie is een criterium van katholieke theologie. Deze trouw vraagt een houding die de verschillende getuigenissen en uitdrukkingen van de voortgaande apostolische traditie actief en met onderscheidingsvermogen tegemoet treedt. Het vergt studie van de heilige Schrift, van de liturgie, en van de geschriften van de kerkvaders en leraren van de Kerk, en aandacht voor het onderricht van het leergezag.

 

3. Aandacht voor de sensus fidelium

33. In zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen schrijft Sint-Paulus: ‘Wij danken God zonder ophouden, omdat u het woord van God, dat u van ons te horen kreeg, hebt ontvangen en het hebt aanvaard; niet als een woord van mensen, maar als wat het inderdaad is: het woord van God zelf, dat ook werkzaam blijft in u die gelooft’ (1 Tes 2,13). Deze woorden illustreren wat Vaticanum II bedoelde met ‘de bovennatuurlijke geloofszin [sensus fidei] van het hele volk’[70] en ‘het innerlijk begrip van de geestelijke dingen’[71] dat de gelovigen hebben, dat wil zeggen, de sensus fidelium. Het subject van het geloof is het volk van God als geheel, dat in kracht van de Geest het Woord van God bevestigt. Daarom verklaart het Concilie dat heel het volk van God deelheeft aan het profetische ambt van Jezus[72], en dat het, gezalfd als het is met de Heilige Geest (zie 1 Joh  2,20.27), ‘in het geloof niet kan dwalen’[73]. De herders die het volk van God leiden en het geloof ervan dienen, zijn zelf allereerst leden van de gelovige gemeenschap. Daarom spreekt Lumen Gentium eerst over het volk van God en de sensus fidei waarover het beschikt[74], en dan pas over de bisschoppen[75] die, door hun apostolische successie in het episcopaat en het ontvangen van hun eigen specifieke charisma veritatis certum (de betrouwbare geestesgave van de waarheid)[76], als  een college in hiërarchische gemeenschap met het hoofd, de bisschop van Rome en opvolger van de Heilige Petrus op de apostolische stoel[77], het leergezag van de Kerk vormen. Zo leert ook Dei Verbum dat het Woord van God ‘is toevertrouwd aan de Kerk’, en spreekt het over het ‘gehele heilige volk’ dat het aanhangt, waarna het pas specificeert dat de paus en de bisschoppen de taak hebben om het Woord van God op authentieke wijze te verklaren[78]. Deze ordening is fundamenteel voor katholieke theologie. Zoals de Heilige Augustinus zei: ‘Vobis sum episcopus, vobiscum sum christianus’[79].

34. De aard en plaats van de sensus fidei of sensus fidelium moet op de juiste wijze begrepen worden. De sensus fidelium betekent niet eenvoudigweg de mening van de meerderheid in een bepaalde tijd of cultuur, en het is ook niet alleen maar een bijkomende bevestiging van wat het leergezag al heeft geleerd. De sensus fidelium is de sensus fidei van het volk van God als geheel, dat gehoorzaamt aan het Woord van God en op de weg van het geloof wordt geleid door zijn herders. De sensus fidelium is derhalve de geloofszin die diep is verankerd in het volk van God dat het Woord van God ontvangt, begrijpt en beleeft in de Kerk.

35. Voor theologen is de sensus fidelium van groot belang. Het is niet alleen voorwerp van aandacht en respect, het is ook een basis en locus van hun werk. Aan de ene kant zijn theologen afhankelijk van de sensus fidelium, omdat het geloof dat zij onderzoeken en verklaren leeft in het volk van God. Duidelijk is daarom dat theologen zelf moeten deelnemen aan het kerkelijke leven om het goed tot zich te laten doordringen. Aan de andere kant maakt het precies deel uit van de bijzondere dienst van theologen in het lichaam van Christus, dat zij het geloof van de Kerk uitleggen zoals het te vinden is in de Schriften, de liturgie, geloofsbelijdenissen, dogma’s, catechismussen, en in de sensus fidelium zelf. Theologen helpen de inhoud van de sensus fidelium te verhelderen en te articuleren, zij erkennen en tonen aan dat kwesties die met de geloofswaarheid van doen hebben complex kunnen zijn, en dat het onderzoek ernaar nauwgezet moet gebeuren[80]. Het komt hun ook toe, in voorkomende gevallen, kritisch te kijken naar vormen van volksvroomheid, en nieuwe intellectuele stromingen en bewegingen binnen de Kerk, uit het oogpunt van trouw aan de apostolische traditie. Kritische beoordelingen van theologen moeten altijd constructief zijn, nederig, respectvol en liefdevol. ‘Kennis alleen (gnosis) leidt tot eigenwaan; het is de liefde (agape) die opbouwt’ (1 Kor 8,1).

36. Aandacht voor de sensus fidelium is een criterium voor katholieke theologie. Theologie moet proberen nauwkeurig te ontdekken en te verwoorden wat katholieke gelovigen werkelijk geloven. Ze moet de waarheid met liefde uitzeggen, zodat de gelovigen kunnen groeien in geloof, en niet ‘heen en weer geslingerd worden en meegesleurd door elke windvlaag van de leer’ (Ef 4,14-15).

 

4. In verantwoordelijkheid het kerkelijke leergezag volgen

37. Voor katholieke theologie is het leergezag een integraal onderdeel van de theologische activiteit zelf, want theologie ontvangt haar object van God door toedoen van de Kerk, waarvan het geloof authentiek verklaard wordt door ‘het levende leraarsambt van de Kerk’ alleen[81], dat wil zeggen, door het leergezag van de paus en de bisschoppen. Trouw aan het leergezag is noodzakelijk, wil theologie kennis van het geloof (scientia fidei) en een kerkelijke opdracht zijn. Een correcte theologische methodologie vergt daarom geëigende kennis van de aard en het gezag van het magisterium op alle niveaus, en van de geëigende verhoudingen tussen het kerkelijke leergezag en theologie[82]. Bisschoppen en theologen hebben onderscheiden roepingen, en moeten elkaars specifieke competentie eerbiedigen, zodat niet het leergezag de theologie reduceert tot een louter repetitieve wetenschap, of theologen pretenderen het leerambt van de herders van de Kerk over te nemen.

38. Het begrip ‘Kerk als gemeenschap’ biedt een goed kader om te bezien hoe de verhouding tussen theologen en bisschoppen, theologie en leergezag er een van vruchtbare samenwerking kan zijn. De eerste vaststelling is dat theologen in hun werk en bisschoppen in hun leergezag beiden onder het primaat van Gods Woord staan, en nooit erboven[83]. Tussen bisschoppen en theologen moet een wederzijds respectvolle samenwerking bestaan; in hun gehoorzaam luisteren naar dit Woord en de betrouwbare verkondiging ervan; in hun aandacht voor de sensus fidelium en hun dienst aan de groei en volwassenheid van het geloof; in hun zorg om het Woord door te geven aan nieuwe generaties, met eerbied voor nieuwe vragen en uitdagingen; en in hun hoopvol getuigenis van de al ontvangen gaven. In dit alles hebben bisschoppen en theologen hun bijzondere rol te spelen in een gemeenschappelijke zending[84], waaraan leergezag en theologie elk hun eigen legitimatie en doel ontlenen[85]. Theologie onderzoekt en articuleert het geloof van de Kerk, en het kerkelijke leergezag verkondigt dat geloof en interpreteert het naar waarheid[86].

39. Van de ene kant heeft het leergezag theologie nodig, zodat het in zijn interventies niet alleen doctrinair gezag, maar ook theologische competentie en kritisch evaluatief vermogen kan laten zien; daarom moet een beroep gedaan worden op theologen om hulp te bieden bij de voorbereiding en formulering van uitspraken van het leergezag. Van de andere kant is het leergezag een onmisbare hulp voor theologie, omdat het de authentieke overlevering van het geloofsgoed (depositum fidei) garandeert, met name in beslissende perioden waarin het aankomt op onderscheidingsvermogen. Theologen moeten erkennen dat uitspraken van het leergezag bijdragen aan voortgang in de theologie, en zij moeten de receptie van die uitspraken ondersteunen. Interventies van het leergezag kunnen theologische reflectie stimuleren, en theologen moeten laten zien hoe hun eigen bijdragen overeenkomen met eerdere doctrinaire uitspraken van het leergezag, en deze verder ondersteunen. Er bestaat in de Kerk inderdaad een zeker ‘magisterium’ van theologen[87], maar er is geen ruimte voor parallelle, oppositionele of alternatieve magisteria[88], of voor opvattingen die theologie zouden losmaken van het leergezag van de Kerk.

40. Met betrekking tot de ‘authentieke’ interpretatie van het geloof, heeft het leergezag een rol die de theologie niet simpelweg aan zichzelf kan toebedelen. Theologie kan een oordeel dat voortkomt uit de wetenschappelijke theologische gemeenschap, niet in de plaats stellen van het oordeel van de bisschoppen. Aanvaarding van deze functie van het leergezag met betrekking tot de authenticiteit van het geloof vergt erkenning van de verschillende niveaus in magisteriëel spreken[89]. Op elk niveau is er een passend, naar het niveau gedifferentieerd  antwoord mogelijk van de kant van de gelovigen en van de theologen. Niet elk woord van het leergezag heeft hetzelfde gewicht. Dat is op zichzelf al relevant voor theologische arbeid, en de verschillende niveaus worden dan ook beschreven volgens zogeheten ‘theologische kwalificaties of noties’[90].

41. Precies vanwege deze gradatie houdt de gehoorzaamheid die theologen als leden van het volk Gods verschuldigd zijn aan het leergezag, altijd constructieve kritische evaluatie en commentaar in[91]. Terwijl ‘weigering om in te stemmen’ met het leergezag geen plaats heeft in de katholieke theologie, is onderzoek en vragen stellen gerechtvaardigd en zelfs noodzakelijk voor de theologie, wil zij haar taak goed vervullen[92]. Wat de gegeven situatie ook is, het is niet voldoende als theologen alleen maar formeel en uiterlijk gehoorzaamheid of instemming betuigen. Theologen moeten ernaar streven hun reflectie over de waarheid die door het kerkelijke leergezag wordt verkondigd, te verdiepen en te zoeken naar de implicaties ervan voor het christelijke leven en de dienst aan de waarheid. Op die manier vervullen theologen hun eigen taak en wordt de leer van het magisterium niet gereduceerd tot enkele louter decoratieve citaten in theologische verhandelingen.

42. De verhouding tussen bisschoppen en theologen is dikwijls goed en vertrouwensvol aan weerszijden, met passend respect voor wat de ander aan roeping en verantwoordelijkheid bezit. Zo nemen bisschoppen bijvoorbeeld deel aan nationale en regionale bijeenkomsten van theologische verenigingen, zij doen een beroep op theologisch deskundigen bij het formuleren van hun eigen onderricht en beleid en zij bezoeken en ondersteunen theologische faculteiten en hogescholen in hun bisdommen. Het is onvermijdelijk dat er soms spanningen zullen voorkomen in de relatie tussen theologen en bisschoppen. In zijn diepgaande analyse van de dynamische interactie, binnen het levende organisme van de Kerk, tussen de drie ambten van Christus als profeet, priester en koning, erkende de Zalige John Henry Newman de mogelijkheid van zulke ‘chronische botsingen of tegenstellingen’, en het is goed te bedenken dat hij ze ‘in de aard van de zaak’ vond liggen[93]. ‘Theologie is het fundamentele, regulerende principe van het gehele kerkelijke systeem’, schreef hij, en toch ‘kan theologie niet altijd de doorslag geven’[94]. Over spanningen tussen theologen en het leergezag zei de Internationale Theologische Commissie in 1975: ‘Waar echt geleefd wordt, bestaat altijd spanning’. ‘Zulke spanning hoeft niet geduid te worden als vijandigheid of daadwerkelijke oppositie, maar kan gezien worden als een vitale kracht en een stimulans voor het uitvoeren, in verbondenheid, van ieders taak door middel van dialoog’[95].

43. De vrijheid van theologie en theologen is een thema van bijzonder belang[96]. Deze vrijheid ‘berust op de wetenschappelijke verantwoordelijkheid die theologen eigen is’[97]. De idee van verbondenheid met het leergezag roept soms een kritische tegenstelling op tussen een zogenaamd ‘wetenschappelijke’ theologie (zonder gelovige vooronderstellingen of kerkelijke loyaliteit) en een zogenaamd ‘confessionele’ theologie (uitgewerkt binnen een religieuze confessie), maar dat is een inadequate tegenstelling[98]. Weer andere discussies komen voort uit beschouwingen over de gewetensvrijheid van de gelovige, of het belang van wetenschappelijke vooruitgang in theologisch onderzoek, en het leergezag wordt soms voorgesteld als een repressieve kracht of een rem op vooruitgang. Onderzoek naar dit soort thema’s is onderdeel van de theologische opdracht en dient juist om de wetenschappelijke en  confessionele aspecten van theologie goed te integreren en de theologische vrijheid binnen de horizon van het plan en de wil van God te zien.

44. Betrouwbare verbondenheid tonen met het leergezag op de verschillende niveaus is een criterium van katholieke theologie. Katholieke theologen moeten de competentie van bisschoppen erkennen en in het bijzonder van het college van bisschoppen met de Paus aan het hoofd, om een authentieke interpretatie van het Woord van God te geven dat wordt doorgegeven in Schrift en traditie[99].

 

5. In het gezelschap van theologen

45. Zoals elke christelijke roeping is het theologenambt zowel persoonlijk als gemeenschappelijk en collegiaal van karakter, dat wil zeggen, het wordt uitgeoefend in en voor de Kerk als geheel, en beleefd in solidariteit met degenen die dezelfde roeping hebben. Theologen zijn met recht trots op en zich bewust van de diepe verbondenheid, die hen samenbrengt in dienst aan het lichaam van Christus en aan de wereld. Op heel veel manieren – als collega’s aan theologische faculteiten en hogescholen, als leden van theologische verenigingen en samenwerkingsverbanden, als onderzoekmedewerkers, als auteurs en docenten – ondersteunen en inspireren zij elkaar, en zijn zij mentor en rolmodel voor degenen, met name doctorandi, die theoloog willen worden. Die verbondenheid strekt zich bovendien ver uit in ruimte en tijd, ze brengt theologen over heel de wereld samen uit verschillende landen en culturen en door de tijd heen uit verschillende tijdperken en contexten. Die verbondenheid is echt een weldaad, wanneer ze het besef en de naleving van de criteria van katholieke theologie kan bevorderen zoals in dit rapport beschreven. Niemand kan katholieke theologen beter bijstaan in hun streven om zo goed mogelijk dienst te verlenen, volgens de echte kenmerken van hun discipline, dan andere katholieke theologen.

46. Tegenwoordig is het steeds vanzelfsprekender dat er wordt samengewerkt bij onderzoeks- en publicatieprojecten, zowel binnen een theologisch vakgebied als tussen de verschillende vakgebieden. Het is goed om de gelegenheid te scheppen voor presentaties, seminars en conferenties die kunnen bevorderen dat collega’s in theologische instellingen en faculteiten elkaar kennen en waarderen. Verder moet er ook mogelijkheid zijn voor interdisciplinaire ontmoeting en uitwisseling van theologen met filosofen, natuur- en sociaal wetenschappers, historici en anderen, want zoals dit rapport ook zegt, theologie is een wetenschap die gedijt in interactie met andere wetenschappen, zoals zij ook aan vruchtbare uitwisseling met theologie doen.

47. Vanuit de aard van hun opdracht werken theologen vaak op de grenzen van de ervarings- en reflectiewereld van de Kerk. Vooral nu er een steeds groter aantal lekentheologen is, die uit eigen ervaring bepaalde interactiegebieden van Kerk en wereld, van evangelie en leven kent waarmee theologen die priester en/of religieus zijn wellicht minder vertrouwd zijn, komt het steeds meer voor, dat theologen een begin maken met articulatie van ‘geloof dat zoekt te begrijpen’ in nieuwe omstandigheden of ten overstaan van nieuwe kwesties. Theologen hebben bij hun oprechte inspanningen namens de Kerk gebed en ondersteuning nodig van de hele kerkelijke gemeenschap en vooral ook van elkaar, maar in zulke omstandigheden is consciëntieus vasthouden aan de fundamentele criteria van katholieke theologie buitengewoon belangrijk. Theologen moeten altijd beseffen dat hun inspanningen een intrinsiek voorlopig karakter hebben en zij moeten hun werk aanbieden aan de Kerk als geheel voor kritisch onderzoek en evaluatie[100].

48. Een van de kostbaarste diensten die theologen elkaar kunnen bewijzen is die van het elkaar bevragen en corrigeren, zoals bijvoorbeeld de middeleeuwse gewoonte van de disputatio en de moderne gewoonte van de peer review van elkaars geschriften; op die manier kunnen ideeën en methoden steeds verder verfijnd en verbeterd worden, en dit proces heeft dan op een algemene en gezonde manier plaats binnen de theologische gemeenschap zelf[101]. De aard ervan echter brengt mee dat dit een langzaam en individueel proces is, en met name omdat onze tijd er een is van snelle communicatie en verspreiding van ideeën ver buiten de eigenlijke theologische kring, is er weinig reden om aan te nemen dat dit mechanisme van zelfcorrectie in alle gevallen voldoet. De bisschoppen waken over de gelovigen met hun onderricht en hun zorg en het is hun recht en hun plicht om te spreken, tussenbeide te komen, en zo nodig kritiek te oefenen op theologisch werk waarvan zij vinden dat het onjuist of schadelijk is[102].

49. Oecumenisch gesprek en onderzoek is een bevoorrecht gebied waarop katholieke theologen en theologen van andere christelijke tradities met hoop op vruchtbare resultaten samenwerken. Die arbeid brengt diepe afweging mee van geloofskwesties, betekenis en taal. In hun inspanning om wederzijds begrip te bevorderen in kwesties die strijdpunten vormden tussen hun tradities, misschien al eeuwenlang, treden theologen op als ambassadeurs voor hun gemeenschappen, met de gewijde taak de verzoening en eenheid van christenen na te streven, opdat de wereld moge geloven (zie Joh 17, 21). Die ambassadeurstaak vergt van de katholieke deelnemers bijzondere trouw aan de hierboven geschetste criteria, zodat de verscheidenheid aan gaven die de katholieke traditie bevat echt kan worden ingebracht in de ‘uitwisseling van gaven’ die de oecumenische dialoog in brede zin altijd in zekere zin is[103].

50. Een criterium van katholieke theologie is dat ze beoefend wordt in professionele, biddende en vriendschappelijke samenwerking met heel het gezelschap van katholieke theologen binnen de gemeenschap van de Kerk, in een geest van wederzijdse waardering en ondersteuning, met aandacht voor wat de gelovigen nodig hebben en tegen hen willen zeggen, en met aandacht voor begeleiding van de herders van de Kerk.

 

6. In dialoog met de wereld

51. Het volk van God ‘gelooft, dat het wordt geleid door de Geest van de Heer die de gehele aarde vervult’[104]. Het Tweede Vaticaans Concilie zei dat de Kerk zich daarom inspant om ‘in de gebeurtenissen, eisen en verlangens’ van deze tijd te onderkennen, wat daarin werkelijke tekenen zijn van de activiteit van de Geest[105]. ‘De Kerk heeft te allen tijde de opdracht de tekenen des tijds te doorzoeken [signa temporum perscrutandi] en in het licht van het evangelie te interpreteren. Op deze wijze kan zij dan, op een aan elke generatie aangepaste wijze, een antwoord geven op de voortdurende vragen van de mensen over de zin van het huidige en toekomstige leven en over de onderlinge verhouding daartussen. Men dient dus de wereld waarin wij leven en evenzeer haar verwachtingen, strevingen en haar dikwijls dramatisch karakter te onderkennen en te verstaan’[106].

52. Omdat zij hun dagelijkse bestaan in geloof beleven, zien alle christenen zich genoodzaakt de gebeurtenissen en de crisismomenten die zich tussen mensen voordoen, te duiden, en raken zij allemaal betrokken in gesprekken en discussies, waarbij onvermijdelijk het geloof ter sprake komt en een antwoord gewenst is. Heel de Kerk leeft als het ware op het grensvlak tussen het evangelie en het leven van iedere dag en zo ook op de grens tussen verleden en toekomst, want de geschiedenis gaat voort. De Kerk is voortdurend in gesprek en in beweging en binnen die zo dynamisch betrokken gemeenschap van gedoopten hebben bisschoppen en theologen eigen verantwoordelijkheden, zoals het Concilie heeft aangegeven. ‘Het is de plicht van het gehele volk van God, vooral van de herders en theologen, om met de hulp van de Heilige Geest het gevarieerd spreken van onze tijd te beluisteren, te schiften en te interpreteren en er in het licht van het goddelijk woord een oordeel over te geven, opdat de geopenbaarde waarheid steeds dieper gevat, steeds beter ingezien en steeds meer aangepast naar voren kan worden gebracht’[107].

53. Theologie heeft daarbij een eigen competentie en verantwoordelijkheid. Omdat zij voortdurend in gesprek is met de sociale, religieuze en culturele stromingen van de tijd en openstaat naar andere wetenschappen die met hun eigen methoden die ontwikkelingen bestuderen, kan theologie de gelovigen en het leergezag helpen om het belang in te schatten van ontwikkelingen, gebeurtenissen en trends in de menselijke geschiedenis en te onderscheiden en te duiden op welke manier de Geest daar doorheen wellicht spreekt tot de Kerk en de wereld.

54. De ‘tekenen van de tijd’ kunnen we omschrijven als die gebeurtenissen of fenomenen in de menselijke geschiedenis, die in zekere zin bepalend zijn voor een periode vanwege hun krachtige invloed of omvang, en die aangeven welke bijzondere noden en aspiraties leven bij de mensen van die tijd. Dat het Concilie de uitdrukking ‘tekenen van de tijd’ gebruikt, laat zien dat het de historiciteit volledig erkende, niet alleen van de wereld maar ook van de Kerk, die in de wereld is (zie Joh 17,11.15.18) ofschoon niet van de wereld (zie Joh 17,14.16). Wat overal in de wereld gebeurt, ten goede of ten kwade, kan de Kerk nooit onverschillig zijn. De wereld is de plaats waarin de Kerk, in de voetsporen van Christus, het evangelie verkondigt, getuigt van Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid en deelneemt aan het drama van het menselijke leven.

55. De afgelopen eeuwen gaven grote sociale en culturele ontwikkelingen te zien. Te denken valt bijvoorbeeld aan de ontdekking van historiciteit, en aan bewegingen als de verlichting en de Franse Revolutie (met vrijheid, gelijkheid en broederschap als idealen), bewegingen voor emancipatie en vrouwenrechten, vrede en gerechtigheid, bevrijding en democratisering, en milieu. De ambivalentie van de menselijke geschiedenis heeft de Kerk er op sommige momenten in het verleden toe gebracht, overbezorgd te zijn over zulke bewegingen, er alleen bedreigingen in te zien voor de christelijke leer en het geloof, en de betekenis ervan over het hoofd te zien. Maar in die houding is langzaam verandering gekomen, dankzij de sensus fidei van het volk van God, de heldere waarneming van profetische individuele gelovigen, en de geduldige dialoog die theologen gevoerd hebben met de hen omringende culturen. Onder het licht van het evangelie is er beter onderscheid gemaakt, er was meer bereidheid om te bezien hoe de Geest van God misschien iets te zeggen had door middel van zulke gebeurtenissen. Zorgvuldig onderscheid moet in elk geval gemaakt worden tussen elementen die met het evangelie verenigbaar zijn en andere die ermee in strijd zijn, tussen positieve bijdragen en ideologische aspecten, maar wat tevoorschijn komt als een meer scherpzinnige waarneming van de wereld moet in ieder geval een diepere erkenning opleveren van Christus de Heer en het evangelie[108], want Christus is de redder van de wereld.

56. Terwijl de algemene menselijke ontwikkeling baat heeft bij de activiteit van de Kerk, heeft de Kerk ook baat bij ‘de geschiedenis en ontwikkeling van de mensheid’. ‘De ervaring van voorbije eeuwen, de voortgang van de wetenschappen, de schatten die verborgen liggen in de verschillende vormen van menselijke cultuur waardoor de natuur van de mens zelf duidelijker aan het licht komt en nieuwe wegen voor de waarheid worden geopend, dat alles is ook ten voordele van de Kerk’[109]. Het nauwgezette werken aan vruchtbare verbindingen met andere disciplines, wetenschappen en culturen, om zodoende dat licht te versterken en wegen te verbreden, is de eigen opdracht van theologen, en de theologische inspanning vindt een geweldig werkveld in het onderscheiden van de tekenen van de tijd, hoe complex de hermeneutische problemen er ook zijn. Het is te danken aan het werk van talrijke theologen dat Vaticanum II in samenhang met zijn eigen onderricht meerdere tekenen van de tijd kon aanwijzen[110].

57. Overtuigd van Gods definitieve Woord in Jezus Christus, staan christenen open om zijn stem te horen weerklinken in andere mensen, plaatsen en culturen (zie Hnd 14,15-17; 17, 24-28; Rom 1,19-20). Het Concilie drong erop aan dat de gelovigen ‘vertrouwd moeten zijn met hun nationale en godsdienstige tradities; met blijdschap en eerbied moeten zij de zaden van het Woord die daarin verborgen liggen aan het licht brengen’[111]. Het leerde met name dat de katholieke Kerk niets verwerpt van datgene wat in niet-christelijke godsdiensten ‘waar en heilig’ is en waarvan de voorschriften en leerstellingen ‘niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht’[112]. Ook hier is het aan het licht brengen van zulke zaden en het aanwijzen van de lichtstralen met name de taak van theologen; zij hebben een belangrijke bijdrage te leveren in de interreligieuze dialoog.

58. Een criterium van katholieke theologie is dat ze in voortdurend gesprek is met de wereld. Ze helpt de Kerk de tekenen van de tijd te lezen, verlicht door het licht dat van de goddelijke openbaring komt, en dat te benutten voor haar leven en zending.

Hoofdstuk 3: Rekenschap afleggen van Gods waarheid

59. Gods Woord, in geloof aanvaard, verlicht het verstand en de begripsvorming van de gelovige. De menselijke geest ontvangt de openbaring niet op louter passieve wijze. Integendeel, het gelovig verstand sluit zich actief aan bij de geopenbaarde waarheid[113]. Het wil haar, door liefde gedreven, in zich opnemen omdat dit Woord antwoord geeft op zijn eigen diepste vragen. Zonder ooit definitieve kennis van de rijkdommen van de openbaring te pretenderen, wil het verstand de verstaanbaarheid van Gods Woord op waarde schatten en onderzoeken – fides quaerens intellectum – en redelijke verantwoording afleggen van Gods waarheid. Met andere woorden, het probeert Gods waarheid uit te drukken op de redelijke en wetenschappelijke wijze die eigen is aan menselijke begripsvorming.

60. In drie stappen, waarin een aantal actuele thema’s aan de orde komen, bespreekt dit hoofdstuk wezenlijke aspecten van de theologie als rationele, menselijke onderneming, die een eigen geldige en onvervangbare positie heeft in het intellectuele landschap. Ten eerste, theologie is een activiteit van de rede verlicht door het geloof (ratio fide illustrata), die het Woord van God zoals uitgedrukt in de openbaring, probeert te vertalen in de taal van de wetenschap. Ten tweede, de talrijke rationele methoden die gebruikt worden en de uiteenlopende specialisaties in theologische discipline die daaruit voortkomen, blijven verenigbaar met de fundamentele eenheid van theologie als het spreken over God in het licht van de openbaring. Ten derde, theologie is nauw verweven met spirituele ervaring, zij werpt er licht op en wordt er op haar beurt door gevoed, en uit haar aard gaat zij over in authentieke wijsheid waarin de transcendentie van de God van Jezus Christus levendig voelbaar is.

 

1. Gods waarheid en de rationaliteit van de theologie

61. Deze paragraaf behandelt enkele aspecten van de theologiegeschiedenis, vanaf het eerste begin tot aan de huidige tijd, met betrekking tot het wetenschappelijk karakter van de theologie. Wij kunnen God kennen, Gods waarheid kennen. ‘Eeuwig leven! Dat betekent dat ze u, de enige waarachtige God, leren kennen, en ook degene die u gezonden hebt: Jezus Christus’ (Joh 17,3). Jezus kwam om te getuigen van de waarheid (zie Joh 18,37) en noemde zichzelf ‘de weg, de waarheid en het leven’ (Joh 14,6). Die waarheid is een gave die neerdaalt ‘van de Vader van de hemellichten’ (Jak 1,17). God de Vader staat aan de oorsprong van dit geestelijke licht (zie Gal. 4,4-7) en hijzelf zal het voltooien (zie Apk 21,5-7). De Heilige Geest is zowel de Helper die de gelovigen troost, als de ‘Geest der waarheid’ (Joh 14,16-17), die de waarheid opwekt en in het licht stelt, en die de gelovigen leidt naar ‘de volle waarheid’ (Joh 16,13). De uiteindelijke openbaring van Gods volle waarheid zal de opperste vervulling van de mensheid en de schepping zijn (zie 1Kor 15,28). Daarom moet het geheim van de Triniteit in het hart van de theologische beschouwing staan.

62. De waarheid van God, die aanvaard wordt in geloof, komt in aanraking met de menselijke rede. De mens, naar beeld en gelijkenis van God geschapen (Gen 1,26-27), is in staat om, met het licht van de rede, achter de uiterlijke schijn door te dringen tot de diep verborgen waarheid van de dingen; daar raakt hij aan de universele werkelijkheid. Omdat de waarheid, die objectief en universeel is, allen gelijkelijk aangaat, kan een echte dialoog tussen mensen plaatsvinden. De menselijke geest is zowel intuïtief als rationeel. Intuïtief omdat hij spontaan de eerste beginselen van de werkelijkheid en het denken aanvoelt. Rationeel omdat hij op basis van die uitgangspunten toenemend waarheden ontdekt die tot dan toe onbekend waren, door strenge analytische en onderzoeksmethoden te hanteren en die op coherente wijze te organiseren. ‘Wetenschap’ is de hoogste vorm van rationeel bewustzijn. Het betekent een wijze van kennen die in staat is uit te leggen hoe en waarom de dingen zijn zoals ze zijn. De menselijke rede, zelf onderdeel van de geschapen werkelijkheid, legt niet alleen een begrippelijk kader over de rijke en complexe werkelijkheid heen; hij voegt zich ook in de intrinsieke verstaanbaarheid van de werkelijkheid in. Al naar gelang zijn object, dat wil zeggen, al naar gelang het specifieke aspect van de werkelijkheid dat hij bestudeert, past de rede verschillende, bij het object zelf behorende methoden toe. Rationaliteit is dus eenheid in veelvormigheid en alle vormen ervan zijn precieze instrumenten om de werkelijkheid, verstaanbaar als zij is, te begrijpen. Ook wetenschap is veelvormig, elke wetenschap heeft haar eigen specifieke object en methode. Er is tegenwoordig een tendens om de term ‘wetenschap’ te reserveren voor de ’exacte’ wetenschappen (wiskunde, experimentele wetenschappen etc.) en kennis die niet voldoet aan de criteria van die wetenschappen te verwerpen als irrationeel en louter een kwestie van opvattingen. Deze eenduidige visie op wetenschap en rationaliteit is reductionistisch en inadequaat.

63. De geopenbaarde waarheid van God vraagt dus om de rede van de gelovige en moedigt die aan. Enerzijds moet de gelovige de waarheid van Gods Woord bezien en onderzoeken – zo begint de intellectus fidei, de aardse vorm van het gelovige verlangen om God te zien[114]. Het wil geen vervanging van het geloof zijn[115], eerder is het een natuurlijk gevolg van de geloofsbeslissing, en uiteraard kan het ook een hulp zijn voor wie twijfel voelt opkomen wanneer zijn geloof wordt aangevallen[116]. Redelijk nadenken brengt de gelovige tot inzicht in de geloofswaarheden. Door het gebruik van de rede begrijpt de gelovige hoe de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis diep met elkaar verbonden zijn, evenals de vele geloofsgeheimen die licht werpen op elkaar. Anderzijds stimuleert het geloof van zijn kant de rede zelf en verruimt het de grenzen ervan. De rede wordt geprikkeld om wegen in te slaan, waarvan hij uit zichzelf niet bedacht zou hebben dat hij die zou kunnen gaan. De ontmoeting met Gods Woord verrijkt de rede, omdat hij nieuwe, onverwachte perspectieven ontdekt[117].

64. Het gesprek tussen geloof en rede, tussen theologie en filosofie, is daarom niet alleen een wens van het geloof, maar ook van de rede, zoals Paus Johannes Paulus toelicht in Fides et Ratio[118]. Dat gesprek is nodig omdat een geloof dat de rede afwijst of geringschat, kan afglijden naar bijgeloof of fanatisme, en omdat de rede die zich bewust afsluit voor het geloof, ook al maakt hij geweldige vorderingen, niet kan opklimmen tot het allerhoogste niveau van wat gekend kan worden. Dit gesprek is mogelijk, omdat de waarheid in al haar facetten één is. De waarheden aanvaard in geloof en de waarheden ontdekt door de rede kunnen elkaar uiteindelijk niet tegenspreken – ze komen immers voort uit dezelfde bron, de uiteindelijke waarheid van God, die de rede geschapen en het geloof geschonken heeft[119] - maar bovendien ondersteunen en verlichten zij elkaar: ‘De op de juiste wijze gebruikte rede bewijst de grondslagen van het geloof en werkt, door het geloof verlicht, de wetenschap van de goddelijke dingen uit, terwijl het geloof de rede van dwaling bevrijdt, haar daartegen beschermt en haar velerlei kennis meedeelt’[120].

65. Vanwege dit dieperliggende motief heeft het christelijk geloof religie en filosofie, hoewel ze in de antieke denkwereld vaak aan elkaar geopponeerd werden, van de aanvang af in een omvattender visie bij elkaar gebracht. Zelfs toen het eerste christendom de vorm van een godsdienst begon aan te nemen, beschouwde het zich vaak niet als een nieuwe godsdienst, maar eerder als de ware filosofie[121], die nu de hoogste waarheid kon bereiken. Het christendom beweerde de waarheid te onderrichten, zowel over God als over het menselijk bestaan. In hun toewijding aan de waarheid bewaarden de kerkvaders met hun theologie dan ook afstand van ‘mythische’ en ‘politieke’ vormen van theologie, zoals die destijds werden genoemd. Mythische theologie vertelde verhalen over de goden op een manier die de transcendentie van het goddelijke niet respecteerde; politieke theologie was slechts een sociologische en utilitaire benadering van godsdienst, die zich niet het hoofd brak over waarheid. De kerkvaders positioneerden het christelijk geloof  in de buurt van ‘natuurlijke theologie’, die de ‘aard’ van de goden met redelijke inzichten wilde verhelderen[122]. Het christelijk geloof echter leerde dat de Logos, het principe van al het bestaande, een persoon met een naam en een gezicht was, en dat hij vriendschap zocht met de mensheid; daardoor zuiverde en transformeerde het de filosofische idee van God en bracht er de dynamiek van de liefde (agape) in.

66. Grote theologen van het Oosten benutten de ontmoeting tussen het christendom en de Griekse filosofie als een providentiële kans om na te denken over de waarheid van de openbaring, dat wil zeggen, de waarheid van de logos. Voor de verdediging en verheldering van de geloofsmysteries (de consubstantialiteit van de personen van de Drie-eenheid, de hypostatische vereniging etc.) namen zij snel maar kritisch filosofische begrippen over die konden dienen voor het geloofsverstaan. Maar zij hielden ook stevig vast aan de apofatische dimensie van de theologie: theologie moet nooit het mysterie reduceren[123]. In het Westen was het Boëthius, aan het eind van de patristische periode, die een theologiebeoefening inluidde die het wetenschappelijk karakter van de intellectus fidei onderstreepte. In zijn opuscula sacra bracht hij alle hulpmiddelen van de filosofie in het geweer om de christelijke leer te verhelderen en bood hij een systematische en vanzelfsprekende uiteenzetting van het geloof[124]. Deze nieuwe theologische methode, die verfijnde filosofische instrumenten benutte en uit was op een soort systematisering, werd tot op zekere hoogte ook ontwikkeld in het Oosten, bijvoorbeeld door de Heilige Johannes Damascenus.

67. Gedurende de middeleeuwen, met name toen er universiteiten gesticht werden en zich een scholastieke methodologie ontwikkelde, onderscheidde de theologie zich steeds meer, zonder zich overigens noodzakelijkerwijs ervan los te maken, van andere vormen van intellectus fidei (zoals bijvoorbeeld de lectio divina en de prediking). Ze vestigde zich daadwerkelijk als wetenschap, in overeenstemming met de criteria die Aristoteles voor wetenschap formuleerde, met name in zijn Posteriora analyticorum: dat wil zeggen, door te redeneren kon worden aangetoond waarom iets zo en niet anders was, en door te redeneren konden conclusies uit principes worden getrokken. Scholastieke theologen streefden ernaar de verstaanbare inhoud van het christelijk geloof te presenteren in de vorm van een rationele en wetenschappelijke synthese. Met dat doel voor ogen beschouwden ze de geloofsartikelen als principes in de wetenschap van de theologie. Vervolgens maakten de theologen gebruik van de rede om de openbaringswaarheid exact vast te stellen en te verdedigen, hetzij door te laten zien dat zij niet in strijd was met de rede, hetzij door haar interne rationele samenhang aan te tonen. In het tweede geval formuleerden ze een hiërarchie (ordo) van waarheden en probeerden ze vast te stellen welke de meest fundamentele waarheden waren, die daardoor ook het meest licht wierpen op andere waarheden[125]. Ze verwoordden de begrippelijke verbindingen tussen de mysteries (nexus mysteriorum) en met de bereikte syntheses presenteerden ze de begrippelijke inhoud van Gods Woord op wetenschappelijke wijze, volgens de eisen en de vermogens van de menselijke rede. Dit wetenschappelijke ideaal nam evenwel nooit de vorm aan van een rationalistisch systeem van hypothesen en deducties. Eerder bleef het steeds gemodelleerd op een werkelijkheid die vroeg om contemplatie en die ver uitsteeg boven de vermogens van de menselijke rede. Verder was het zo dat, ook al probeerden zij van alles uit en gebruikten zij andere literaire genres dan die van het schriftuurlijke commentaar, de Bijbel altijd de levende inspiratiebron bleef voor de scholastieke theologen – theologie stond juist gericht op een beter verstaan van het Woord, en de Heilige Bonaventura en Sint-Thomas van Aquino beschouwden zichzelf allereerst als magistri in sacra pagina. Cruciaal was ‘het passende argument’. De theoloog redeneert niet a priori, maar luistert naar de openbaring en zoekt naar het wijze handelen dat God vrijelijk heeft gekozen in zijn liefdesplan. Theologie was stevig geworteld in het geloof en verstond zichzelf dan ook als de menselijke deelname aan Gods kennis van zichzelf en alle dingen, ‘quaedam impressio divinae scientiae quae est una et simplex omnium[126]. Dat was de voornaamste bron van haar eenheid.

68. Tegen het eind van de middeleeuwen viel de eenheidsstructuur van de christelijke wijsheid, waarvan theologie de sluitsteen was, langzaam uiteen. Filosofie en andere seculiere disciplines maakten zich steeds verder los van de theologie en de theologie zelf raakte verbrokkeld in specialisaties, die zich soms niet meer bewust waren van hun diepe onderlinge verband. De theologie leek afstand te nemen van het Woord van God en werd soms tot louter filosofische reflectie op religieuze kwesties. Misschien als gevolg van die veronachtzaming van de Schrift verdwenen de theo-logische dimensie en het spirituele einddoel ervan uit het zicht, en begon de spiritualiteit een eigen leven buiten de rationaliserende universitaire theologie om, en zelfs in verzet ertegen[127]. Aldus gefragmenteerd, raakte de theologie steeds verder afgesneden van het dagelijkse leven van het christenvolk en slecht toegerust om de vragen van de moderniteit aan te kunnen.

69. De scholastieke theologie kreeg tijdens de Reformatie het verwijt dat het te veel waarde hechtte aan de redelijkheid van het geloof en te weinig aan de schade die de zonde toebrengt aan de rede. In reactie daarop bleef de katholieke theologie de antropologie die verbonden is met het beeld Gods (imago Dei) hoog in aanzien houden, evenals het vermogen en de verantwoording van de rede, die door de zonde is aangetast maar niet vernietigd, en verwees zij naar de Kerk als de plaats waar echte kennis van God mogelijk is en de wetenschap van het geloof  ontwikkeld kan worden. De katholieke Kerk hield zo de mogelijkheid van gesprek met de filosofie, filologie en de historische en natuurwetenschappen open.

70. De kritiek op geloof en theologie tijdens de verlichting was echter radicaler. De verlichting had in bepaald opzicht een religieuze drijfveer. Maar omdat de verlichtingsdenkers zich schaarden aan de kant van het deïsme, stelden zij nu vast dat er een onoverbrugbaar verschil was tussen de feitelijke historische contingentie en de eisen van de rede. Voor hen kon geschiedenis geen waarheid voortbrengen, en daarom kon openbaring, als een gebeuren in de geschiedenis, niet langer dienen als een betrouwbare bron van kennis voor mensen. In veel gevallen reageerde de katholieke theologie defensief op de uitdaging van het verlichtingsdenken. Ze legde het zwaartepunt bij de apologetiek, meer dan bij de wijsheidsdimensie van het geloof, ze maakte een te groot onderscheid tussen de natuurlijke  orde van de rede en de bovennatuurlijke orde van het geloof, en ze hechtte veel belang aan ‘natuurlijke theologie’ en te weinig aan de intellectus fidei als manier om de mysteries van het geloof te begrijpen. De katholieke theologie raakte derhalve in veel opzichten beschadigd  door haar eigen strategie in deze confrontatie. Op haar beste momenten zocht de katholieke theologie echter ook een constructieve dialoog op met de verlichting en de filosofische kritiek ervan. Voor zover Schrift en Kerk leerden dat de openbaring louter ‘instructie’ betekende, werd dat theologisch onder kritiek gesteld, en kreeg de idee van openbaring een nieuwe vorm in termen van Gods zelfopenbaring in Jezus Christus; op die manier kon de geschiedenis nog steeds begrepen worden als de plaats waar Gods redding plaatsvindt.

71. In onze tijd bestaat er een nieuwe uitdaging: de katholieke theologie moet haar positie bepalen met betrekking tot een postmoderne crisis van de klassieke rede zelf en die heeft serieuze gevolgen voor de intellectus fidei. De idee van ‘waarheid’ lijkt zeer problematisch. Bestaat er zoiets als ‘waarheid’? Is er slechts één ‘waarheid’? Leidt een dergelijke idee tot onverdraagzaamheid en geweld? Katholieke theologie gaat altijd uit van een sterk vermogen van de rede om achter de uiterlijke schijn door te dringen tot de waarheid en de werkelijkheid van de dingen, maar tegenwoordig lijkt de rede haast geen bestaanskracht te hebben, hij zou het zelfs niet in zich hebben om de ‘werkelijkheid’ bereiken. Het probleem bestaat er derhalve in, dat de metafysische oriëntatie van de filosofie, die van belang was voor de vroegere modellen van de katholieke theologie, in diepe crisis is geraakt. De theologie kan helpen om de crisis te overwinnen en een authentieke metafysica nieuw leven te geven. Maar de eigenlijke interesse van de katholieke theologie ligt in het gesprek met alle eigentijdse vormen van filosofie over de kwestie van God en van waarheid.

72. In Fides et Ratio verwierp Paus Johannes Paulus II zowel filosofische scepsis als fideïsme en riep hij op tot een hernieuwde relatie tussen theologie en filosofie. Hij erkende de filosofie als een autonome wetenschap en als een cruciale gesprekspartner voor de theologie. Hij stelde dat theologie noodzakelijk hulp moet halen bij de filosofie; zonder filosofie kan theologie niet adequaat onderscheiden of haar beweringen geldig zijn, haar ideeën niet verhelderen en ook de verschillende denkscholen niet werkelijk begrijpen[128]. ‘Bron en vertrekpunt’ van de theologie is het in de geschiedenis geopenbaarde woord van God, en de theologie probeert dat woord te begrijpen. Maar Gods woord is Waarheid (zie Joh 17,17) en daaruit volgt dat filosofie, ‘de menselijke zoektocht naar waarheid’, kan helpen om Gods Woord te verstaan[129].

73. Een criterium voor katholieke theologie is dat ze een wetenschappelijke en rationeel beargumenteerde presentatie geeft van de waarheden van het christelijk geloof. Daartoe maakt zij gebruik van de rede en erkent zij de sterke verbinding tussen geloof en rede, met name de filosofische rede,  om zodoende zowel fideïsme als rationalisme te overstijgen[130].

 

2. De eenheid van de theologie in een veelvoud van methoden en disciplines

74. Deze paragraaf behandelt de relatie tussen theologie en theologische vakgebieden, en de relatie tussen theologie en andere wetenschappen. Katholieke theologie, fundamenteel met de Heilige Augustinus verstaan als ‘redeneren of spreken over God’[131], is in wezen één en heeft haar eigen unieke kenmerken als wetenschap: haar specifieke onderwerp is de ene en enige God, en zij bestudeert dit onderwerp op haar eigen specifieke wijze, namelijk door het gebruik van de rede, verlicht door de openbaring. Aan het begin van de Summa theologiae legt Sint-Thomas uit, dat in de theologie alles begrepen wordt in zijn relatie tot God, sub ratione Dei[132]. De zeer onderscheiden kwesties die de theoloog moet bestuderen vinden hun verbinding in deze ultieme verwijzing naar God. Alle ‘mysteries’ die hun plaats hebben in onderscheiden theologische vakgebieden verwijzen naar het ene absolute mysterie in strikte zin, namelijk het mysterie van God. De verwijzing naar dit mysterie geeft de theologie haar eenheid in het brede spectrum van onderwerpen en samenhangen, en de idee van de reductio in Mysterium kan een goede uitdrukking zijn voor de dynamiek die aan theologische proposities hun diepste eenheid geeft. Omdat het mysterie van God geopenbaard is in Christus door kracht van de Heilige Geest, bepaalde het Tweede Vaticaans Concilie dat alle theologische vakken ‘ingericht moeten worden vanuit een heel levendig contact met het mysterie van Christus en de heilsgeschiedenis’[133].

75. De kerkvaders kenden alleen het enkelvoudige woord ‘theologie’. Voor hen was ‘theologie’ geen ‘mythe’ maar de Logos van God zelf. Omdat de menselijke geest doordrongen is van Gods Geest door de openbaring van de Logos en het oneindige mysterie ervan naar zijn aard en handelen kan beschouwen, zijn mensen ook in staat om theologie te bedrijven. Naar de opvatting van de scholastieke theologie moest de theoloog vanwege de uiteenlopende kwesties die hij bestudeerde weliswaar verschillende methoden gebruiken, maar dat deed nooit afbreuk aan de fundamentele eenheid van de theologie. Tegen het eind van de middeleeuwen werd echter geleidelijk onderscheid en zelf scheiding aangebracht tussen scholastieke en mystieke theologie, speculatieve en positieve theologie etc. In de moderne tijd is het toenemend gewoon geworden om de term ‘theologie’ in het meervoud te gebruiken. Er is sprake van de ‘theologieën’ van verschillende auteurs, perioden of culturen. Gedacht wordt daarbij aan de karakteristieke concepten, belangwekkende thema’s en specifieke perspectieven van die ‘theologieën’.

76. Verschillende factoren hebben tot deze moderne pluraliteit van ‘theologieën’ bijgedragen.

- Binnen de theologie bestaat steeds meer interne specialisatie in verschillende disciplines, zoals Bijbelstudies, liturgie, patristiek, kerkgeschiedenis, fundamentele theologie, systematische theologie, moraaltheologie, pastoraaltheologie, spiritualiteit, catechetiek en kerkelijk recht. Die ontwikkeling is een onvermijdelijke en begrijpelijke ontwikkeling, gezien de wetenschappelijke aard van de theologie en de eisen die het onderzoek stelt.

- Er ontstaan theologische stijlverschillen door toedoen van invloeden die van buiten, van andere wetenschappen komen, zoals bijvoorbeeld vanuit de filosofie, filologie, historische, sociale en natuurwetenschappen en gezondheidswetenschappen (Life Sciences). Dientengevolge bestaan er tegenwoordig in het hart van de katholieke theologie zeer verschillende denkvormen naast elkaar: bijvoorbeeld transcendentale theologie en historische verlossingstheologie, analytische theologie, herziene scholastieke en metafysische theologie, politieke en bevrijdingstheologie.

- Voor de beoefening van de theologie neemt het aantal personen, plaatsen, instellingen, intenties, contexten en belangen steeds verder toe, en de pluraliteit en de verscheidenheid van culturen wordt ook op een nieuwe manier gewaardeerd[134].

77. Theologische pluraliteit is zeker nodig en gerechtvaardigd[135]. Haar diepste oorsprong ligt in de overvloed van de goddelijke waarheid, die mensen alleen kunnen vatten vanuit een specifiek gezichtspunt, nooit als geheel, en bovendien nooit op definitieve wijze, maar altijd als het ware gezien met nieuwe ogen. Vanwege de uiteenlopende objecten die zij bestudeert en interpreteert (zoals bijvoorbeeld God, mensen, historische gebeurtenissen, teksten) en de verschillende manieren waarop mensen die bevragen, kan de theologie ook niet anders dan een veelheid van disciplines en methoden hanteren[136], passend bij de aard van het object van studie. Theologische meervoudigheid weerspiegelt in feite de katholiciteit van de Kerk, die het ene evangelie wil verkondigen aan mensen waar zij zich ook bevinden en in allerlei omstandigheden.

78. Meervoudigheid heeft natuurlijk grenzen. Er is een fundamenteel verschil tussen een gegrond theologisch pluralisme enerzijds, en relativisme, heterodoxie en ketterij anderzijds. Maar pluralisme zelf kan een probleem vormen als er geen communicatie is tussen verschillende theologische disciplines, of als er geen gemeenschappelijke criteria zijn waaraan uiteenlopende vormen van theologie herkenbaar zijn – voor zichzelf en voor anderen – als katholieke theologie. Om zulke problemen te vermijden of te overwinnen is het wezenlijk om fundamenteel en gezamenlijk te erkennen, dat theologie een onderneming van de rede is, scientia fidei en scientia Dei, zodat elke theologie in het licht van een gemeenschappelijke universele waarheid getoetst kan worden.

79. De zoektocht naar eenheid in de theologische meervoudigheid neemt in de huidige tijd een aantal vormen aan: de vraag om aan te sluiten bij een gemeenschappelijke, ecclesiale traditie van de theologie, het beoefenen van dialoog en interdisciplinariteit, en de zorg om te voorkomen dat de andere disciplines, waarmee de theologie in gesprek is, hun eigen ‘magisterium’ gaan opleggen aan de theologie. Dat er een gemeenschappelijke theologische traditie bestaat in de Kerk (te onderscheiden van de Traditie zelf, maar niet los van de traditie[137]) is een belangrijke factor in de eenheid van de theologie. De theologie heeft een gemeenschappelijk geheugen, waardoor bepaalde prestaties in de geschiedenis (zoals de geschriften van de kerkvaders van Oost en West en de synthese van Sint-Thomas, Doctor communis[138]) referentiepunten blijven voor de moderne theologie. Natuurlijk kunnen en moeten bepaalde aspecten van de voorafgaande theologische traditie soms losgelaten worden, maar het werk van de theoloog kan nooit zonder een kritische uiteenzetting met de traditie die voorafging.

80. De verschillende vormen van theologie die vandaag de dag hoofdzakelijk te onderscheiden zijn (Bijbelse, fundamentele, systematische, praktische, en moraaltheologie), en die gekenmerkt worden door hun eigen bronnen, methoden en opdrachten, zijn alle fundamenteel verbonden in het streven naar ware kennis van God en Gods verlossingsplan. Daarom is intensieve onderlinge communicatie en uitwisseling nodig. Gesprek en interdisciplinaire samenwerking zijn onmisbaar voor het realiseren en tot uitdrukking brengen van de eenheid van de theologie. Het enkelvoud in de term ‘theologie’ betekent geenszins uniformiteit in stijl of ideeën; eerder wil het uitdrukken dat ze een gemeenschappelijke zoektocht is naar waarheid, een gemeenschappelijke dienst aan het lichaam van Christus, en een gemeenschappelijke toewijding aan de ene God.

81. Vanouds heeft de theologie gewerkt met de filosofie als fundamentele partner. Daarnaast hebben zich in de moderne tijd ook andere partners voor de theologie aangediend. Bijbelstudies en kerkgeschiedenis hebben hulp gekregen om nieuwe methoden te ontwikkelen voor de analyse en interpretatie van teksten en nieuwe technieken om de historische betrouwbaarheid van bronnen te bewijzen en sociale en culturele ontwikkelingen te beschrijven[139]. Systematische, fundamentele en moraaltheologie hebben alle drie baat gehad bij  contacten met economische, medische en natuurwetenschappen. De praktische theologie heeft profijt gehad van de uitwisseling met sociologie, psychologie en pegagogiek. In al deze contacten moet de katholieke theologie de eigen coherentie van de methoden en wetenschappen die zij gebruikt eerbiedigen, maar zij moet er ook kritisch mee omgaan, in het licht van het geloof dat deel uitmaakt van de eigen identiteit en motivatie van de theoloog[140]. Deelresultaten, die verkregen zijn via een methode ontleend aan een andere discipline, kunnen niet bepalend zijn voor het werk van de theoloog en moeten kritisch geïntegreerd worden in de eigen opdracht en inhoud van de theologie[141]. Onvoldoende kritisch gebruik van kennis of methoden van andere wetenschappen kan het werk van de theologie een andere draai geven en verbrokkelen. Zo wezen de kerkvaders een overhaaste vereenzelviging van geloof en filosofie al aan als een bron van ketterijen[142]. Kortom, andere disciplines moeten hun eigen ‘magisterium’ niet opleggen aan de theologie. De theoloog moet wel degelijk de gegevens die door andere disciplines worden aangeleverd opnemen en benutten, maar in het licht van de eigen principes en methoden van de theologie.

82. Wanneer theologie de gegevens van andere wetenschappen kritisch assimileert en integreert, heeft ze daarbij de bemiddelende rol van de filosofie nodig. Het komt de filosofie toe, als wijsheid van de rede, de resultaten die door verschillende wetenschappen verzameld zijn, in te voegen in een meer universele visie. Het inschakelen van de bemiddelende rol van de filosofie helpt de theoloog om wetenschappelijke gegevens met de nodige zorg te benutten. Wetenschappelijke kennis bijvoorbeeld, die verzameld is met het oog op de evolutie van het leven, moet geïnterpreteerd worden in het licht van de filosofie, die de waarde en de betekenis ervan bepaalt voordat de theologie zich ermee uiteenzet[143]. Filosofie is ook een hulp voor de wetenschappers zelf, zodat zij niet verleid worden om hun eigen methoden en onderzoeksresultaten één op één toe te passen op religieuze kwesties, die een andere benadering vergen.

83. De relatie tussen theologie en religiewetenschappen of religiestudies (bijvoorbeeld godsdienstfilosofie, godsdienstsociologie) is van bijzonder belang. Religiewetenschappen/ studies houden zich bezig met teksten, instituties en verschijnselen van de christelijke traditie, maar doen dat naar de aard van hun methodologische principes van buiten af, onafhankelijk van de vraag naar de waarheid van wat zij bestuderen; voor hen zijn de Kerk en het geloof simpelweg onderzoeksobjecten als alle andere. In de 19e eeuw bestonden er grote conflicten tussen theologie en religiewetenschappen/studies. Aan de ene kant werd beweerd dat theologie geen wetenschap is omdat zij het geloof vooronderstelt; alleen religiewetenschappen/studies konden ‘objectief’ zijn. Aan de andere kant werd beweerd dat religiewetenschappen/studies antitheologisch zijn omdat zij het geloof zouden ontkennen. Tegenwoordig duiken deze oude controversen soms weer op, maar er zijn nu betere voorwaarden voor een vruchtbare dialoog tussen beide partijen. Enerzijds zijn religiewetenschappen/studies nu ondergebracht in het systeem van theologische methoden, omdat het noodzakelijk is, niet alleen voor exegese en kerkgeschiedenis, maar ook voor pastorale en fundamentele theologie, om de geschiedenis, structuur en fenomenologie van religieuze ideeën, onderwerpen, riten etc. te onderzoeken. Anderzijds hebben de natuurwetenschappen en de moderne epistemologie meer in het algemeen laten zien, dat er nooit een neutrale positie voorhanden is van waaruit naar de waarheid gezocht kan worden; de onderzoeker brengt altijd eigen perspectieven, inzichten en vooronderstellingen mee, die van invloed zijn op de studie die ondernomen wordt. Maar er blijft altijd een wezenlijk onderscheid tussen theologie en religiewetenschappen/studies: theologie heeft de waarheid van God als haar onderwerp en reflecteert over dit onderwerp met geloof en in het licht van God, terwijl religiewetenschappen/studies religieuze verschijnselen als hun onderwerp hebben en die benaderen met culturele interesse, en zich methodisch onthouden van een oordeel over de waarheid van het christelijk geloof. Theologie gaat verder dan religiewetenschappen/ studies omdat zij van binnen uit reflecteert over de Kerk en haar geloof, maar theologie kan ook haar voordeel doen met het onderzoek dat religiewetenschappen/studies van buiten af doen.

84. Katholieke theologie erkent de eigen autonomie van andere wetenschappen en de professionele competentie en het streven naar kennis dat erin te vinden is, en heeft zelf ook bijgedragen aan ontwikkelingen in vele wetenschappen. Theologie geeft andere wetenschappen ook de gelegenheid om zich met religieuze thema’s bezig te houden. Met een constructieve kritiek helpt ze andere wetenschappen zich vrij te maken van antitheologische elementen die onder invloed van het rationalisme zijn binnengeslopen. Door de theologie te verjagen uit de wetenschappelijke familie, verkleinden het rationalisme en positivisme het bereik en de kracht van de wetenschappen zelf. Katholieke theologie kritiseert elke vorm van zelfverabsolutering van de wetenschappen en beschouwt het als zelfreductie  en verarming[144]. De aanwezigheid van theologie en theologen in het hart van het universitaire leven en de dialoog met andere wetenschappen die door deze aanwezigheid mogelijk wordt, helpt een brede, analogische en integrale opvatting van intellectueel leven te bevorderen. Als scientia Dei en scientia fidei speelt theologie een belangrijk deel mee in de symfonie van de wetenschappen en claimt op grond daarvan een eigen plaats in de academische wereld.

85. Criterium van katholieke theologie is dat ze poogt een veelheid aan onderzoeken en methoden samen te brengen in het ene grote project van de intellectus fidei en blijft vasthouden aan de eenheid van de waarheid en daarmee aan de fundamentele eenheid van theologie zelf. Katholieke theologie erkent de eigen methoden van de andere wetenschappen en benut die kritisch in haar eigen onderzoek. Ze schermt zich niet af van kritiek en verwelkomt de wetenschappelijke dialoog.

 

3. Wetenschap en wijsheid

86. Deze slotparagraaf gaat over het feit dat theologie niet alleen wetenschap maar ook wijsheid is en een speciale rol te vervullen heeft in de samenhang tussen alle menselijke kennis en het goddelijke mysterie. De menselijke persoon stelt zich niet tevreden met deelwaarheden, maar probeert verschillende stukjes en gebieden van kennis aaneen te knopen, om zo de uiteindelijke waarheid van alle dingen en het menselijke leven zelf te begrijpen. Dit zoeken naar wijsheid is zonder twijfel een eigen drijfveer van de theologie en maakt haar verwant met spirituele ervaring en de wijsheid van de heiligen. Meer in het algemeen echter nodigt de theologie iedereen uit tot de erkenning, dat de uiteindelijke waarheid transcendent is en nooit volledig kan worden begrepen of bemachtigd. Theologie is niet alleen zelf wijsheid, ze is ook een uitnodiging tot wijsheid voor andere disciplines. Wanneer theologie present is in het wetenschappelijke debat en het universitaire leven, dan kan het weldadige effect ervan zijn, dat haar aanwezigheid iedereen eraan herinnert dat het menselijke verstand geroepen is tot wijsheid, en dat het een veelbetekenende vraag is die Jezus stelt als hij voor het eerst het woord voert in het Johannes-evangelie: ‘Wat zoeken jullie?’ (Joh 1,38).

87. In het Oude Testament komt de kernboodschap van theologie die wijsheid is drie keer voor: ‘De grondslag van de wijsheid is ontzag voor de Heer’ (Ps 111,10; zie Spr 1,7; 9,10). Basis voor dit motto is het inzicht van de wijzen van Israël, dat Gods wijsheid werkzaam is in de schepping en in de geschiedenis en dat wie zich dat realiseert de betekenis van de wereld en de gebeurtenissen kan begrijpen (zie Spr 7vv., W 7vv). ‘Ontzag voor de Heer’ is de juiste houding in Gods nabijheid (coram Deo). Wijsheid is de kunst om de wereld te begrijpen en het eigen leven richting te geven in overgave aan God. In de boeken Prediker en Job wordt op plastische wijze duidelijk dat het menselijke begrip van Gods denken en handelen beperkt is, niet om daarmee de menselijke wijsheid onderuit te halen, maar om haar te verdiepen binnen de horizon van Gods wijsheid.

88. Jezus zelf stond in deze wijsheidstraditie van Israël en in hem onderging de openbaringstheologie van het Oude Testament een transformatie. Hij bad: ‘Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen’ (Mt 11,25). Deze weerlegging van de traditionele wijsheid staat in het evangelie in de context van de aankondiging van iets nieuws: de eschatologische openbaring van Gods liefde in de persoon van Jezus Christus. Jezus vervolgt: ‘Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en ieder aan wie de Zoon Hem heeft willen openbaren. Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven. Neem mijn juk op en kom bij Mij in de leer, omdat Ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw ziel’ (Mt 11,27-29). Wie dat wil leren moet in het gezelschap van Jezus verkeren. Alleen hij ontsluit de Schriften (zie Lc 24,25-27; Joh 5,36-40; Apk 5,5), omdat Gods waarheid en wijsheid in hem geopenbaard zijn.

89. De apostel Paulus kritiseert de ‘wijsheid van de wereld’, die het kruis van Jezus Christus als louter ‘dwaasheid’ beschouwt (1 Kor 1,18-20). Hij verkondigt deze dwaasheid  als ‘Gods geheimnisvolle wijsheid, het verborgen plan dat door God van alle eeuwigheid af is ontworpen’ (1 Kor 2,7) en nu geopenbaard. Het kruis is het cruciale moment in Gods heilsplan. De gekruisigde Christus is ‘Gods kracht en Gods wijsheid’ (1 Kor 1,18-25). Gelovigen in wie ‘de gezindheid van Christus’ is (1 Kor 2,16), ontvangen deze wijsheid, die toegang geeft tot het ‘geheim van God’ (1 Kor 2,1-2). Het is belangrijk op te merken dat de paradoxale wijsheid van God, die zichtbaar werd op het kruis, weliswaar de ‘wijsheid van de wereld’ weerspreekt maar niet de authentieke menselijke wijsheid. Integendeel, ze overstijgt en vervult die op onvoorziene wijze.

90. Het christelijk geloof vond al spoedig het Griekse zoeken naar wijsheid op zijn weg. Het wees op de grenzen van die zoektocht, met name op de idee dat verlossing alleen door kennis (gnosis) tot stand komt, maar het nam ook authentieke inzichten van de Grieken in zich op. Wijsheid is inzicht dat eenheid tot stand brengt. Wetenschap streeft ernaar een bepaald, beperkt en welomschreven aspect van de werkelijkheid te duiden en belicht de principes die de eigenschappen van het studieobject verklaren; wijsheid streeft naar een eenheid scheppend zicht op de werkelijkheid als geheel. In feite is ze een kennis die overeenkomt met de hoogste, meest universele en ook meest verklarende oorzaken[145]. Voor de kerkvaders was de wijze iemand die alle dingen beoordeelt in het licht van God en van eeuwige werkelijkheden, die immers de norm zijn voor de dingen op aarde[146]. Daarom heeft wijsheid een morele en spirituele dimensie.

91. Zoals de naam al aangeeft begrijpt filosofie zichzelf als wijsheid, of in ieder geval als een liefdevol zoeken naar wijsheid. Met name metafysica legt een visie op de werkelijkheid voor, die haar eenheid vindt in het fundamentele geheim van het zijn; maar het Woord van God, dat openbaart ‘wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen’ (1 Kor 2,9), maakt voor mensen de weg vrij naar een hogere wijsheid[147].  Deze bovennatuurlijke christelijke wijsheid, die de zuiver menselijke wijsheid van de filosofie overstijgt, neemt twee vormen aan die elkaar ondersteunen maar niet met elkaar moeten worden verward: theologische wijsheid en mystieke wijsheid[148]. Theologische wijsheid is de activiteit van de rede, die verlicht wordt door het geloof. Ze is dus een door arbeid verworven wijsheid, ofschoon ze natuurlijk de gave van het geloof veronderstelt. Ze biedt een samenvattende verklaring van de werkelijkheid in het licht van de hoogste openbaringswaarheden en ze werpt op alles licht vanuit het grondmysterie van de Drie-eenheid, beschouwd in zichzelf en in haar scheppende en historische handelen. Vaticanum I zei daarover: ‘Wanneer echter het door het geloof verlichte verstand ijverig, vroom en zuiver zoekt, verkrijgt het door Gods genade enigermate een inzicht in de geheimenissen en wel een zeer vruchtbaar, zowel uit de overeenkomst (analogie) met datgene, wat zij op natuurlijke wijze begrijpt, als uit de samenhang der geheimenissen onderling en met de laatste bestemming van de mens’[149]. De intellectuele contemplatie die het resultaat is van de arbeid van de theologische rede is dus echte wijsheid. Mystieke wijsheid ofwel ‘de kennis van de heiligen’ is een gave van de Heilige Geest die ontstaat uit liefdevolle vereniging met God. Immers, liefde brengt een affectieve natuurlijke verwantschap teweeg tussen de mens en God, en God laat spirituele personen toe in de kennis en zelfs het pijnlijke ondergaan (pati divina)[150] van goddelijke dingen, hier en nu voelbaar in hun eigen leven. Dit is een niet-begrippelijke kennis, die dikwijls zijn neerslag vindt in poëzie. Deze kennis leidt tot contemplatie en persoonlijke vereniging met God in stilte en vrede in het hart.

92. Theologische wijsheid en mystieke wijsheid zijn formeel onderscheiden werkelijkheden en het is van belang ze niet met elkaar te verwarren. Mystieke wijsheid is nooit een vervanging van theologische wijsheid. Maar deze twee vormen van christelijke wijsheid hebben wel een sterk onderling verband, zowel in de persoon van de theoloog als in de gemeenschap van de Kerk. Enerzijds is een intens geestelijk leven dat streeft naar heiligheid een voorwaarde voor authentieke theologie, zoals het voorbeeld van de kerkleraren in Oost en West laat zien. Echte theologie vooronderstelt geloof en wordt bewogen door naastenliefde: ‘De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde’ (1 Joh 4,8)[151]. Het verstand voorziet de theologie van de heldere waarneming van de rede, maar het hart heeft zijn eigen wijsheid die het verstand zuivert. Wat geldt voor alle christenen heeft een bijzondere weerklank voor theologen, namelijk dat zij ‘geroepen zijn tot een heilig leven (1 Kor 1,2). Anderzijds kan de authenticiteit van een geestelijke ervaring getoetst worden juist door de uitoefening van de theologische opdracht om een wetenschappelijke verantwoording te geven van het geloof[152]. Daarom wilde de Heilige Teresa van Avila dat haar zusters raad inwonnen van theologen. ‘Hoe meer genade je in gebed van de Heer krijgt, hoe meer het nodig is dat je gebed en alles wat je doet op een solide basis berust’[153]. Met de hulp van theologen is het ten slotte de taak van het leergezag om te bepalen of een veronderstelde spirituele ervaring authentiek christelijk is.

93. Het object van de theologie is de levende God en het kan niet anders dan dat het leven van de theoloog beïnvloed wordt door de onafgebroken poging om de levende God te kennen. De theoloog kan zijn of haar eigen leven niet buiten de inspanning houden die heel de werkelijkheid wil begrijpen in het licht van God. Gehoorzaamheid aan de waarheid reinigt de ziel (zie 1 Pe 1,22), en ‘de wijsheid van boven is vóór alles zuiver, maar ook vredelievend, vriendelijk, altijd voor rede vatbaar, rijk aan barmhartigheid en aan vruchten van goede werken, onpartijdig en oprecht’ (Jak 3,17). Theologiebeoefening reinigt dus geest en hart van de theoloog[154]. Dit bijzondere kenmerk van de theologiebeoefening doet op geen enkele wijze afbreuk aan het wetenschappelijke karakter van de theologie; integendeel, het komt er ten diepste mee overeen. Theologie heeft dus een eigen spiritueel karakter. Bij de spiritualiteit van de theoloog horen: liefde voor de waarheid, bereidheid om hart en geest te bekeren, streven naar heiligheid en betrokkenheid bij de kerkelijke gemeenschap en haar zending[155].

94. Theologen hebben een bijzondere roeping ontvangen in het lichaam van Christus. Geroepen en van gaven voorzien staan zij in een eigen relatie tot het lichaam en alle ledematen ervan. Levend in ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’ (2 Kor 13,13) proberen zij samen met al hun broeders en zusters hun leven in overeenstemming te brengen met het mysterie van de eucharistie ‘waardoor de Kerk onophoudelijk leeft en groeit’[156]. Inderdaad, geroepen als zij zijn om de geloofsmysteries te ontvouwen, moeten zij een bijzondere band hebben met de eucharistie, ‘want in de heilige eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf, ons Paaslam’, wiens lichaam door de Heilige Geest tot leven gebracht wordt en zelf leven wekt[157]. Zoals de eucharistie ‘bron en hoogtepunt’ is van het leven van de Kerk[158] en ‘van alle verkondiging van het evangelie’[159], zo is ze ook bron en hoogtepunt van alle theologie. In die zin kan theologie verstaan worden als wezenlijk en ten diepste ‘mystiek’.

95. Gods waarheid is derhalve niet iets dat louter in systematische reflectie onderzocht en in  deductief redeneren gerechtvaardigd wordt; ze is levende waarheid die ervaren wordt door deel te nemen in Christus, ‘die van Godswege onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, onze heiliging en verlossing’ (1 Kor 1,30). Omdat zij wijsheid is, kan theologie zowel studie- als ervaringsaspecten van het geloof bij elkaar brengen en in dienst aan Gods waarheid de grenzen overstijgen van wat intellectueel gezien in strikte zin mogelijk is. Theologie in deze zin opvatten als wijsheid kan twee problemen helpen oplossen waarvoor de theologie zich vandaag de dag geplaatst ziet. Ten eerste biedt het een manier om de kloof te overbruggen tussen gelovigen en theologische reflectie. En ten tweede biedt het een manier om Gods waarheid breder te verstaan en de zending van de Kerk mogelijk te maken in niet-christelijke culturen waar meerdere wijsheidstradities bekend zijn.

96. Omdat theologie wezenlijk openstaat naar het mysterie, is het niet moeilijk om vast te stellen dat theologische kennis zijn grenzen heeft, dit in tegenstelling tot alle rationalistische pretenties dat het mysterie van God uitputtend beschreven kan worden. De leer van het Vierde Lateraans Concilie is fundamenteel: ‘Tussen schepper en schepsel kan geen gelijkheid worden vastgesteld zonder een nog grotere ongelijkheid vast te stellen’[160]. De rede, die door het geloof verlicht en door de openbaring geleid wordt, is zich altijd bewust van de intrinsieke beperkingen van zijn activiteit. Dat is de reden waarom de christelijke theologie de vorm kan aannemen van ‘negatieve’ of ‘apofatische’ theologie.

97. Negatieve theologie is evenwel beslist geen ontkenning van theologie. Katafatische en apofatische theologie moeten niet in tegenstelling met elkaar gebracht worden; de via negativa diskwalificeert een intellectuele benadering van Gods mysterie niet, maar wijst veeleer op de beperkingen van zo’n benadering. De via negativa is een fundamentele dimensie van heel het theologische spreken, maar kan niet worden losgemaakt van de via affirmativa en de via eminentiae[161]. De menselijke geest, in een opgaande beweging van effecten naar oorzaak, van schepselen naar de schepper, begint met de bevestiging dat de authentieke voortreffelijkheden die te vinden zijn in de schepselen aanwezig zijn in God (via affirmativa), ontkent vervolgens dat die voortreffelijkheden in God zijn op de onvolmaakte wijze waarop ze in de schepselen aanwezig zijn (via negativa) en bevestigt ten slotte dat ze in God zijn op een eigen goddelijke wijze die het menselijke begrip te boven gaat (via eminentiae)[162]. Theologie bedoelt, terecht, naar waarheid te spreken over het mysterie van God, maar weet ook dat haar kennis, ofschoon waar, inadequaat is ten opzichte van de goddelijke werkelijkheid, die zij nooit geheel kan ‘bevatten’. Zoals de Heilige Augustinus zei: ‘Als je iets bevat, is het niet God’[163].

98. Het is belangrijk ons te realiseren, dat veel mensen tegenwoordig een gevoel van leegte en Gods afwezigheid ervaren en dat de moderne cultuur daarvan sterk doortrokken is. Maar voor de christelijke theologie is Gods openbaring de elementaire werkelijkheid. Het bindende referentiepunt is het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus. In die gebeurtenissen heeft God definitief gesproken door middel van zijn mens geworden Woord. Affirmatieve theologie is mogelijk op grond van een gehoorzaam beluisteren van het Woord, aanwezig in schepping en geschiedenis. Gods mysterie, geopenbaard in Jezus Christus door de kracht van de Heilige Geest is een mysterie van ekstasis, liefde, verbondenheid en onderlinge inwoning van de drie goddelijke personen. Het is een mysterie van kenosis, waarin Jezus in de incarnatie zijn goddelijke gedaante opgeeft om de gedaante van een slaaf aan te nemen (zie Fil 2,5-11), en een mysterie van theosis, waarin mensen zijn geroepen om in het goddelijke leven te participeren en deel te nemen in ‘de goddelijke natuur’ (2 Pe 1,4) door Christus, in de Geest. Wanneer theologie het heeft over een negatieve weg en over sprakeloosheid, dan bedoelt ze een gevoel van ontzag voor het mysterie van de Drie-eenheid waarin de verlossing ligt. ‘Hem hebt u lief zonder Hem ooit gezien te hebben. U gelooft in Hem, hoewel u Hem ook nu niet ziet, en u zult vervuld zijn van een onuitsprekelijke en hemelse vreugde, wanneer u het einddoel van uw geloof, uw redding, bereikt’ (1 Pe 1,8-9).

99. Een criterium van katholieke theologie is, dat zij zoekt naar en zich verheugt in de wijsheid van God, die voor de wereld dwaasheid is (zie 1 Kor 1,18-25; 1 Kor 2,6-16). Katholieke theologie moet haar wortels zoeken in de grote wijsheidstraditie van de Bijbel, zich verbinden met de christelijke wijsheidstradities van oost en west, en een brug proberen te slaan tussen alle wijsheidstradities. Door in haar studie van Gods mysterie te streven naar ware wijsheid erkent de theologie God als hoogste prioriteit; ze wil niet God in bezit nemen, maar Gods eigen bezit worden. Daarom moet ze aandachtig beluisteren wat de Geest tegen de kerken zegt door middel van ‘de kennis van de heiligen’. Theologie houdt een streven naar heiligheid in, en een toenemend besef van de transcendentie van Gods mysterie.

 

Conclusie

100. Zoals theologie dienstverlening is aan de Kerk en aan de samenleving, zo wil dit document, geschreven door theologen, dienstverlenend zijn aan onze collega’s in de theologie en ook aan degenen met wie katholieke theologen in gesprek gaan. Geschreven met respect voor allen die theologisch onderzoek doen, en met een diep aanvoelen van de vreugde en het voorrecht om een theologische roeping te hebben, wil het perspectieven en principes aanreiken die kenmerkend zijn voor katholieke theologie, en criteria waaraan zulke theologie herkend kan worden. Samenvattend: katholieke theologie bestudeert het mysterie van God dat geopenbaard is in Christus, en formuleert de geloofservaring van mensen die leven in de gemeenschap van de Kerk en delen in Gods eigen leven, door de genade van de Heilige Geest, die de Kerk naar de waarheid leidt (Joh 16,13). Ze overweegt de overgrote liefde waarmee de Vader zijn Zoon schonk aan de wereld (zie Joh 3,16) en de heerlijkheid, genade en waarheid die in hem geopenbaard werden voor onze redding (zie Joh 1,14), en ze onderstreept het belang van de hoop op God, meer dan op de geschapen werkelijkheid, een hoop waarvan ze verantwoording probeert af te leggen (zie 1 Pe 3,15). Bij al haar inspanningen, in overeenstemming met de aansporing van Sint-Paulus om altijd ‘dankbaar te zijn’ (Kol 3,15; 1 Tes 5,18), zelfs bij tegenslag (zie Rom 8,31-39), is zij wezenlijk doxologisch, gekenmerkt door lofprijzing en dankzegging. De meest passende modaliteiten voor haar beschouwing van Gods werk voor onze redding en van de bovennatuurlijke aard ervan, zijn verheerlijking en lofprijzing, zoals Sint-Paulus niet alleen leert maar ook toelicht: ‘Aan Hem die bij machte is oneindig meer te volbrengen dan al wat wij door de kracht die in ons werkt kunnen vragen of bedenken, aan Hem zij de heerlijkheid in de kerk en in Christus Jezus, iedere generatie weer, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen’ (Ef 3,20-21).

 

Internationale Theologische Commissie, Rome

Tekst definitief goedgekeurd op29 november 2011

Vrijgegeven te Rome op 8 maart 2012

 

(Collationes. Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal 42 [2012/2] 177-222)


 
 [1] Vaticanum II, Gaudium et Spes 3. Tenzij anders vermeld, zijn de citaten uit de documenten van Vaticanum II ontleend aan de uitgave van het Katholiek Archief, Amersfoort: De Horstink, 1967 (Leusden: Stichting ARK, 1986).

[2]Zie voor deze laatste twee respectievelijk nrs. 92-94 en nrs. 10 en 25-32  van dit document.

[3] Henri de Lubac, Catholicism: Christ and the Common Destiny of Man, San Francisco: Ignatius Press, 1988, 298.

[4] Deze en andere teksten van de Internationale Theologische Commissie die verderop genoemd worden zijn te vinden in Michael Sharkey (ed.), International Theological Commission: Texts and Documents 1969-1985,  San Francisco : Ignatius Press, 1989, of in Michael Sharkey  & ThomasWeinandy (eds.),  International Theological Commission: Texts and Documents 1986-2007, San Francisco: Ignatius Press, 2009.

[5] ‘Katholiek’ verwijst naar de katholieke Kerk, waarin de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk, gesticht door Christus en aan de hoede toevertrouwd van Petrus en de apostelen, subsisteert (zie Vaticanum II, Lumen Gentium 8, Unitatis Redintegratio 4, Dignitatis Humanae 1). Waar in dit document sprake is van ‘theologie’ wordt bedoeld: theologie zoals de katholieke Kerk  haar verstaat.

[6] Vaticanum II, Dei Verbum 2.

[7] Paus Benedictus XVI, Apostolische postsynodale Exhortatie Verbum Domini (2010), 6; zie Dei Verbum 2,6.

[8] Verbum Domini 3.

[9] Tenzij anders vermeld, zijn de Schriftcitaten ontleend aan de Willibrordvertaling, ’s-Hertogenbosch, Katholieke Bijbelstichting, 1995 (af en toe ook de uitgave van 1975).

[10]Dei Verbum 1; zie Augustinus, De catechizandis rudibus 4,8 (Corpus Christianorum Series Latina [CCSL] 46, 129).

[11] Verbum Domini 7; zie Katechismus van de Katholieke Kerk [KKK] 108.

[12] Zie Dei Verbum 7, 11, 16.

[13] Dei Verbum 21

[14] Augustinus, ‘Deus … per hominem more hominum loquitur; quia et sic loquendo nos quaerit’ (De Civitate Dei XVII, 6, 2; CCSL 48, 567). Zie Augustinus,  De stad van God, Baarn: Ambo – Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 1983,  815.

[15] Dei Verbum 11.

[16] Dei Verbum 8.

[17] Verbum Domini 18.

[18] Dei Verbum 2.

[19] Zie Dei Verbum 5, dat ook verwijst naar Vaticanum I, Dei Filius 3 (DH 3008).

[20] Zie Dei Verbum 3; en ook Vaticanum I, Dei Filius 2 (DH 3004).

[21] Zie ook 1 Joh 4,1-6; 2 Joh 7; Gal 1,6-9; 1 Tim 4,1.

[22] KKK 2089.

[23] Augustinus, In Joannis Evang., XXIX, 6 (CSSL 36, 287);  zie ook Sermo 43, 7 (CSSL 41, 511).

[24] Augustinus, Brief 120 (Corpus Scriptorum Ecclesiasticorum Latinorum [CSEL] 34, 2,704): ‘Porro autem qui vera ratione jam quod tantummodo credebat intelligit, profecto praepondendus est ei qui cupit adhuc intelligere quod credit; si autem non cupit et ea quae intelligendae sunt credenda tantummodo existimat, cui rei fides prorsus ignorat’.

[25] Zie Augustinus, De Trinitate XIV, 1 (CCSL 50A, 424): ‘Huic scientiae tribuens … illud tantummodo quo fides saluberrima quae ad veram beatitudinem ducit gignitur, nutritur, defenditur, roboratur’.

[26] Paus Johannes Paulus II, Encycliek Fides et Ratio (1998), Inleiding.

[27] Anselmus, Proslogion, Proemium (in S. Anselmi Cantuariensis Archiepiscopi Opera omnia, ed. F.S. Schmitt, deel 1, p. 24). Vanwege de nauwe band tussen geloof, hoop en liefde (zie hierboven, nr. 11), kan worden gezegd dat theologie ook spes quaerens intellectum is (zie 1Pe 3,15) en caritas quaerens intellectum. Dit laatste aspect wordt met name in het christelijke Oosten benadrukt: omdat ze het mysterie van Christus ontvouwt, die de openbaring is van Gods liefde (zie Joh 3,16), is theologie de liefde van God onder woorden gebracht.

[28] Zie met name Melchior Cano, De locis theologicis, ed. Juan Belda Plans (Madrid, 2006). Cano noemt tien loci: Sacra Scriptura, traditiones Christi et apostolorum, Ecclesia Catholica, Concilia, Ecclesia Romana, sancti veteres, theologi scholastici, ratio naturalis, philosophia. humana historia.

[29] Dei Verbum 24.

[30] Verbum Domini 35; zie 31.

[31] Zie Concilie van Trente, Decretum de libris sacris et de traditionibus recipiendis (DH 1501-1505).

[32] Pauselijke Bijbelcommissie, The Interpretation of the Bible in the Church (1993), III, C, 1; zie Verbum Domini 33.

[33] Dei Verbum 12.

[34] Zie Dei Verbum 12.

[35] Zie The Interpretation of the Bible in the Church, I, B-E.

[36] Verbum Domini 34.

[37]  ‘Maar omdat de heilige Schrift ook in dezelfde Geest moet worden gelezen en verklaard waarin zij is geschreven, moet men, om de juiste zin van de gewijde teksten te achterhalen, met niet minder ijver letten op de inhoud en de eenheid van de gehele Schrift, rekening houdend met de levende overlevering van heel de Kerk en met de analogie van het geloof’ (Dei Verbum 12).

[38] Zie Verbum Domini 39.

[39] Zie Pauselijke Bijbelcommissie, The Interpretation of the Bible in the Church (1993), II, B; zie ook KKK 115-118. De theologie van de middeleeuwen sprak van de vier betekenissen van de Schrift: Littera gesta docet, quid credas allegoria, moralis quid agas, quo tendas anagogia.

[40] Verbum Domini 34.

[41] Zie voor de centrale plaats die de Schrift inneemt in de theologie St.-Bonaventura, Breviloquium, Proloog.

[42] Tweede Vaticaans Concilie, Optatam Totius 16. Zie Thomas van Aquino, Summa Theologiae, 1a, q.36, a.2, ad.1: ‘de Deo dicere non debemus quod in sacra Scriptura non invenitur vel per verba, vel per sensum’.

[43] Verbum Domini 37.

[44] Verbum Domini 46.

[45] Dei Verbum 21.

[46] Zie Dei Verbum 22.

[47] Dei Verbum 8.

[48] Zie Dei Verbum 7.

[49] Dei Verbum 8.

[50] Dei Verbum 8.

[51] Zie Optatam Totius 16.

[52] Cyrillus van Alexandrië presenteerde aan het Concilie van Efese een compact dossier met patristische teksten; zie Mansi IV, 1183-1195; E. Schwartz (ed.), Acta Conciliorum Oecumenicorum I, 1.1, pp. 31-44.

[53] Zie Augustinus, Contra duas epistulas pelagianorum, 4, 8, 20 (CSEL 60,542-543); 4, 12, 32 (CSEL 60,568-569); Contra Iulianum, 1, 7, 34 (PL 44, 665); 2, 10, 37 (PL 44, 700-702). Zie ook Vincent van Lerins, Commonitorium 28, 6 (CCSL 64-187): ‘Sed eorum dumtaxat patrum sententiae conferendae sunt, qui in fide et communione catholica sancte sapienter constanter viventes docentes et permanentes, vel mori in Christo fideliter vel occidi pro Christo feliciter meruerunt.’

[54] Zie DH 301, 1510.

[55] DH 1507, 3007.

[56] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium 25.

[57] Internationale Theologische Commissie, The Interpretation of Dogma (1990), B, III, 3; zie Theological Pluralism (1972), nrs 6-8, 10-12.

[58] Zie Paus Johannes XXIII, Allocutio in Concilii Vaticani inauguratione, in AAS 84 (1962), p. 792; Vaticanum II, Gaudium et Spes 62. Zie voor een gedetailleerde beschouwing van de gehele kwestie, Internationale Theologische Commissie, The Interpretation of Dogma.

[59] Dei Verbum 10.

[60] Dei Verbum 9.

[61] Verbum Dei 24.

[62] Johann Adam Möhler, Unity in the Church or the Principle of Catholicism, Presented in the Spirit of the Church Fathers of the First Three Centuries, ed./vert. Peter C. Erb, Washington DC: Catholic University of America Press, 1996, p. 117.

[63] Verbum Domini 7.

[64] Dei Verbum, 8.

[65] Dei Verbum 9.

[66] Zie Dei Verbum 8; Lumen Gentium 13,14; Unitatis Redintegratio 15, 17; Ad Gentes 22.

[67] Zie Yves Congar, Tradition et Traditions: I Essai historique; II Essai théologique (twee delen), Paris, 1960, 1963.

[68]Scripture, Tradition and Traditions, in P.C. Rodger en Lukas Vischer (eds.), The Fourth World Conference on Faith and Order: Montreal 1963, New York: Association Press, 1964, nr. 48, p. 52. Strikt genomen, zegt dit document, kan er ook onderscheid gemaakt worden tussen Traditie (met hoofdletter T) en traditie (met kleine letter t): Traditie is ‘het Evangelie zelf, overgeleverd van generatie naar generatie in en door de Kerk’, ‘Christus zelf, aanwezig in het leven van de Kerk’; en traditie is ‘het proces van overlevering’ (nr. 39, p. 50).

[69] Zie Unitatis Redintegratio 6.

[70] Lumen Gentium 12.

[71] Dei Verbum 8.

[72] Zie Lumen Gentium, hoofdstuk 2.

[73] Lumen Gentium 12.

[74] Zie Lumen Gentium, hoofdstuk 2.

[75] Zie Lumen Gentium, hoofdstuk 3.

[76] Zie Dei Verbum 8; Irenaeus, Adv. Haer., IV, 26, 2.

[77] Zie Lumen Gentium 21, 24-25.

[78] Dei Verbum 10; zie boven, par. 30.

[79] Augustinus, Sermo 340 A (PL 38, 1483).

[80] De Instructie over de kerkelijke roeping van de theoloog, Donum Veritatis (1990), spreekt over de waarheid die God geeft aan zijn volk (nrs. 2-5), en plaatst ‘de roeping van de theoloog’ in de rechtstreekse dienst aan het volk van God, met het doel dat het de gave die het in geloof ontvangt kan verstaan (nrs. 6-7).

[81] Dei Verbum 10.

[82] De Internationale Theologische Commissie besprak deze kwestie in haar document Theses on the Relationship between the Ecclesiastical Magisterium and Theology (1975), evenals de Congregatie voor de Geloofsleer dat deed in  Donum Veritatis.

[83] Zie Dei Verbum 10.

[84] Zie Theses on the Relationship between the Ecclesiastical Magisterium and Theology, Thesis 2. Net zo min als vroeger vormen bisschoppen en theologen vandaag de dag natuurlijk twee volstrekt gescheiden groepen.

[85] Zie Donum Veritatis 21.

[86] Zie Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium 21-25, Christus Dominus 12, Dei Verbum 10.

[87] Thomas van Aquino maakte onderscheid tussen het ‘magisterium cathedrae pastoralis’ en het ‘magisterium cathedrae magistralis’, het eerste komt toe aan bisschoppen en het laatste aan theologen. Tegenwoordig verwijst ‘magisterium’ of ‘kerkelijk magisterium’ specifiek naar de eerste van deze twee betekenissen, en in deze betekenis wordt het in dit document gebruikt (zie boven, nrs. 26, 28-30, 33). Theologen hebben weliswaar een lerende rol, die formeel is erkend door de Kerk, maar die moet niet verward worden met, of als tegenpool worden beschouwd van de lerende rol van de bisschoppen; zie Thomas van Aquino, Contra Impugnantes, c.2; Quaest. Quodlibet., III, q.4, a.9, ad.3; In IV Sent., d.19, q.2, a.3, qa.3, ad.4; zie ook Donum Veritatis, voetnoot 27.

[88] Zie Donum Veritatis 34.

[89] Zie Donum Veritatis 13-20.

[90] Zie Internationale Theologische Commissie, The Interpretation of Dogma, B, II, 3. Theologische proposities, die de uitspraken van het leergezag op de verschillende niveaus tegenspreken, leiden tot naar de niveaus gedifferentieerde negatieve beoordelingen of censuur van dergelijke proposities, en mogelijke sancties tegen de verantwoordelijken; zie Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief Motu Proprio, Ad Tuendam Fidem (1998).

[91] Zie Theses on the Relationship between the Ecclesiastical Magisterium and Theology, Thesis 8.

[92] Zie Donum Veritatis 21-41.

[93] John Henry Newman, Preface to the Third Edition, in The Via Media of the Anglican Church, ed. H.D. Wiedner, Oxford: Clarendon Press, 1990, pp. 10-57, zie p. 27.

[94]Preface to the Third Edition, pp. 29-30. ‘Niet alle kennis is voor iedereen even geschikt; een uitspraak kan waar zijn, maar toch op een bepaalde plaats en tijd “onbezonnen” zijn, “in de oren van vrome mensen beledigend klinken, en aanstootgevend”, ook al is die uitspraak niet “ketters” of “onjuist”’ (p. 34).

[95]Theses on the Relationship between the Ecclesiastical Magisterium and Theology, Thesis 9. De Internationale Theologische Commissie heeft ook praktische richtlijnen opgesteld voor het goed omgaan met situaties waarin meningsverschillen bestaan (zie Theses 11-12).

[96] Zie Theses on the Relationship between the Ecclesiastical Magisterium and Theology, Thesis 8.

[97]Theses on the Relationship between the Ecclesiastical Magisterium and Theology, Thesis 8.

[98] Zie hieronder, par. 83.

[99] Zie Lumen Gentium 22, 25.

[100] Zie Donum Veritatis 11.

[101] Zie bijvoorbeeld Augustinus, Epist. 82, 5, 36 (CCSL 31A, 122), waar hij erop aandringt bij Hiëronymus dat zij elkaar, vrijmoedig als vrienden en met genegenheid als broeders, openhartig moeten corrigeren; zie ook De Trinitate, I, 3, 5 (CCSL 50, 33), waar hij zegt dat het hem zeer zal helpen, als degenen die het niet met hem eens zijn hun argumenten met liefde en in waarheid naar voren brengen en zijn eigen standpunt kunnen weerleggen.

[102] Zie Internationale Theologische Commissie, The Interpretation of Dogma, C, III, 6.

[103] Zie Paus Johannes Paulus II, Encycliek Ut Unum Sint 28.

[104] Gaudium et Spes 11.

[105]Gaudium et Spes 11.

[106]Gaudium et Spes 4.

[107]Gaudium et Spes 44.

[108] Zie Gaudium et Spes 44.

[109]Gaudium et Spes 44.

[110] Zie Tweede  Vaticaans Concilie, Sacrosanctum Concilium 43, Unitatis Redintegratio 4, Dignitatis Humanae 15, Apostolicum Actuositatem 14, Presbyterorum Ordinis 9.

[111] Tweede Vaticaans Concilie, Ad Gentes 11.

[112] Tweede Vaticaans Concilie, Nostra Aetate 2.

[113] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.2, a.10.

[114] Zie Anselmus, Proslogion, hoofdstuk 1 (in S. Anselmi Cantuariensis Archiepiscopi Opera omnia, ed. F.S. Schmitt, deel  1, p. 100: ‘Desidero aliquatenus intelligere veritatem tuam, quam credit et amat cor meum’; zie ook Augustinus, De Trinitate, XV, 28, 51 (CCSL 50A, 534).

[115] Zie Anselmus, Proslogion, hoofdstuk 1 (in S. Anselmi Cantuariensis Archiepiscopi Opera omnia, ed. F.S. Schmitt, deel 1, p. 100: ‘Non tento, domine, penetrare altitudinem tuam …  Neque enim quaero intelligere ut credam, sed credo ut intelligam. Nam et hoc credo: quia “nisi credidero, non intelligam”.’

[116] Zie Origenes, Contra Celsum, Proloog, 4, (Sources chrétiennes, 132, ed. M. Boret), Paris, pp. 72-73; Augustinus, Civitas Dei I (CCSL 47).

[117] Zie Fides et Ratio 73.

[118]Zie Fides et Ratio 77.

[119] Zie Vaticanum I, Dei Filius (DH 3017); zie ook Thomas van Aquino, Summa contra gentiles, !, c. 7.

[120]Vaticanum I, Dei Filius (DH 3019).

[121] Zie Justinus, Dialogus cum Tryphone, 8, 4 (Iustini philosophi et martyris opera quae feruntur omnia (Corpus apologetarum christianorum saeculi secundi, 2, ed. C.T. Otto), Iéna, 1988, pp. 32-33; Tatianus, Oratio ad Graecos, 31 (Corpus apologetarum christianorum saeculi secundi, 6), Iéna, 1851, p. 118; zie ook Paus Johannes Paulus II, Fides et Ratio 38.

[122] Zie Augustinus, De civitate Dei, VI, 5-12 (CCSL 47, 170-184).

[123] In reactie op het theologische rationalisme van ‘radicale Arianen’, hielden de Cappadociërs en de Griekse theologische traditie vast aan de onmogelijkheid om in dit aardse leven het goddelijke wezen in zichzelf te kennen, noch via de natuur, noch via de genade, en ook niet in verheerlijkte staat. De Latijnse theologie evenwel, overtuigd dat de gelukzaligheid van de mens alleen kon bestaan in het zien van God ‘zoals Hij is’ (1Joh 3,2), maakte onderscheid tussen de kennis van het goddelijke wezen dat beloofd is aan de zaligen, en de alomvattende kennis van Gods wezen die alleen aan God toekomt. In de constitutie Benedictus Deus (1336) stelde Paus Benedictus XII vast dat de zaligen het ware wezen van God zien, van aangezicht tot aangezicht (DH 1000).

[124] Zie Thomas van Aquino, In Boethium De Trinitate, Proloog (ed. Leonine, deel 50, p. 76); ‘Modus autem de Trinitate tractandi duplex est, ut dicit Augustinus in I de Trinitate, scilicet per auctoritates et per rationes. Quem utrumque modum Augustinus complexus est, ut ipsemet dicit; quidam vero sanctorum patrum, ut Ambrosius et Hylarius, alterum tantum modum prosequti sunt, scilicet per auctoritates; Boetius vero elegit prosequi per alium modum, scilicet per rationes, praesupponens hoc quo ab aliis per auctoritates fuerat prosequtum.’

[125] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.1, a.7.

[126] Thomas van Aquino, Summa theologiae, Ia, q.1, a.3, ad.2.

[127] Zie Thomas a Kempis, Imitatio Iesu Christi, I, 3.

[128]Fides et Ratio 66.

[129] Zie Fides et Ratio 73.

[130] Zie Vaticanum I, Dei Filius (DH 3008-3009, 3031-3033).

[131] Augustinus, De divinitate ratio sive sermo, in De civitate Dei VIII, I (CCSL 47), 216-217.

[132] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, Ia, q.1, a.7: ‘Omnia autem pertractantur in sacra doctrina sub ratione Dei, vel quia sunt ipse Deus; vel quia habent ordinem ad Deum, ut ad principium et finem. Unde sequitur quod Deus vere sit subiectum huius scientiae’.

[133]Optatam Totius 16.

[134] Zie Internationale Theologische Commissie, Faith and Inculturation (1989).

[135] Zie Internationale Theologische Commissie, Theological Pluralism (1972).

[136] Zie Internationale Theologische Commissie, The Interpretation of Dogma (1990).

[137] Zie boven, hoofdstuk 2, paragraaf 2: ‘Trouw aan de apostolische traditie’.

[138] Zie Optatam Totius 16.

[139] Zie The Interpretation of the Bible in the Church. Dit document biedt in zoverre een waardevol voorbeeld dat het reflecteert op de mogelijkheden en beperkingen van verschillende eigentijdse exegetische methoden binnen de horizon van een openbaringstheologie die enerzijds geworteld is in de Schriften zelf en anderzijds in overeenstemming is met de leer van het Tweede Vaticaans Concilie.

[140] Zie Summa theologiae, Ia, q.1, a.5, ad.2, waar St. Thomas over de theologie zegt: ‘Haec scientia accipere potest aliquid a philosophicis disciplinis, non quod ex necessitate eis indigeat, sed ad maiorem manifestationem eorum quae in hac scientia traduntur. Non enim accipit sua principia ab aliis scientiis, sed immediate a Deo per revelationem. Et ideo non accipit ab aliis scientiis tanquam a superioribus, sed utitur eis tanquam inferioribus et ancillis’.

[141] In zijn Encycliek Veritatis Splendor (1993) deed Paus Johannes Paulus een beroep op de moraaltheologen om met onderscheidingsvermogen gebruik te maken van de gedragswetenschappen (m.n. nrs. 33, 111, 112).

[142] De kerkvaders van de eerste eeuwen beklemtoonden dat ketterijen, vooral de verschillende vormen van gnostiek, vaak voortkwamen uit een te onkritische overname van bepaalde filosofische theorieën. Zie bijvoorbeeld Tertullianus, De praescriptione haereticorum 7,3 (Sources chrétiennes, 46), p. 96: ‘Ipsae denique haereses a philosophia subornantur.

[143] Zie Paus Johannes Paulus II, Toespraak tot de deelnemers aan de plenaire vergadering van de Pauselijke Academie van Wetenschappen, 22 oktober 1996; zie ook Fides et Ratio 69.

[144] Paus Benedictus XVI constateert een pathologie van de rede wanneer deze zich distantieert van vragen over de uiteindelijke waarheid en God. Door deze ongezonde zelfbeperking wordt de rede vatbaar voor menselijke belangen en wordt zij een ‘geïnstrumentaliseerde rede’. Daarmee staat de weg open naar relativisme. Gelet op deze risico’s oppert Paus Benedictus meer dan eens dat geloof ‘een zuiverende kracht is voor de rede zelf’: ‘Geloof verlost de rede van zijn blinde vlekken en helpt daardoor haar steeds grotere zelfverwerkelijking. Geloof stelt de rede in staat zijn werk effectiever te doen en zijn eigen object helderder in beeld te krijgen’ (Encycliek Deus Caritas Est, 2005, nr. 28).

[145] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, Ia, q.1, a.6

[146] Zie Augustinus, De Trinitate, XII, 14,21-15,25 (CCSL 50,374-380).

[147] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, Ia, q.1, a.6.

[148] Zie Thomas van Aquino, Summa theologiae, Ia, q.1, a.6, ad.3.

[149] Vaticanum I, Dei Filius, hoofdstuk 4 (DH 3016).

[150] Zie Dionysius, De divinis nominibus, hoofdstuk 2, 9, in Corpus Dionysiacum, I. Pseudo-Dionysius Areopagita De divinis nominibus (Patristische Texte und Studien, 33, ed. Beate Regina Suchla), p. 134.

[151] Zie Maximus de Belijder, Four Hundred Texts on Love, 2, 26 (G.E.H. Palmer, Philip Sherrard, Kallistos Ware, vert. en uitg., The Philokalia, deel 2, London/Boston, 1981, p. 69): ‘Het verstand  ontvangt de genade van de theologie wanneer het, gedragen op liefdes vleugels … omhoog getild wordt in God en met de hulp van de heilige Geest de eigenschappen van God waarneemt – voor zover dat mogelijk is voor het menselijk verstand’.  Zie ook Richard van St.-Viktor, De praeparatione animi ad contemplationem 13 (PL 196, 10A): Ubi amor, ibi oculus; Tractatus de gradibus charitatis 3, 23 (G. Dumeige, ed., Textes philosophiques du Moyen Age, 3, Paris, 1955, p. 71): ‘amor oculus est, et amare videre est’ (Richard schrijft deze zin toe aan Augustinus).

[152] Wat betreft privé-openbaringen, die altijd aan kerkelijk oordeel zijn onderworpen en die, zelfs wanneer ze authentiek zijn, wat waarde betreft ‘wezenlijk verschillend zijn van die van de ene publieke openbaring’, zie Verbum Domini 14.

[153] Teresa van Avila, De weg der volmaaktheid, hoofdstuk 5.

[154] Zie Internationale Theologische Commissie, The Interpretation of Dogma, B, III, 4: ‘De theologische interpretatie van dogma’s is niet louter een intellectueel proces. Op een dieper niveau is het een spirituele onderneming, die tot stand gebracht wordt door de Geest van de waarheid, en alleen mogelijk is wanneer tevoren de ‘ogen van het hart’ gereinigd zijn’.

[155] Zie Paus Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate (2009), 1.

[156] Lumen Gentium 26; zie Paus Johannes Paulus II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia (2003), 1.

[157] Presbyterorum Ordinis 5.

[158] Lumen Gentium 11; zie Sacrosanctum Concilium 10.

[159] Presbyterorum Ordinis 5.

[160] Vierde Lateraans Concilie (DH 806).

[161] Thomas van Aquino, In IV Sent., d.35, q.1, a.1, ad.2: ‘Omnis negatio fundatur in aliqua affirmatione’.

[162] Zie Thomas van Aquino, Quaestiones disputatae de potentia, q.7, a.5, ad.2, waar hij een interpretatie geeft van de leer van Dionysius.

[163] Augustinus, ‘De Deo loquimur, quid mirum si non comprehendis? Si enim comprehendis, non est Deus’ (Sermo 117, 3, 5; PL 38, 663);  ‘Si quasi comprehendere potuisti, cogitatione tua te decepisti’ (Sermo 52, 6, 16; PL 38, 360).

   

top