‘Id al-Fitr 1428 H. / 2007 A.D.
Christenen en moslims:
geroepen om een cultuur te bevorderen van vrede
Dierbare moslimvrienden,
1. Met groot genoegen mag ik U uit naam van de Pauselijke Raad voor de
Interreligieuze Dialoog de hartelijke en warme gelukwensen aanbieden bij
gelegenheid van uw blijde feest van ‘Id al-Fitr, dat het einde markeert van de
weg die u gegaan bent tijdens de maand van vasten en gebed van de Ramadan. Dit
gebeuren is een belangrijke periode voor het leven van de moslimgemeenschap; ze
geeft aan eenieder een nieuwe kracht voor zijn persoonlijk leven, zijn
gezinsleven en zijn maatschappelijk leven. Het is immers van groot belang dat
ieder mens getuigt van de religieuze boodschap door een onberispelijk leven dat
steeds meer beantwoordt aan de bedoeling van de Schepper, door de vaste wil,
zijn broeders en zusters te dienen, en door een steeds grotere solidariteit en
verbondenheid met de leden van de andere godsdiensten en met alle mensen van
goede wil, verlangend om samen te werken aan het gemeenschappelijk welzijn.
2. In de roerige tijd die wij meemaken hebben de leden van de
godsdiensten bovenal de plicht om als dienaren van de Allerhoogste zich in te
zetten voor de vrede, die vraagt dat men ieders overtuigingen als persoon en
gemeenschap respecteert, en ook dat ieder mens in vrijheid zijn godsdienst kan
belijden. Godsdienstvrijheid is niet alleen maar vrijheid van eredienst, maar is
immers één van de wezenlijke aspecten van de gewetensvrijheid die ieder mens
toekomt en die de hoeksteen is van de mensenrechten. Door dit in aanmerking te
nemen zal er een cultuur van vrede en solidariteit onder de mensen kunnen
ontstaan, en zullen alle mensen zich vastberaden kunnen inzetten om een steeds
broederlijker samenleving op te bouwen; zij zullen doen wat ze kunnen om iedere
soort van geweld af te wijzen; ze zullen zich ertegen verzetten dat men tot
geweld overgaat, waarvoor nooit godsdienstige redenen kunnen worden aangevoerd:
want het tast in de mens het beeld van God aan. We weten immers allemaal dat
geweld en met name het terrorisme, blindelings toeslaat en vooral onder
onschuldige mensen veel slachtoffers maakt, maar geen oplossing biedt voor
conflicten, en dat ze alleen maar een dodelijk raderwerk van vernietigende haat
aan de gang kan brengen ten koste van de mens en de samenlevingen.
3. Van ons allen als godsdienstige mensen wordt vóór alles gevraagd dat
we tot vrede zullen opvoeden, de mensenrechten zullen bijbrengen, een vrijheid
zullen leren die iedere mens respecteert, maar ook dat we zullen werken aan een
steeds krachtiger sociaal leven, want de mens moet zonder enige discriminatie
zorg dragen voor hen die als mens zijn broeders en zusters zijn. Niemand mag uit
de nationale gemeenschap worden uitgesloten vanwege zijn ras, godsdienst of
ander persoonlijk kenmerk. Wij allen tezamen zijn, als leden van verschillende
godsdienstige tradities, ertoe geroepen een leer te verspreiden die iedere mens
in zijn waarde laat, en die een boodschap is van liefde tussen mensen en
volkeren onderling. Met name rust op ons de taak om de jeugd in die geest op te
voeden, die immers verantwoordelijk zal zijn voor de wereld in de toekomst. Het
is de plicht allereerst van de gezinnen, en vervolgens ook van hen die in de
wereld van opvoeding en onderwijs verantwoordelijkheid dragen, alsmede van alle
burgerlijke en godsdienstige gezagsdragers tezamen, te zorgen voor goed
onderwijs, en aan ieder van hen een adequate vorming te geven op de
verschillende terreinen die we noemden, met name een opvoeding tot burgerzin,
die van iedere jonge mens vraagt de mensen om hen heen te respecteren en te
beschouwen als broeders en zusters met wie hij, niet onverschillig maar met
hartelijke aandacht, iedere dag moet samenleven. Meer dan ooit is het
noodzakelijk aan de nieuwe generaties de fundamentele menselijke waarden op het
gebied van de moraal en de burgerzin bij te brengen, die noodzakelijk zijn voor
het persoonlijke leven en dat van de gemeenschap. Elk wangedrag moet aanleiding
zijn om aan jonge mensen voor te houden wat men van hen in het maatschappelijk
leven verwacht. Het welzijn van iedere samenleving en van de wereld in haar
geheel staat hierbij op het spel.
4. In die zin moet het van groot belang geacht worden dat de dialoog
tussen christenen en moslims, met haar vormende en culturele betekenis, met nog
meer kracht wordt voortgezet, opdat in dienst van de mens en de mensheid alle
krachten worden ingezet, opdat de generaties der jongeren zich niet tegenover
elkaar als culturele of godsdienstige blokken gaan opstellen, maar elkaar als
echte broeders en zusters beschouwen, omdat zij gelijkelijk mens zijn. De
dialoog is een middel dat ons kan helpen de eindeloze spiraal te doorbreken van
allerlei botsingen en spanningen,waarmee onze samenlevingen te maken hebben,
zodat alle volkeren in rust en vrede kunnen leven, waarbij er een goede
verstandhouding en wederzijds respect is tussen de samenstellende delen.
Daartoe smeek ik dat allen ervoor zorgen dat christenen en moslims
door middel van bijeenkomsten en gedachtewisselingen met elkaar in wederzijdse
hoogachting samenwerken in een streven naar vrede en een betere toekomst voor
alle mensen; ze zullen voor de hedendaagse jeugd een voorbeeld zijn om na te
volgen. De jeugd zal dan weer vertrouwen krijgen in het maatschappelijk leven,
en het belangrijker gaan vinden daar deel van uit te maken en mee te werken aan
de verandering daarvan. Opvoeding en voorbeeld zullen ook voor hen een bron zijn
van hoop op de toekomst.
5. Dit is de vurige wens die ik met u deel: dat er zich tussen
christenen en moslims steeds meer vriendschappelijke en positieve betrekkingen
mogen ontwikkelen om met elkaar hun eigen rijkdommen te delen, en dat ze heel in
het bijzonder de kwaliteit bewaken van hun getuigenis van gelovige mensen.
Ik herhaal nogmaals, dierbare moslimvrienden, mijn hartelijke
gelukwensen voor uw feest, en ik bid de God van vrede en barmhartigheid dat Hij
aan u allen een goede gezondheid, rust en welvaart moge schenken.
Jean-Louis Kardinaal Tauran
Voorzitter
Aartsbisschop Pier Luigi Celata
Secretaris