 |
APOSTOLISCHE POSTSYNODALE EXHORTATIE
SACRAMENTUM CARITATIS
VAN DE HEILIGE VADER PAUS BENEDICTUS XVI
AAN HET EPISCOPAAT, AAN DE CLERUS
AAN ALLE GODGEWIJDE PERSONEN
EN LEKENGELOVIGEN
OVER DE EUCHARISTIE
BRON EN HOOGTEPUNT VAN HET LEVEN
EN VAN DE ZENDING VAN DE KERK
INLEIDING
1. Sacrament van de liefde[1], de hoogheilige Eucharistie is het
geschenk van de zelfgave van Jezus Christus, waardoor Hij ons Gods oneindige
liefde voor iedere mens openbaart. In dit wonderbare sacrament toont zich de
“grotere” liefde die ertoe aanzet “het eigen leven te geven voor zijn vrienden”
(vgl. Joh. 15,13). Ja, Jezus heeft de Zijnen “ten einde toe” liefgehad (Joh.
13,1). Deze woorden van de evangelist vormen de inleiding op Jezus’ gebaar van
oneindige nederigheid: voordat Hij voor ons aan het kruis stierf, waste Hij,
omgord met een linnen doek, de voeten van zijn leerlingen. Op dezelfde wijze
blijft Jezus ons in het sacrament van de Eucharistie “ten einde toe” liefhebben,
tot aan de gave van zijn Lichaam en zijn Bloed. Wat moeten de gebaren en de
woorden van de Heer tijdens dat Avondmaal de apostelen hebben verwonderd! Wat
moet het mysterie van de Eucharistie ook een verwondering opwekken in ons hart!
Het voedsel van de waarheid
2. In het sacrament van het altaar komt de Heer de mens, geschapen naar Gods
beeld en gelijkenis (vgl. Gen. 1,27) tegemoet, en wordt zijn reisgezel. In dit
sacrament maakt de Heer zich namelijk tot voedsel voor de mens die hongert naar
waarheid en vrijheid. Omdat alleen de waarheid ons werkelijk vrij kan maken
(vgl. Joh. 8, 32), maakt Christus zich voor ons tot voedsel van de waarheid. Met
een scherpzinnige kennis van de menselijke werkelijkheid, heeft Sint Augustinus
verduidelijkt dat de mens vrijwillig, en niet onder dwang, in beweging raakt als
hij betrokken is op iets dat hem aantrekt en dat verlangen in hem opwekt. Als de
heilige bisschop zich dan afvraagt wat de mens uiteindelijk ten diepste zou
kunnen bewegen, roept hij uit: “Wat begeert de ziel dan heviger dan de
waarheid?”[2] Inderdaad draagt iedere mens in zich het onverzadigbare verlangen
naar de ultieme en definitieve waarheid. Daarom wendt Jezus, de Heer, “de weg,
de waarheid en het leven” (Joh. 14,6), zich tot het smachtende hart van de mens,
die zich een dorstende pelgrim voelt, tot het hart dat verlangt naar de bron des
levens, tot het hart dat worstelt om de Waarheid. Jezus Christus is inderdaad de
Persoon geworden waarheid, die de wereld tot zich trekt. “Jezus is de poolster
van de menselijke vrijheid; zonder Hem verliest de vrijheid haar oriëntatie want
zonder de kennis van de waarheid ontaardt de vrijheid; zij isoleert zich en
wordt tot onvruchtbare willekeur”[3]. In het sacrament van de Eucharistie toont
Jezus ons in het bijzonder de waarheid van de liefde, die het wezen van
God zelf is. Deze op het evangelie gebaseerde waarheid betreft iedere mens en de
gehele mens. De Kerk, die in de Eucharistie haar onontbeerlijk middelpunt vindt,
zet zich daarom onophoudelijk in om aan allen te verkondigen dat God liefde is,
of men dat nu wil horen of niet (vgl. 2 Tim. 4,2). [4] Juist omdat
Christus voor ons het voedsel van de waarheid is geworden, wendt de Kerk zich
tot de mens en nodigt hem uit het geschenk van God vrijmoedig aan te nemen.
De ontwikkeling van de Eucharistische Ritus
3. Als wij terugblikken op de tweeduizend jaar oude geschiedenis van de Kerk van
God, die geleid wordt door het wijze handelen van de heilige Geest, bewonderen
wij vol dankbaarheid de in de loop van de tijd geordende ontwikkeling van de
rituele vormen waarin wij de voltrekking van ons heil gedenken. Van de
veelsoortige vormen van de eerste eeuw, die nog oplichten in de riten van de
oude Kerken van het oosten, tot aan de verbreiding van de Romeinse ritus, van de
duidelijke aanwijzingen van het Concilie van Trente, en het missaal van de
heilige Pius V, tot aan de door het Tweede Vaticaans Concilie in gang gezette
liturgiehervorming: in ieder tijdperk van de geschiedenis van de Kerk schittert
de Eucharistieviering als bron en hoogtepunt van haar leven en haar zending, in
heel haar liturgische verscheidenheid en rijkdom. De Elfde Algemene Gewone
Bisschoppensynode , die van 2 tot 23 oktober 2005 in het Vaticaan plaats vond,
heeft, wat betreft deze geschiedenis, grote dankbaarheid jegens God uitgesproken
en erkend dat de leiding van de heilige Geest hier werkzaam is geweest. In het
bijzonder hebben de synodevaders de zegenrijke invloed op het leven van de Kerk
vastgesteld en bevestigd van de sinds het Tweede Vaticaans Concilie
verwezenlijkte liturgiehervorming.[5] De bisschoppensynode was in de
gelegenheid te evalueren hoe deze vernieuwing na het Concilie was ontvangen. Er
was bijzonder veel waardering. Bevestigd werd dat de moeilijkheden, en ook
enkele gemelde misbruiken, de waarde en de effectiviteit van de
liturgiehervorming, die rijkdommen bevat die nog onvoldoende zijn ontdekt, niet
kunnen verduisteren. Concreet gaat het erom dat de door het Concilie beoogde
veranderingen begrepen moeten worden in de context van de eenheid, die de
historische ontwikkeling van de ritus zelf kenmerkt, zonder dat er onnatuurlijke
breuken optreden.[6]
De Bisschoppensynode en het Jaar van de Eucharistie
4. Overigens is het noodzakelijk de verhouding te benadrukken tussen de laatste
bisschoppensynode over de Eucharistie en datgene wat de laatste jaren in het
leven van de Kerk is gebeurd. Om te beginnen moeten wij in de geest terugkeren
naar het Grote Jubileum van het jaar 2000, waarmee mijn dierbare voorganger, de
dienaar Gods Joannes Paulus II, de Kerk het derde millennium heeft binnen
geleid. Het jubileumjaar droeg onmiskenbaar een sterk eucharistisch stempel.
Daarnaast mag men niet vergeten dat het door Joannes Paulus II met zeer
vooruitziende blik voor de hele Kerk gewilde Jaar van de Eucharistie aan de
bisschoppensynode vooraf ging en deze in zekere zin heeft voorbereid. Deze
periode, die met het Internationale Eucharistische Congres in Guadalajara in
oktober 2004 is begonnen, werd aan het einde van de Elfde Synodale Bijeenkomst
afgesloten met de heiligverklaring van vijf zaligen, die zich bijzonder hadden
onderscheiden door hun eucharistische vroomheid: Bisschop Józef Bilczewski, de priesters Gaetano Catanoso, Zygmunt Gorazdowski en
Alberto Hurtado Cruchaga, en de Kapucijn Felice da Nicosia. Op grond van de door
Joannes Paulus II in de Apostolische Brief Mane nobiscum Domine [7]
neergelegde leer en dankzij de waardevolle voorstellen van de Congregatie voor
de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten [8] hebben de
bisdommen en verscheidene kerkelijke organisaties talrijke initiatieven genomen
om bij de gelovigen het eucharistisch geloof te doen herleven en groeien, om de
zorgvuldigheid bij de viering te vergroten en de Eucharistische Aanbidding te
bevorderen, om aan te sporen tot een actieve solidariteit, die zich vanuit de
Eucharistie uitstrekt naar de behoeftigen. Ten slotte moet ook de laatste
encycliek Ecclesia de Eucharistia [9] van mijn vereerde Voorganger
genoemd worden, waarin hij ons een zeker en leerstellig houvast heeft nagelaten
over de leer van de Eucharistie en een laatste getuigenis van de centrale rol
die dit goddelijk sacrament in zijn leven heeft gespeeld.
Het doel van deze brief
5. Deze postsynodale Exhortatie heeft als streven het uitwerken van de
veelsoortige rijkdom van de beschouwingen en voorstellen die voortgekomen zijn
uit de laatste Gewone Algemene Vergadering van de Bisschoppensynode – van de
Lineamenta over het Instrumentum laboris, de Relationes ante et post disceptationem, de bijdragen van de
synodevaders, de auditores en de gedelegeerden van de zusterkerken – om
enige fundamentele richtlijnen te formuleren, met als doel een nieuwe
eucharistische impuls en nieuwe eucharistische ijver in de Kerk op te wekken. In
het bewustzijn van de veelomvattende leerstellige en disciplinaire erfenis, die
zich in de loop der eeuwen met betrekking tot dit sacrament heeft opgestapeld
[10], wil ik in dit document de wens van de synodevaders [11] tot de mijne maken
en bovenal het christelijk volk oproepen tot een inhoudelijke verdieping van de
relatie tussen eucharistisch mysterie, liturgische handeling en de uit de
Eucharistie voortvloeiende nieuwe geestelijke dienst als het sacrament
van de naastenliefde. Vanuit dit gezichtspunt wil ik deze brief in verband
brengen met mijn eerste encycliek Deus caritas est, waarin ik bij
herhaling over het sacrament van de Eucharistie heb gesproken, om de relatie van
dit sacrament met de christelijke liefde tot God en de naaste te verduidelijken:
“De mensgeworden God trekt ons allen tot zich. Zo kunnen we begrijpen hoe agape
ook een aanduiding voor de Eucharistie wordt; daar komt Gods agape
lichamelijk tot ons om zijn werk in ons en door ons voort te zetten”. [12]
DEEL I
EUCHARISTIE, EEN MYSTERIE WAARIN MEN GELOOFT
“Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft.” (Joh. 6,29)
Het eucharistische geloof van de Kerk
6. “Verkondigen wij het mysterie van het geloof!” Met deze oproep direct
na de Consecratiewoorden verkondigt de priester het mysterie dat wordt gevierd
en geeft hij uiting aan zijn verwondering over de waarachtige verandering van
brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus – een werkelijkheid die alle
menselijke begrip te boven gaat. Inderdaad, de Eucharistie is het “mysterie van
het geloof” bij uitstek, “de samenvatting van ons geloof”. [13] Het geloof van
de Kerk is wezenlijk een eucharistisch geloof en wordt op bijzondere wijze
gevoed door de maaltijd van de Eucharistie. Geloof en sacramenten zijn twee
elkaar aanvullende aspecten van het kerkelijk leven. Het geloof, opgewekt door
de verkondiging van Gods Woord, voedt zich en groeit in de genadevolle
ontmoeting met de Verrezen Heer, die tot stand komt in de sacramenten: “Het
geloof komt tot uitdrukking in de ritus en de ritus versterkt en bevestigt het
geloof”. [14] Daarom staat het sacrament van het altaar altijd in het middelpunt
van het kerkelijk leven: “Dankzij de Eucharistie wordt de Kerk steeds opnieuw
geboren!” [15] Hoe levendiger het geloof in de Eucharistie van het godsvolk is,
des te intenser is hun deelname aan het kerkelijk leven door een overtuigde
ondersteuning van de zending die Christus aan Zijn leerlingen heeft opgedragen.
Daarvan getuigt de geschiedenis van de Kerk zelf. Iedere grote hervorming is op
de een of andere wijze verbonden met de herontdekking van het geloof in de
eucharistische aanwezigheid van de Heer temidden van zijn volk.
De Allerheiligste Drie-eenheid en de Eucharistie
Het uit de hemel neergedaalde brood
7. De belangrijkste inhoud van het eucharistische geloof is het mysterie van God
zelf, die trinitaire liefde is. In het gesprek van Jezus met Nikodemus vinden we
hieromtrent een verhelderende uitspraak: “Zozeer immers heeft God de wereld
liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem
gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. God heeft zijn
Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld
door Hem zou worden gered” (Joh. 3, 16-17). Deze woorden tonen ons de diepste
bron van Gods gave. Jezus schenkt in de Eucharistie niet “iets”, maar zichzelf;
Hij geeft zijn Lichaam als offer en vergiet zijn Bloed. Op deze wijze geeft Hij
zichzelf met zijn hele bestaan en openbaart Hij de oorspronkelijke bron van deze
liefde. Hij is de eeuwige Zoon, die door de Vader voor ons werd overgeleverd. In
het evangelie horen we nogmaals de woorden van Jezus met betrekking hiertoe. Na
de spijziging van de menigte door de wonderbare vermenigvuldiging van brood en
vis, zegt Hij tot zijn gesprekspartners, die Hem tot in de synagoge van
Kafarnaüm gevolgd zijn: “Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader
gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de
wereld” (Joh. 6, 32-33). En Hij gaat zo ver dat Hij zichzelf, zijn vlees en
bloed, met dat brood vereenzelvigt: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel
is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het
brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld” (Joh.
6,51). Op deze wijze openbaart Jezus zich als het brood des levens, dat de
eeuwige Vader aan de mensen schenkt.
Onverdiende gave van de Allerheiligste Drie-eenheid
8. In de Eucharistie openbaart zich het liefdesplan dat de hele
heilsgeschiedenis bepaalt (vgl. Ef. 1,10; 3,8-11). Daarin verenigt de Deus
Trinitas, die in zichzelf liefde is, zich volledig met ons menselijk lot. In
het brood en in de wijn, de gedaanten waaronder Christus zich in het Paasmaal
aan ons schenkt (vgl. Luc. 22,14-20; 1 Kor. 11,23-26), komt het gehele goddelijk
leven, in de vorm van het sacrament, naar ons toe en deelt zich aan ons mee. God
is de volmaakte liefdesgemeenschap tussen de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
Reeds bij de schepping krijgt de mens de roeping in zekere mate deel te hebben
aan de levensadem van God. (vgl. Gen. 2,7). Maar het is in de gestorven en
verrezen Christus en de uitstorting van de heilige Geest, die mateloos
geschonken wordt (vgl. Joh. 3,34), dat wij deelachtig worden aan Gods diepste
innerlijkheid. [16] Jezus Christus, die “door de eeuwige Geest zichzelf aan God
[heeft] geofferd als een smetteloos offer” (Hebr. 9,14) deelt ons dus in de
eucharistische gave het eigen goddelijke leven mee. Het gaat hier om een
volstrekt onvoorwaardelijke gave, die alleen het gevolg is van Gods beloften,
die mateloos vervuld worden. In trouwe gehoorzaamheid aanvaardt, viert en
aanbidt de Kerk deze gave. Het “mysterie van het geloof” is een mysterie van de
trinitaire liefde, en wij worden door genade geroepen daaraan deel te hebben.
Ook wij moeten met Sint Augustinus uitroepen: “Als je de liefde ziet, zie je de
Triniteit”. [17]
Eucharistie: Jezus, het ware Offerlam
Het nieuwe en altijddurende Verbond in het bloed van het Lam
9. De zending waarvoor Jezus tot ons is gekomen, bereikt haar vervulling in het
Paasmysterie. Voor Hij “de geest geeft”, zegt Hij, omhoog geheven aan het kruis
vanwaar Hij allen tot zich trekt (vgl. Joh. 12,32): “Het is volbracht” (Joh.
19,30). In het mysterie van zijn gehoorzaamheid tot de dood, tot de dood aan het
kruis (vgl. Fil. 2,8) werd het nieuwe en altijddurende verbond tot stand
gebracht. In zijn gekruisigde lichaam zijn de vrijheid van God en de vrijheid
van de mens in een onverbrekelijk, eeuwigdurend verbond definitief samengekomen.
Ook de zonde van de mens is door de Zoon van God eens en voor altijd uitgeboet
(vgl. Hebr. 7, 27; 1 Joh. 2,2; 4,10). “Zijn dood op het Kruis”, zo heb ik elders reeds benadrukt, “is het hoogtepunt van
de manier waarop God zich tegen zichzelf keert, waarbij Hij zichzelf wegschenkt
om de mens weer op te richten en hem te redden – liefde in de meest radicale
vorm”. [18] In het Paasmysterie is onze bevrijding van het kwaad en van de dood
werkelijk realiteit geworden. Bij de instelling van het Altaarsacrament had
Jezus zelf gesproken van het “nieuwe, altijddurende Verbond”, dat gesloten is in
het door Hem vergoten bloed (vgl. Mt. 26,28; Mc. 14,24; Luc. 22,20). Dit ultieme
doel van zijn zending was reeds aan het begin van zijn openbare leven zeer
duidelijk. Als namelijk Johannes de Doper aan de oever van de Jordaan Jezus op
zich toe ziet komen, roept hij uit: “'Zie, het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh. 1,29). Het is
veelzeggend dat juist deze woorden in iedere viering van de Mis terugkeren als
de priester uitnodigt tot het ontvangen van de Communie: “Zalig zij die genodigd
zijn aan de maaltijd des Heren. Zie het Lam Gods dat wegneemt de zonden der
wereld”. Jezus is het ware Paaslam, dat zichzelf vrijwillig voor ons ten
offer heeft gebracht en zo het nieuwe en altijddurende verbond heeft
verwezenlijkt. De Eucharistie heeft deze radicale nieuwheid in zich, die ons bij
iedere viering van de Mis opnieuw wordt aangeboden. [19].
De instelling van de Eucharistie
10. Zo worden wij gebracht tot nadenken over de instelling van de Eucharistie
tijdens het Laatste Avondmaal. Dat gebeurde in het kader van een rituele
maaltijd als gedachtenisviering van de fundamentele gebeurtenis in de
geschiedenis van het volk van Israël: de bevrijding van de slavernij uit Egypte.
Deze rituele maaltijd, die verbonden was met het offeren van lammeren (vgl. Ex.
12,1-28.43-51) was een herinnering aan het verleden, maar tegelijk ook een
profetisch gedenken, dat wil zeggen de verkondiging van een toekomstige
bevrijding. Het volk had namelijk ervaren dat die bevrijding geen definitieve
bevrijding was geweest, want hun geschiedenis stond nog te zeer in het teken van
slavernij en zonde. Zo leidde de gedachtenis van de oude bevrijding tot de bede
om en de verwachting van een diepgaander heil, dat fundamenteel, alomvattend en
definitief zou zijn. In deze context voegt Jezus de nieuwheid van zijn gave toe.
In de lofprijzing, de Berakah, dankt Hij de Vader niet alleen voor de
grote gebeurtenissen van het verleden, maar ook voor zijn eigen
“verheerlijking”. Als Hij het sacrament van de Eucharistie instelt, anticipeert
Jezus op het kruisoffer en de overwinning van de Verrijzenis en sluit beide bij
het sacrament in. Tegelijk openbaart Hij zich als het ware Offerlam, dat
vanaf het begin van de wereld was voorzien in het plan van de Vader, zoals de
Eerste Petrusbrief benadrukt (vgl. 1,18-20). Als Jezus zijn gave in dit verband
plaatst, verkondigt Hij de heilbrengende betekenis van zijn dood en Verrijzenis,
van dit mysterie dat leidt tot de vernieuwing van de geschiedenis en de gehele
kosmos. De instelling van de Eucharistie laat inderdaad zien hoe de op zich
gewelddadige en zinloze dood van Jezus is geworden tot de meest verheven daad
van liefde en tot de definitieve bevrijding van de mensheid van het.
Figura transit in veritatem
11. Zo voegt Jezus zijn ingrijpende novum in het hart van de oude joodse
offermaaltijd in. Die maaltijd hoeft voor ons christenen niet herhaald te
worden. Terecht zeggen de Kerkvaders: “figura transit in veritatem“ – de voorafbeelding heeft plaats gemaakt voor de waarheid. De oude ritus is
tot vervulling gekomen en is door de gave van de liefde van Gods Zoon voor
altijd overtroffen. Het voedsel van de waarheid, de voor ons geofferde Christus,
dat…figuris terminum. [20] Met de opdracht: “Doe dit tot mijn
gedachtenis” roept Hij ons op te beantwoorden aan zijn gave en deze sacramenteel
tegenwoordig te stellen. Met deze woorden geeft de Heer als het ware uiting aan
de verwachting dat zijn Kerk, die uit zijn offer voortgekomen is, deze gave
aanneemt en onder de leiding van de heilige Geest de liturgische vorm van het
sacrament ontwikkelt. De gedachtenisviering van zijn volmaakte gave bestaat
immers niet slechts uit de herhaling van het Laatste Avondmaal, doch uit de
Eucharistie zelf, dat wil zeggen uit de radicale nieuwheid van de christelijke
eredienst. Zo heeft Jezus ons de gave nagelaten binnen te treden in zijn “uur”:
“De Eucharistie haalt ons binnen in Jezus’ zelfgave. We ontvangen niet alleen
maar statisch de mensgeworden Logos, maar we worden binnengehaald in de dynamiek
van zijn zelfgave”.[21] Hij “trekt ons in zichzelf”.[22] De substantiële
verandering van brood en wijn in zijn Lichaam en zijn Bloed introduceert in de
schepping het principe van een radicale verandering, als een soort
“kernsplitsing” – om een ons welbekend beeld te gebruiken – die zich voordoet in
het binnenste van het zijn, een verandering die ertoe bestemd is een
omvormingsproces in de werkelijkheid in gang te zetten, met als ultieme doel de
verheerlijking van de hele wereld tot de toestand waarin God alles in allen zal
zijn (vgl. 1 Kor. 15,28).
De Heilige Geest en de Eucharistie
Jezus en de Heilige Geest
12. Met Zijn woord en met brood en wijn heeft de Heer zelf ons de essentiële
elementen van de nieuwe eredienst geschonken. De Kerk, Zijn bruid, is geroepen
de eucharistische maaltijd iedere dag te vieren om Hem te gedenken. Zo voegt zij
het verlossende offer van haar Bruidegom in de geschiedenis van de mensen in en
stelt het in alle culturen sacramenteel tegenwoordig. Dit grote geheim wordt
gevierd in de liturgische vormen die de Kerk, geleid door de heilige Geest, in
tijd en ruimte ontwikkelt. [23] In dit verband is het nodig dat wij ons bewust
worden van de beslissende rol die de heilige Geest speelt bij de ontwikkeling
van de liturgische vorm en bij het uitdiepen van de goddelijke mysteries. De
Parakleet, de eerste gave aan de gelovigen [24], die reeds bij de schepping aan
het werk was (vgl. Gen. 1,2), is volledig aanwezig in het gehele leven van het
mensgeworden Woord: Jezus Christus werd immers door toedoen van de heilige Geest
door de Maagd Maria ontvangen (vgl. Mt. 1,18; Luc. 1,35); aan het begin van zijn
openbare leven ziet Hij Hem aan de oever van de Jordaan in de gedaante van een
duif op zich neerdalen (vgl. Mt. 3, 16 en parallelteksten); in diezelfde Geest
handelt, spreekt en jubelt Hij (vgl. Luc. 10,21); en in Hem kan Hij zichzelf als
offer opdragen (vgl. Hebr. 9, 14). In de door Johannes opgetekende zogenoemde
“afscheidsrede” legt Jezus duidelijk verband tussen het offer van zijn leven in
het Paasmysterie en de gave van de Geest aan de Zijnen (vgl. Joh. 16,7). Als
Verrezene, die de tekenen van zijn lijden in zijn lichaam draagt, kan Hij met
zijn adem de Geest schenken (vgl. Joh. 20,22) en zo de Zijnen deelachtig maken
aan zijn eigen zending (vgl. Joh. 20,21). De Geest zal de leerlingen alles leren
en hen alles in herinnering brengen wat Christus tot hen heeft gezegd (vgl. Joh.
14,26), want als Geest der waarheid (vgl. Joh. 15, 26) komt het Hem toe de
leerlingen tot de volle waarheid te brengen (vgl. Joh. 16,13). In de
Handelingen der Apostelen wordt verteld dat de Geest met Pinksteren
neerdaalt op de apostelen die samen met Maria in gebed bijeen zijn (vgl. 2,1-4)
en hen aanvuurt hun opdracht te gaan vervullen om aan alle volkeren te Blijde
Boodschap te verkondigen. Het is dus in de kracht van de Geest dat Christus zelf
in zijn Kerk aanwezig en werkzaam blijft, vanuit het middelpunt van haar leven,
de Eucharistie.
De Heilige Geest en de viering van de Eucharistie
13. Tegen deze achtergrond wordt de beslissende rol van de heilige Geest in de
Eucharistieviering en in het bijzonder met betrekking tot de transsubstantiatie
begrijpelijk. Een dergelijk bewustzijn is bij de Kerkvaders duidelijk
aantoonbaar. De heilige Cyrillus van Jeruzalem herinnert er in zijn
Catechesen aan dat wij “de barmhartige God aanroepen om zijn heilige Geest
te zenden over de offergaven die voor ons liggen, opdat Hij het brood moge
veranderen in het Lichaam van Christus en de wijn in het Bloed van Christus. Wat
door de heilige Geest is aangeraakt, is geheiligd en volledig veranderd”. [25]
Ook de heilige Johannes Chrysostomus wijst erop dat de priester de heilige Geest
aanroept als hij het offer viert [26]: zoals Elia, de dienaar van God, zo roept
hij de heilige Geest aan – zo zegt Johannes Chrysostomus – opdat “als de genade
op het offer neerdaalt, de zielen van allen erdoor ontbranden”. [27] Van het
grootste belang voor het geestelijk leven van de gelovigen is een goede kennis
van de rijkdom van de anaphora: behalve de door Christus bij het Laatste
Avondmaal gesproken woorden omvat deze de epiclese als gebed tot de Vader, dat
Hij de gave van de heilige Geest mag zenden opdat brood en wijn mogen worden tot
Lichaam en Bloed van Jezus Christus en “de hele gemeenschap steeds meer Lichaam
van Christus mag worden”. [28] De Geest, die door de celebrant afgeroepen wordt
over de op het altaar geplaatste gaven van brood en wijn, is dezelfde die de
gelovigen tot “een lichaam” verenigt en hen tot een geestelijk offer maakt dat
de Vader welgevallig is. [29]
Eucharistie en Kerk
Eucharistie – oorzakelijk grondbeginsel van de Kerk
14. Door het sacrament van de Eucharistie neemt Jezus de gelovigen mee in zijn
“uur”; op die manier toont Hij ons de band die Hij tussen zichzelf en ons,
tussen zijn Persoon en de Kerk heeft gewild. Inderdaad heeft Christus zelf in
het kruisoffer de Kerk voortgebracht als zijn bruid en zijn lichaam. De
Kerkvaders hebben uitvoerig nagedacht over de verhouding tussen de oorsprong van
Eva uit de zijde van de slapende Adam (vgl. Gen. 2,21-23) en die van de nieuwe
Eva, de Kerk, uit de geopende zijde van Christus, die verzonken was in de slaap
van de dood: uit de doorboorde zijde – verhaalt Johannes – kwam bloed en water
(vgl. Joh. 19,34), een symbool van de sacramenten. [30] Een contemplatieve blik
“op Hem … die zij hebben doorstoken” (Joh. 19,37) brengt ons tot nadenken over
het oorzakelijke verband tussen het offer van Christus, de Eucharistie en de
Kerk. Inderdaad: “De Kerk leeft van de Eucharistie” [31]. Daar in de Eucharistie
het verlossende offer van Christus tegenwoordig komt, moet men voor alles
erkennen dat er “een oorzakelijke invloed van de Eucharistie … op het ontstaan
zelf van de Kerk is” [32]. De Eucharistie is Christus, die zich aan ons schenkt
en ons zo voortdurend als zijn Lichaam opbouwt. In de indrukwekkende
wisselwerking tussen de Eucharistie, die de Kerk opbouwt, en de Kerk zelf, die
de Eucharistie verwezenlijkt [33], staat de Eucharistie aan het begin: de Kerk
kan het mysterie van de in de Eucharistie aanwezige Christus juist daarom vieren
en aanbidden, omdat Christus zich eerst in het kruisoffer aan haar geschonken
heeft. De mogelijkheid van de Kerk om de Eucharistie te “verwezenlijken” vindt
haar oorsprong geheel en al in Christus’ zelfgave aan haar. Ook hier ontdekken
wij een overtuigend aspect van de formulering van Johannes: “Hij heeft ons het
eerst liefgehad” (vgl. 1 Joh. 4,19). Zo erkennen wij ook in iedere viering op de
eerste plaats de gave van Christus. De oorzakelijke invloed van de Eucharistie
op het ontstaan van de Kerk maakt ten slotte duidelijk dat niet alleen
chronologisch maar ook ontologisch zijn liefde, waarmee Hij ons “het eerst heeft
liefgehad”, er eerder was. Hij is in eeuwigheid degene die ons het eerst
liefheeft.
Eucharistie en kerkelijke communio
15. De Eucharistie is dus fundamenteel voor het zijn en handelen van de Kerk.
Daarom werd in de christelijke oudheid het Lichaam dat geboren werd uit de Maagd
Maria, het eucharistische Lichaam en het kerkelijke Lichaam van Christus met één
en hetzelfde begrip aangeduid: Corpus Christi. [34] Dit in de
overlevering veelvuldig voorkomende gegeven doet ons beter beseffen dat Christus
en zijn Kerk niet te scheiden zijn. Onze Heer Jezus heeft zich als offer voor
ons overgeleverd en door zijn gave effectief gewezen op het mysterie van de
Kerk. Het is typerend dat het tweede Eucharistisch Gebed in de epiclese na de
Consecratie de bede om de eenheid van de Kerk als volgt formuleert: “Zo delen
wij in het Lichaam en Bloed van Christus en wij smeken U dat wij door de Heilige
Geest worden vergaderd tot één enige kudde”. Deze formulering maakt duidelijk
dat de res van het eucharistisch sacrament de eenheid van de gelovigen in
de kerkelijke gemeenschap is. Zo toont zich de Eucharistie aan de basis van de
Kerk als mysterie van de Communio. [35]
Op de relatie tussen Eucharistie en Communio heeft de Dienaar Gods
Joannes Paulus II al gewezen in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia.
Hij noemde de gedachtenisviering van Christus “de hoogste sacramentele uiting van gemeenschap in de Kerk”. [36] De eenheid van
de Kerk toont zich concreet in de christelijke gemeenschappen en hernieuwt zich
in de eucharistische handeling, die ze verenigt en in particuliere kerken
onderscheidt, “in quibus et ex quibus una et unica Ecclesia catholica exsistit”. [37] Juist de realiteit van de ene Eucharistie, die in ieder bisdom rond de
eigen bisschop wordt gevierd, doet ons begrijpen dat de particuliere kerken zelf
in en ex Ecclesia bestaan. “De uniciteit en ondeelbaarheid van het
eucharistisch Lichaam des Heren sluit de uniciteit in van zijn mystieke Lichaam,
de ene en ondeelbare Kerk. Uit het Eucharistisch middelpunt volgt de
noodzakelijke openheid van iedere vierende gemeenschap, iedere particuliere
kerk: aangetrokken door de open armen van de Heer, wordt zij ingelijfd in zijn
unieke en ondeelbare Lichaam”. [38] Daarom bevindt bij de Eucharistieviering
iedere gelovige zich in zijn kerk, dat wil zeggen in de Kerk van
Christus. Uit dit eucharistisch perspectief, indien goed begrepen, volgt de
kerkelijke Communio als een van nature katholieke werkelijkheid. [39] Het
benadrukken van deze eucharistische basis van de kerkelijke gemeenschap kan ook
een effectieve bijdrage vormen voor oecumenische dialoog met de kerken en
kerkelijke gemeenschappen die geen volledige gemeenschap met de Stoel van Petrus
hebben. De Eucharistie schept namelijk objectief een sterke band van eenheid
tussen de katholieke Kerken en de orthodoxe Kerken, die het onvervalste en
volledige wezen van de Eucharistie hebben bewaard. Tegelijk kan de nadruk op het
kerkelijke karakter van de Eucharistie een gunstig element worden in de dialoog
met de gemeenschappen uit de Reformatie. [40]
Eucharistie en Sacramenten
De sacramentaliteit van de Kerk
16. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft in herinnering geroepen dat “de overige sacramenten, evenals alle kerkelijke bedieningen en apostolaatswerken,
samenhangen met de heilige Eucharistie en daarop gericht staan. Want in de
heilige Eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk
Christus zelf, ons Paaslam en het levend brood dat het door zijn Vlees in de
Heilige Geest tot leven gebrachte en tot leven wekkende leven schenkt aan de
mensen. Dezen worden aldus uitgenodigd en ertoe gebracht om zichzelf, hun arbeid
en al het geschapene samen met Hem op te dragen”. [41] Deze innige band van de
Eucharistie met alle andere sacramenten en met het christelijk leven wordt ten
diepste begrepen als men het mysterie van de Kerk zelf als sacrament beschouwt.
[42] Het Concilie heeft in dit verband bevestigd: “In Christus is de Kerk als
het ware het sacrament, dat wil zeggen het teken en het instrument, van de
innige vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht”.
[43] Als het “door de eenheid van de Vader, de Zoon en de heilige Geest [44]
verenigde volk” – zoals de heilige Cyprianus zegt – is zij het sacrament van de
trinitaire Communio.
Het feit dat de Kerk het “universele sacrament van het heil” [45] is, toont hoe
de sacramentele “economie’ uiteindelijk bepaalt op welke wijze Christus, de
enige Redder, door de Geest ons leven bereikt, tot in alle bijzondere
omstandigheden toe. De Kerk ontvangt en drukt zich tegelijk uit in de zeven
sacramenten, waardoor de genade van God concreet inwerkt op het leven van de
gelovigen, zodat het hele, door Christus verloste leven een godgevallige
eredienst wordt. Vanuit dit perspectief wil ik graag de aandacht vestigen op
enkele door de synodevaders naar voren gebrachte elementen, die ons zouden
kunnen helpen de verhouding van alle sacramenten tot het eucharistisch mysterie
te begrijpen.
I. Eucharistie en christelijke initiatie
Eucharistie, volheid van de christelijke initiatie
17. Als de Eucharistie werkelijk bron en hoogtepunt van het leven en de zending
van de Kerk is, volgt daar op de eerste plaats uit dat de weg van de
christelijke initiatie erop gericht is toegang te verschaffen tot dit sacrament.
Wij moeten ons, zoals de synodevaders zeiden, in dit verband afvragen of in onze
christelijke gemeenten de nauwe band tussen Doopsel, Vormsel en Eucharistie
voldoende wordt erkend. [46] Men mag namelijk nooit vergeten dat wij met het oog
op de Eucharistie gedoopt en gevormd zijn. Dat brengt de verplichting met zich
mee in de pastorale praktijk begrip te bevorderen voor de eenheid van het proces
van christelijke initiatie. Het sacrament van het Doopsel, waardoor wij aan
Christus gelijkvormig worden [47], opgenomen in de Kerk en kinderen van God, is
de toegangsdeur tot alle sacramenten. Daardoor worden wij in het ene Lichaam van
Christus (vgl. 1 Kor. 12,13), in het priesterlijk volk, ingelijfd. Toch is het
de deelname aan het eucharistisch Offer dat in ons tot voltooiing brengt wat ons
in het Doopsel is geschonken. Ook de gaven van de Geest worden geschonken voor
de opbouw van het Lichaam van Christus (vgl. 1 Kor. 12) en tot groter
evangelisch getuigenis in de wereld. [48] Daarom brengt de Allerheiligste
Eucharistie de Christelijke initiatie tot vervulling en vormt het middelpunt en
het doel van het totale sacramentele leven. [49]
De volgorde van de initiatiesacramenten
18. In dit verband is het nodig aandacht te besteden aan het thema van de
volgorde van de initiatiesacramenten. Op dit punt bestaan er in de Kerk
verschillende tradities. Deze verscheidenheid treedt aan de dag in de kerkelijke
gebruiken van het oosten [50] en zelfs in de westerse praktijk wat betreft de
initiatie van volwassenen [51] in vergelijking met die van kinderen [52]. Zulke
verschillen hebben echter geen dogmatische betekenis, doch zijn pastoraal van
aard. Concreet moet duidelijk worden welke praktijk de gelovige het best kan
helpen de Eucharistie in het middelpunt te stellen, als de werkelijkheid waarop
de gehele initiatie is gericht. De bisschoppenconferenties zouden in nauwe
samenwerking met de verantwoordelijke dicasteriën van de Romeinse Curie de
doeltreffendheid van de huidige benaderingen van de initiatie moeten
onderzoeken, opdat de gelovige door de vorming in onze parochies geholpen wordt,
in een steeds voortschrijdend rijpingsproces, te geraken tot een authentieke
eucharistische levensinstelling, om zo in staat te zijn op een in onze tijd
passende wijze verantwoording af te leggen aan iedereen die rekenschap vraagt
van de hoop die in ons leeft (vgl. 1 Petr. 3,15)
Initiatie, kerkelijke gemeenschap en gezin
19. Men moet steeds indachtig zijn dat de gehele christelijke initiatie een weg
van bekering is, die zich met de hulp van God en steeds in relatie met de
kerkelijke gemeenschap moet voltrekken. Dit geldt als volwassenen om opname in
de Kerk vragen, zoals dat gebeurt in missiegebieden maar ook in vele
geseculariseerde streken, en als ouders om de sacramenten voor hun kinderen
vragen. In dit verband wil ik vooral wijzen op de verhouding tussen de
christelijke initiatie en het gezin. In de pastoraal moet men het christelijk
gezin altijd betrekken bij de weg van de initiatie. Het ontvangen van het
Doopsel, het Vormsel en de eerste Heilige Communie zijn beslissende momenten,
niet alleen voor degene die het sacrament ontvangt, maar ook voor het hele
gezin, dat bij de taak van de opvoeding door de kerkelijke gemeenschap op alle
verschillende niveaus moet worden ondersteund. [53] Hier zou ik het belang van
de eerste Communie willen benadrukken. Veel gelovigen blijft deze dag terecht
bij als het eerste moment waarop zij, hoe aarzelend ook, de betekenis van de
persoonlijke ontmoeting met Jezus hebben bespeurd. De zielzorg in de parochie
moet van deze zo belangrijke gelegenheid op passende wijze gebruik maken.
II. Eucharistie en het sacrament van boete en verzoening
De diepe relatie tussen de twee
20. Terecht hebben de synodevaders verklaard dat de liefde tot de Eucharistie
leidt tot een groeiende waardering voor het sacrament van boete en verzoening.
[54] Op grond van de relatie tussen deze sacramenten kan een authentieke
catechese over de betekenis van de Eucharistie niet losgekoppeld worden van de
opwekking de weg van de boete te gaan (vgl. 1 Kor. 11,27-29). Zeker, we kunnen
vaststellen dat de gelovigen in onze tijd zijn ondergedompeld in een cultuur die
erop gericht is het zondebesef te doen verdwijnen [55], een cultuur die een
oppervlakkige houding bevordert, die de noodzaak in staat van genade te verkeren
om de Communie waardig te kunnen ontvangen doet vergeten. [56] Het verlies van
het zondebewustzijn brengt ook altijd een zekere oppervlakkigheid in het ervaren
van Gods liefde met zich mee. Het kan voor de gelovigen van groot nut zijn zich
de elementen voor de geest te halen die tijdens de ritus van de heilige Mis het
besef van de eigen zonde en tegelijkertijd de barmhartigheid van God
ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen. [57] Daarnaast herinnert de relatie
tussen Eucharistie en verzoening ons eraan dat de zonde nooit een uitsluitend
individuele aangelegenheid is. De zonde brengt ook altijd een verwonding in de
kerkelijke gemeenschap met zich mee, waarin wij door het Doopsel ingelijfd zijn.
Daarom is de verzoening, zoals de Kerkvaders zeiden, laboriosus quidam
baptismus [58], waarmee ze onderstreepten dat het resultaat van de weg van
de bekering ook het herstel van de volledige kerkelijke gemeenschap is, die tot
uitdrukking komt in het opnieuw ontvangen van de Eucharistie. [59]
Enkele pastorale aanwijzingen
21. De synode heeft eraan herinnerd dat het de pastorale opdracht van de
bisschop is in zijn bisdom vastberaden werk te maken van catechese die leidt tot
bekering op grond van de Eucharistie, en onder de gelovigen de veelvuldige
biecht te bevorderen. Alle priesters moeten zich grootmoedig, met toewijding en
kunde wijden aan het sacrament van boete en verzoening. [60] In dit verband moet
er ook op gelet worden dat de biechtstoelen in onze kerken goed zichtbaar zijn
en de betekenis van dit sacrament tot uitdrukking brengen. Ik vraag de herders
zorgvuldig toe te zien op de bediening van het sacrament van boete en verzoening
en de praktijk van de algemene absolutie uitsluitend te beperken tot de gevallen
waarin die uitdrukkelijk is toegestaan [61], daar alleen de persoonlijke biecht
de reglementaire vorm is. [62] Gegeven de noodzaak de sacramentele vergeving
opnieuw te ontdekken, moet er in ieder bisdom altijd een penitentiaris
zijn. [63] Ten slotte kan een evenwichtige en verdiepte praktijk van het voor
zichzelf of voor overledenen verdienen van een aflaat een waardevol
hulpmiddel zijn voor een hernieuwd besef van de relatie tussen Eucharistie en
verzoening. Met een aflaat verkrijgt men “van God kwijtschelding van tijdelijke
straf voor zonden die – wat de schuld betreft – al vergeven zijn”. [64] Het
gebruik maken van aflaten helpt ons te begrijpen dat wij, als wij alleen op onze
eigen krachten waren aangewezen, nooit in staat zouden zijn het begane kwaad
weer goed te maken en dat de zonden van ieder afzonderlijk de hele gemeenschap
schade toebrengen. Omdat de praktijk van de aflaten, behalve de leer van de
oneindige verdiensten van Christus, ook de verdiensten van de gemeenschap van de
heiligen insluit, verduidelijkt die ons bovendien “hoe nauw wij in Christus met
elkaar verenigd zijn en hoe zeer het bovennatuurlijke leven van ieder individu
van nut kan zijn voor de ander”. [65] Daar de voorwaarden om een aflaat te
verkrijgen ondermeer inhouden dat men het boetesacrament en de Communie
ontvangt, kan deze praktijk de gelovigen effectief ondersteunen op de weg van de
bekering en bij de ontdekking van de centrale positie van de Eucharistie in het
christelijk leven.
III. Eucharistie en ziekenzalving
22. Jezus heeft zijn leerlingen niet alleen uitgezonden om de zieken te genezen
(vgl. Mt. 10,8; Luc. 9,2; 10,9), maar Hij stelde voor hen ook een specifiek
sacrament in: de ziekenzalving. [66] De brief van Jakobus getuigt ervan dat deze
sacramentele handeling reeds in de jongste christengemeenschappen aanwezig was
(vgl. 5, 14-16). Als de Eucharistie aantoont hoe het lijden en de dood van
Christus in liefde worden veranderd, dan verenigt de ziekenzalving de lijdende
mens met de zelfgave van Christus tot heil van allen, zodat ook hij, in het
mysterie van de gemeenschap van de heiligen, deel kan hebben aan de verlossing
van de wereld. De band tussen deze twee sacramenten wordt vooral duidelijk als
de ziekte verergert: “De Kerk biedt de stervende naast de ziekenzalving de
Eucharistie als viaticum aan”. [67] Op de thuisreis naar de Vader wordt de
Communie met het Lichaam en Bloed van Christus tot het zaad van het eeuwig leven
en de kracht tot opstanding: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft
eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Joh. 6,54). Daar het
viaticum de zieke een glimp geeft van de volheid van het Paasmysterie, moet de
toediening ervan gegarandeerd worden. [68]) De toewijding en pastorale zorg
betoond aan de zieken, brengen zeker geestelijk profijt voor de hele gemeenschap
met zich mee. Zoals bekend hebben wij alles wat wij voor de geringsten hebben
gedaan, voor Jezus zelf gedaan (vgl. Mt. 25,40).
IV. Eucharistie en priesterwijding
In persona Christi capitis
23. De innerlijke band tussen Eucharistie en priesterwijding komt duidelijk naar
voren uit Jezus’ eigen woorden in de zaal van het Laatste Avondmaal: “Doe dit
tot een gedachtenis aan Mij” (Luc. 22,19). Jezus heeft op de avond voor zijn
dood de Eucharistie ingesteld en tegelijk het priesterschap van het Nieuwe
Verbond gevestigd. Hij is priester, offerlam en altaar: middelaar tussen God
de Vader en het volk (vgl. Hebr. 5,5-10), zoenoffer (vgl. 1 Joh. 2,2; 4,10), dat
zichzelf ten offer brengt op het altaar van het kruis. Niemand kan zeggen: “Dit
is mijn Lichaam” en “Dit is de kelk van het Nieuwe Verbond, mijn Bloed …”,
behalve in de Naam en in de Persoon van Christus, de enige hogepriester van het
nieuwe en altijddurende Verbond (vgl. Hebr. 8-9). De bisschoppensynode heeft
reeds in andere vergaderingen het thema van het ambtelijk priesterschap
behandeld, zowel met betrekking tot de identiteit van het dienstambt [69] als
met betrekking tot de vorming van de kandidaten [70]. Bij deze gelegenheid, in
het licht van de discussie die heeft plaats gevonden in de laatste
synodevergadering, voel ik mij geroepen enkele belangrijke punten in herinnering
te brengen wat betreft de verhouding tussen het sacrament van de Eucharistie en
de priesterwijding. Op de eerste plaats is het noodzakelijk te bevestigen dat de
band tussen de priesterwijding en de Eucharistie het duidelijkst zichtbaar wordt
in de viering van de Mis, waarbij de bisschop of de priester in de Persoon
van Christus als hoofd presideert .
Volgens de leer van de Kerk is de priesterwijding de absoluut noodzakelijke
voorwaarde voor de geldige viering van de Eucharistie. [71] Want “in het
kerkelijk dienstwerk van de gewijde bedienaar is Christus zelf bij zijn Kerk,
als hoofd van zijn Lichaam, herder van zijn kudde, hogepriester van het
verlossend offer”. [72] Natuurlijk “handelt de priester tevens in naam van heel
de Kerk, wanneer hij God het gebed van de Kerk aanbiedt en vooral wanneer hij
het Eucharistisch offer opdraagt”. [73] Daarom moeten priesters zich ervan
bewust zijn dat zij in hun dienstwerk nooit zichzelf of hun persoonlijke mening
in het middelpunt mogen plaatsen, doch alleen Jezus Christus. Iedere poging
zichzelf tot de centrale figuur van de liturgische handeling te maken is in
tegenspraak met het wezen van het priesterschap. De priester is in eerste
instantie dienaar en moet zich voortdurend inspannen een teken te zijn dat als
gewillig werktuig in de handen van Christus naar Hem verwijst. Dat komt in het
bijzonder tot uitdrukking in de deemoed waarmee hij in trouwe navolging van de
ritus leiding geeft aan de liturgische handeling, deze geheel volgt met hart en
geest en alles vermijdt wat de indruk zou kunnen wekken van een misplaatste
geldingsdrang. Daarom beveel ik de clerus aan zich steeds meer bewust te maken
van het feit dat de eigen Eucharistische dienst een deemoedige dienst voor
Christus en voor zijn Kerk is. Het priesterschap is – zoals de heilige
Augustinus zegt – amoris officium, [74], het is de dienst van de goede
Herder, die zijn leven geeft voor zijn schapen (vgl. Joh. 10,14-15).
Eucharistie en priesterlijk celibaat
24. De synodevaders hebben benadrukt dat het ambtelijk priesterschap door de
wijding een volkomen gelijkvormigheid met Christus vereist. Met alle eerbied
voor de afwijkende praktijk en traditie van de oosterse Kerken is het toch
noodzakelijk opnieuw de diepe zin te bevestigen van het priesterlijk celibaat,
dat terecht wordt beschouwd als een rijkdom van niet te schatten waarde; dat
wordt in de oosterse Kerk gestaafd door het feit dat de bisschoppen alleen
gekozen worden uit de celibatair levende priesters en het door vele priesters
vrijwillig gekozen celibaat in hoog aanzien staat. In deze keuze van de priester
komen namelijk op geheel eigen wijze tot uitdrukking zijn overgave, die hem
gelijkvormig maakt aan Christus, en zijn zelfopoffering uitsluitend omwille van
het Rijk Gods. [75] Het feit dat Christus, de eeuwige hogepriester, zelf zijn
zending tot aan het kruisoffer heeft volbracht in staat van maagdelijkheid,
biedt het zekere houvast om de betekenis van de traditie van de Latijnse Kerk in
deze kwestie te beseffen. Daarom is het niet genoeg het priesterlijk celibaat te
begrijpen vanuit een puur functioneel gezichtspunt. Het celibaat is in
werkelijkheid een bijzondere manier om Christus zelf in zijn levensstijl na te
volgen. Een zodanige keuze heeft bovenal het karakter van een bruiloft; het is
een vereenzelviging met het hart van Christus als Bruidegom, die zijn leven
geeft voor de bruid. In lijn met de grote kerkelijke traditie, met het Tweede
Vaticaans Concilie [76] en met mijn voorgangers in het Petrusambt [77] bevestig
ik opnieuw de schoonheid en de betekenis van een in celibaat beleefd
priesterleven als veelzeggend teken van de totale en exclusieve overgave aan
Christus, aan de Kerk en aan het Rijk Gods en ik bekrachtig derhalve het
verplichte karakter ervan voor de Latijnse traditie. Het in rijpheid, vreugde en
overgave beleefde priesterlijke celibaat is een zeer grote zegen voor de Kerk en
voor de samenleving zelf.
Priestertekort en roepingenpastoraal
25. Gegeven de band tussen wijding en Eucharistie is de synode nader ingegaan op
de verlegenheid waarin sommige bisdommen geraken als het erom gaat een oplossing
te vinden voor het priestertekort. Dat is niet alleen het geval in sommige
missiegebieden maar ook in veel landen met een lange christelijke traditie. Voor
een oplossing van het probleem is een rechtmatige verdeling van de clerus zeker
van groot nut. Er moet gewerkt worden aan een grondige bewustmaking op dit punt.
De bisschoppen moeten de instituten van godgewijd leven en de nieuwe kerkelijke
bewegingen, rekening houdend met ieders eigen charisma, betrekken bij de
pastorale behoefte en alle leden van de clerus aansporen tot een grotere
bereidheid de Kerk te dienen waar het nodig is, ook als dat offers vraagt. [78]
Ook werd er in de synode gesproken over pastorale maatregelen die genomen moeten
worden om vooral bij jongeren de innerlijke openheid ten opzichte van
priesterroeping te bevorderen. Deze situatie kan niet alleen door middel van
enkel pragmatische kunstgrepen worden opgelost. Vermeden moet worden dat
bisschoppen onder druk van heel begrijpelijke, reële zorgen wat betreft het
priestergebrek, onvoldoende nagaan of er sprake is van een echte roeping en
kandidaten die niet beschikken over de noodzakelijke eigenschappen voor het
priesterlijk dienstwerk toelaten tot de priesteropleiding en de wijding. [79]
Een slecht opgeleide clerus, zonder de noodzakelijke toetsing toegelaten tot de
wijding, kan nauwelijks het getuigenis geven dat in anderen de wens kan wekken
edelmoedig in te gaan op de roepstem van Christus. Het roepingenpastoraat moet
werkelijk de gehele christengemeenschap in alle sectoren bij zijn werk
betrekken. [80] Onderdeel van dit alomvattende pastorale werk is natuurlijk ook
het ontvankelijk maken van de gezinnen, die dikwijls onverschillig, zoniet zelfs
afwijzend, tegenover een priesterroeping staan. Zij moeten zich edelmoedig
openstellen voor het geschenk van het leven en de kinderen opvoeden tot
beschikbaarheid wat betreft de wil van God. Kort gezegd: vóór alles is de moed
nodig jongeren vertrouwd te maken met de radicaliteit van de navolging van
Christus, door hen de aantrekkingskracht daarvan te tonen.
Dankbaarheid en hoop
26. Ten slotte is het nodig met meer geloof en hoop te vertrouwen op Gods
initiatief. Ook als er in sommige gebieden sprake is van priestertekort, mag men
nooit het vaste vertrouwen verliezen dat Christus steeds weer mannen zal
inspireren om alles achter te laten en zich volledig te wijden aan het vieren
van de heilige mysteries, de prediking van het evangelie en de pastorale dienst.
Bij deze gelegenheid wil ik de dankbaarheid van de hele Kerk uitspreken ten
opzichte van alle bisschoppen en priesters die hun zending met trouwe overgave
en volledig engagement vervullen. Natuurlijk geldt de dank van de Kerk ook de
diakens “aan wie de handen worden opgelegd niet voor het priesterschap, maar voor het
dienstbetoon”. [81] Op aanbeveling van de synodevergadering richt ik een
speciaal woord van dank tot de Fidei-donum priesters, die in dienst van
de zending van de Kerk deskundig en met edelmoedige overgave de gemeenschap
opbouwen, door het Woord van God te verkondigen en het brood des levens te
breken, zonder hun krachten te sparen. [82] Men moet God danken voor de vele
priesters die hebben moeten lijden, tot aan het offer van hun eigen leven toe,
om Christus te dienen. In hen openbaart zich daadwerkelijk wat het betekent
geheel en al priester te zijn. Het gaat om aangrijpende getuigenissen die veel
jonge mensen zouden kunnen inspireren eveneens Christus na te volgen, hun leven
voor anderen te geven en juist zo het ware leven te vinden.
V. Eucharistie en huwelijk
De Eucharistie, een bruidssacrament
27. De Eucharistie, het sacrament van de liefde, heeft een bijzondere relatie
met de liefde tussen man en vrouw, die in het huwelijk verenigd zijn. Het is
juist in onze tijd noodzakelijk het verstaan van deze band te verdiepen [83]
Paus Joannes Paulus II heeft meermaals gesproken over het bruidskarakter van de
Eucharistie en de speciale relatie van de Eucharistie met het sacrament van het
huwelijk: “De Eucharistie is het sacrament van onze verlossing. Het is het
sacrament van de Bruidegom, van de Bruid” [84] Overigens “draagt heel het
christelijk leven het merkteken van de huwelijksliefde tussen Christus en de
Kerk. Reeds het Doopsel, intrede in het Volk van God, is een bruidsmysterie: het
is als het ware het waterbad voor het huwelijk dat aan het bruiloftsmaal, de
Eucharistie, voorafgaat” [85] De Eucharistie versterkt op onuitputtelijke wijze
de onontbindbare eenheid en liefde van ieder christelijk huwelijk. Door de
kracht van het sacrament is de huwelijksband innerlijk verbonden met de
Eucharistische eenheid tussen de Bruidegom Christus en zijn bruid, de Kerk (vgl.
Ef. 5, 31-32). De wederzijdse instemming die bruidegom en bruid in Christus
uitspreken en waarop hun levens- en liefdesgemeenschap gegrondvest is, heeft
eveneens een eucharistische dimensie. In de theologie van St. Paulus is de
echtelijke liefde inderdaad een sacramenteel teken van de liefde van Christus
voor zijn Kerk – een liefde die haar hoogtepunt bereikt aan het kruis, de
uitdrukking van zijn “bruiloft” met de mensheid en tegelijkertijd oorsprong en
middelpunt van de Eucharistie.
Daarom is de Kerk allen die hun gezin hebben gegrondvest op het sacrament van
het huwelijk op bijzondere wijze geestelijk nabij. [86] Het gezin – de huiskerk
[87] – is een zeer belangrijk domein van het kerkelijk leven, in het bijzonder
vanwege de beslissende rol met betrekking tot de christelijke opvoeding van de
kinderen. [88] In dit verband heeft de synode ook aanbevolen de unieke opgave
van de vrouw in het gezin en in de samenleving te erkennen – een opgave die
verdedigd, bewaard en bevorderd moet worden. [89] Het leven van echtgenote en
moeder is een absoluut noodzakelijke realiteit, die nooit afgewezen mag worden.
Eucharistie en de uniciteit van het huwelijk
28. Juist in het licht van deze innerlijke verbondenheid tussen het huwelijk,
het gezin en de Eucharistie kunnen we enkele pastorale problemen bezien. De
trouwe, onontbindbare en exclusieve band die Christus en de Kerk met elkaar
verbindt en die sacramenteel wordt uigedrukt in de Eucharistie, beantwoordt aan
het oorspronkelijke antropologisch gegeven dat de man zich definitief moet
binden aan één vrouw en omgekeerd (vgl. Gen. 2,24; Mt. 19,5). Met dit gegeven
voor ogen heeft de synode zich bezig gehouden met het thema van de pastorale
praktijk ten gunste van mensen die stammen uit culturen waar polygamie wordt
gepraktiseerd en aan wie dan het evangelie wordt verkondigd. Zulke mensen
moeten, als zij zich openstellen voor het christelijk geloof, geholpen worden
hun menselijke voornemen in de radicale nieuwheid van Christus te integreren.
Tijdens het catechumenaat komt Christus hen in hun bijzondere situatie tegemoet
en roept hen, met het oog op volkomen kerkelijke gemeenschap, langs de weg van
het noodzakelijke afstand doen tot de volle waarheid van de liefde. De Kerk
begeleidt hen met liefdevolle en milde doch tegelijkertijd vastberaden zielzorg
[90], bovenal door hen erop te wijzen in welk licht de christelijke mysteries de
menselijke natuur en de menselijke gevoelens laat stralen.
Eucharistie en onontbindbaarheid van het huwelijk
29. Als de Eucharistie de uitdrukking is van de onherroepelijkheid van Gods
liefde in Christus voor zijn Kerk, wordt begrijpelijk waarom deze met betrekking
tot het sacrament van het huwelijk de onontbindbaarheid insluit waar iedere
liefde onverbiddelijk naar hunkert. [91] Daarom is het meer dan gerechtvaardigd
dat de synode pastorale aandacht heeft gewijd aan de smartelijke situatie waarin
niet weinig gelovigen zich bevinden, die na een sacramenteel huwelijk zijn
gescheiden en een nieuwe verbintenis zijn aangegaan. Het gaat hier om een
netelig en gecompliceerd pastoraal probleem, een ware plaag van de huidige
samenleving, die in toenemende mate ook overslaat naar katholieke kringen. De
herders zijn uit liefde tot de waarheid verplicht zorgvuldig onderscheid te
maken tussen de verschillende situaties, om de betrokken gelovigen op passende
wijze geestelijk te helpen. [92] De bisschoppensynode heeft de op de heilige
Schrift (vgl. Mc. 10,2-12) gebaseerde praktijk van de Kerk om gescheiden mensen
die hertrouwd zijn niet toe te laten tot de sacramenten bevestigd, omdat hun
levensstaat objectief in tegenspraak is met de liefdevolle eenheid tussen
Christus en zijn Kerk, die in de Eucharistie betekend en verwezenlijkt wordt.
Mensen die gescheiden en hertrouwd zijn blijven echter ondanks hun situatie tot
de Kerk behoren, die hen niet loslaat en speciale aandacht voor hen heeft, met
de wens dat zij zo veel mogelijk een christelijk leven leiden, door deelname aan
de heilige Mis, echter zonder de Communie te ontvangen, vertrouwvolle gesprekken
met een priester of een geestelijk leidsman, met toewijding beoefende
naastenliefde, werken van boetvaardigheid en inzet voor de opvoeding van de
kinderen.
Waar gerechtvaardigde twijfel bestaat aangaande de geldigheid van het
sacramenteel gesloten huwelijk, moet het noodzakelijke ondernomen worden om de
zaak te onderzoeken. Bovendien is het noodzakelijk, met volledige inachtneming
van het canoniek recht [93], de beschikbaarheid van kerkelijke rechtbanken in
het betreffende gebied, hun pastorale karakter alsook de correcte en snelle
afhandeling van zaken te garanderen. [94] Voor een vlotte werkwijze van de
kerkelijke rechtbanken heeft ieder bisdom behoefte aan een voldoende aantal
personen met de passende opleiding. Ik roep in herinnering dat het “een
nadrukkelijke plicht is de institutionele activiteit van de Kerk in de
rechtbanken steeds dichter bij de gelovigen te brengen”. [95] Absoluut moet
echter worden vermeden dat de pastorale zorg ten onrechte wordt gezien als
tegengesteld aan het recht. Er moet veel eerder uitgegaan worden van de premisse
dat het fundamentele raakpunt tussen recht en pastoraal de liefde tot de
waarheid is: de waarheid is namelijk nooit abstract, doch zij “voegt zich in
de menselijke en christelijke weg van iedere gelovige in”. [96] Waar
uiteindelijk het huwelijk niet nietig wordt verklaard en er objectieve
omstandigheden zijn waardoor er geen einde gemaakt kan worden aan het
samenleven, moedigt de Kerk de betrokken gelovigen aan hun verhouding in
overeenstemming met Gods gebod te beleven als vrienden, als broer en zus. Dan
kunnen zij – met inachtneming van de gevestigde kerkelijke praktijk – weer
deelnemen aan de eucharistische maaltijd. Wil een dergelijke weg mogelijk en
vruchtbaar zijn, dan moet die door de hulp van zielzorgers en door passende
kerkelijke initiatieven ondersteund worden, waarbij in ieder geval vermeden moet
worden dat deze verbintenissen worden gezegend, opdat de gelovigen niet in
verwarring raken wat betreft de waarde van het huwelijk. [97]
Gegeven de complexiteit van de culturele context waarmee de Kerk in veel landen
wordt geconfronteerd, heeft de synode bovendien aanbevolen bij de voorbereiding
van bruidsparen en bij het voorafgaande onderzoek naar hun opvattingen over de
voor de geldigheid van het huwelijkssacrament essentiële verplichtingen, de
grootst mogelijke pastorale zorgvuldigheid in acht te nemen. Door een serieuze
opheldering op dit punt kan worden voorkomen dat impulsieve beslissingen of
oppervlakkige redenen jonge mensen ertoe brengen verantwoordelijkheden op zich
te nemen waaraan ze later niet kunnen voldoen. [98] Het goede dat de Kerk en de
hele samenleving verwachten van het huwelijk en van het daarop gegrondveste
gezin is zo groot dat de pastorale inspanning hier wel tot het uiterste moet
gaan. Huwelijk en gezin zijn instellingen die bevorderd en tegen ieder
misverstand aangaande hun fundamentele waarde verdedigd moeten worden, want
iedere schade die eraan wordt toegebracht betekent letsel voor de hele
menselijke samenleving.
Eucharistie en eschatologie
Eucharistie: gave voor de mens onderweg
30. Als het waar is dat de sacramenten een realiteit zijn die toebehoort aan de
Kerk, die in de tijd pelgrimeert [99] en die de volledige openbaring van de
overwinning van de verrezen Christus tegemoet gaat, dan is het ook waar dat ze ons – en in het bijzonder de
eucharistische liturgie – een voorsmaak verleent van de eschatologische
vervulling waarnaar iedere mens en de gehele schepping onderweg is (vgl. Rom. 8,
19 ev.) De mens is geschapen voor het waarachtige en eeuwige geluk dat alleen de
liefde van God kan schenken. Maar onze gewonde vrijheid zou de verkeerde weg
opgaan als het niet mogelijk zou zijn nu al iets van de toekomstige vervulling
te ervaren. Overigens moet iedere mens, om in de goede richting te kunnen gaan,
op het einddoel worden gericht. Dat einddoel is werkelijk Christus de Heer zelf,
de overwinnaar op zonde en dood, die voor ons op bijzondere wijze aanwezig komt
in de Eucharistieviering. Zo hebben wij, ofschoon nog “vreemdelingen en
ballingen” (1 Petr. 2,11) in deze wereld, in het geloof reeds deel aan de
volheid van het verrezen leven. De eucharistische maaltijd komt, door het
openbaren van zijn sterk eschatologische dimensie, onze vrijheid, die nog
onderweg is, te hulp.
De eschatologische maaltijd
31. Als wij over dit geheim nadenken, kunnen we zeggen dat Jezus met zijn komst
tegemoet gekomen is aan de verwachting die in het volk van Israël, in de gehele
mensheid en eigenlijk zelfs in de schepping aanwezig is. Met zijn zelfgave heeft
Hij objectief het eschatologische tijdperk ingeluid. Christus is gekomen om de
verstrooide kinderen van God samen te brengen (vgl. Joh. 11,52) en heeft
duidelijk gemaakt dat het zijn bedoeling was de gemeenschap van het Verbond te
verzamelen om de beloften van God aan de vaderen te vervullen (vgl. Jer. 23,3;
31,10; Luc. 1,55.70). In de roeping van de Twaalf – een verwijzing naar de
twaalf stammen van Israël – en in de opgave zijn gedachtenis te vieren, hun bij
het Laatste Avondmaal voor zijn verlossend lijden toevertrouwd, heeft Jezus
getoond dat Hij de opdracht om in de geschiedenis teken en werktuig te zijn van
de in Hem begonnen eschatologische verzameling, aan de gehele door Hem gestichte
gemeenschap wilde overdragen. Daarom verwezenlijkt zich, op sacramentele wijze,
in iedere Eucharistieviering de eschatologische samenkomst van het Godsvolk. De
eucharistische maaltijd is voor ons werkelijk een vooruitlopende deelname aan
het definitieve feestmaal, dat door de profeten is aangekondigd (vgl. Jes. 25,
6-9) en in het Nieuwe Testament beschreven wordt als het “Bruiloftsmaal van het
Lam” (vgl. Apok. 19, 7-9), te vieren in de vreugde van de gemeenschap der
heiligen. [100]
Het gebed voor de overledenen
32. De Eucharistieviering, waarin wij de dood des Heren verkondigen en, tot Hij
wederkeert, belijden dat Hij verrezen is, is een onderpand van de toekomstige
heerlijkheid, waarin ook ons lichaam verheerlijkt zal zijn. Het vieren van de
gedachtenis van ons heil versterkt in ons de hoop op de verrijzenis van het
lichaam en op de mogelijkheid degenen die ons zijn voorgegaan, getekend met het
geloof, weer van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten. In deze context wil ik,
samen met de synodevaders, alle gelovigen herinneren aan het belang van gebed en
in het bijzonder het opdragen van het Misoffer voor de doden, opdat zij
gelouterd tot de gelukzalige aanschouwing van God kunnen komen. [101] Als wij de
eschatologische dimensie herontdekken die inherent is aan de gevierde en
aanbeden Eucharistie, worden wij op onze weg gesteund en getroost in de hoop op
de heerlijkheid (vgl. Rom. 5,2; Tit. 2,13).
De Eucharistie en de Maagd Maria
33. Uit de verhouding tussen de Eucharistie en de afzonderlijke sacramenten en
uit de eschatologische betekenis van de mysteries komt het profiel van het
christelijk bestaan in zijn geheel naar voren – een bestaan dat geroepen is te
allen tijde dienst aan God te zijn, een offer van zelfgave dat God welgevallig
is. En ook al zijn wij allen nog onderweg naar de volledige vervulling van onze
hoop, dat betekent niet dat wij niet nu al dankbaar kunnen erkennen dat alles
wat God ons geschonken heeft in de Maagd Maria, de Moeder van God en onze
Moeder, al volkomen verwerkelijkt is: haar opneming in de hemel met lichaam en
ziel is voor ons een teken van vaste hoop, want het toont ons op onze
pelgrimstocht door de tijd het eschatologische doel, waarvan het sacrament van
de Eucharistie ons al een voorsmaak geeft.
In de heilige Maagd zien wij ook de gehele vervulling van de sacramentele wijze
waarop God het schepsel ‘mens’ bereikt en bij zijn heilswerk betrekt. Van de
aankondiging des Heren tot aan het Pinkstergebeuren verschijnt Maria van Nazaret
als de persoon wier vrijheid zich geheel en al aanpast aan de wil van God. Haar
onbevlekte ontvangenis openbaart zich juist in de onvoorwaardelijke
beschikbaarheid voor het goddelijk Woord. Op ieder moment wordt haar leven
gevormd door een gehoorzaam geloven met betrekking tot het handelen van God. Als
de luisterende Maagd leeft ze in volkomen harmonie met de goddelijke wil; de
woorden die van God tot haar komen bewaart zij in haar hart, en door ze als een
mozaïek samen te voegen, leert zij ze dieper verstaan (vgl. Luc. 2,19.51). Maria
is de grote gelovige, die zich vertrouwvol in Gods handen plaatst en zich
overgeeft aan zijn wil. [102] Dit mysterie verdiept zich tot volledige
betrokkenheid bij Jezus’ verlossingswerk. Zoals het Tweede Vaticaans Concilie
verklaart heeft, is “ook de heilige Maagd op de pelgrimstocht van het geloof voortgegaan en de
vereniging met haar Zoon heeft zij standvastig volgehouden tot onder het kruis.
Daar stond zij niet zonder Gods beschikking (vgl.
Joh.
19,25), daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene meegeleden en zich
met haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol toestemmend in de
slachting van het offerlam dat uit haar was geboren. Uiteindelijk werd zij door
dezelfde Christus Jezus, stervend op het kruis, als moeder aan de leerling
gegeven met deze woorden: “Vrouw, ziedaar uw zoon”. [103] Van de boodschap van
de engel tot aan het kruis is Maria degene die het Woord opneemt – het Woord dat
in haar het vlees aanneemt en ten slotte verstomt in het zwijgen van de dood.
Uiteindelijk is zij het die het levenloze, geofferde lichaam in haar armen neemt
van Hem die de Zijnen werkelijk “ten einde toe” (Joh. 13,10 heeft liefgehad.
Daarom keren wij ons iedere keer als wij in de Eucharistieviering het Lichaam en
het Bloed van Christus ontvangen ook tot haar, die met volle instemming het
offer van Christus voor de hele Kerk heeft aangenomen. Terecht hebben de
synodevaders bevestigd dat “Maria de deelname van de Kerk aan het offer van de
Verlosser opent”. [104] Zij is de onbevlekte die de gave van God
onvoorwaardelijk aanneemt en op deze wijze deel krijgt aan het verlossingswerk.
Maria van Nazaret, icoon van de wordende Kerk, is het voorbeeld hoe ieder van
ons het geschenk, dat Jezus zelf in de Eucharistie is, moet ontvangen.
DEEL II
EUCHARISTIE, MYSTERIE DAT MEN VIERT
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel;
het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven”.
(Joh. 6,32)
Lex orandi en lex credendi
34. De bisschoppensynode heeft veel nagedacht over de innerlijke verhouding
tussen het eucharistisch geloof en de liturgische viering. Zij heeft daarbij de
verbinding van de lex orandi en de lex credendi op de voorgrond
geplaatst en de prioriteit van de handeling benadrukt. Men moet de
Eucharistie beleven als authentiek gevierd geloofsmysterie, in het duidelijke
bewustzijn dat “de intellectus fidei een onvervalste band heeft met de
liturgische handeling van de Kerk”. [105] Op dit gebied kan de theologische
reflectie nooit de sacramentele orde, die door Christus zelf is ingesteld,
buiten beschouwing laten. Anderzijds kan de liturgische handeling nooit algemeen
beschouwd worden, onafhankelijk van het geloofsmysterie. De bron van ons geloof
en van de eucharistische liturgie is immers één en dezelfde gebeurtenis:
Christus’ zelfgave in het Paasmysterie.
Schoonheid en liturgie
35. De relatie tussen het mysterie dat geloofd wordt en het mysterie dat gevierd
wordt, wordt op bijzondere wijze duidelijk in de theologische en liturgische
waarde van de schoonheid. De liturgie heeft namelijk, zoals trouwens ook de
christelijke openbaring, een innerlijke band met de schoonheid: zij is
veritatis splendor. In de liturgie licht het Paasmysterie op, waardoor
Christus zelf ons naar zich toetrekt en ons tot gemeenschap roept. In Jezus
aanschouwen wij – zoals de heilige Bonaventura placht te zeggen – de schoonheid
en de glans van het begin. [106] Dit kenmerk waarop wij ons beroepen is niet
alleen maar estheticisme, doch een manier waarop de waarheid van Gods liefde in
Christus ons bereikt, ons fascineert, ons begeestert en zo bewerkt dat wij
buiten onszelf treden en getrokken worden tot onze ware roeping, tot de liefde.
[107] Reeds in de schepping laat God zich vermoeden in de schoonheid en de
harmonie van de kosmos (vgl. Wijsh. 13,5; Rom. 1,19-20). In het Oude Testament
vinden we grootse tekenen van de glorie van Gods macht, die zich met zijn
heerlijkheid openbaart door de wonderen die Hij bij het uitverkoren volk laat
gebeuren (vgl. Ex. 14; 16,10; 24,12-18; Num. 14,20-23). In het Nieuwe Testament
vindt deze openbaring van de schoonheid haar definitieve vervulling in Gods
zelfopenbaring in Jezus Christus [108]: Hij is de volledige openbaring van de
goddelijke heerlijkheid. In de verheerlijking van de Zoon licht de heerlijkheid
van de Vader op en deelt zich mee (vgl. Joh. 1,14; 8,54; 12,28; 17,1). Deze
schoonheid is echter niet alleen maar een harmonie van vormen; de mens “aan wie
niemand gelijk is in edele gestalte” (Ps. 45 [44], 3) is op mysterieuze wijze
ook degene van wie wordt gezegd: “zijn uiterlijk noch schoonheid waren het bekijken waard, hij was geen
verschijning, die bewondering wekt” (Jes. 53,2). Jezus Christus toont ons hoe de
waarheid van de liefde ook het duistere mysterie van de dood in het stralende
licht van de verrijzenis kan omvormen. Hier overstijgt de glans van Gods
heerlijkheid alle binnenwereldlijke schoonheid. De ware schoonheid is Gods
liefde, die ons definitief geopenbaard is in het Paasmysterie.
De schoonheid van de liturgie vormt deel van dit mysterie; zij is de hoogste
uitdrukking van Gods heerlijkheid en ergens een doorbreken van de hemel op
aarde. De gedachtenisviering van het offer van verzoening draagt de trekken van
Jezus’ schoonheid in zich, die Petrus, Jakobus en Johannes aanschouwd hebben,
toen de Meester op weg naar Jeruzalem voor hun ogen verheerlijkt werd (vgl. Mc.
9,2). Schoonheid is dan ook geen decoratief element van de liturgische
handeling, maar veel eerder een constitutief element, daar schoonheid een
eigenschap van God zelf en van zijn openbaring is. Dat alles moet ons doen
beseffen hoe zorgvuldig erop gelet dient te worden dat de liturgische handeling
het wezen ervan doet schitteren.
De Eucharistieviering, een werk van “Christus totus”
Christus totus in capite et in corpore
36. Het eigenlijke onderwerp van de innerlijke schoonheid van de liturgie is de
verrezen en in de heilige Geest verheerlijkte Christus, die de Kerk in zijn
handelen insluit. [109] In dit verband kunnen wij onder de indruk geraken als
wij ons de woorden in herinnering roepen van de heilige Augustinus, waarin hij
op doeltreffende wijze de dynamiek van het geloof beschrijft, die eigen is aan
de Eucharistie. De grote heilige van Hippo benadrukt juist met betrekking tot
het eucharistisch mysterie hoe Christus zelf ons in zich opneemt: “Het brood dat
u op het altaar ziet is, geheiligd door het Woord van God, het Lichaam van
Christus. De kelk, of liever gezegd wat de kelk bevat, is, geheiligd door het
Woord van God, het Bloed van Christus. Met deze tekenen wilde Christus, de Heer,
ons zijn Lichaam toevertrouwen, evenals zijn Bloed dat Hij voor ons tot
vergeving van de zonden vergoten heeft. Als u beide op de juiste wijze ontvangen
hebt, bent u zelf wat u ontvangen hebt”. [110] Daarom “zijn wij niet alleen
christenen geworden, maar wij zijn Christus zelf geworden”. [111] Van hieruit
kunnen wij het mysterievolle handelen van God bezien, dat leidt tot diepe
eenheid tussen ons en Jezus, de Heer: “Men moet namelijk niet geloven dat
Christus in het hoofd is, zonder ook in het lichaam te zijn: Hij is geheel en al
in het hoofd en in het lichaam”. [112]
Eucharistie en de verrezen Christus
37. Daar de eucharistische liturgie wezenlijk actio Dei is, die ons door
de heilige Geest in Jezus binnen trekt, kunnen wij niet eigenmachtig beschikken
over de fundamentele structuur ervan en mag die niet onder druk worden gezet
door wat toevallig op zeker moment in de mode is. Ook hier geldt de
onherroepelijke uitspraak van de heilige Paulus: “Niemand kan een ander
fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus” (1 Kor. 3,11).
En het is opnieuw de Apostel van de heidenen die ons met betrekking tot de
Eucharistie verzekert dat hij ons geen door hemzelf ontwikkelde leer overlevert,
maar wat hij zelf ontvangen heeft (vgl. 1 Kor. 11,23). De viering van de
Eucharistie sluit namelijk de levende overlevering in. De Kerk viert het
eucharistisch offer in gehoorzaamheid aan de opdracht van Christus, op grond van
de ontmoeting met de verrezen Heer en de uitstorting van de heilige Geest. Op
grond hiervan komt de christelijke gemeenschap vanaf het begin op de dag des
Heren samen voor de fractio panis. De dag waarop Christus uit de dood is
opgestaan, de zondag, is ook de eerste dag van de week, de dag die volgens de
overlevering van het Oude Testament het begin van de schepping zag. De dag van
de schepping is nu de dag van de “nieuwe schepping” geworden, de dag van onze
bevrijding, waarop wij de gestorven en verrezen Christus gedenken. [113]
Ars celebrandi
38. Tijdens de synode is meermalen nadrukkelijk gewezen op de noodzaak iedere
mogelijke scheiding tussen de ars celebrandi, dat wil zeggen de kunst van
het correct celebreren, en de volledige, actieve en vruchtbare deelname van alle
gelovigen te overbruggen. In feite is de beste manier om de deelname van het
godsvolk aan de sacrale ritus te bevorderen, het correct vieren van de ritus
zelf. De ars celebrandi is de beste voorwaarde voor de actuosa
participatio. [114] De ars celebrandi volgt uit de trouwe en
volledige naleving van de liturgische normen, want het is juist deze wijze van
vieren die sinds tweeduizend jaar het geloofsleven van alle gelovigen
garandeert, de gelovigen die geroepen zijn de viering als volk van God, als
koninklijk priesterschap, als heilige natie te beleven (vgl. 1 Petr. 2,4-5.9).
[115]
De bisschop, liturg bij uitstek
39. Ook al neemt het gehele volk van God deel aan de eucharistische liturgie,
toch hebben zij die het sacrament van de wijding hebben ontvangen met betrekking
tot de juiste ars celebrandi een absolute verantwoordelijkheid in deze.
Bisschoppen, priesters en diakens moeten, ieder naar hun wijdingsgraad, de
viering van de liturgie als hun eerste taak beschouwen. [116] Dat geldt op de
eerste plaats voor de diocesane bisschop. Hij is “de eerste bedienaar van Gods
mysteries in de particuliere Kerk die hem is toevertrouwd, hij is immers de
leider, bevorderaar en behoeder van geheel het liturgische leven”. [117] Dat
alles is beslissend voor het leven van de particuliere Kerk, niet alleen omdat
de gemeenschap met de bisschop de voorwaarde is voor de geldigheid van iedere
viering in zijn gebied, maar ook omdat hij de celebrant bij uitstek in zijn Kerk
is. [118] Het is zijn plicht de harmonische eenheid van de vieringen in zijn
bisdom te bewaren. Daarom is het “zijn taak erop te letten dat de priesters,
diakens en lekengelovigen de werkelijke betekenis van de riten steeds dieper
verstaan en zo komen tot een actieve en vruchtbare viering van de Eucharistie”.
[119] In het bijzonder roep ik ertoe op al het nodige te doen om bij de door de
bisschop gevierde plechtigheden in de kathedrale kerk, de ars celebrandi
volledig in acht te nemen, zodat deze als voorbeeld voor alle kerken in het
bisdom beschouwd kunnen worden. [120]
Eerbied voor de liturgische boeken en de rijkdom van de tekenen
40. Uit de benadrukking van het belang van de ars celebrandi volgt tevens
duidelijk de betekenis van de liturgische voorschriften. [121] De ars
celebrandi moet het gevoel voor het heilige bevorderen en zich bedienen van
uiterlijke vormen die dit gevoel cultiveren, bijvoorbeeld de harmonie van de
ritus, de liturgische gewaden, de inrichting en het priesterkoor. Daar waar de
priesters en degenen die voor de liturgische pastoraal verantwoordelijk zijn
zich ervoor inzetten de goedgekeurde liturgische boeken en de overeenkomstige
voorschriften bekend te maken en de grote rijkdom van het Algemeen Statuut
van het Romeins Missaal en De ordening voor de lezingen van de Mis
onderstrepen, komt dat de Eucharistieviering ten goede. Waarschijnlijk wordt
ervan uitgegaan dat men in de kerkelijke gemeenschappen deze geschriften kent en
waardeert, maar dat is dikwijls ten onrechte. In feite zijn het teksten die
schatten bevatten, waardoor het geloof en de weg van het godsvolk in de
tweeduizend jaar van zijn geschiedenis bewaard en tot uitdrukking gebracht
worden. Even belangrijk voor een juiste ars celebrandi is aandacht voor
alle uitdrukkingsvormen waarin de liturgie voorziet: woord en gezang, gebaren en
zwijgen, lichaamshouding, de liturgische kleuren van de paramenten. De liturgie
bezit van nature een heel register van communicatievormen, dat het mogelijk
maakt de hele mens bij de liturgie te betrekken. De eenvoud van de gebaren en de
soberheid van de aangegeven volgorde van de tekenen, ieder op hun eigen moment,
brengen meer tot stand en maken mensen meer betrokken dan gekunstelde,
misplaatste toevoegingen. Eerbied voor en gehoorzaamheid aan de eigen structuur
van de ritus geven uitdrukking aan de erkenning dat de Eucharistie een geschenk
is en openbaren tegelijk de wil van de priester in deemoed en dankbaarheid de
onbeschrijfelijke gave te aanvaarden.
Kunst in dienst van de viering
41. De nauwe band tussen schoonheid en liturgie moet ons ertoe aanzetten
zorgvuldig aandacht te besteden aan alle kunstwerken die in dienst staan van de
viering [122] Een belangrijke component van de sacrale kunst is natuurlijk de
architectuur van de kerk [123] waarin de eenheid van de bijzondere elementen
van het priesterkoor – altaar, kruisbeeld, tabernakel, ambo en zetel – benadrukt
moet worden. In verband hiermee moet men er rekening mee houden dat het doel van
de sacrale architectuur erin bestaat de Kerk, die de geloofsmysteries – en in
het bijzonder de Eucharistie – viert, de meest geschikte ruimte te bieden voor
het passende verloop van de liturgische handeling. [124] Het wezen van een
christelijk godshuis wordt namelijk bepaald door de liturgische handeling zelf,
het samenkomen van de gelovigen (ecclesia), die de levende stenen van de
tempel zijn (vgl. 1 Petr. 2,5).
Hetzelfde principe geldt voor alle sacrale kunst, in het bijzonder voor
schilderkunst en beeldhouwkunst, waarbij de religieuze iconografie zich moet
richten naar de sacramentele mystagogie. Een goede kennis van de vormen die de
sacrale kunst in de loop der eeuwen heeft voortgebracht, kan van groot nut zijn
voor hen die verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van opdrachten aan
architecten en kunstenaars wat betreft kunstwerken die verbonden zijn met de
liturgische handeling. Daarom is het essentieel dat kunstgeschiedenis een
belangrijk vak is bij de opleiding van seminaristen en priesters, met bijzondere
aandacht voor kerkgebouwen in het licht van de liturgische voorschriften. Het
is, kortom, noodzakelijk dat bij alles wat met de Eucharistie te maken heeft
sprake is van goede smaak en gevoel voor schoonheid. Eerbied en zorg verdienen
ook de paramenten, het kerkelijk meubilair en het heilig vaatwerk, zodat deze,
organisch met elkaar verbonden en op elkaar afgestemd, de verwondering ten
opzichte van het mysterie van God levend houden, de eenheid van het geloof
verduidelijken en de devotie versterken. [125]
Het liturgisch gezang
42. Het liturgisch gezang neemt in de ars celebrandi een belangrijke
plaats in. [126] Terecht benadrukt de heilige Augustinus in een van zijn
beroemde preken: “De nieuwe mens weet wat het nieuwe lied is. Zingen is een
uiting van vreugde en – als wij er goed over nadenken – een uiting van liefde”.
[127] Het Godsvolk dat samengekomen is om te vieren zingt Gods lof. De Kerk
heeft in haar tweeduizendjarige geschiedenis muziek en zang voortgebracht – en
doet dat nog steeds – die een erfenis van geloof en liefde vormen, die nooit
verloren mag gaan. In de liturgie kunnen wij werkelijk niet zeggen dat alle
gezangen even goed zijn. Hier moet de oppervlakkige improvisatie of het invoeren
van muzikale genres die geen rekening houden met de betekenis van de liturgie
vermeden worden. Als element van de liturgie moet het gezang zich invoegen in de
bijzondere vorm van de viering. [128] Daarom moet alles – de tekst, de melodie
en de uitvoering – overeenstemmen met de betekenis van het gevierde mysterie,
met de onderdelen van de ritus en met de liturgische tijden. [129] Ten slotte –
hoewel ik de verschillende richtingen en zeer prijzenswaardige tradities
eerbiedig – is het mijn wens dat, in overeenstemming met het verzoek van de
synodevaders, recht wordt gedaan aan de Gregoriaanse zang [130], daar deze in
wezen de zang van de Romeinse liturgie is. [131]
De structuur van de Eucharistieviering
43. Na de belangrijkste elementen van de ars celebrandi te hebben
genoemd, wil ik nadrukkelijk de aandacht vestigen op enkele aspecten van de
structuur van de Eucharistieviering, waar wij in onze tijd bijzonder opmerkzaam
op moeten zijn. Het doel hiervan is trouw te blijven aan de onderliggende
doelstelling van de door het Tweede Vaticaans Concilie op gang gebrachte
liturgische vernieuwing in continuïteit met de gehele kerkelijke overlevering.
De innerlijke eenheid van de liturgische handeling
44. Allereerst is het noodzakelijk na te denken over de innerlijke eenheid van
de ritus van de heilige Mis. Zowel in de catechese als ook in de wijze van
vieren moet worden vermeden dat de indruk wordt gewekt van twee naast elkaar
bestaande delen. De woorddienst en de eucharistische liturgie zijn – naast de
openingsriten en de slotriten – “zó nauw met elkaar verbonden dat ze één daad
van eredienst uitmaken”. [132] Er is inderdaad een nauwe band tussen het Woord
van God en de Eucharistie. Bij het horen van het Woord van God ontstaat het
geloof of wordt het versterkt (vgl. Rom. 10,17); in de Eucharistie schenkt het
mensgeworden Woord zich aan ons als geestelijke spijs. [133] Zo “ontvangt de
Kerk het brood des levens van de twee tafels van het Woord van God en van het
Lichaam van Christus en biedt het de gelovigen aan”. [134] Daarom moet men
steeds voor ogen houden dat het Woord van God, gelezen en verkondigd in de
liturgie, naar de Eucharistie als zijn wezenlijk doel voert.
De Woorddienst
45. In eenheid met de synode vraag ik dat de Woorddienst altijd op passende
wijze wordt voorbereid en beleefd. Daarom beveel ik dringend aan er grote zorg
voor te dragen dat in de liturgie het Woord van God wordt verkondigd door goed
voorbereide lectoren. Laten wij nooit vergeten dat “wanneer in de Kerk de
heilige Schrift gelezen wordt, God zelf tot zijn volk spreekt en Christus, die
aanwezig is in zijn Woord, het evangelie verkondigt”. [135] Als de
omstandigheden zich ervoor lenen, kan men denken aan enkele inleidende woorden
om de gelovigen te helpen dit weer te beseffen. Om het Woord van God goed te
begrijpen, moet men het aanhoren en opnemen in de geest van de Kerk en in het
bewustzijn van de eenheid van het Woord met het sacrament van de Eucharistie.
Het Woord dat wij verkondigen en aanhoren is immers het mensgeworden Woord (vgl.
Joh. 1,14); het is onlosmakelijk verbonden met de Persoon van Christus en met de
sacramentele wijze waarop Hij onder ons tegenwoordig blijft. Christus spreekt
niet in het verleden, maar in ons heden, net zoals Hij aanwezig is in de
liturgische handeling. In deze sacramentele visie op de christelijke openbaring
[136] stellen de kennis en de studie van het Woord van God ons in de gelegenheid
de Eucharistie beter te waarderen, te vieren en te ervaren. Ook hier blijkt weer
de volle waarheid van de stelling dat “wie de Schrift niet kent, Christus niet
kent”. [137]
Hiertoe is het noodzakelijk dat de gelovige door pastorale initiatieven,
woorddiensten en geestelijke lezing (lectio divina) geholpen wordt de
rijkdom te waarderen van de heilige Schrift, die in het lectionarium voorhanden
is. Daarenboven mag men niet vergeten de door de traditie bevestigde
gebedsvormen te bevorderen: het getijdengebed – bovenal de lauden, de vespers en
de completen – evenals de vigilievieringen. Het psalmgebed, de Schriftlezingen
en de teksten uit de grote traditie die worden aangereikt in de lezingendienst
van het brevier kunnen leiden tot een verdiepte ervaring van het
Christusgebeuren en de heilseconomie, die dan weer het begrip en de innerlijke
deelname aan de Eucharistieviering kan verrijken. [138]
De homilie
46. Gegeven het belang van het Woord van God, is het noodzakelijk de kwaliteit
van de homilie te verbeteren. Deze is immers “een deel van de liturgische
handeling” [139] en is bedoeld om het begrip en de doeltreffendheid van het
Woord van God in het leven van de gelovigen te bevorderen. Daarom moeten
priesters “de preek zorgvuldig voorbereiden, waarbij ze moeten kunnen steunen op
een adequate kennis van de heilige Schrift”. [140] Oppervlakkige, algemene dan
wel abstracte preken dienen vermeden te worden. Ik vraag de predikanten in het
bijzonder ervoor te zorgen dat de homilie het verkondigde Woord van God zo nauw
mogelijk in verband brengt met de sacramentele viering [141] en met het leven
van de gemeenschap, zodat het Woord van God werkelijk het “steunpunt en de
levenskracht” van de Kerk is. [142] Daarom moet men het catechetische en
bemoedigende doel van de homilie in het oog houden. Het lijkt passend de
gelovigen in de loop van het liturgisch jaar – uitgaande van het driejarig
lectionarium – weloverwogen thematische homilieën te bieden, waarbij de grote
thema’s van het christelijk geloof worden behandeld, en waarbij teruggrepen
wordt op datgene wat door het leerambt gezagvol wordt aangeboden in de “vier
zuilen” van de Katechismus van de Katholieke Kerk en het later verschenen
Compendium: de geloofsbelijdenis, de sacramenten van het geloof, het
geloofsleven en het gebed van de gelovige. [143]
Het aanbieden van de gaven
47. De synodevaders hebben ook de aandacht gevestigd op het aanbieden van de
gaven. Het gaat hier niet eenvoudigweg om een soort “intermezzo” tussen de
woorddienst en de eucharistische liturgie. Dat zou ondermeer geen recht doen aan
de ene, uit twee delen samengestelde ritus. In deze nederige en eenvoudige
handeling komt werkelijk een zeer diepe betekenis tot uitdrukking: In het brood
en de wijn die wij naar het altaar brengen, wordt de gehele schepping door
Christus, de Verlosser, aangenomen om omgevormd en aan de Vader aangeboden te
worden. [144] Zo beschouwd brengen wij alle leed en alle verdriet van de wereld
naar het altaar, in de zekerheid dat alles kostbaar is in de ogen van God. Voor
de authentieke beleving ervan hoeft deze handeling niet benadrukt te worden door
misplaatste toevoegingen. Wij worden erdoor in staat gesteld de oorspronkelijke
deelname die God van de mens verlangt om het goddelijk werk in hem tot
voltooiing te brengen, naar waarde te schatten en zo aan de menselijke arbeid de
uiteindelijke zin te geven: door de Eucharistieviering met het verlossend offer
van Christus verenigd worden.
Het eucharistisch Hooggebed
48. Het eucharistisch Hooggebed is het “centrum en hoogtepunt van heel de
viering”. [145] Het belang ervan moet in overeenstemming hiermee benadrukt
worden. De verschillende eucharistische Hooggebeden in het Missaal zijn ons
doorgegeven door de levende overlevering van de Kerk; ze munten uit door een
onuitputtelijke theologische en geestelijke rijkdom. De gelovigen moeten leren
ze naar waarde te schatten. Daarbij kan het Algemeen Statuut van het
Altaarmissaal ons van dienst zijn, met de opsomming van de basiselementen
van ieder eucharistisch Gebed: dankzegging, acclamatie, epiclese,
instellingsverhaal, consecratie, anamnese, aanbieding, intercessies en
slotdoxologie. [146] De eucharistische spiritualiteit en de theologische
reflectie worden in het bijzonder verduidelijkt als men de diepe eenheid in de
anaphora beschouwt tussen de aanroeping van de heilige Geest en het
instellingsverhaal [147], waarbij “het offer wordt voltrokken, dat Christus zelf
tijdens het Laatste Avondmaal heeft ingesteld”. [148] Inderdaad “smeekt de Kerk
door middel van bijzondere aanroepingen de kracht af van de heilige Geest, opdat
de gaven die door de mensen zijn aangeboden worden geconsacreerd, ofwel tot het
Lichaam en Bloed van Christus worden en opdat de onbevlekte offergave die bij de
Communie genuttigd zal worden, heilzaam zal zijn voor degenen die er deel aan
zullen hebben”. [149]
De vredeswens
49. De Eucharistie is van nature een sacrament van vrede. Deze dimensie van het
eucharistisch mysterie wordt in de liturgische viering op bijzondere wijze
uitgedrukt door de vredeswens. Het gaat hier ongetwijfeld om een teken van grote
waarde (vgl. Joh. 14,27). In onze tijd, die zo schrikbarend veel conflicten
kent, krijgt dit gebaar, ook gezien vanuit het algemeen gevoel, een bijzondere
betekenis, in zoverre de Kerk het steeds meer als haar opdracht gaat beschouwen
van de Heer de gave van de vrede en de eenheid voor zichzelf en voor de gehele
mensenfamilie af te smeken. De vrede is zeker een niet te onderdrukken verlangen
in ieders hart. De Kerk maakt zich tot woordvoerster van deze bede om vrede en
verzoening, die opstijgt uit het innerlijk van iedere mens van goede wil, en
richt die bede tot Hem die “onze vrede” is (Ef. 2,14) en die ook volken en
individuen met elkaar kan verzoenen, waar menselijke pogingen mislukken. Op
grond van dit alles is het begrijpelijk dat de vredesritus in de liturgieviering
dikwijls heel intens wordt ervaren. Toch benadrukte de bisschoppensynode in dit
verband dat het zinvol is dit gebaar, dat overdreven vormen kan aannemen en
uitgerekend vlak voor de Communie verwarring kan veroorzaken, binnen de perken
te houden. Het is goed eraan te herinneren dat de grote waarde van het gebaar
geenszins vermindert door de soberheid die noodzakelijk is om een sfeer te
bewaren die bij de viering past. Men kan de vredesgroet bijvoorbeeld beperken
tot de mensen in de onmiddellijke omgeving. [150]
Uitreiken en ontvangen van de Eucharistie
50. Nog een moment van de viering dat ter sprake gebracht moet worden is dat van
het uitreiken en ontvangen van de heilige Communie. Ik verzoek allen, in het
bijzonder de gewijde ambtsdragers en degenen die – passend voorbereid – in geval
van werkelijke noodzaak gevolmachtigd zijn tot de dienst van het uitreiken van
de Communie, al het mogelijke te doen opdat de handeling in alle eenvoud
beantwoordt aan de betekenis ervan: de persoonlijke ontmoeting met de Heer Jezus
in het sacrament. Wat de voorschriften aangaande de correcte praktijk betreft,
verwijs ik naar de recent uitgegeven documenten. [151] Alle christelijke
gemeenschappen moeten zich trouw aan de geldende voorschriften houden en daarin
een uiting van het geloof en de liefde zien, die wij allen ten opzichte van het
verheven sacrament moeten hebben. Bovendien moet de kostbare tijd van de
dankzegging niet verwaarloosd worden. Behalve het zingen van een gepast gezang
kan het ook heel nuttig zijn gezamenlijk enige tijd stilte in acht te nemen.
[152]
In dit verband wil ik wijzen op een pastoraal probleem waarop men heden ten dage
vaak stoot. Ik bedoel het feit dat bij bepaalde gelegenheden zoals een
Eucharistieviering bij een huwelijk, een uitvaart of iets dergelijks, behalve de
praktiserende gelovigen ook anderen bij de viering aanwezig zijn die mogelijk al
jarenlang de Communie niet hebben ontvangen of die zich wellicht in
levensomstandigheden bevinden waardoor ze de sacramenten niet kunnen ontvangen.
Bij andere gelegenheden zijn leden van andere christelijke denominaties of zelfs
van andere godsdiensten aanwezig. Soortgelijke omstandigheden doen zich ook voor
in kerken die – in het bijzonder in toeristische steden – het doel van grote
stromen bezoekers zijn. Het is duidelijk dat er dan mogelijkheden gevonden
moeten worden om iedereen kort en doeltreffend de betekenis van de sacramentele
Communie en de voorwaarden om deze te kunnen ontvangen in herinnering te roepen.
In situaties waar de noodzakelijke verduidelijking met betrekking tot de
betekenis van de Eucharistie niet gegarandeerd kan worden, moet overwogen worden
in hoeverre het beter is in plaats van een Eucharistieviering een woorddienst te
houden. [153]
De wegzending: “Ite missa est”
51. Ten slotte wil ik ingaan op wat de synodevaders over de wegzending aan het
einde van de Eucharistieviering hebben gezegd. Na de zegen zendt de diaken of de
priester het volk weg met de woorden: “Ite missa est”. In deze woorden
herkennen wij de relatie tussen de gevierde Mis en de christelijke zending in de
wereld. In de oudheid betekende “missa” gewoon “ontslag”. In het
christelijk gebruik heeft het woord echter een steeds diepere betekenis
gekregen, waarbij “missa” steeds meer als “missio” werd begrepen
en zo ‘ontslag’ tot ‘uitzending’ werd. Deze groet brengt in weinig woorden de
missionaire aard van de Kerk tot uitdrukking. Daarom is het goed het volk te
helpen deze constitutieve dimensie van het kerkelijk leven te verdiepen, zodat
men zich door de liturgie in beweging laat brengen. Met het oog hierop kan het
nuttig zijn voor het gebed over het volk en de slotzegen te beschikken over
passende, goedgekeurde teksten die dit verband duidelijk tot uitdrukking
brengen. [154]
Actuosa participatio
Authentieke deelname
52. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft terecht met bijzondere nadruk gesproken
over de actieve, volledige en vruchtbare deelname van het gehele Godsvolk aan de
Eucharistieviering. [155] De vernieuwing die in deze jaren is gerealiseerd heeft
zeker aanzienlijke voortgang bevorderd in de door de Concilievaders gewenste
richting. Toch mogen wij niet blind zijn voor het feit dat zich daarbij af en
toe gebrek aan inzicht heeft voorgedaan wat betreft de werkelijke betekenis van
deze deelname. Daarom moet duidelijk worden gemaakt dat met dit begrip niet een
eenvoudige uitwendige activiteit tijdens de viering wordt bedoeld. In feite moet
de door het Concilie gewenste actieve deelname in een veel wezenlijker zin
worden begrepen, uitgaand van een dieper besef van het mysterie dat gevierd
wordt, en de relatie daarvan met het dagelijks leven. De aanbeveling van de
Constitutie Sacrosanctum Concilium van het Tweede Vaticaans Concilie, die
de gelovigen oproept de Eucharistie niet bij te wonen “als buitenstaanders of
zwijgende toeschouwers” maar “bewust, met godsvrucht en actief aan de heilige
handeling deel te nemen” [156] heeft nog niets van zijn actualiteit verloren.
Het Concilie voegde daar nog de overwegingen aan toe: de gelovigen “moeten in het woord van God worden onderwezen” en “aan de tafel van het lichaam des
Heren worden gesterkt. Zij moeten dank brengen aan God, zichzelf leren offeren
door de aanbieding van het onbevlekte Slachtoffer - niet alleen door de handen
van de priester maar ook samen met hem - en van dag tot dag door Christus, de
Middelaar, vollediger worden gebracht tot de eenheid met God en onder elkaar”.
[157]
Deelname en priesterlijke dienst
53. De schoonheid en de harmonie van de liturgische handeling komen betekenisvol
tot uitdrukking in de ordening waarin iedereen geroepen is actief deel te nemen.
Dat impliceert de erkenning van de verschillende hiërarchische rollen in de
viering. Het is nuttig eraan te herinneren dat actieve deelname op zich niet
noodzakelijk samenvalt met het uitoefenen van een bijzondere dienst. De zaak van
de actieve deelname van de gelovigen is zeker niet gediend met verwarring die
ontstaat ten gevolge van het onvermogen in de kerkelijke gemeenschap de
verschillende taken te onderscheiden die aan ieder toekomen. [158] In het
bijzonder is het noodzakelijk dat er duidelijkheid is wat betreft de specifieke
taken van de priester. Zoals de traditie van de Kerk bevestigt, is hij op
onvervangbare wijze degene die gedurende de gehele Eucharistieviering de leiding
heeft, van de openingsgroet tot de slotzegen. Krachtens de heilige wijding die
hij ontvangen heeft, vertegenwoordigt hij Jezus Christus, het Hoofd van de Kerk,
en, op de hem eigen wijze, ook de Kerk zelf. [159] “Iedere wettige
Eucharistieviering wordt door de bisschop geleid, ofwel door hem persoonlijk,
ofwel door zijn helpers, de priesters”. [160] Hij wordt bijgestaan door een
diaken, aan wie tijdens de viering enige specifieke taken toekomen: het
gereedmaken van het altaar, het assisteren van de priester, de verkondiging van
het evangelie, eventueel af en toe de homilie, het voorgaan van de gemeenschap
in de voorbeden, het uitreiken van de Communie. [161] Naast deze, aan de wijding
gebonden taken, zijn er ook liturgische diensten die zinvol door religieuzen en
goed voorbereide leken uitgeoefend kunnen worden. [162]
Eucharistieviering en inculturatie
54. Sinds de fundamentele uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie is de
betekenis van de actieve deelname van de gelovigen aan het eucharistisch offer
herhaaldelijk benadrukt. Om deze participatie te bevorderen, kan men ruimte
scheppen voor enige aanpassingen, die geschikt zijn voor bepaalde gelegenheden
en culturen. [163] Het feit dat zich hierbij misbruiken hebben voorgedaan doet
verder niets af aan dit principe, dat gehandhaafd moet worden in overeenstemming
met de werkelijke behoeften van de Kerk, die één en hetzelfde mysterie van
Christus beleeft en viert in verschillende culturele situaties. Jezus, de Heer,
heeft zich namelijk, doordat Hij volledig als mens uit een vrouw geboren werd
(vgl. Gal. 4,4), juist in het mysterie van de Menswording, geplaatst in een
directe relatie niet alleen met de verwachtingen die leefden in het Oude
Testament, maar ook met de verwachtingen die door alle volken worden gekoesterd.
Daarmee heeft Hij aangetoond dat God ons wil bereiken in onze eigen leefwereld.
Daarom is voor een effectieve deelname van de gelovigen aan de heilige mysteries
de voortzetting van het proces van inculturatie in het kader van de
Eucharistieviering van belang. Daarbij moet rekening worden gehouden met de
aanpassingsmogelijkheden die het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal
biedt [164]. Deze moeten geïnterpreteerd worden in het licht van de criteria van
de Vierde Instructie van de Congregatie van de Goddelijke Eredienst en de
Discipline van de Sacramenten Varietates legitimae, van 25 januari 1995 [165] en de richtlijnen die paus Joannes Paulus II heeft
gegeven in de postsynodale exhortaties
Ecclesia in Africa,
Ecclesia in America,
Ecclesia in Asia,
Ecclesia in Oceania en
Ecclesia in Europa
[166]. Ik beveel de bisschoppenconferenties aan hierbij een zorgvuldige afweging
te maken tussen reeds uitgevaardigde criteria en richtlijnen en nieuwe
aanpassingen [167], altijd in overeenstemming met de Apostolische Stoel.
Persoonlijke voorwaarden voor “actuosa participatio”
55. Bij de bespreking van het thema van de actuosa participatio van de
gelovigen aan de heilige liturgie hebben de synodevaders ook de nadruk gelegd op
de persoonlijke geestesgesteldheid waarin iemand zich moet bevinden voor een
vruchtbare deelname. [168] Een element is daarbij zeker de geest van
voortdurende bekering, die het leven van alle gelovigen moet kenmerken. Men kan
voor zichzelf geen actieve deelname aan de eucharistische liturgie verwachten,
als men er slechts oppervlakkig bij is, zonder eerst het eigen leven onderzocht
te hebben. Een dergelijke innerlijke bereidheid wordt bijvoorbeeld bevorderd
door inkeer en zwijgen, tenminste enkele ogenblikken voor het begin van de
liturgie, door vasten en, indien nodig, door een sacramentele biecht. Een met
God verzoend hart maakt ware deelname mogelijk. In het bijzonder moet men de
gelovigen eraan herinneren dat een actuosa participatio niet te
verwezenlijken is als men niet tegelijkertijd probeert actief deel te nemen aan
het gehele kerkelijke leven, daaronder begrepen de missionaire inzet om de
liefde van Christus de samenleving in te dragen.
De volledige deelname aan de Eucharistie vindt ongetwijfeld plaats als men ook
zelf de Communie ontvangt. [169] Niettemin moet er voor gezorgd worden dat deze
juiste uitspraak bij de gelovigen niet tot een zeker automatisme leidt, alsof
men alleen omdat men zich tijdens de liturgieviering in de kerk bevindt het
recht of misschien zelfs wel de plicht heeft tot de eucharistische maaltijd te
naderen. Ook als het niet mogelijk is de sacramentele Communie te ontvangen
blijft de deelname aan de heilige Mis noodzakelijk, geldig, betekenisvol en
vruchtbaar. Onder deze omstandigheden is het goed het verlangen naar de
volledige vereniging met Christus te koesteren, bijvoorbeeld door de praktijk
van de geestelijke Communie, waaraan Joannes Paulus II herinnert [170] en die
wordt aanbevolen door heilige leermeesters van het geestelijk leven. [171]
Deelname door christenen die niet katholiek zijn
56. Bij het thema van de deelname moeten we onvermijdelijk spreken over de
christenen die behoren tot Kerken of kerkelijke gemeenschappen, die niet in
volle gemeenschap met de katholieke Kerk staan. In dit verband moet gezegd
worden dat de intrinsieke band tussen de Eucharistie en de eenheid van de Kerk,
ons enerzijds vurig doet verlangen naar de dag waarop wij met alle
christengelovigen gezamenlijk Eucharistie zullen kunnen vieren en zo de volheid
van de door Christus voor zijn leerlingen gewilde eenheid (vgl. Joh. 17,21) tot
uitdrukking kunnen brengen. Anderzijds verbiedt ons de eerbied die wij het
sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus verschuldigd zijn dat slechts
tot “middel” te reduceren, dat zonder onderscheid gebruikt kan worden om die
eenheid te bereiken. [172] De Eucharistie drukt immers niet alleen onze
persoonlijke gemeenschap met Jezus Christus uit, doch sluit ook de volle
Communio met de Kerk in. Dat is de reden waarom wij met droefheid maar niet
zonder hoop de niet-katholieke christenen vragen onze overtuiging, die gebaseerd
is op de Bijbel en op de Traditie, te begrijpen en te respecteren. Wij zijn van
mening dat de eucharistische Communie en de kerkelijke Communio zo innig
bij elkaar horen, dat het voor niet-katholieke christenen over het algemeen
onmogelijk is het sacrament van de Communie te ontvangen zonder te delen in de
Communio. Nog zinlozer zou een regelrechte concelebratie zijn met
ambtsdragers van andere Kerken of kerkelijke gemeenschappen, die niet in volle
gemeenschap met de katholieke Kerk staan. Desondanks blijft van kracht dat waar
het eeuwig heil in het geding is de mogelijkheid bestaat individuele
niet-katholieke christenen toe te laten tot de Eucharistie, het boetesacrament
en de ziekenzalving. Dat vereist echter wel dat het om bepaalde, buitengewone
omstandigheden gaat, die aan nauwkeurig bepaalde voorwaarden voldoen. [173] Deze
worden in de Katechismus van de Katholieke Kerk [174] en het Compendium [175]
duidelijk aangegeven. Iedereen heeft de plicht zich daar trouw aan te houden.
Deelname middels de massamedia
57. Gegeven de enorme ontwikkeling van de massamedia gedurende de laatste
decennia heeft het woord “deelname” een wijdere betekenis gekregen dan in het
verleden het geval was. Wij erkennen allen met tevredenheid dat deze
communicatiemiddelen ook wat betreft de Eucharistieviering nieuwe mogelijkheden
openen. [176] Dat vereist van de pastorale medewerkers in deze sector een
speciale voorbereiding en een sterk verantwoordelijkheidsgevoel. De op de
televisie uitgezonden heilige Mis krijgt namelijk onvermijdelijk een zekere
voorbeeldfunctie. Daarom moet er niet alleen zorgvuldig op gelet worden dat de
viering op waardige en goedvoorbereide plaatsen worden gehouden, maar ook dat de
liturgische normen in acht worden genomen.
Wat ten slotte de waarde van de door de massamedia mogelijk gemaakte deelname
aan de heilige Mis betreft, moet degene die naar zulke uitzendingen luistert of
kijkt weten dat hij hiermee onder normale omstandigheden zijn zondagsplicht niet
vervult. Beelden geven weliswaar de werkelijkheid weer maar reproduceren deze
niet echt. [177] Terwijl het zeer lofwaardig is dat oude en zieke mensen door de
radio- en televisie-uitzendingen deel kunnen nemen aan de zondagsmis, geldt dat
niet op dezelfde manier voor hen die zichzelf door dergelijke uitzendingen
willen dispenseren van het gaan naar de Kerk, om aan de Eucharistieviering in de
bijeenkomst van de levende Kerk deel te nemen.
“Actuosa participatio” van de zieken
58. Wat betreft de situatie van hen die op grond van ziekte of ouderdom niet in
staat zijn naar de plaatsen te gaan waar de eredienst wordt gevierd, wil ik de
gehele kerkelijke gemeenschap wijzen op de pastorale noodzaak voor de zieken, of
ze nu thuis zijn of in het ziekenhuis, geestelijke bijstand te waarborgen. Over
deze situatie werd in de bisschoppensynode herhaaldelijk gesproken. Er moet voor
gezorgd worden dat deze broeders en zusters van ons veelvuldig de heilige
Communie kunnen ontvangen. Als zij op deze wijze hun relatie met de gekruisigde
en verrezen Christus kunnen versterken, kunnen zij gewaar worden dat hun leven,
door het aanbieden van hun eigen lijden in vereniging met het offer van onze
Heer, geheel en al in het leven en de zending van de Kerk ingelijfd is.
Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gehandicapten. Als hun conditie
het toestaat moet de christelijke gemeenschap het hun mogelijk maken naar de
plaats van de eredienst te komen. Met het oog hierop moet ervoor worden gezorgd
dat eventuele obstakels uit de weg worden geruimd, die gehandicapten de toegang
bemoeilijken. Ten slotte moet, voor zover mogelijk, de Communie gewaarborgd
worden ook voor gedoopte en gevormde geestelijk gehandicapten: zij ontvangen de
Eucharistie ook in het geloof van de familie of de gemeenschap die hen
begeleidt. [178]
De aandacht voor de gevangenen
59. De geestelijke traditie van de Kerk heeft, op grond van een ondubbelzinnig
woord van Christus (vgl. Mt. 25,36), het bezoeken van gevangenen aangewezen als
een van de lichamelijke werken van barmhartigheid. Degenen die zich in deze
situatie bevinden hebben het bijzonder nodig door de Heer zelf in het sacrament
van de Eucharistie bezocht te worden. Tijdens een dergelijk bijzondere en
pijnlijke periode in het leven kan het ervaren van de nabijheid van de
kerkelijke gemeenschap en het ontvangen van de heilige Communie, zeker bijdragen
tot de kwaliteit van de geloofsweg van de betrokkene en volledige sociale
rehabilitatie bevorderen. In overeenstemming met de in de synode geuite wensen,
vraag ik de bisdommen, binnen de grenzen van de mogelijkheden, zorg te dragen
voor een adequate inzet van krachten voor wat betreft de pastorale activiteiten
gericht op de geestelijke zorg voor gevangenen.
De migranten en de deelname aan de Eucharistie
60. Toen de synode het probleem aanroerde van mensen die om verschillende
redenen gedwongen zijn hun land te verlaten, werd bijzondere dank uitgesproken
jegens hen die werkzaam zijn in de pastorale zorg voor migranten. In dit verband
moet bijzondere aandacht worden geschonken aan emigranten die tot de katholieke
Kerken van het Oosten behoren en die niet alleen gescheiden zijn van huis en
haard maar ook het bijkomende probleem hebben dat zij niet deel kunnen nemen aan
de eucharistische liturgie van de eigen ritus waartoe ze behoren. Daarom moet,
waar mogelijk, voor geestelijke verzorging door een priester van de eigen ritus
worden gezorgd. In ieder geval vraag ik de bisschoppen deze broeders en zusters
in de liefde van Christus op te nemen. De ontmoeting tussen gelovigen van
verschillende riten kan ook een gelegenheid tot wederzijdse verrijking worden.
In het bijzonder denk ik aan het nut dat – op de eerste plaats voor de clerus –
uit de kennis van verschillende tradities kan voortvloeien. [180]
De grote concelebraties
61. De synodevergadering heeft grondig overwogen wat de waarde is van deelname
aan grote concelebraties, die plaats vinden bij bijzondere gelegenheden en
waarbij, behalve een groot aantal gelovigen, ook veel concelebrerende priesters
aanwezig zijn. [181] Enerzijds is de betekenis van deze momenten zeer
herkenbaar, in het bijzonder als de bisschop de viering leidt, omringd door zijn
presbyterium en de diakens. Anderzijds kunnen bij zulke gelegenheden problemen
optreden wat betreft de waarneembare uitdrukking van de eenheid van het
presbyterium, in het bijzonder bij het Eucharistisch Gebed en bij het uitreiken
van de heilige Communie. Er moet worden vermeden dat deze grote concelebraties
verwarring veroorzaken. Dat kan door op gepaste wijze voor coördinatie te zorgen
en de plaats van de eredienst zo in te richten dat priesters en gelovigen tot
volle, werkelijke deelname in staat worden gesteld. In ieder geval moet men voor
ogen houden dat het gaat om uitzonderlijke concelebraties, die beperkt moeten
blijven tot buitengewone situaties.
De Latijnse taal
62. Deze uitspraken mogen echter geen afbreuk doen aan de waarde van deze grote
liturgievieringen. Ik denk hierbij in het bijzonder aan de vieringen die plaats
vinden tijdens internationale bijeenkomsten, die tegenwoordig steeds vaker
plaats vinden. Daar moet zo goed mogelijk gebruik van gemaakt worden. Om de
eenheid en de universaliteit van de Kerk beter tot uitdrukking te brengen, zou
ik willen aanbevelen wat de bisschoppensynode in overeenstemming met het Tweede
Vaticaans Concilie [182] heeft voorgesteld: het is goed als zulke vieringen,
uitgezonderd de lezing, de homilie en de voorbeden van de gelovigen, in het
Latijn worden gehouden. Ook moeten de bekendste gebeden [183] uit de traditie
van de Kerk in het Latijn worden uitgesproken en eventueel een aantal
Gregoriaanse gezangen worden uitgevoerd. Derhalve, in het algemeen, is het mijn
wens dat toekomstige priesters vanaf hun seminarietijd erop voorbereid worden de
heilige Mis in het Latijn te begrijpen en te vieren, Latijnse teksten te
gebruiken en Gregoriaanse zang uit te voeren. Men moet ook de mogelijkheid open
houden dat de gelovigen wordt geleerd de meest algemene gebeden in het Latijn te
bidden en bepaalde delen van de liturgie Gregoriaans te zingen. [184]
Eucharistie vieren in kleine groepen
63. Een geheel andere situatie doet zich voor als men bij sommige pastorale
gelegenheden, juist omwille van een bewustere, actievere en meer vruchtbare
deelname, kiest voor vieringen in kleine groepen. Ondanks de erkenning van de
vormende waarde van een zodanige keuze, moet wel gezegd worden dat deze
vieringen afgestemd moeten worden op het gehele pastorale aanbod van het bisdom.
Deze experimenten zouden namelijk hun pedagogisch karakter verliezen indien ze
als tegenstelling of parallel van de vieringen van de particuliere Kerk werden
ervaren. In dit verband heeft de synode de nadruk gelegd op enkele criteria
waaraan men zich moet houden: de kleine groepen moeten ertoe dienen de
parochiegemeenschap te verenigen, niet te versplinteren, en dat moet blijken uit
de concrete praktijk. Deze groepen moeten de vruchtbare deelname van de hele
bijeenkomst bevorderen en daarbij zoveel mogelijk de eenheid van de individuele
families in het liturgisch leven bewaren. [185]
De met innerlijke deelname beleefde liturgieviering
Mystagogische catechese
64. De grote liturgische traditie van de Kerk leert ons dat het voor een
vruchtbare deelname nodig is persoonlijk te beantwoorden aan het gevierde
mysterie, door het eigen leven in eenheid met het offer van Christus te geven
voor het heil van de gehele wereld. Op grond hiervan heeft de bisschoppensynode
de aanbeveling gedaan ervoor zorg te dragen dat bij de gelovigen een diepe
overeenstemming bestaat tussen de innerlijke gesteldheid en de gebaren en
woorden. Als die overeenstemming er niet is, lopen onze vieringen gevaar dat ze,
hoe levendig ze ook mogen zijn, afglijden naar ritualisme. Daarom moet er worden
gezorgd voor een educatief programma dat de gelovigen in staat zal stellen
persoonlijk te beleven wat er wordt gevierd. Wat zouden met het oog op de
essentiële betekenis van deze persoonlijke en bewuste participatio de
passende didactische middelen zijn? De synodevaders hebben wat dit betreft
eenstemmig de weg van de mystagogische catechese aanbevolen, die de gelovigen
helpt steeds beter binnen te dringen in de gevierde mysteries. [186] Vooral
vanwege de band tussen de ars celebrandi en de actuosa participatio
moet op de eerste plaats worden bevestigd dat “de beste catechese over de
Eucharistie de goed gevierde Eucharistie zelf is”. [187] De liturgie is
namelijk van zichzelf pedagogisch effectief als het erom gaat de gelovigen
binnen te voeren in de kennis van het gevierde mysterie. Ook al werd in de
oudste tradities van de Kerk de systematische geloofskennis zeker niet
verwaarloosd, toch lag de nadruk op de ervaring, waarbij de levende en
overtuigende ontmoeting met Christus, bemiddeld door authentieke getuigen,
doorslaggevend was. Daarom is degene die anderen binnenvoert in de mysteries op
de eerste plaats de getuige. Deze ontmoeting wordt natuurlijk verdiept in de
catechese en vindt haar bron en hoogtepunt in de Eucharistieviering. Deze
fundamentele structuur van de christelijke ervaring is vereist voor een
mystagogisch proces, waarin drie elementen altijd aanwezig moeten zijn:
a) Het gaat bovenal om de interpretatie van de riten in het licht van de
heilsgebeurtenissen, in overeenstemming met de levende overlevering van de
Kerk. In de oneindige rijkdom van de Eucharistieviering wordt voortdurend
verwezen naar de heilsgeschiedenis. In de gekruisigde en verrezen Christus
kunnen wij inderdaad het alles samenbrengende middelpunt van de gehele
werkelijkheid vieren (vgl. Ef. 1,10). Vanaf het begin heeft de christelijke
gemeenschap de gebeurtenissen uit het leven van Jezus – en in het bijzonder het
Paasmysterie – verstaan in relatie tot de gehele weg van het Oude Testament.
b) Bovendien moet een mystagogische catechese ervoor zorgen dat mensen worden
binnengevoerd in de betekenis van de tekenen die in de riten vervat zijn.
Deze opgave is bijzonder dringend in een sterk technologische tijd als de onze,
waarin het gevaar bestaat dat men het waarnemingsvermogen voor tekenen en
symbolen verliest. De mystagogische catechese moet niet zozeer informatie bieden
als wel de gevoeligheid van de gelovigen weer opwekken en stimuleren voor de
taal van tekenen en gebaren die samen met het Woord de ritus vormen.
c) Ten slotte moet de mystagogische catechese er zorg voor dragen de
betekenis van de riten in verhouding tot het christelijk leven in alle
dimensies aan te tonen: in werk en verplichting, in denken en voelen, in
bezigheid en rust. Onderdeel van het mystagogisch proces is het verduidelijken
van de band tussen de in de ritus gevierde mysteries en de missionaire
verantwoordelijkheid van de gelovigen. In die zin is het tot volle wasdom
gekomen resultaat van de mystagogie het besef dat het eigen leven door het
vieren van de heilige geheimen steeds herschapen wordt. Bovendien is het doel
van alle christelijke opvoeding de gelovige als “nieuwe mens” op te bouwen tot
volwassen geloof, dat hem in staat stelt in zijn omgeving te getuigen van de
christelijk hoop die hem bezielt.
Om in onze kerkelijke gemeenschappen een dergelijk vormingsprogramma te kunnen
realiseren is er behoefte aan daartoe opgeleide personen. Uiteraard moet het
hele Godsvolk zich betrokken voelen bij deze voortschrijdende vorming. Iedere
christelijke gemeenschap is geroepen een plaats te zijn van pedagogische
inleiding in de mysteries die in geloof worden gevierd. Met betrekking hiertoe
hebben de synodevaders de doeltreffendheid onderstreept van een grotere
betrokkenheid van de gemeenschappen van godgewijd leven en van de nieuwe
bewegingen, die door hun eigen charisma de christelijke vorming nieuw elan
kunnen geven. [188] Ook in onze tijd is de heilige Geest zeker niet spaarzaam
met zijn gaven om de apostolische zending te ondersteunen van de Kerk, die de
taak heeft het geloof te verbreiden en op te bouwen tot rijpheid. [189]
De eerbied voor de Eucharistie
65. Een overtuigend bewijs van de uitwerking die de eucharistische catechese op
de gelovigen uitoefent is zeker het toenemende vermogen het mysterie te ervaren
van de onder ons tegenwoordige God. Dat kan uitgedrukt worden door op bijzondere
manieren eerbied te bewijzen jegens de Eucharistie, eerbied waarin het
mystagogisch proces de gelovigen moet binnen leiden. [190] Ik denk overigens aan
de betekenis van de gebaren en de houding, zoals het knielen bij de
belangrijkste momenten van het Eucharistisch Gebed. Temidden van de legitieme
verscheidenheid van tekenen die in de context van de verschillende culturen
worden gebruikt, moet iedereen het levendige besef hebben, en daaraan ook
uitdrukking geven, dat hij zich in iedere viering voor de oneindige majesteit
van God bevindt, die deemoedig tot ons komt in de sacramentele tekenen.
Aanbidding en eucharistische vroomheid
De innerlijke band tussen liturgieviering en aanbidding
66. Een van de meest intense momenten van de synode was toen we, gezamenlijk met
vele gelovigen, in de basiliek van St. Pieter bijeen kwamen voor de
eucharistische aanbidding. Met dit teken wilde de bisschoppen-vergadering
sterker dan alleen met woorden de aandacht richten op de betekenis van de
innerlijke band tussen de Eucharistieviering en de aanbidding. In dit
belangrijke aspect van het geloof van de Kerk ligt een van de beslissende
elementen van de door het Tweede Vaticaans Concilie in gang gezette liturgische
vernieuwing. Tijdens de eerste stappen van deze hervorming was de innerlijke
band tussen de heilige Mis en de aanbidding van het Allerheiligst Sacrament
dikwijls onvoldoende in beeld. Een wijdverbreide tegenwerping toentertijd was
bijvoorbeeld de opmerking dat het eucharistisch brood ons niet was gegeven om
ernaar te kijken maar om het te eten. In het licht van de gebedservaring van de
Kerk is deze tegenstelling echter geheel ongegrond. De heilige Augustinus heeft
al gezegd “Nemo autem illam carnem manducat, nisi prius adoravit;... peccemus non adorando” – Niemand eet dit vlees zonder het eerst te aanbidden … wij zouden zondigen
als wij het niet eerst zouden aanbidden”. [191] In de Eucharistie komt de Zoon
van God ons tegemoet en wil zich met ons verenigen. De eucharistische aanbidding
is niets anders dan een natuurlijk uitvloeisel van de Eucharistieviering, die
zelf de grootste daad van aanbidding van de Kerk is. [192] Het ontvangen van de
Eucharistie is Hem aanbidden die wij ontvangen. Zo en alleen zo worden wij één
met Hem en krijgen wij trouwens een zekere voorsmaak van de schoonheid van de
hemelse liturgie. De aanbidding buiten de heilige Mis verlengt en intensiveert
wat in de liturgieviering zelf gebeurt: “Alleen in aanbidding kan een diep en
waarachtig ontvangen rijpen. En juist in deze allerpersoonlijkste ontmoeting met
de Heer rijpt dan ook de sociale zending die vervat is in de Eucharistie en die
niet alleen de grens tussen de Heer en ons wil openscheuren, maar bovenal ook de
grenzen die ons van elkaar scheiden”. [193]
De praktijk van de eucharistische aanbidding
67. Samen met de synodevergadering beveel ik daarom de herders van de Kerk en
het Godsvolk van harte de eucharistische aanbidding aan, alleen of in
gemeenschap. [194] In dit verband zal een goede catechese van groot nut zijn,
waarbij aan de gelovigen de betekenis van deze vorm van eredienst wordt
uitgelegd, die ons in staat stelt de liturgische viering diepgaander en
vruchtbaarder te beleven. Voor zover mogelijk moeten dan vooral in dichtbevolkte
gebieden kerken of oratoria voor de eeuwigdurende aanbidding worden bestemd en
ingericht. Daarnaast beveel ik aan de kinderen bij het catechetisch onderricht,
en in het bijzonder bij de voorbereiding op de eerste Communie, vertrouwd te
maken met de betekenis en de schoonheid van het tijd doorbrengen bij Jezus en
hen te helpen een gevoel van verwondering te ontwikkelen over zijn aanwezigheid
in de Eucharistie.
Hier wil ik mijn bewondering en steun tot uitdrukking brengen voor alle
instituten van godgewijd leven waarvan de leden een aanzienlijk deel van hun
tijd aan de eucharistische aanbidding wijden. Op deze manier geven zij aan allen
het voorbeeld van mensen die zich laten vormen door de werkelijke
tegenwoordigheid van de Heer. Ook wil ik de verenigingen van christengelovigen
evenals de broederschappen bemoedigen, die deze devotie als bijzondere
verplichting op zich genomen hebben. Ze worden zo als zuurdesem van beschouwing
voor de hele Kerk en tot verwijzing naar Christus als middelpunt voor het leven
van individuen en van gemeenschappen.
Vormen van eucharistische vroomheid
68. De persoonlijke relatie van de individuele mens met Jezus, die in de
Eucharistie aanwezig is, verwijst altijd naar het geheel van de kerkelijke
gemeenschap, omdat deze in de mens het bewustzijn voedt dat hij behoort tot het
Lichaam van Christus. Daarom nodig ik niet alleen individuele gelovigen uit
persoonlijk tijd te vinden om in gebed voor het sacrament van het altaar te
vertoeven, maar beschouw ik het als mijn plicht ook parochies en andere
kerkelijke groeperingen te verzoeken momenten van gemeenschappelijke aanbidding
in te stellen. Vanzelfsprekend behouden alle reeds bestaande vormen van
eucharistische vroomheid hun waarde. Ik denk bijvoorbeeld aan eucharistische
processies, op de eerste plaats de traditionele processie met Sacramentsdag,
aan de vrome praktijk van het Veertigurengebed, aan de plaatselijke, nationale
en internationale eucharistische congressen en andere vergelijkbare
initiatieven. Op passende wijze geactualiseerd en aangepast aan de verschillende
omstandigheden, verdienen deze vormen van vroomheid het ook nu nog bevorderd te
worden. [195]
De plaats van het tabernakel in de kerk
69. Gegeven de betekenis van de eucharistische aanbidding en de eerbied ten
opzichte van het sacrament van het offer van Christus heeft de bisschoppensynode
zich ook gebogen over de vraag wat de meest geschikte plaats voor het tabernakel
in onze kerken is. [196] De juiste plaats helpt namelijk de waarachtige
tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligst Sacrament te erkennen. Voor
iedereen die de kerk binnen komt, moet de plaats waar het Allerheiligst
Sacrament bewaard wordt duidelijk zichtbaar zijn, niet op de laatste plaats door
de godslamp. Hierbij moet rekening worden gehouden met de architectuur van het
sacrale gebouw: in kerken die geen sacramentskapel hebben en waar het hoogaltaar
met het tabernakel nog bestaat, is het praktisch van deze structuur gebruik te
maken voor het bewaren en aanbidden van de Eucharistie, waarbij vermeden moet
worden dat de zetel van de celebrant ervoor wordt geplaatst. In nieuwe kerken is
het goed de sacramentskapel in de nabijheid van het priesterkoor te plannen;
waar dat niet mogelijk is, verdient het de voorkeur het tabernakel in het
priesterkoor te plaatsen, op een verhoging in de apsis of op een ander punt waar
het goed te zien is. Zulke zorgvuldige maatregelen dragen ertoe bij dat aan het
tabernakel, dat ook altijd vanuit artistiek oogpunt een goede vormgeving
vereist, de noodzakelijke waardigheid wordt verleend. Natuurlijk moet rekening
worden gehouden met alles wat het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal
over dit thema zegt. [197] Het laatste oordeel in deze komt in ieder geval aan
de bisschop toe.
DERDE DEEL
EUCHARISTIE, MYSTERIE WAARUIT MEN LEEFT
“Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal
ook hij die Mij eet, leven door Mij” (Joh. 6,57)
Geestelijke eredienst - logiké latreía (Rom 12,1)
70. Jezus, de Heer, die zich voor ons tot voedsel van de waarheid en de liefde
heeft gemaakt, verzekert ons, als Hij spreekt over de gave van zijn leven: “Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid” (Joh. 6,51). Maar dit
“eeuwig leven” begint in ons al in deze tijd, door de verandering die de
eucharistische gave in ons tot stand brengt: “Hij die Mij eet, zal leven door
Mij” (Joh. 6,57). Deze woorden van Jezus doen ons begrijpen hoe het “geloofde”
en “gevierde” mysterie een dynamiek in zich heeft waardoor het in ons tot bron
van nieuw leven wordt en ons christelijk leven vormt. Als wij ons verenigen met
het Lichaam en het Bloed van Jezus Christus, worden wij namelijk op een steeds
meer volwassen en bewuste wijze deelachtig aan het goddelijk leven. Hier geldt
ook wat de heilige Augustinus in zijn Belijdenissen zegt over de eeuwige
Logos, het voedsel van de ziel. De heilige kerkvader benadrukt het
paradoxale karakter van dit voedsel, als hij een stem meent te horen die tot hem
zegt: “Ik ben de spijs van de groten: groei en gij zult Mij eten. En gij zult
Mij niet doen veranderen in u, gelijk het voedsel van uw vlees, maar gij zult in
Mij veranderen”. [198] Inderdaad, het eucharistische voedsel wordt niet in ons
veranderd, maar wij zijn het die daardoor op mysterieuze wijze worden veranderd.
Christus voedt ons, doordat Hij zich met ons verenigt, ons “in zich binnen
voert”. [199]
De Eucharistieviering verschijnt hier in alle kracht als bron en hoogtepunt van
het kerkelijk leven, daar zij tegelijkertijd de uitdrukking is van zowel de
oorsprong als ook de voltooiing van de nieuwe en definitieve eredienst, de logiké latreía. [200] De desbetreffende woorden van de heilige Paulus aan de Romeinen vatten
heel compact samen hoe de Eucharistie ons hele leven verandert in een
geestelijke eredienst, die God welgevallig is: “En nu, broeders, smeek ik u bij Gods erbarming: wijdt uzelf [letterlijk: uw
lichaam] aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan
aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past” (Rom. 12,1). In deze
oproep verschijnt het beeld van de nieuwe eredienst als volledige zelfgave van
de eigen persoon in gemeenschap met de hele Kerk. De nadruk van de Apostel op de
gave van ons lichaam onderstreept de menselijke concreetheid van een eredienst
die alles behalve onlichamelijk is. Het is opnieuw de heilige van Hippo die ons
er in dit verband aan herinnert dat dit “het offer van de christenen is: zij
zijn met velen één lichaam. Dat viert de Kerk ook steeds weer in het aan de
gelovigen welbekende sacrament van het altaar: daar wordt haar getoond dat
zijzelf wordt geofferd in wat zij offert”. [201] En ook de katholieke leer
bevestigt dat de Eucharistie als offer van Christus eveneens het offer van de
Kerk is en dus ook van de gelovigen. [202] Deze nadruk op het offer (in het
Latijn sacrificium, wat zoveel betekent als “heilig gemaakt”) brengt de
gehele existentiële diepte tot uitdrukking, die is vervat in de omvorming van
onze menselijke natuur, die Christus heeft aangenomen (vgl. Fil. 3,12).
De alomvattende werking van de eucharistische eredienst
71. De nieuwe christelijke eredienst omvat ieder aspect van het bestaan en vormt
het om: “Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods”
(1 Kor. 10,31). De christen is geroepen bij alles wat hij in zijn leven doet de
ware eer aan God te brengen. Dat is het uitgangspunt van waaruit het
fundamenteel eucharistisch wezen van het christelijk leven vorm krijgt. Als de
Eucharistie betrokken wordt op de concrete, alledaagse menselijke werkelijkheid,
maakt zij dag aan dag de voortschrijdende omvorming mogelijk van de mens, die
uit genade geroepen is, tot evenbeeld van de Zoon van God (vgl. Rom. 8,29 ev.)
Er is niets werkelijk menselijks – gedachten en gevoelens, woorden en daden –
dat in het sacrament van de Eucharistie niet het juiste antwoord vindt om ten
volle geleefd te worden. Hier komt de gehele antropologische waarde aan het
licht van de nieuwheid die Christus door de Eucharistie heeft gebracht: de
eredienst kan in het menselijk leven niet beperkt worden tot een bijzonder
privé-moment, doch wil natuurlijkerwijs tot ieder aspect van de werkelijkheid
van het individu doordringen. De eredienst die God welgevallig is, wordt zo tot
een nieuw beleven van alle omstandigheden van het bestaan, waarbij ieder aspect
een innerlijke verdieping ervaart, omdat het beleefd wordt in de betrekking met
Christus en de overgave aan God. De verheerlijking van God is de levende mens
(vgl. 1 Kor. 10,31). En het leven van de mens is de aanschouwing van God.[203]
Iuxta dominicam viventes – levend volgens de zondag
72. Deze radicale nieuwheid die de Eucharistie in het leven van de mens brengt
is vanaf het begin duidelijk aanwezig geweest in het christelijk bewustzijn. De
gelovigen hebben direct de diepe invloed ervaren die de Eucharistieviering op
hun levenswijze uitoefende. De heilige Ignatius van Antiochië gaf uiting aan
deze waarheid toen hij de christenen mensen noemde die “tot de nieuwe hoop
gekomen zijn”, en hij beschreef hen als “levend volgens de zondag” (iuxta
dominicam viventes). [204] Deze formulering van de grote martelaar uit
Antiochië doet de relatie tussen de eucharistische werkelijkheid en het
alledaagse christelijke bestaan duidelijk uitkomen. De karakteristieke gewoonte
van de christenen om op de eerste dag na de sabbat samen te komen om de
verrijzenis van Christus te vieren is – volgens het verslag van Justinus de
Martelaar [205] – ook het gegeven dat de levenswijze bepaalt, die door de
ontmoeting met Christus vernieuwd is. De formulering van de heilige Ignatius –
“levend volgens de zondag” – onderstreept ook de voorbeeldfunctie die deze
heilige dag voor iedere andere dag van de week heeft. Hij onderscheidt zich
namelijk niet slechts op grond van alleen maar de onderbreking van de
gebruikelijke bezigheden, als een soort parenthese in het gewone dagelijkse
ritme. De christenen hebben deze dag altijd ervaren als de eerste dag van de
week, omdat dan de door Christus gebrachte radicale nieuwheid wordt herdacht.
Daarom is de zondag de dag waarop de christen opnieuw die eucharistische vorm
van leven krijgt, waarnaar hij geroepen is voortdurend te leven. “Levend volgens
de zondag” betekent leven in het besef van de door Christus gebrachte bevrijding
en het eigen bestaan ontwikkelen tot zelfgave aan God, opdat zijn overwinning
door een van binnenuit hernieuwde houding aan alle mensen geheel wordt
geopenbaard.
De zondagsplicht vervullen
73. In het besef van dit nieuwe levensprincipe dat de Eucharistie aan de
christenen schenkt hebben de synodevaders de zondagsplicht als bron van
authentieke vrijheid voor alle gelovigen bevestigd, opdat ze iedere andere dag
kunnen beleven in overeenstemming met wat ze op de “dag des Heren” hebben
gevierd. Het geloofsleven is namelijk in gevaar als men niet meer de wens
ervaart deel te nemen aan de Eucharistieviering, waarin de overwinning van Pasen
herdacht wordt. Samen met alle broeders en zusters, met wie we één Lichaam
vormen in Christus, deelnemen aan de zondagse liturgische bijeenkomst wordt
dringend gevraagd door het christelijk geweten, dat er tegelijk ook door gevormd
wordt. Het gevoel verliezen voor de zondag als de dag des Heren, die geheiligd
moet worden, is een symptoom van het verloren gaan van de eigenlijke zin van de
christelijke vrijheid, de vrijheid van de kinderen Gods. [206] Wat dit betreft
blijven de opmerkingen waardevol die mijn vereerde voorganger Joannes Paulus II
in de apostolische brief Dies Domini [207] heeft gemaakt in verband met
de verschillende dimensies van de zondag voor de christen: deze dag is Dies
Domini wat betreft het scheppingswerk; het is de Dies Christi omdat
het de dag van de nieuwe schepping en de gave van de heilige Geest is, die de
verrezen Heer ons schenkt; het is de Dies Ecclesiae als de dag waarop de
christelijke gemeenschap samenkomt voor de viering; het is de Dies hominis
als dag van de vreugde, van de rust en van de broederliefde.
Een dergelijke dag openbaart zich daarom als de “feestdag bij uitstek”, als
iedere gelovige in de omgeving waar hij woont tot verkondiger en hoeder van de
betekenis van de tijd kan worden. Uit die dag komt namelijk de christelijke
betekenis van het leven voort en een nieuwe manier om de tijd, de relaties, het
werk, het leven en de dood te ervaren. Daarom is het goed als van kerkelijke
zijde ronde de Eucharistieviering bijeenkomsten van de christelijke gemeenschap
worden georganiseerd: gezellige bijeenkomsten, initiatieven voor de opvoeding
van kinderen, jongeren en volwassenen in het geloof, bedevaarten, werken van
naastenliefde en verschillende gebedsmomenten. En hoe waar het ook mag zijn dat
de zaterdagavond vanaf de eerste vespers al bij de zondag hoort en het daarom is
toegestaan dan reeds de zondagsplicht te vervullen, het is op grond van deze zo
belangrijke waarde toch nodig in herinnering te roepen dat het de zondag zelf is
die het verdient geheiligd te worden, opdat deze dag ten slotte geen dag wordt
die “leeg is van God”.[208]
De betekenis van rust en werk
74. Ten slotte is het in onze tijd bijzonder urgent er aan te herinneren dat de
dag des Heren ook een dag van rust van het werk is. Wij hopen van harte dat dit
ook door de burgerlijke samenleving erkend zal worden, zodat het mogelijk is
vrij te zijn van beroepsmatige bezigheid zonder daar negatieve gevolgen van te
ondervinden. De christenen hebben inderdaad – niet zonder verband te leggen met
de betekenis van de sabbat in de joodse traditie – in de dag des Heren ook de
dag van rust van de dagelijkse beslommeringen gezien. Dit heeft een zeer
bijzondere zin, want het betekent een relativering van het werk, gericht
op de mens: het werk is er voor de mens en niet de mens voor het werk. De
bescherming die de mens zelf hierdoor wordt geboden is gemakkelijk te bevroeden:
op deze wijze wordt hij van een mogelijke vorm van slavernij bevrijd. Zoals ik
al benadrukt heb, “heeft het werk een primaire betekenis voor de verwerkelijking
van de mens en voor de ontwikkeling van de samenleving en moet daarom met
volledig respect voor de menselijke waardigheid en in dienst van het algemeen
welzijn worden georganiseerd en uitgevoerd. Tegelijk is het absoluut essentieel
dat de mens zich niet door het werk laat knechten, dat hij het niet tot afgod
maakt, door zich in te beelden dat hij daarin de laatste en definitieve zin van
het leven zal vinden”. [209] Het is de aan God gewijde dag die de mens het
begrip bijbrengt voor de zin van zijn leven en ook voor zijn beroepsmatige
activiteiten. [210]
Zondagse bijeenkomsten in de afwezigheid van een priester
75. Als men de betekenis van de zondagsviering voor het leven van een christen
opnieuw ontdekt, stelt men zich onwillekeurig de vraag hoe het dan zit met die
gemeenschappen waar de priester ontbreekt en waar het daarom niet mogelijk is de
heilige Mis te vieren op de dag des Heren. Daaraan moet worden toegevoegd dat
wij ons voor onderling zeer verschillende situaties geplaatst zien. De synode
heeft de gelovigen op de eerste plaats aanbevolen naar een kerk in het bisdom te
gaan waar de aanwezigheid van een priester gewaarborgd is, ook als dat een zeker
offer vraagt. [211] Daar waar echter de grote afstanden de deelname aan de
zondagse Eucharistieviering praktisch onmogelijk maken is het belangrijk dat de
christelijke gemeenschappen toch bij elkaar komen om de Heer te loven en de aan
Hem gewijde dag te gedenken. Dat moet echter wel samengaan met een adequate
uitleg van het verschil tussen de heilige Mis en de zondagse bijeenkomst in het
uitzien naar een priester. De zielzorg van de Kerk moet in dat laatste geval tot
uitdrukking komen door het feit dat zij erover waakt dat de woorddienst
georganiseerd wordt onder leiding van een diaken of een verantwoordelijke van de
parochie, aan wie deze dienst door het bevoegde gezag officieel is opgedragen,
en dat de viering plaats vindt volgens een speciaal, door de
bisschoppenconferentie opgesteld en hiervoor door hen goedgekeurd ritueel. [212]
Ik breng in herinnering dat het voorbehouden is aan de diocesane bisschoppen
toestemming te geven voor het uitreiken van de Communie bij dergelijke
vieringen, waarbij ze de beslissing steeds weer zorgvuldig moeten afwegen.
Daarbij moet er vooral ook op gelet worden dat dergelijke bijeenkomsten geen
verwarring stichten wat betreft de centrale rol van de priester en de
sacramenten in het leven van de Kerk. Het belang van de rol van de leken, aan
wie voor hun edelmoedige inzet voor de kerkelijke gemeenschappen terecht dank
toekomt, mag nooit de onvervangbare dienst van de priesters voor het leven van
de Kerk verhullen. [213] Daarom moet men er zorgvuldig voor waken dat de
bijeenkomsten in afwezigheid van een priester niet leiden tot kerkbeelden die
niet in overeenstemming zijn met de waarheid van het evangelie en de
overlevering van de Kerk. Ze zouden veel meer moeten worden gezien als
uitgelezen gelegenheden om God te bidden dat Hij ons heilige priesters mag
zenden, priesters naar zijn hart. Indrukwekkend is in dit verband wat paus
Joannes Paulus II in zijn Brief aan de Priesters op Witte Donderdag 1979
schreef. Hij herinnerde aan die plaatsen waar de mensen, die ten gevolge van een
dictatoriaal regime hun priester hadden verloren en bij elkaar kwamen in een
kerk of een bedevaartsoord, op het altaar de stola legden, die ze hadden
bewaard, en de gebeden van de eucharistische liturgie uitspraken. “Op het moment
waarop de Transsubstantiatie zou moeten plaats vinden” namen zij zwijgen in
acht, om ervan te getuigen hoe “vurig zij ernaar verlangden de woorden te horen
die alleen de mond van een priester werkzaam kan uitspreken”. [214] Juist daarom
vraag ik, met het oog op het onvergelijkbare goede dat voortkomt uit de viering
van het eucharistisch offer, alle priesters om een actieve en concrete
bereidheid de gemeenschappen die aan hun zielzorg zijn toevertrouwd zo vaak
mogelijk te bezoeken, opdat deze niet te lang van het sacrament van de liefde
verstoken blijven.
Een eucharistische vorm van christelijk leven, het lidmaatschap van de Kerk
76. De betekenis van de zondag als Dies Ecclesiae herinnert ons aan de
innerlijke band tussen Jezus’ overwinning op het kwaad en de dood en onze
verbondenheid met zijn Lichaam, de Kerk. Iedere Christen ontdekt namelijk op de
dag des Heren ook de gemeenschappelijke dimensie van het eigen verloste leven.
Deelnemen aan de liturgische handeling en het Lichaam en Bloed van Christus
ontvangen betekent tegelijk het verinnerlijken en verdiepen van de verbondenheid
met Hem die voor ons gestorven is (vgl. 1 Kor. 6, 19f; 7,23). Werkelijk – wie
Christus eet, leeft door Hem. In relatie met het eucharistisch mysterie begrijpt
men de diepe zin van de communio sanctorum (de gemeenschap van de
heiligen). Kerkelijke gemeenschap heeft altijd en onlosmakelijk een verticale en
een horizontale dimensie: gemeenschap met God en gemeenschap met de broeders en
zusters. Die beide dimensies ontmoeten elkaar op mysterievolle wijze in de
eucharistische gave. “Waar de gemeenschap met God teniet wordt gedaan, die
gemeenschap met de Vader, de Zoon en de heilige Geest is, daar wordt ook de
wortel en de bron van de onderlinge gemeenschap teniet gedaan. En waar de
onderlinge gemeenschap niet wordt beleefd, is ook de gemeenschap met de Drie-ene
God niet levend en waar”. [215] Daar wij dus geroepen zijn ledematen van
Christus te zijn en dus ledematen die bij elkaar horen (vgl. 1 Kor. 12,27),
vormen wij een werkelijkheid die ontologisch gefundeerd is in de doop en gevoed
wordt door de Eucharistie – een werkelijkheid die merkbaar tot uitdrukking moet
komen in onze gemeenschappen.
De eucharistische vorm van christelijk leven kent als vanzelf een kerkelijke en
een gemeenschappelijke dimensie. Omdat de bisdommen en de parochies dragende
structuren van de Kerk in een bepaald gebied zijn, kan iedere gelovige concreet
ervaren dat hij tot het Lichaam van Christus behoort. Verenigingen, kerkelijke
bewegingen en nieuwe gemeenschappen – met de levendigheid van hun charisma’s die
de heilige Geest voor onze tijd heeft geschonken – evenals de instituten voor
godgewijd leven, hebben de opgave hun eigen specifieke bijdrage te leveren om
bij de gelovigen het bewustzijn te bevorderen dat wij aan de Heer toebehoren
(vgl. Rom. 14,8). Het verschijnsel ‘secularisatie’, dat niet toevallig sterk
individualistische trekken vertoont, heeft vooral schadelijke invloed op
personen die zich afzonderen, omdat ze nauwelijks het gevoel hebben ergens bij
te horen. Vanaf het begin sluit het Christendom het samen leven als
vanzelfsprekend in, een netwerk van relaties, voortdurend gestimuleerd door het
horen van het Woord en door het vieren van de Eucharistie, en bezield door de
heilige Geest.
Spiritualiteit en eucharistische cultuur
77. Het is opvallend dat de synodevaders hebben bevestigd dat “de gelovige
christenen een dieper begrip moeten hebben van de verhouding tussen de
Eucharistie en het dagelijks leven. De eucharistische spiritualiteit is niet
alleen maar deelname aan de Eucharistie en verering van het Allerheiligst
Sacrament, doch omvat het gehele leven”. [216] Deze opmerking is vandaag de dag
voor ons allemaal van bijzondere betekenis. Toegegeven moet worden dat een van
de ernstigste gevolgen van de zojuist genoemde secularisatie erin bestaat dat
het christelijk geloof naar de rand van het bestaan is verbannen, als zou het
onnodig zijn waar het de concrete ontwikkeling van het leven van de mens
betreft. Het mislukken van deze manier van leven, “alsof God niet bestaat”, is
voor iedereen nu wel duidelijk. Nu is het nodig opnieuw te ontdekken dat Jezus
Christus niet alleen maar een privé overtuiging is of een abstracte leer, maar
werkelijk een Persoon, wiens binnentreden in de geschiedenis in staat is het
leven van alle mensen te veranderen. Daarom moet de Eucharistie als bron en
hoogtepunt van het leven en de zending van de Kerk vertaald worden naar
spiritualiteit, naar leven “volgens de Geest” (Rom. 8,4f; vgl. Gal. 5,16-25).
Het is tekenend dat de heilige Paulus als hij in de Brief aan de Romeinen
oproept tot de nieuwe geestelijke eredienst, tegelijk herinnert aan de noodzaak
de eigen levenswijze en manier van denken te veranderen: “Stemt uw gedrag niet
af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in
staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en
volmaakt” (Rom. 12,2). Zo onderstreept de Apostel van de heidenen de band tussen
de ware geestelijke eredienst en de noodzaak het leven op een nieuwe manier te
beschouwen en te leiden. Een waarachtig deel van de eucharistische vorm van
christelijk leven is de vernieuwing van het denken, om “niet langer onmondig
[te] zijn, heen en weer geslingerd en meegesleurd door elke windvlaag…elke leer
… uitgedacht om tot dwaling te verleiden” (Ef. 4,14)
Eucharistie en de evangelisatie van de cultuur
78. Uit het bovenstaande volgt dat het eucharistisch mysterie ons in dialoog
brengt met de verschillende culturen, maar deze ook in zekere zin uitdaagt.
[217] Het interculturele karakter van deze nieuwe eredienst, deze logiké latreía, dient erkend te worden. De aanwezigheid van Jezus Christus en de uitstorting
van de heilige Geest zijn gebeurtenissen die voortdurend de confrontatie met
iedere culturele werkelijkheid kunnen doorstaan, om deze naar de aard van het
evangelie te doordesemen.
Dat brengt als consequentie de verplichting met zich mee de evangelisatie van de
culturen met overtuiging te bevorderen, in het bewustzijn dat Christus zelf de
waarheid van iedere mens en van de gehele geschiedenis van de mensheid is. De
Eucharistie wordt tot maatstaf voor alles wat de christen in de verschillende
culturele uitdrukkingsvormen aantreft. In dit belangrijke proces is de oproep
van de heilige Paulus in de eerste brief aan de Tessalonicenzen van groot
belang: “Onderzoekt alles, behoudt het goede!” (5,21)
Eucharistie en gelovige leken
79. In Christus, het hoofd van de Kerk, die zijn Lichaam is, zijn alle
christenen “een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie,
Gods eigen volk, bestemd om zijn roemruchte daden te verkondigen” (vgl. 1 Petr.
2,9). De Eucharistie als mysterie dat men moet “leven” biedt zich aan ieder van
ons aan in de staat waarin wij ons bevinden en maakt onze existentiële situatie
tot de plaats waar wij dagelijkse de christelijke nieuwheid van leven moeten
waarmaken. Als het eucharistisch offer datgene in ons voedt en doet groeien, wat
ons reeds gegeven is in de doop, waardoor wij allen tot heiligheid zijn geroepen
[218], dan moet dat juist aan de dag treden en duidelijk worden in de situaties
en omstandigheden van het leven van iedere individuele christen. Wij worden van
dag tot dag tot een godgevallige eredienst als we ons leven als roeping
verstaan. Vanuit de liturgische samenkomst is het sacrament van de Eucharistie
zelf dat er ons in de alledaagse werkelijkheid toe verplicht alles ter ere van
God te doen.
En daar de wereld “de akker” (Mt. 13,38) is, waarin God zijn kinderen als goed
zaad plant, zijn de christelijke leken, krachtens Doopsel en Vormsel en gesterkt
door de Eucharistie, geroepen de door Christus gebrachte radicale nieuwheid
juist in de gewone levensomstandigheden waar te maken. [219] Zij moeten de wens
koesteren dat de Eucharistie steeds dieper in hun dagelijks leven mag
doordringen en hen ertoe brengen herkenbare getuigen te worden op hun werk en in
de gehele samenleving. [220] In het bijzonder wil ik de gezinnen aanmoedigen uit
dit sacrament inspiratie en kracht te putten. De liefde tussen man en vrouw, het
aanvaarden van nieuw leven en de opgave kinderen op te voeden, blijken
bevoorrechte terreinen te zijn om aan te tonen dat de Eucharistie in staat is
het leven te veranderen en het zinvol te maken. [221] De herders mogen nooit
nalaten de gelovige leken te steunen, te onderrichten en te bemoedigen in het
volledig ontplooien van hun roeping tot heiligheid in deze wereld, die God
zozeer heeft liefgehad dat Hij zijn Zoon heeft gegeven, opdat de wereld door Hem
zou worden gered (vgl. Joh. 3,16).
Eucharistie en priesterlijke spiritualiteit
80. De eucharistische vorm van christelijk leven openbaart zich ongetwijfeld op
bijzondere wijze in het priesterschap. De priesterlijke spiritualiteit is vanuit
haar innerlijk wezen eucharistisch. Het zaad van een dergelijke spiritualiteit
is al te vinden in de woorden die de bisschop spreekt tijdens de
wijdingsliturgie: ”Ontvang de offergaven van het heilig volk om ze aan God op te
dragen. Wees u bewust van wat u doet, leef in overeenstemming met uw bediening
en maak uw leven gelijkvormig aan het kruismysterie van de Heer”. [222] Om zijn
leven op steeds volmaaktere wijze eucharistisch te doen zijn, moet de priester
al tijdens zijn opleiding en maar ook in de jaren erna ruime aandacht besteden
aan het geestelijk leven. [223] Hij is geroepen voortdurend en op authentieke
wijze God te zoeken, ook al moet hij tegelijk de mensen in hun zorgen nabij
zijn. Een intensief geestelijk leven zal hem in staat stellen dieper door te
dringen in de gemeenschap met de Heer en hem helpen zich in bezit te laten nemen
door de liefde van God, zodat hij in alle omstandigheden, ook als die moeilijk
en donker zijn, Zijn getuige kan zijn. Hiertoe beveel ik, samen met de
synodevaders, de priesters aan “dagelijks de Mis te vieren, ook als er geen
deelname van gelovigen is”. [224] Deze aanbeveling is in overeenstemming met de
objectief oneindige waarde van iedere Eucharistieviering en wordt ook ingegeven
door de unieke, geestelijke werking van de Eucharistie. Als namelijk de heilige
Mis met aandacht en geloof beleefd wordt, is zij vormend in de diepste zin van
het woord, omdat ze de gelijkvormigheid met Christus bevordert en de priester
sterkt in zijn roeping.
Eucharistie en godgewijd leven
81. Met betrekking tot de relatie tussen de Eucharistie en de verschillende
kerkelijke roepingen tekent zich in het bijzonder af “het profetische getuigenis
van de mannen en vrouwen van het godgewijde leven, die in de viering van de
Eucharistie en in de aanbidding de kracht vinden tot radicale navolging van de
gehoorzame, arme en zuivere Christus”. [225] Ofschoon ze heel verdienstelijk
zijn op het gebied van menselijke vorming en zorg voor de armen, in het
onderwijs en de gezondheidszorg, weten de mannen en vrouwen van het godgewijde
leven dat de eerste plicht van hun leven is “de beschouwing van de goddelijke
werkelijkheden en de voortdurende vereniging met God”. [226] De wezenlijke
bijdrage die de Kerk van het godgewijde leven verwacht is veel meer een kwestie
van zijn dan van doen. In dit verband wil ik herinneren aan de betekenis van het
getuigenis van de maagdelijkheid, juist met betrekking tot het mysterie van de
Eucharistie. Naast de verbinding met het priesterlijk celibaat openbaart het
eucharistisch mysterie namelijk een innerlijke band met de godgewijde
maagdelijkheid, voor zover die uitdrukking is van de exclusieve overgave van de
Kerk aan Christus, die zij met radicale en vruchtbare trouw als haar Bruidegom
aanvaardt. [227] In de Eucharistie ontvangt de godgewijde maagdelijkheid
inspiratie en voedsel voor de volledige overgave aan Christus. Bovendien wordt
ze door de Eucharistie bemoedigd en aangespoord om ook in onze tijd een teken te
zijn van de onverdiende en vruchtbare liefde die God voor de mensheid koestert.
Uiteindelijk wordt het godgewijde leven, door het specifieke getuigenis ervan,
objectief een verwijzing naar en een voorafbeelding van het “Bruiloftsmaal van
het Lam” (Apok. 19,7-9), dat het doel van de gehele heilsgeschiedenis is. Hier
is sprake van een daadwerkelijke verwijzing naar de eschatologische horizon die
iedere mens nodig heeft om richting te geven aan de eigen levenskeuzen.
Eucharistie en morele verandering
82. Met de ontdekking van de schoonheid van de eucharistische vorm van het
christelijk leven, komen wij ook tot nadenken over de morele krachten die
hierdoor geactiveerd worden ter ondersteuning van de authentieke vrijheid die
eigen is aan de kinderen Gods. Daarbij wil ik terug komen op een discussie
tijdens de Synode over de band tussen de eucharistische manier van leven en
de morele verandering. Paus Joannes Paulus II heeft gezegd: “Zijn moreel
leven heeft de waarde van een geestelijke eredienst (Rom.12,1; vgl. Fil. 3,3),
geput uit en gevoed door die onuitputtelijke bron van heiligheid en
verheerlijking van God, die de sacramenten, in het bijzonder de Eucharistie,
zijn: immers, door deel te nemen aan het kruisoffer heeft de christen
gemeenschap met de zichzelf offerende liefde van Christus en wordt hij in staat
gesteld en verplicht dezelfde liefde in geheel zijn levenshouding en gedrag te
beleven.” [228] Samengevat: “Eredienst” zelf, eucharistische gemeenschap, omvat de werkelijkheid van zowel
bemind worden als ook anderen op hun beurt liefhebben. Eucharistie die zich niet
vertaalt in concrete beoefening van de liefde is ten diepste onvolledig”. [229]
Deze herinnering aan de morele betekenis van de geestelijke eredienst dient niet
moralistisch geïnterpreteerd te worden. Het is vóór alles de vreugdevolle
ontdekking van de dynamiek van de liefde in het hart van degene die de gave van
de Heer aanneemt, zich helemaal aan Hem overgeeft en de ware vrijheid vindt. De
morele verandering die de door Christus ingestelde nieuwe eredienst insluit, is
een innerlijk streven en een innig verlangen van de mens om met zijn hele wezen
de liefde van de Heer te beantwoorden, ook al weet de mens hoe zwak hij is. Dit
weerspiegelt zich heel goed in het evangelieverhaal van Zacheüs (vgl. Lc.
19,1-10). Nadat hij Jezus gastvrij in zijn huis heeft ontvangen, is de tollenaar
volledig veranderd: hij besluit de helft van zijn vermogen aan de armen te geven
en aan iedereen die hij iets heeft afgeperst het viervoudige terug te geven. Het
morele streven dat volgt uit de aanvaarding van Jezus in ons leven komt voort
uit dankbaarheid, dat we de onverdiende nabijheid van de Heer mogen ervaren.
Eucharistische consequentie
83. Belangrijk is het datgene te benadrukken wat de synodevaders de
eucharistische consequentie hebben genoemd en waartoe ons leven objectief
geroepen is. De aan God welgevallige eredienst is namelijk nooit alleen maar een
privé aangelegenheid, zonder gevolgen voor onze maatschappelijke betrekkingen,
doch vraagt het openlijke getuigenis voor het eigen geloof. Dat geldt uiteraard
voor alle gedoopten, maar is in het bijzonder de verantwoordelijkheid van hen
die wegens hun maatschappelijke of politieke positie beslissingen moeten nemen
met betrekking tot fundamentele waarden, zoals de eerbied voor en de bescherming
van het menselijk leven, van de conceptie tot aan de natuurlijke dood, het op
het huwelijk tussen man en vrouw gebaseerde gezin, de vrijheid zelf de eigen
kinderen op te voeden en de bevordering van het algemeen welzijn in alle vormen.
[230] Deze waarden zijn onvervreemdbaar. Daarom moeten katholieke politici en
wetgevers, in het bewustzijn van hun grote maatschappelijke
verantwoordelijkheid, zich door hun goed gevormde geweten bijzonder geroepen
voelen wetten voor te stellen en te ondersteunen die worden gedragen door de
waarden die in de menselijke natuur gegrift zijn. [231] Daarin ligt trouwens een
objectieve band met de Eucharistie (vgl. 1 Kor. 11,27-29). Het is de plicht van
de bisschoppen steeds weer de aandacht te vestigen op deze waarden. Dat behoort
tot hun verantwoordelijkheid tegenover de hun toevertrouwde kudde. [232]
Eucharistie, mysterie dat verkondigd moet worden
Eucharistie en missie
84. In de homilie tijdens de Eucharistieviering waarmee ik mijn ambt als
opvolger van de Apostel Petrus plechtig heb aanvaard, heb ik gezegd: “Er is niets mooiers dan door het evangelie, door Christus, gevonden te
worden. Er is niets mooiers dan Hem te kennen en anderen de vriendschap met Hem
te schenken”. [233] Deze uitspraak krijgt een nog grotere intensiteit als men
aan het eucharistisch mysterie denkt. Wij kunnen de liefde die wij in het
sacrament vieren inderdaad niet voor onszelf houden. Vanuit haar wezen wil zij
aan allen doorgegeven worden. Wat de wereld nodig heeft, is de liefde van God –
Christus ontmoeten en in Hem geloven. Daarom is de Eucharistie niet alleen bron
en hoogtepunt van het leven van de Kerk, maar tegelijk ook haar zending: “Een
authentieke, eucharistische Kerk is een missionaire Kerk”. [234] Ook wij moeten
met overtuiging tot onze broeders en zusters kunnen zeggen: “Wat wij gezien en
gehoord hebben, dat verkondigen wij ook aan u, opdat gij gemeenschap moogt
hebben met ons” (1 Joh. 1,3). Er is werkelijk niets mooiers dan Christus te
ontmoeten en Hem aan allen bekend te maken! Overigens loopt de instelling van de
Eucharistie vooruit op datgene wat het hart van Jezus’ missie vormt: Hij is
gezonden door de Vader om de wereld te verlossen (vgl. Joh. 3,16-17; Rom. 8,
32). Bij het Laatste Avondmaal vertrouwt Jezus aan zijn leerlingen het sacrament
toe dat het offer van zijn zelfgave tegenwoordig stelt, het offer dat Hij in
gehoorzaamheid aan de Vader voor het heil van ons allen brengt. Wij kunnen niet
naderen tot de eucharistische maaltijd zonder ons te laten binnen trekken in de
beweging van de missie die, uitgaand van het hart van God zelf, erop gericht is
alle mensen te bereiken. Daarom is het missionaire streven een fundamenteel
onderdeel van de eucharistische vorm van christelijk leven.
Eucharistie en getuigenis
85. De eerste en fundamentele opdracht die voor ons voortvloeit uit de heilige
geheimen die wij vieren, is getuigenis afleggen door ons leven. De verwondering
over de gave die God ons in Christus geschonken heeft, geeft aan ons leven een
nieuwe dynamiek, door ons ertoe te verplichten getuigen van zijn liefde te zijn.
Wij worden getuigen als door ons handelen heen, door onze woorden en onze manier
van doen, een Ander oplicht en zich geeft. Men kan zeggen dat het getuigenis het
middel is waardoor de waarheid van Gods liefde de mens in de geschiedenis
bereikt en hem uitnodigt deze radicale nieuwheid in vrijheid te aanvaarden. In
het getuigenis neemt God om zo te zeggen het risico dat inherent is aan de
vrijheid van de mens. Jezus is zelf de getrouwe en waarachtige getuige (vgl.
Apok. 1,5; 3,14); Hij is gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid
(vgl. Joh. 18,37). In dit verband wil ik graag een beeld naar voren brengen dat
de eerste christenen dierbaar was, maar ook indruk maakt op ons, christenen van
vandaag: het getuigenis tot aan de zelfgave, tot aan het martelaarschap, is in
de Kerk altijd beschouwd als het hoogtepunt van de nieuwe geestelijke eredienst:
“Wijdt uzelf aan Hem toe als een offergave” (vgl. Rom. 12,1). Denken wij
bijvoorbeeld aan het verslag over het martelaarschap van de heilige Polycarpus
van Smyrna, een leerling van de heilige Johannes: de hele dramatische
gebeurtenis wordt beschreven als een liturgie, ja, als een tot Eucharistie
worden van de martelaar zelf. [235] We kunnen ook denken aan het eucharistische
bewustzijn dat de heilige Ignatius van Antiochië met betrekking tot zijn
marteldood tot uitdrukking brengt: hij beschouwt zich als “graan van God” en
wil, in zijn martelaarschap “zuiver brood van Christus” worden. [236] De
christen die zijn leven geeft in het martelaarschap, gaat binnen in de volle
gemeenschap met het Pascha van Jezus Christus en wordt zelf samen met Hem tot
Eucharistie. Ook vandaag ontbreekt het de Kerk niet aan martelaren, in wie Gods
liefde zich op de meest verheven wijze openbaart. Ook als het martelaarschap van
ons niet wordt verlangd, weten we toch dat voor de aan God welgevallige
eredienst de bereidheid ertoe ten diepste vereist is [237] en dat deze
bereidheid verwezenlijkt wordt in het vreugdevolle en overtuigde getuigenis voor
de wereld, door een consequent christelijk leven overal waar de Heer ons
opdraagt Hem te verkondigen.
Christus Jezus, de enige Redder
86. Het benadrukken van de innerlijke band tussen Eucharistie en missie laat ons
ook de ultieme inhoud van onze verkondiging ontdekken. Hoe levendiger de liefde
tot de Eucharistie in het hart van de christenen is, des te duidelijker wordt
hun de opdracht tot de missie: Christus aan anderen brengen. Niet alleen
een idee of een door Hem geïnspireerde ethiek, maar de gave van zijn Persoon
zelf. Wie aan de medemens de waarheid van de liefde niet overbrengt, heeft nog
niet genoeg gegeven. Zo herinnert ons de Eucharistie als sacrament van ons heil
beslist aan de uniciteit van Christus en aan de door Hem gebrachte redding met
de prijs van zijn bloed. Daarom volgt uit het geloofde en gevierde eucharistisch
mysterie de opdracht voortdurende alle mensen te vormen voor missionaire inzet,
met als kern de verkondiging dat Jezus de enige Redder is. [238] Dat voorkomt
dat het belangrijke werk van de ontwikkelingshulp, dat in ieder authentiek
evangelisatieproces ligt besloten, wordt gereduceerd tot niet meer dan een
sociologische aangelegenheid.
Godsdienstvrijheid
87. In dit verband wil ik graag aan de orde stellen wat de synodevaders tijdens
de vergadering hebben gezegd aangaande de grote moeilijkheden wat betreft de
opdracht van die christelijke gemeenschappen die een minderheid vormen of aan
wie zelfs de vrijheid van godsdienst geheel wordt ontzegd. [239] Wij moeten de
Heer werkelijk danken voor alle bisschoppen, priesters, religieuzen en leken,
die zich opofferen voor de verkondiging van het evangelie en hun geloof
uitdragen, waarbij ze hun leven op het spel zetten. In niet weinig delen van de
wereld is alleen al naar de kerk gaan een heldhaftig getuigenis, dat het leven
van een mens blootstelt aan uitsluiting en geweld. Ook hier wil ik de
solidariteit van de gehele Kerk bevestigen met hen die lijden onder gebrek aan
vrijheid om de eredienst te vieren. Het is bekend dat daar waar geen
godsdienstvrijheid is, uiteindelijk de belangrijkste vrijheid ontbreekt, want in
het geloof brengt de mens de innerlijke beslissing wat betreft de waarachtige
zin van zijn leven tot uitdrukking. Bidden wij daarom dat er in alle landen meer
godsdienstvrijheid mag komen, zodat de christenen, evenals de leden van andere
godsdiensten, hun overtuiging zowel persoonlijk als in gemeenschap vrij mogen
beleven.
Eucharistie, mysterie dat de wereld moet worden aangeboden
Eucharistie, brood gebroken voor het leven van de wereld
88. “Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees ten bate van het leven der wereld”
(Joh. 6,51). Met deze woorden openbaart de Heer de ware zin van de gave van zijn
leven voor alle mensen. Ze tonen ons ook het diepe medelijden dat Hij met
iedereen heeft. De evangeliën berichten vele malen over de gevoelens van Jezus
ten opzichte van de mensen, in het bijzonder jegens de lijdenden en de zondaars
(vgl. Mt. 20,34; Mc. 6,34; Lc. 19,41). Door een diep menselijk gevoel brengt Hij
Gods heilsplan voor iedere mens tot uitdrukking, opdat deze tot het ware leven
mag komen. Iedere Eucharistieviering stelt Jezus’ gave van zijn leven aan het
kruis sacramenteel tegenwoordig – een gave voor ons en voor de gehele wereld.
Tegelijk maakt Jezus ons in de Eucharistie tot getuige van Gods medelijden met
iedere broeder en zuster. Zo ontstaat in het vieren van het eucharistisch
mysterie de dienst van de naastenliefde, die erin bestaat “dat ik ook de medemens die ik vooralsnog helemaal niet mag of zelfs niet ken,
vanuit God liefheb. Dat is alleen maar mogelijk vanuit de innerlijke ontmoeting
met God, die tot een gemeenschappelijk willen is geworden en zelfs reikt tot in
het gevoel. Dan leer ik die ander niet meer alleen met mijn ogen en gevoelens te
bekijken, maar vanuit het perspectief van Jezus Christus”. [240] Op deze manier
erken ik in de mensen die ik nader kom mijn broeders en zusters, voor wie de
Heer zijn leven heeft gegeven, omdat Hij hen “tot het uiterste toe” (Joh.13,1)
liefheeft. Daarom moeten de christengelovigen, als ze Eucharistie vieren, zich
er steeds meer bewust van worden dat het offer van Christus voor allen is en de
Eucharistie hen er daarom toe aanzet zelf “gebroken brood” voor anderen te
worden en zich dus in te zetten voor een rechtvaardiger en broederlijker wereld.
Als wij aan de vermenigvuldiging van de broden en de vissen denken, moeten wij
erkennen dat Jezus ook vandaag zijn leerlingen nog steeds oproept zich
persoonlijk in te zetten: “Geeft gij hun maar te eten!” (Mt. 14,16). De roeping
van ieder van ons is werkelijk om samen met Jezus gebroken brood voor het
leven van de wereld te worden.
De sociale implicaties van het eucharistisch Mysterie
89. De vereniging met Christus, die zich in het sacrament voltrekt, stelt ons
ook in staat tot vernieuwing van onze sociale betrekkingen: “Deze ‘mystiek’ van
het sacrament is sociaal van aard …Vereniging met Christus is [namelijk] ook vereniging met al diegenen aan wie Hij
zichzelf schenkt. Ik kan Christus niet voor mezelf alleen hebben; ik kan Hem
alleen toebehoren in gemeenschap met allen die de Zijnen zijn geworden of zullen
worden”. [241] In dit verband is het noodzakelijk de betrekking tussen het
eucharistisch mysterie en het sociale engagement duidelijk te maken. De
Eucharistie is het sacrament van de gemeenschap tussen broeders en zusters, die
bereid zijn zich in Christus te verzoenen – in Hem die uit Joden en heidenen één
enkel volk heeft gemaakt, door de scheidsmuur van de vijandschap neer te halen,
die hen van elkaar scheidde (vgl. Ef. 2,14). Alleen dit voortdurend streven naar
verzoening maakt dat wij waardig het Lichaam en Bloed van Christus kunnen
ontvangen (vgl. Mt. 5,23-24). [242] Door de gedachtenisviering van zijn offer
versterkt Hij de gemeenschap tussen de broeders en zusters en spoort in het
bijzondere diegenen die met elkaar in conflict zijn aan om hun verzoening te
bespoedigen, door zich open te stellen voor dialoog en inzet voor gerechtigheid.
Het staat vast dat het herstel van de gerechtigheid, de verzoening en de
vergeving voorwaarden zijn voor het tot stand brengen van een waarachtige vrede.
[243] Vanuit dit bewustzijn ontstaat de wil om ook onrechtvaardige structuren te
veranderen, om het respect voor de waardigheid van de mens, die geschapen is
naar het beeld van God, te waarborgen. In het concrete vormgeven aan deze
verantwoordelijkheid, wordt de Eucharistie in het leven wat zij in de viering
betekent. Het is, zoals ik elders al betoogd heb, niet de eigen taak van de Kerk
de politieke strijd aan zich te trekken, om de meest rechtvaardige samenleving
die mogelijk is tot stand te brengen; desondanks kan en mag zij in de strijd om
gerechtigheid niet afzijdig blijven. “In de strijd van de rede moet [de Kerk]
zich mengen langs de weg van de argumentatie, en ze moet de geestelijke krachten
opwekken zonder welke de gerechtigheid, die altijd ook offers vraagt, geen
ingang kan vinden en evenmin kan gedijen”. [244]
Met het oog op de sociale verantwoordelijkheid van alle christenen hebben de
synodevaders eraan herinnerd dat het offer van Christus een mysterie van de
bevrijding is, dat steeds weer een appèl op ons doet en ons uitdaagt. Daarom
richt ik een oproep aan alle gelovigen werkelijk vredestichters en
initiatiefnemers van gerechtigheid te zijn: “Wie namelijk aan de Eucharistie
deelneemt moet zich ervoor inzetten de vrede te herstellen in onze wereld, die
getekend is door zoveel geweld, door oorlog en – in het bijzonder tegenwoordig –
door terrorisme, economische corruptie en seksuele uitbuiting”. [245] Dat zijn
allemaal problemen die op hun beurt weer tot vernederende situaties leiden, die
uiterst zorgwekkend zijn. Wij weten dat er geen gemakkelijke oplossingen voor
deze situaties zijn. Juist krachtens het mysterie dat wij vieren moeten die
omstandigheden aan de kaak gesteld worden die in tegenspraak zijn met de
waardigheid van de mens, voor wie Christus zijn bloed heeft vergoten en zo de
bijzondere waarde van ieder individu bevestigd.
Het voedsel van de waarheid en de beklagenswaardigheid van de mens
90. Tegenover bepaalde processen van globalisering, die dikwijls over de hele
wereld het onderscheid tussen de rijke en de arme landen in hoge
mate doen toenemen, mogen wij niet werkloos blijven. Wij moeten diegenen
aanklagen, die de rijkdommen van de aarde verkwisten en daardoor ongelijkheden
veroorzaken die ten hemel schreiend zijn (vgl. Jak. 5, 4). Het is bijvoorbeeld
onmogelijk te zwijgen bij het zien van de “schokkende beelden van de grote
vluchtelingenkampen of individuele vluchtelingen, die – in verschillende delen
van de wereld – voorlopig opgenomen worden om aan een erger noodlot te
ontsnappen, maar wie het toch aan alles ontbreekt. Zijn die mensen soms niet
onze broeders en zusters? Zijn hun kinderen niet ter wereld gekomen met dezelfde
gerechtigde hoop op geluk?” [246] Jezus, de Heer, het Brood van eeuwig leven,
spoort ons aan en maakt ons opmerkzaam op de ellendige situatie waarin zich nog
een groot deel van de mensheid bevindt – situaties waarvoor de mensheid dikwijls
een duidelijke en verontrustende verantwoordelijkheid draagt. Inderdaad kan men
“op grond van beschikbare statistische gegevens vaststellen dat minder dan de
helft van de enorme sommen geld, die wereldwijd worden uitgegeven voor
bewapening, meer dan voldoende zouden zijn om het onmetelijke leger van armen
duurzaam uit hun ellende te verlossen. Dit is een oproep aan het menselijk
geweten. Aan de volken die – meer als gevolg van situaties die van
internationale politieke, economische en culturele betrekkingen afhangen, dan
als gevolg van oncontroleerbare omstandigheden – onder de armoedegrens leven,
kan en moet ons gemeenschappelijk engagement in waarheid nieuwe hoop geven”.[247]
Het voedsel van de waarheid spoort ons aan de mensonwaardige situaties aan de
kaak te stellen, waarin mensen sterven door gebrek aan voedsel, gebrek dat
veroorzaakt wordt door ongerechtigheid en uitbuiting, en het geeft ons nieuwe
kracht en moed zonder ophouden te bouwen aan de beschaving van de liefde. Vanaf
het begin waren de christenen erop uit hun goederen met elkaar te delen (vgl.
Hand. 4,32) en de armen te helpen (vgl. Rom. 15,26). De collecte die tijdens de
liturgische bijeenkomst wordt ingezameld is een levende herinnering daaraan,
maar ook een zeer actuele noodzaak. De kerkelijke liefdadigheidsinstellingen, in
het bijzonder de Caritas, vervullen op verschillende niveaus de
waardevolle dienst mensen in nood, bovenal de armsten, te helpen. Als zij zich
laten inspireren door de Eucharistie, het sacrament van de liefde, worden zij
tot concrete uitdrukking van dit sacrament en verdienen daarom alle lof en
aanmoediging voor hun solidaire inzet in de wereld.
De sociale leer van de Kerk
91. Het mysterie van de Eucharistie stelt ons in staat en spoort ons aan tot een
moedige inzet in de structuren van deze wereld, om die nieuwheid van
betrekkingen te realiseren die haar onuitputtelijke bron in de gave van God
heeft. Het gebed dat wij in iedere heilige Mis herhalen: “Geef ons heden ons
dagelijks brood” verplicht ons ertoe, in samenwerking met internationale
nationale en particuliere instellingen, al het mogelijke te doen, opdat in de
wereld aan het schandaal van de honger en de ondervoeding waaronder vele
miljoenen mensen, vooral in de ontwikkelingslanden, leiden een einde komt of het
tenminste afneemt. Bovenal is de in de school van de Eucharistie gevormde
christelijke leek ertoe geroepen zijn politieke en sociale verantwoordelijkheid
te nemen. Om deze verantwoordelijkheid op de juiste wijze te kunnen uitoefenen,
moet hij door een concrete vorming tot liefde en gerechtigheid daarop worden
voorbereid. Daartoe is het noodzakelijk, zoals de synode beklemtoonde, dat in de
bisdommen en de christelijke gemeenschappen de sociale leer van de Kerk bekend
wordt gemaakt en bevorderd. [248] In dit waardevolle erfgoed, dat voortkomt uit
de oudste kerkelijke overlevering, vinden wij elementen van grote wijsheid, die
de houding van de christenen moeten leiden wat betreft de brandende sociale
vragen. Deze leer, gerijpt in de loop van de geschiedenis van de Kerk, wordt
gekenmerkt door realisme en evenwichtigheid en draagt er zo toe bij misleidende
compromissen of lege utopieën te vermijden.
Heiliging van de wereld en bescherming van de schepping
92. Om een diepe eucharistische spiritualiteit te ontwikkelen, die in staat is
ook het sociale netwerk aanzienlijk te beïnvloeden, is het uiteraard
noodzakelijk dat de christenen, die door de Eucharistie dank brengen, zich ervan
bewust zijn dat ze dat in naam van de gehele schepping doen, dat ze zo de
heiliging van de wereld nastreven en zich daar intensief voor inzetten. [249] De
Eucharistie zelf werpt een helder licht op de menselijke geschiedenis en op de
gehele kosmos. In dit sacramentele perspectief leren wij dag na dag dat iedere
kerkelijke gebeurtenis het karakter van een teken heeft, waardoor God zich
bekend maakt en ons uitdaagt. Zo kan de eucharistische wijze van leven, op de
manier waarop wij de geschiedenis en de wereld begrijpen, werkelijk tot een
echte mentaliteitsverandering leiden. De liturgie zelf leert ons dit alles als
de priester bij de offerande van brood en wijn – “vrucht van de aarde “, “vrucht
van de wijnstok” en “werk van onze handen”- een lof- en smeekgebed tot God
richt. Met deze woorden neemt de ritus alle menselijke activiteit en bekommernis
mee in het offer dat God wordt aangeboden en spoort ons bovendien aan de aarde
te beschouwen als Gods schepping, die voor ons voortbrengt wat wij nodig hebben
om te leven. Ze is geen neutrale werkelijkheid, louter en alleen materie voor
willekeurig gebruik zoals de mens wil. Veel eerder heeft ze haar plaats in het
goede plan van God, die ons allen roept zonen en dochters te zijn in de ene Zoon
van God, Jezus Christus (vgl. Ef. 1,4-12). Bij de gerechtvaardigde zorgen
vanwege de ecologische toestand waarin de schepping zich in vele delen van de
wereld bevindt, kan men troost putten uit de perspectieven die de christelijke
hoop biedt, die ons ertoe verplicht verantwoordelijk te werken voor het behoud
van de schepping. [250] In de relatie tussen de Eucharistie en de kosmos
ontdekken wij namelijk de eenheid van Gods plan en worden wij gebracht tot
begrip van de nauwe band tussen de schepping en de “nieuwe schepping”, die is
begonnen met de opstanding van Christus, de nieuwe Adam. Daar hebben wij dankzij
de doop reeds deel aan (vgl. Kol. 2,12f) en zo opent zich voor ons christelijk
leven, gevoed door de Eucharistie, het uitzicht op de nieuwe wereld, de nieuwe
hemel en de nieuwe aarde, waar het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel
neerdaalt, “gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid” (Apok.
21,1).
Het nut van een eucharistisch compendium
93. Aan het einde van deze overwegingen, waarin ik heb willen ingaan op de
perspectieven die de Synode heeft aangereikt, wil ik ook het verzoek van de
synodevaders oppakken om het christelijk volk te helpen het eucharistisch
mysterie steeds beter in geloof te begrijpen, het te vieren en te leven. Er zal
door de bevoegde dicasteriën een compendium worden uitgegeven, waarin
teksten uit de Katechismus van de Katholieke Kerk, gebeden, verduidelijkingen
van de Eucharistische Hooggebeden uit het Missaal en nog andere relevante zaken
worden samengebracht, dat voor een goed begrip van zowel de viering als de
aanbidding van het sacrament van het altaar nuttig kan blijken. [251] Ik hoop
dat dit hulpmiddel ertoe kan bijdragen dat de gedachtenis aan het Pascha van de
Heer iedere dag meer tot bron en hoogtepunt wordt van het leven en de zending
van de Kerk. Dat zal iedere gelovige aansporen van zijn leven een waarachtige
geestelijke eredienst te maken.
SLOT
94. Dierbare broeders en zusters, de Eucharistie vormt de oorsprong van iedere
vorm van heiligheid en ieder van ons is geroepen tot volheid van leven in de
heilige Geest. Hoeveel heiligen hebben hun leven geloofwaardig gemaakt dankzij
hun eucharistische vroomheid! Van de heilige Ignatius van Antiochië tot de
heilige Augustinus, van de heilige woestijnvader Antonius tot de heilige
Benedictus, van de heilige Franciscus van Assisië tot de heilige Thomas van
Aquino, van de heilige Clara van Assisië tot de heilige Catharina van Siëna, van de heilige Paschalis Baylón tot
de heilige Pierre Julien Eymard, van de heilige Alfonsus Maria de' Liguori tot
de zalige Charles de Foucauld, van de heilige Johannes Maria Vianney tot de
heilige Theresia van Lisieux, van de heilige Pio van Pietrelcina tot de zalige
Teresa van Calcutta, van de zalige Piergiorgio Frassati tot de zalige Ivan Mertz
– om slechts enkele van de vele namen te noemen – is het centrum van de
heiligheid altijd het sacrament van de Eucharistie geweest.
Daarom is het noodzakelijk dat dit allerheiligste mysterie in de Kerk werkelijk
geloofd, aandachtig gevierd en intens beleefd wordt. De gave van zichzelf, die
Jezus ons in het sacrament van de gedachtenis aan zijn Lijden schenkt, bevestigt
ons dat het slagen van ons leven ligt in het deelhebben aan het trinitaire
leven, dat ons in Hem definitief en daadwerkelijk aangeboden wordt. De viering
en de aanbidding van de Eucharistie maken het ons mogelijk Gods liefde nabij te
komen en er in te volharden tot aan de vereniging met de geliefde Heer. De gave
van ons leven, de Communio met de gehele gemeenschap van gelovigen en de
solidariteit met iedere mens, het zijn absoluut noodzakelijke aspecten van de “logiké latreía”, van de heilige en aan God welgevallige geestelijke eredienst (vgl. Rom.
12,1), waarin onze hele concrete menselijke werkelijkheid omgevormd wordt tot
verheerlijking van God. Daarom nodig ik alle herders uit grote aandacht te
besteden aan de bevordering van een authentieke, eucharistische christelijke
spiritualiteit. De priesters, de diakens en allen die een taak in de viering van
de Eucharistie uitoefenen zouden uit dit, met zorg en voortdurende innerlijke
voorbereiding verrichte, dienstwerk zelf kracht en bemoediging moeten putten
voor hun persoonlijke en gemeenschappelijke weg tot heiliging. Alle leken, en in
het bijzonder de gezinnen, roep ik op in het sacrament van de liefde van
Christus voortdurend de energie te vinden om het eigen leven om te vormen tot
een authentiek teken van de aanwezigheid van de verrezen Heer. Alle godgewijde
mensen vraag ik door hun eucharistisch leven de glans en de schoonheid te tonen
van het volledig toebehoren aan de Heer.
95. Aan het begin van de vierde eeuw werd de christelijke eredienst nog door de
keizerlijke autoriteiten verboden. Enige christenen uit Noord-Afrika, die zich
verplicht voelden tot de viering van de Dag des Heren, trotseerden het verbod.
Ze werden terechtgesteld terwijl ze verklaarden dat het hun onmogelijk was
zonder de Eucharistie, het voedsel van de Heer, te leven: Sine dominico non
possumus. [252] Mogen deze martelaren van Abitene samen met vele heiligen en zaligen die
de Eucharistie tot het middelpunt van hun leven hebben gemaakt, onze
voorsprekers zijn en ons leren trouw te zijn aan onze ontmoeting met de verrezen
Heer. Ook wij kunnen niet leven zonder deel te nemen aan het sacrament van ons
heil, en verlangen ernaar, iuxta dominicam viventes te zijn, dat wil
zeggen naar het leven te vertalen wat wij op de Dag des Heren ontvangen. Deze
dag is inderdaad de dag van onze definitieve bevrijding. Is het dan soms
verwonderlijk dat wij wensen dat het leven van iedere dag ook strookt met de
nieuwheid die Christus met het mysterie van de Eucharistie gebracht heeft?
96. Moge Maria, de Onbevlekte Maagd, Ark van het nieuwe en altijddurende verbond
ons begeleiden op deze weg, de komende Heer tegemoet. In haar vinden we het
wezen van de Kerk op de meest volkomen wijze verwerkelijkt. De Kerk ziet in haar
de “eucharistische vrouw” – zoals de Dienaar Gods, Joannes Paulus II, haar
genoemd heeft [253] – de meest geslaagde afbeelding van zichzelf en beschouwt
haar als onvervangbaar voorbeeld van eucharistisch leven. Daarom bevestigt de
priester, als hij voorbereidingen treft om het Lichaam des Heren – “verum
Corpus natum de Maria Virgine” – op het altaar te ontvangen, in naam van de
liturgische bijeenkomst: “Wij eren allereerst de gedachtenis van de roemrijke
Maria, altijd Maagd, Moeder van onze God en Heer Jezus Christus” [254] Haar
heilige naam wordt ook in de canones van de oosterse christelijke tradities
aangeroepen en vereerd. De gelovigen van hun kant “vertrouwen aan Maria, de
Moeder van de Kerk, hun leven en hun werk toe. Als zij ernaar streven dezelfde
gezindheid te hebben als Maria, helpen zij de gehele gemeenschap te leven als
levende, de Vader welgevallige offergave”. [255] Zij is de tota pulchra,
de geheel schone, want in haar schittert de glans van Gods heerlijkheid. De
schoonheid van de hemelse liturgie, die ook in onze bijeenkomsten moet
oplichten, wordt in haar getrouw weerspiegeld. Van haar moeten wij leren zelf
eucharistische en kerkelijke mensen te worden, opdat ook wij, naar het woord van
de heilige apostel Paulus, “heilig en vlekkeloos” voor de Heer kunnen
verschijnen, zoals Hij ons vanaf het begin heeft gewild (vgl. Kol.1,22; Ef.
1,4) 256)
97. Moge de heilige Geest, op voorspraak van de heilige Maagd Maria, in ons
hetzelfde vuur ontsteken dat de Emmaüsgangers voelden (vgl. Lc. 24,13-335), en
in ons leven de eucharistische verwondering vernieuwen over de glans en de
schoonheid die oplichten in de liturgische ritus, die een werkzaam teken is van
de oneindige schoonheid van het heilige mysterie van God. Deze leerlingen
stonden op en keerden met spoed terug naar Jeruzalem om de vreugde met hun
broeders en zusters te delen. De ware vreugde bestaat er namelijk in te erkennen
dat de Heer bij ons blijft, als onze trouwe reisgenoot. De Eucharistie laat ons
ontdekken dat de gestorven en verrezen Christus in het mysterie van de Kerk,
zijn Lichaam, onze tijdgenoot blijkt te zijn. Van dit mysterie van de liefde
zijn wij getuigen geworden. Wensen wij elkaar toe dat wij vol van vreugde en
verwondering de ontmoeting met de heilige Eucharistie tegemoet mogen gaan, om de
waarheid te ervaren en te verkondigen, waarmee Jezus afscheid heeft genomen van
zijn leerlingen: “Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 2,20).
Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, op 22 februari, het feest van St. Petrus’
Stoel, in het jaar 2007, het tweede van mijn pontificaat.
BENEDICTUS PP. XVI
[1] Vgl. Thomas van Aquino, Summa Theologiae III, q. 73, a. 3.
[2] Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus, 26.5: PL 35,
1609.
[3] Benedictus XVI, Toespraak tot de deelnemers aan de plenaire vergadering van
de Congregatie voor de geloofsleer (10 februari 2006): AAS 98 (2006),
255.
[4] Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de deelnemers aan de derde vergadering
van de elfde gewone raad van het algemeen secretariaat van de bisschoppensynode
(1 juni 2006): L’Osservatore Romano (dt.) 36. Jg. Nr. 26, S. 9.
[5] Vgl. Propositio 2.
[6] Ik wijs hier op de noodzaak van een hermeneutiek van continuïteit, ook wat
betreft de juiste interpretatie van de liturgische ontwikkeling na het tweede
Vaticaans Concilie. Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de Romeinse Curie (22
december 2005): AAS 98 (2006), 44-45.
[7] Vgl. AAS 97 (2005), 337-352.
[8] Vgl. Het Jaar van de Eucharistie – aanbevelingen en voorstellen (15 oktober
2004): L’Osservatore Romano (dt.) 34. Jg. Nr. 47, S. 9-12 en Nr. 48, S.
9-12.
[9] Vgl. AAS 95 (2003), 433-475. Daarnaast wil ik herinneren aan de
Instructie van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst
en de Regeling van de Sacramenten, Redemptionis Sacramentum (25 maart
2004), die op nadrukkelijke wens van Joannes Paulus II tot stand is gekomen:
AAS 96 (2004), 549-601
[10] Om slechts de belangrijkste geschriften te noemen: Oecumenisch Concilie
van Trente, Doctrina et canones de ss. Missae sacrificio, DS
1738-1759; Leo XIII, encycliek Mirae caritatis (28 mei 1902): ASS
(1903), 115-136; Pius XII, encycliek Mediator Dei (20 november 1947):
AAS 39 (1947), 521-595; Paulus VI, encycliek Mysterium fidei (3
september 1965): AAS 57 (1965), 753-774; Joannes Paulus II, encycliek
Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003): AAS 95 (2003), 433-475;
Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten,
Instr. Eucharisticum mysterium (25 mei 1967): AAS 59 (1967),
539-573; Instr. Liturgiam authenticam (28 maart 2001): AAS 93
(2001), 685-726.
[11] Vgl. Propositio 1.
[12] Nr. 14: AAS 98 (2006), 229.
[13] Katechismus van de Katholieke Kerk, 1327.
[14] Propositio 16.
[15] Benedictus XVI, Homilie bij gelegenheid van de plechtige inbezitneming van
de Cathedra van de Bisschop van Rome (7 mei 2005): AAS 97 (2005), 752.
[16] Vgl. Propositio 4.
[17] De Trinitate, VIII, 8, 12: CCL 50, 287.
[18] Encycliek Deus caritas est (25 december 2005), 12: AAS 98
(2006), 228.
[19] Vgl. Propositio 3.
[20] Romeins Brevier, hymne bij de lezingendienst op het Hoogfeest van het
heilig Sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus.
[21]
Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est (25 december 2005), 13: AAS
98 (2006), 228.
[22] Vgl. Benedictus XVI, Homilie op het Marienfeld (21 augustus 2005):
AAS 97 (2005), 891-892.
[23] Vgl. Propositio 3.
[24] Vgl. Romeins Missaal, Vierde Eucharistisch Gebed
[25] Katechese XXIII, 7: PG 33, 1114f.
[26] Vgl. Over het priesterschap, VI, 4: PG 48, 681.
[27] Id., III, 4: PG 48, 642.
[28] Propositio 22.
[29] Vgl. Propositio 42: “Deze eucharistische ontmoeting wordt
verwezenlijkt in de heilige Geest, die ons omvormt en heiligt. Hij wekt in de
leerling de vastberaden wil aan de anderen moedig te verkondigen wat hij gehoord
en ervaren heeft, om ook hen te brengen tot dezelfde ontmoeting met Christus. Op
die manier opent zich een grenzeloze zending voor de leerling die door de Kerk
is uitgezonden.”
[30] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk
Lumen gentium, 3; vgl. ook Joannes Chrysostomus, Katechese 3, 13-19:
SC 50, 174-177.
[31] Joannes Paulus II., encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april
2003), 1: AAS 95 (2003), 433.
[32] Id., 21: AAS 95 (2003), 447.
[33] Vgl. Joannes Paulus II., Encycliek Redemptor hominis (4 maart
1979), 20: AAS 71 (1979), 309-316; Brief aan de priesters op Witte
Donderdag Dominicae Cenae (24 februari 1980), 4: AAS 72 (1980),
119-121.
[34] Vgl. Propositio 5.
[35] Vgl. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q. 80, a. 4.
[36] Nr.38: AAS 95 (2003), 458.
[37] Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen
gentium, 23.
[38] Congregatie voor de Geloofsleer, Schreiben an die Bischöfe der
Katholischen Kirche über einige Aspekte der Kirche als Communio Communionis
Notio (28. Mai 1992), 11: AAS 85 (1993), 844-845.
[39] Propositio 5: “Het begrip ‘katholiek’ brengt de universaliteit tot
uitdrukking, die voortkomt uit de eenheid, bevorderd en opgebouwd door de
Eucharistie die in iedere kerk wordt gevierd. Zo hebben de particuliere kerken
in de Wereldkerk de opgave hun eenheid evenals hun verscheidenheid zichtbaar te
maken. Door deze band van broederliefde schijnt de trinitaire gemeenschap heen.
De concilies en de synoden brengen in de geschiedenis dit broederlijke aspect
van de Kerk tot uitdrukking.”
[40] Vgl. Id.
[41] Decreet over het ambt en het leven van de priesters Presbyterorum
Ordinis, 5.
[42] Vgl. Propositio 14.
[43] Dogmatische Constitutie Lumen gentium, 1.
[44] De Orat. Dom., 23: PL 4, 553 .
[45] Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie Lumen gentium,
48; vgl. ook id., 9.
[46] Vgl. Propositio 13.
[47] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie. Lumen gentium,
7.
[48] Vgl. Id., 11; Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over de
missieactiviteit van de Kerk Ad gentes, 9. 13.
[49] Vgl. Joannes Paulus II., Brief aan de priesters op Witte Donderdag
Dominicae Cenae (24 februari 1980), 7: AAS 72 (1980), 124-127; Tweede
Vaticaans Concilie, Decreet over het ambt en het leven van de priesters
Presbyterorum Ordinis, 5.
[50] Vgl. Codex van Canones van de Oosterse Kerken, can. 710.
[51] Vgl. De christelijke initiatie van volwassenen. Inleiding nr.
34-36.
[52] Vgl. De kinderdoop, Inleiding nr. 18-19.
[53] Vgl. Propositio 15.
[54] Vgl. Propositio 7; Joannes Paulus II., Encycliek Ecclesia de
Eucaristia (17 april 2003), 36: AAS 95 (2003), 457-458.
[55] Vgl. Joannes Paulus II., Postsynodale Apostolische Exhortatie
Reconciliatio et Paenitentia (2 december 1984), 18: AAS 77 (1985),
224-228.
[56] Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1385.
[57] Denken wij hierbij aan de Confiteor of aan de woorden van de
priester en de gemeenschap voor het ontvangen van de Communie: “Heer, ik ben
niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden”. Het is
niet onbelangrijk dat de liturgie ook voor de priester enkele zeer mooie, ons
door de traditie overgeleverde gebeden voorschrijft, die herinneren aan de
noodzaak van de vergeving, zoals het gebed dat hij op zachte toon uitspreekt
voor hij de gelovigen uitnodigt voor de Communie: “Verlos mij door uw heilig
Lichaam en Bloed van elk kwaad, van alle ongerechtigheid. Geef dat ik nooit de
weg van uw geboden verlaat, nooit word gescheiden van uw liefde.”
[58] Vgl. Johannes Damascenus, Een nauwkeurige uiteenzetting van het
orthodoxe geloof, IV, 9: PG 94, 1124C; Gregorius van Nazianze,
Redevoering 39, 17: PG 36, 356A; Oecumenisch Concilie van Trente,
Doctrina de sacramento paenitentiae, cap. 2: DS 1672.
[59] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk
Lumen gentium, 11; Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie
Reconciliatio et Paenitentia (2 december 1984), 30: AAS 77 (1985),
256-257.
[60] Vgl. Propositio 7.
[61]
Vgl. Joannes Paulus II, Motu proprio Misericordia Dei (7 april 2002):
AAS 94 (2002), 452-459.
[62] Samen met de synodevaders wil ik eraan herinneren dat de niet-sacramentele
boetevieringen, die in het rituaal voor het Sacrament van Verzoening worden
vermeld, nuttig kunnen zijn om in de christelijke gemeenschap de geest van
bekering te bevorderen en zo de harten voor te bereiden op de viering van het
sacrament: vgl. Propositio 7.
[63] Vgl. Wetboek van Canoniek Recht, can. 508.
[64] Paulus VI, Apostolische Constitutie Indulgentiarum doctrina (1
januari 1967), Normae, Nr. 1: AAS 59 (1967), 21.
[65] Id., 9: AAS 59 (1967), 18-19.
[66] Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1499-1531.
[67] Id.., 1524.
[68] Vgl. Propositio 44.
[69] Vgl. Bischoppensynode, Tweede plenaire vergadering, Document over het
ambtelijk priesterschap Ultimis temporibus (30 november 1971): AAS
63 (1971), 898-942.
[70] Vgl. Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Pastores
dabo vobis (25 maart 1992), 42-69: AAS 84 (1992), 729-778.
[71] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk
Lumen gentium, 10; Congregatie voor de geloofsleer, Brief aan de Bisschoppen
van de Katholieke Kerk over enkele vragen met betrekking tot de bedienaar van de
Eucharistie Sacerdotium ministeriale (6 augustus 1983): AAS 75
(1983), 1001-1009.
[72] Katechismus van de Katholieke Kerk, 1548.
[73] Vgl. id., 1552.
[74] Vgl. In Iohannis Evangelium Tractatus 123,5: PL 35, 1967.
[75] Vgl. Propositio 11.
[76] Vgl. Decreet over het ambt en het leven van de priesters Presbyterorum
Ordinis, 16.
[77] Vgl. Joannes XXIII, Encycliek Sacerdotii nostri primordia (1
augustus 1959): AAS 51 (1959), 545-579; Paulus VI, Encycliek
Sacerdotalis coelibatus (24 juni 1967): AAS 59 (1967), 657-697;
Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Pastores dabo vobis
(25 maart 1992), 29: AAS 84 (1992), 703-705; Benedictus XVI, Toespraak
tot de Romeinse Curie (22 december 2006): L’Osservatore Romano
(dt.) 37. Jg. (2007) Nr. 1, S. 6-8.
[78] Vgl. Propositio 11.
[79] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over de priesteropleiding
Optatam totius, 6; Wetboek van Canoniek Recht, can. 241, §1 en
can. 1029; Codex van Canones van de Oosterse Kerken, can. 342, §1 en can.
758; Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Pastores dabo
vobis (25 maart 1992) 11.34.50: AAS 84 (1992), 673-675; 712-714;
746-748; Congregatie voor de Clerus, Directorium voor het ambt en het leven van
de priesters Dives Ecclesiae (31 maart 1994), 58: LEV, 1994, S. 56-58;
Congregatie voor de Katholieke Opvoeding, Instructie met betrekking tot de
Criteria voor het Onderkennen van Roepingen
aangaande Personen met Homoseksuele Neigingen met het oog op hun toelating tot
de priesteropleiding en tot de Heilige Wijding (4 november 2005): AAS 97 (2005), 1007-1013.
[80] Vgl. Propositio 12; Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische
Exhortatie Pastores dabo vobis (25 maart 1992) 41: AAS 84 (1992),
726-729.
[81] Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen
gentium, 29.
[82] Vgl. Propositio 38.
[83] Vgl. Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Familiaris
consortio (22 november 1981), 57: AAS 74 (1982), 149-150.
[84] Apostolische Brief Mulieris dignitatem (15 augustus 1988), 26:
AAS 80 (1988), 1715-1716.
[85] Katechismus van de Katholieke Kerk, 1617.
[86] Vgl. Propositio 8.
[87] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk
Lumen gentium, 11.
[88] Vgl. Propositio 8.
[89] Vgl. Joannes Paulus II, Apostolische Brief Mulieris dignitatem (15
augustus 1988): AAS 80 (1988), 1653-1729; Congregatie voor de
geloofsleer, Brief aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk over de
samenwerking van man en vrouw in Kerk en wereld (31 mei 2004): AAS 96
(2004), 671-687.
[90] Vgl. Propositio 9.
[91] Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1640.
[92] Vgl. Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Familiaris
consortio (22 november 1981), 84: AAS 74 (1982), 184-186; Congregatie
voor de Geloofsleer, Brief aan de bisschoppen van de R.-K. Kerkover het ontvangen van de communie door hertrouwd gescheiden gelovigen Annus Internationalis Familiae (14 september 1994): AAS 86 (1994), 974-979.
[93] Vgl. Pauselijke Raad voor de Interpretatie van Wetsteksten, Instructie die
door de diocesane en interdiocesane rechtbanken bij het nietig verklaren van
huwelijken in acht moet worden genomen Dignitatis
connubii (25 januari 2005), Vaticaanstad 2005.
[94] Vgl. Propositio 40.
[95] Benedictus XVI, Toespraak tot de leden van de Romeinse Rota bij de
plechtige opening van het zittingsjaar (28 januari 2006): AAS 98 (2006),
138.
[96] Vgl. Propositio 40.
[97] Vgl. Id.
[98] Vgl. Id.
[99] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk
Lumen gentium, 48.
[100] Vgl. Propositio 3.
[101] Ik wil hier herinneren aan de woorden vol hoop en troost, die we vinden in
het Tweede Eucharistisch Gebed: “Gedenk ook onze broeders en zusters die reeds ontslapen zijn in de hoop
der verrijzenis, ja alle gestorvenen dragen wij op aan Uw zorg. Neem hen aan en
laat hen verschijnen in het licht van Uw gelaat”.
[102] Vgl. Benedictus XVI, Homilie (8 december 2005): AAS 98
(2006), 15-16.
[103] Dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen gentium, 58.
[104] Propositio 4.
[105] Relatio post disceptationem, 4: L’Osservatore Romano (dt.),
35. Jg. Nr. 45, S. 12.
[106] Vgl. Serm. 1,7; 11,10; 22,7; 29,76: Sermones dominicales ad
fidem codicum nunc denuo editi, Grottaferrata 1977, S. 135, 209f, 292f, 337;
Benedictus XVI, Boodschap aan de kerkelijke gemeenschappen en aan de nieuwe
bewegingen (22 mei 2006): AAS 98 (2006), 463.
[107] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in de
wereld van deze tijd Gaudium et spes, 22.
[108] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de goddelijke
Openbaring Dei Verbum, 2.4.
[109] Vgl. Propositio 33.
[110] Sermo 227,1: PL 38, 1099.
[111]
Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus, 21,8: PL 35, 1568.
[112] Id., 28,1: PL 35, 1622.
[113] Vgl. Propositio 30. Ook de heilige Mis die de Kerk gedurende de
week viert, en waartoe zij de gelovigen uitnodigt, vindt haar oorspronkelijke
vorm in de dag des Heren, de dag van Christus’ verrijzenis: Propositio
43.
[114] Vgl. Propositio 2.
[115] Vgl. Propositio 25.
[116] Vgl. Propositio 19. Propositio 25 zegt nog juister: “Een
authentieke liturgische handeling brengt de heiligheid van het eucharistisch
mysterie tot uitdrukking. Dit moet duidelijk worden in de woorden en handelingen
van de celebrerende priester, als hij bij God de Vader ten beste spreekt zowel
samen met de gelovigen als ook voor hen”.
[117]
Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 22; Vgl. Tweede Vaticaans Concilie,
Constitutie over de heilige Liturgie Sacrosanctum Concilium, 41;
Congregatie voor de Goddelijke Erediensten de regeling van de Sacramenten,
Instructie Redemptionis Sacramentum (25 maart 2004), 19-25: AAS 96
(2004), 555-557.
[118] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over het herderlijk ambt van de
Bisschoppen in de Kerk Christus Dominus, 14; Constitutie over de heilige
Liturgie Sacrosanctum Concilium, 41.
[119] Algemeen Statuut van het Romeins Missaal 22.
[120] Vgl. Id.
[121] Vgl. Propositio 25.
[122] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Constitutie over de heilige liturgie
Sacrosanctum Concilium, 112-130.
[123] Vgl. Propositio 27.
[124] Vgl. Id.
[125] Wat deze aspecten betreft, moet men zich in alle opzichten houden aan de
aanwijzingen van het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 319-351.
[126] Vgl., Algemeen Statuut van het Romeins Missaal 39-41; Tweede
Vaticaans Concilie, Constitutie over de heilige liturgie Sacrosanctum
Concilium, 112-118.
[127] Sermo 34,1: PL 38, 210.
[128] Vgl. Propositio 25: “Zoals alle kunstuitingen moet ook het gezang
ten diepste met de liturgie in harmonie gebracht worden en effectief worden
gebruikt, dat wil zeggen het geloof, het gebed, de verwondering en de liefde
voor de in de Eucharistie aanwezige Jezus tot uitdrukking brengen.”
[129] Vgl. Propositio 29.
[130] Vgl. Propositio 36.
[131] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Constitutie over de heilige liturgie
Sacrosanctum Concilium, 116; Algemeen Statuut van het Romeins Missaal,
41.
[132] Algemeen Statuut van het Romeins
Missaal, 28; Congregatievoor de Goddelijke Eredienst, Instructie
Eucharisticum Mysterium (25 mei 1967), 3: AAS 57 (1967), 540-543.
[133] Vgl. Propositio 18.
[134] Id.
[135] Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 29.
[136] Vgl. Joannes Paulus II, Encycliek Fides et Ratio (14 september
1998), 13: AAS 91 (1999), 15-16.
[137] Hieronymus, Comm. in Is., Prol.: PL 24, 17; vgl. Tweede
Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de goddelijke openbaring Dei
Verbum, 25.
[138] Vgl. Propositio 31.
[139] Algemeen Statuut van het Romeins
Missaal, 29; vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Constitutie over de heilige
liturgie Sacrosanctum Concilium, 7.33.52.
[140] Propositio 19.
[141] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Constitutie over de heilige liturgie
Sacrosanctum Concilium, 52.
[142] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de goddelijke
openbaring Dei Verbum, 21.
[143] Daarom heeft de synode opgeroepen tot het ontwikkelen van pastorale
hulpmiddelen, op basis van het driejarig lectionarium, die ertoe zouden kunnen
bijdragen de verkondiging op basis van de lezingen te verbinden met de
geloofsleer: vgl. Propositio 19.
[144] Vgl. Propositio 20.
[145] Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 78.
[146] Vgl. Id., 78-79.
[147] Vgl. Propositio 22.
[148] Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 79d.
[149] Id., 79c.
[150] Met in achtneming van de oude en eerbiedwaardige gebruiken en de door de
synodevaders uitgesproken wensen, heb ik de bevoegde dicasteriën opdracht
gegeven de mogelijkheid te onderzoeken de vredeswens te verplaatsen naar een
ander tijdstip, bijvoorbeeld voor de offerande. Zo’n keuze zou ook zeker een
betekenisvolle verwijzing kunnen zijn naar de vermaning van de Heer dat
verzoening noodzakelijk aan ieder offer vooraf moet gaan (vgl. Mt. 5,23f); vgl.
Propositio 23.
[151] Vgl. Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de
Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum (25 maart 2004), 80-96:
AAS 96 (2004), 574-577.
[152] Vgl. Propositio 34.
[153] Vgl. Propositio 35.
[154] Vgl. Propositio 24.
[155] Vgl. Constitutie over de heilige liturgie Sacrosanctum Concilium,
14-20; 30f; 48f; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de
Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum (25 maart 2004), 36-42:
AAS 96 (2004), 561-564.
[156] Nr. 48.
[157] Id.
[158] Vgl. Congregatie voor de Clerus en andere Dicasteriën van de Romeinse
Curie, Instructie over vragen betreffende de medewerking van lekengelovigen aan het
dienstwerk van de priesters Ecclesiae de mysterio (15 augustus 1997): AAS 89 (1997), 852-877.
[159] Vgl. Propositio 33.
[160] Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 92.
[161] Vgl. Id., 94.
[162] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over het Lekenapostolaat
Apostolicam actuositatem, 24; Algemeen Statuut van het Romeins Missaal,
Nr. 95-111; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de
Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum (25 maart 2004), 43-47:
AAS 96 (2004), 564-566; Propositio 33: “Deze ambten moeten volgens
een speciaal mandaat en in overeenstemming met de werkelijke behoeften van de
vierende gemeenschap worden ingevoerd. De personen die worden belast met deze
liturgische lekendienst moeten zorgvuldig worden uitgekozen, goed voorbereid en
begeleid, met voortdurende bijscholing. Hun benoeming moet tijdelijk zijn. Zij
moeten in de gemeenschap bekend zijn en een dankbare erkenning
ontvangen”.
[163] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Constitutie over de heilige liturgie
Sacrosanctum Concilium, 37-42.
[164] Vgl. 386-399.
[165] AAS 87 (1995), 288-314.
[166] Vgl. Postsynodale Apostolische Exhortatie Ecclesia in Africa (14
september 1995), 55-71: AAS 88 (1996), 34-47; Postsynodale Apostolische
Exhortatie Ecclesia in America (22 januari 1999), 16.40.64. 70-72: ASS
91 (1999), 752-753; 775-776; 799: 805-809; Postsynodale Apostolische Exhortatie
Ecclesia in Asia (6 november 1999), 21f: AAS 92 (2000), 482-487;
Postsynodale Apostolische Exhortatie Ecclesia in Oceania (22 november
2001), 16: AAS 94 (2002), 382-384; Postsynodale Apostolische Exhortatie
Ecclesia in Europa (28 juni 2003), 58-60: AAS 95 (2003), 685-686.
[167] Vgl. Propositio 26.
[168] Vgl. Propositio 35; Tweede Vaticaans Concilie, Constitutie over de
heilige liturgie Sacrosanctum Concilium, 11.
[169] Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1388; Tweede Vaticaans
Concilie, Constitutie over de heilige liturgie Sacrosanctum Concilium,
55.
[170] Vgl. Encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003), 34: AAS
95 (2003), 456.
[171] Ondermeer bijv. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q. 80,
a. 1,2; Teresia van Jezus, We van de Volmaaktheid, Hoofdstuk 35. De leer
is door het Concilie van Trente definitief bevestigd: 14e zitting,
hoofdstuk VIII.
[172] Vgl. Joannes Paulus II., Encycliek Ut unum sint (25 mei 1995), 8:
AAS: 87 (1995), 925-926.
[173] Vgl. Propositio 41; Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over de
katholieke deelneming aan de oecumenische beweging Unitatis redintegratio,
8, 15; II., Encycliek Ut unum sint (25 mei 1995), 46: AAS 87
(1995), 948; Encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003), 45-46:
AAS 95 (2003), 463-464; Wetboek van Canoniek Recht, can. 844 §3-4; Codex van
Canones van de Oosterse Kerken, can. 671 § 3-4; Pauselijke Raad voor de Eenheid
van de Christenen, Directoire pour l’application des Principes et des Normes
sur l’œcuménisme (25 maart 1993), 125, 129-131: AAS 85 (1993), 1087,
1088-1089.
[174] Vgl. Nr. 1398-1401.
[175] Vgl. Nr. 293.
[176] Vgl. Pauselijke Raad voor de Sociale Communicatiemiddelen, Pastorale
Instructie over de sociale Communicatiemiddelen bij gelegenheid van de
herdenking van 20 jaar “Communio et Progressio” Aetatis novae (22
februari 1992): AAS 84 (1992), 447-468.
[177] Vgl. Propositio 29.
[178] Vgl. Propositio 44.
[179] Vgl. Propositio 48.
[180] Een dergelijke kennis kan ook door doelmatige initiatieven tijdens de
priesteropleiding verworven worden: vgl. Propositio 45.
[181] Vgl. Propositio 37.
[182] Vgl. Constitutie over de Heilige Liturgie Sacrosanctum Concilium,
36 en 54.
[183] Vgl. Propositio 36.
[184] Vgl. Id.
[185] Vgl. Propositio 32.
[186] Vgl. Propositio 14.
[187] Propositio 19.
[188] Vgl. Propositio 14.
[189] Vgl. Benedictus XVI, Homilie gedurende de eerste vespers van
Pinksteren (3 juni 2006): AAS 98 (2006), 509.
[190] Vgl. Propositio 34.
[191] Enarrationes in Psalmos 98,9: CCL XXXIX, 1385; vgl.
Benedictus XVI, Toespraak tot de Romeinse Curie (22 december 2005): AAS
98 (2006), 44-45.
[192] Vgl. Propositio 6.
[193] Benedictus XVI, Toespraak tot de Romeinse Curie (22 december 2005): AAS
98 (2006), 45.
[194] Vgl. Propositio 6; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de
Sacramenten, Directorium over Volksvroomheid en Liturgie (17 december
2001) Nr. 164-165, Vaticaanstad 2002, S. 137. 139; Congregatie voor de
Eredienst, Instructie Eucharisticum Mysterium (25 mei 1967): AAS
57 (1967), 539-573.
[195] Vgl. Relatio post disceptationem, 11; L’Osservatore Romano (dt.)
35. Jg. Nr. 45, S. 13.
[196] Vgl. Propositio 28.
[197] Vgl. Nr. 314.
[198] VII, 10, 16: PL 32, 742.
[199] Benedictus XVI, Homilie op het Marienfeld, (21 augustus 2005):
AAS 97 (2005), 892; vgl. Homilie tijdens de vigilieviering van Pinksteren
(3 juni 2006): AAS 98 (2006), 505.
[200] Vgl. Relatio post disceptationem, 6,47: L'Osservatore Romano
(dt.) 35. Jg. Nr. 45, S. 12.16; Propositio 43.
[201] De civitate Dei, X, 6: Pl 41, 284.
[202] Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1368.
[203] Vgl. Sirenes, Tegen de ketterijen IV, 20, 7: PG 7, 1037.
[204] Brief aan de Magnesiërs 9,1: PG 5, 670.
[205] Vgl. 1e Apologie 67, 1-6; 66: PG 6 430f. 427.
430.
[206] Vgl. Propositio 30.
[207] Vgl. AAS 90 (1998), 713-766.
[208] Propositio 30.
[209] Homilie (19 maart 2006): AAS 98 (2006), 324.
[210] Geheel terecht merkt hier het Compendium van de Sociale Leer van de Kerk,
258, op: “Voor de mens, gebonden aan de noodzaak van de arbeid, opent de rust
het uitzicht op een volmaaktere vrijheid, de eeuwige sabbat (vgl. Hebr. 4,9-10).
Die rust stelt de mens in staat zich Gods werken, van de schepping tot aan de
verlossing, voor de geest te halen en ze mee te beleven, zichzelf te erkennen
als Gods werk (vgl. Hebr. 2,10) en voor het eigen leven en bestaan dank te
brengen aan de Schepper.”
[211] Vgl. Propositio 10.
[212] Vgl. id.
[213] Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de Bisschoppen van de
Bisschoppenconferentie van Canada/Quebec bij gelegenheid van hun “ad limina”
bezoek (11 mei 2006): L'Osservatore Romano (dt.) 36. Jg. Nr. 25, S.
10
[214] Nr. 10: AAS 71 (1979), 414-415.
[215] Benedictus XVI, Algemene audiëntie van 29 maart 2006: L'Osservatore
Romano (dt.) 36. Jg. Nr. 14, S. 2.
[216] Propositio 39.
[217] Vgl. Relatio post disceptationem, 30: L'Osservatore Romano (dt.)
35. Jg. Nr. 45, S. 15.
[218] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk
Lumen gentium, 39-42.
[219] Vgl. Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie
Christifideles laici (30 december 1988), 14.16: AAS 81 (1989),
409-413; 416-418.
[220] Vgl. Propositio 39.
[221] Vgl. id.
[222] Het Romeins Pontificaal, vernieuwd op grond van het decreet van het
Tweede Vaticaans Concilie en uitgegeven op gezag van paus Paulus VI en herzien
onder de zorg van paus Joannes Paulus II. De wijding van bisschop, priesters en
diakens. Nationale Raad voor Liturgie. 2005
[223] Vgl. Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Pastores
dabo vobis (25 maart 1992), 19-33; 70-81: AAS 84 (1992), 686-712;
778-800.
[224] Propositio 38.
[225] Propositio 39. Vgl. Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische
Exhortatie Vita consecrata (25 maart 1996), 95: AAS 88 (1996),
470-471.
[226] Wetboek van Canoniek Recht, can. 663, § 1.
[227] Vgl. Joannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Vita
consecrata (25 maart 1996), 34: AAS 88 (1996), 407408.
[228] Encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), 107: AAS 85
(1993), 1216-1217.
[229] Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est (25. december 2005), 14:
AAS 98 (2006), 229.
[230] Vgl. Joannes Paulus II, Encycliek Evangelium vitae (25 maart 1995):
AAS 87 (1995), 401-522; Benedictus XVI, Toespraak tot de Pauselijke
Academie voor het Leven (27 februari 2006): AAS 98 (2006), 264-265.
[231] Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Leerstellige nota met betrekking
tot enkele vragen over de inzet en de houding van Katholieken in het politieke
leven (24 november 2002): AAS 95 (2004), 359-370.
[232] Vgl. Propositio 46.
[233] AAS 97 (2005), 711.
[234] Propositio 42.
[235] Vgl. Brief aan de Kerk van Smyrna over het Martelaarschap van de
heilige Polycarpus, XV, 1: PG 5, 1039. 1042.
[236] Ignatius van Antiochië, Aan de Romeinen, IV,1: PG 5, 690.
[237] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk
Lumen gentium, 42.
[238] Vgl. Propositio 42; vgl. ook de Congregatie voor de Geloofsleer,
Verklaring over het unieke karakter en de heilbrengende universaliteit van Jezus
Christus en de Kerk Dominus Iesus (6 augustus 2000), 13-15: AAS 92 (2000), 754-755.
[239] Vgl. Propositio 42.
[240] Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est (25 december 2005), 18:
AAS 98 (2006), 232.
[241] Id. Nr. 14.
[242] Niet zonder innerlijke beroering hebben wij tijdens de synodevergadering
zeer belangrijke getuigenissen gehoord over de doeltreffendheid van het
sacrament bij het vrede stichten. Met betrekking hiertoe zegt Propositio
49: “Dankzij de viering van de Eucharistie konden volken die met elkaar in
conflict waren zich verzamelen rond het woord van God, zijn profetische
verkondiging van verzoening door onverdiende vergeving horen en de genade van de
bekering ontvangen, die het gemeenschappelijk deel hebben aan hetzelfde Brood en
dezelfde Beker mogelijk maakt”.
[243] Vgl. Propositio 48.
[244] Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est (25 december 2005), 28:
AAS 98 (2006), 239.
[245] Propositio 48.
[246] Benedictus XVI, Toespraak tot het bij de Heilige Stoel geaccrediteerde
Corps Diplomatique (9 januari 2006): AAS 98 (2006), 127.
[247] Id.
[248] Vgl. Propositio 48. Hiertoe blijkt het Compendium van de Sociale
Leer van de Kerk bijzonder nuttig.
[249] Vgl. Propositio 43.
[250] Vgl. Propositio 47.
[251] Vgl. Propositio 17.
[252] Vgl. Martyrium Saturnini, Dativi et aliorum plurimorum, 7, 9, 10:
PL 8, 707. 709-710.
[253] Vgl. Joannes Paulus II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april
2003), 53: AAS 95 (2003), 469.
[254] Eerste Eucharistische Hooggebed (Romeinse Canon).
[255] Propositio 50.
[256] Vgl. Benedictus XVI, Homilie (8 december 2005): AAS 98
(2006), 15.
***
Copyright 2007 – Libreria Editrice Vaticana / R.K. Kerkgenootschap in Nederland.
Traduzione in lingua neerlandese autorizzata e resa ufficiale dalle Autorità
ecclesiastiche
dei Paesi Bassi, a cura della Dottoressa Nelly Stienstra, ex
Ordine Virginum,
docente specializzata presso l’Università di Utrecht, con
la collaborazione
del Rev. Dr. Norbert Schnell, Canonico del Capitolo
Metropolitano di Utrecht
e Rettore del Seminario Interdiocesano Maggiore
‘Ariënskonvikt’ di Utrecht.
© Copyright 2007 -
Libreria Editrice Vaticana
|