 |
BENEDICTUS XVI
ENCYCLIEK DEUS
CARITAS EST
AAN DE BISSCHOPPEN, AAN DE PRIESTERS
EN DIAKENS, AAN DE GODGEWIJDE PERSONEN EN AAN ALLE CHRISTENGELOVIGEN
OVER DE CHRISTELIJKE LIEFDE
Inleiding
1. “God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem”
(1Joh 4,16). Deze woorden uit de Eerste Brief van Johannes brengen op een
eenmalige manier tot uitdrukking wat de kern is van het christelijk geloof,
evenals van het christelijk godsbeeld en het daaruit voortvloeiende beeld van de
mens en de weg die deze moet gaan. Daarnaast geeft Johannes ons in hetzelfde
vers om zo te zeggen een soort formule van het christelijk bestaan: “Wij hebben
de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in haar” (vgl.
4,16).
Wij geloven in de Liefde. Zo kan de christen de fundamentele
beslissing van zijn leven tot uitdrukking brengen. Christen zijn wordt niet in
eerste instantie bepaald door een ethische beslissing of hoogstaand idee, doch
door een ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon, die ons leven een
nieuwe horizon en daarmee de beslissende richting geeft. In zijn evangelie heeft
Johannes deze gebeurtenis als volgt omschreven: “Zozeer immers heeft God de
wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in
Hem gelooft … eeuwig leven zal hebben” (Joh 3,16). Door de liefde centraal te
stellen heeft het christelijk geloof overgenomen wat de kern van het geloof van
Israël was, en tegelijkertijd deze kern een nieuwe diepte en breedte gegeven. De
gelovige jood bidt immers iedere dag de woorden uit het boek Deuteronomium,
waarvan hij weet dat daarin het middelpunt van zijn bestaan wordt samengevat:
“Luister, Israël! De Heer is onze God, de Heer is de Enige. U zult de Heer uw
God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten”
(6,4-5). Jezus heeft dit gebod van de liefde tot God samengevoegd met het gebod
tot de naastenliefde uit het boek Leviticus: “U zult uw naaste liefhebben
als uzelf”(19,18) en er één voorschrift van gemaakt (vgl. Mc 12,29-31). Daar God
ons het eerst heeft liefgehad (vgl. 1Joh 4,10) is de liefde niet langer slechts
een ‘gebod’, maar antwoord op de gave van de liefde waarmee God ons tegemoet
treedt.
In een wereld waarin soms wraak of zelfs de plicht tot haat en geweld met de
naam van God verbonden wordt, is deze boodschap buitengewoon actueel en tevens
van zeer groot praktisch belang. Daarom wil ik in mijn eerste encycliek spreken
over de liefde die God ons schenkt en die wij door moeten geven. Zo wordt al
duidelijk waar de twee grote, nauw met elkaar verbonden delen van deze brief
over gaan. Het eerste deel zal een meer speculatief karakter hebben, omdat ik
voornemens ben daarin – aan het begin van mijn pontificaat – enkele wezenlijke
punten over de liefde die God de mens op mysterieuze wijze en geheel
onvoorwaardelijk aanbiedt te verhelderen en tegelijk de innerlijke verbondenheid
tussen de liefde van God en de realiteit van de menselijke liefde aan te wijzen.
Het tweede deel zal concreter zijn, want dat zal gaan over de kerkelijke
praktijk met betrekking tot het gebod van de naastenliefde. Het thema blijkt
zeer veelomvattend te zijn; een uitputtende behandeling valt echter buiten het
bestek van deze encycliek. Ik wil nadrukkelijk ingaan op enkele fundamentele
elementen, om zo in de wereld een nieuw elan op te roepen wat betreft het
praktische antwoord van de mensen op de goddelijke liefde.
Deel een
De eenheid van de liefde in schepping en heilsgeschiedenis
Een taalprobleem
2. Gods liefde voor ons is een existentiële levensvraag en roept belangrijke
vragen op: wie is God en wie zijn wij zelf? Hier krijgen we echter eerst te
maken met een taalprobleem. Het woord ‘liefde’ is tegenwoordig tot één van de
meest gebruikte en ook misbruikte woorden geworden, en het kan heel
verschillende betekenissen hebben. Ook al concentreert deze encycliek zich op de
vraag naar de wijze waarop, volgens de heilige Schrift en de Overlevering van de
Kerk, liefde wordt verstaan en in praktijk gebracht, toch kunnen we niet
onbesproken laten wat dit woord in de verschillende culturen en in het huidige
spraakgebruik betekent.
Laten we eerst bedenken hoeveel betekenissen het woord ‘liefde’ wel niet
heeft: we spreken over vaderlandsliefde, liefde voor het vak, liefde onder
vrienden, liefde voor het werk, liefde tussen ouders en hun kinderen, tussen
broers en zussen en andere familieleden, liefde tot de naaste en liefde tot God.
In deze bonte verzameling van betekenissen lijkt één echter het absolute oertype
van de liefde te zijn, waarbij op het eerste gezicht alle andere vormen van
liefde verbleken, en dat is de liefde tussen man en vrouw, waarin lichaam en
ziel onlosmakelijk samengaan en de mens een schijnbaar onweerstaanbare belofte
van geluk ziet. Dan rijst de vraag: horen al deze vormen van liefde uiteindelijk
toch op de een of andere manier bij elkaar en is liefde toch – in alle
verscheidenheid van gedaanten – eigenlijk één, of gebruiken we alleen een en
hetzelfde woord voor heel verschillende realiteiten?
‘Eros’ en ‘agape’
3. De liefde tussen man en vrouw, die niet het gevolg is van denken of
willen, maar op de één of andere manier mensen overweldigt, werd door de oude
Grieken eros genoemd. Laten we meteen opmerken dat het Oude Testament het
woord eros slechts tweemaal gebruikt, terwijl het in het Nieuwe Testament
helemaal niet voorkomt: van de drie Griekse woorden voor liefde – eros,
philia (de liefde die wij vriendschap noemen) en agape – hebben de
schrijvers van het Nieuwe Testament voorkeur voor het laatste, dat overigens in
het Griekse taalgebruik weinig voorkwam. Het begrip vriendschap (philia)
wordt met een diepere betekenis gebruikt in het evangelie volgens Johannes
om de verhouding tussen Jezus en zijn leerlingen tot uitdrukking te brengen. De
neiging het woord eros te vermijden, samen met de nieuwe kijk op liefde,
die tot uitdrukking wordt gebracht met het woord agape, wijst zonder
twijfel op iets wezenlijks in de nieuwe wijze waarop het christendom juist de
liefde verstaat. In de kritiek op het christendom, die sinds de Verlichting
steeds radicaler is geworden, wordt dit nieuwe element geheel en al negatief
beschouwd. Het christendom – zo meende Friedrich Nietzsche – heeft eros
vergif te drinken gegeven; daar is hij weliswaar niet aan bezweken, maar het
heeft hem wel doen ontaarden in ondeugd (1). Hiermee gaf de Duitse filosoof uiting
aan een wijdverbreid gevoel: vergalt de Kerk, met haar geboden en verboden, niet
het mooiste wat het leven te bieden heeft? Zet ze niet juist daar verbodsborden
neer waar de ons door de Schepper toegedachte vreugde een geluk aanbiedt dat ons
een zekere voorproef geeft van het goddelijke?
4. Maar is dat werkelijk zo? Heeft het christendom inderdaad eros
vernietigd? Laten we eens naar de voorchristelijke wereld kijken. De Grieken –
zeer verwant met andere culturen – beschouwden eros voornamelijk als een
soort bedwelming, de overweldiging van de rede door een ‘goddelijke waanzin’,
die de mens wegrukt uit de beperktheid van zijn bestaan en hem, omdat hij
overmand wordt door een goddelijke macht, in staat stelt de allerhoogste
zaligheid te ervaren. Zo lijken alle andere machten tussen hemel en aarde
tweederangs: “Omnia vincit amor”, zegt Virgilius in de Bucolica –
“liefde overwint alles” – en hij voegt eraan toe: “et nos cedamus amori”
– “laten wij ons ook overgeven aan de liefde”(2). In verschillende godsdiensten
kwam dit tot uitdrukking in de vorm van vruchtbaarheidsriten, waar de ‘heilige’
prostitutie, die in veel tempels floreerde, bij hoort. Zo werd eros
gevierd als goddelijke kracht, als eenwording met het Goddelijke.
Het Oude Testament was hevig gekant tegen deze vorm van godsdienst, die een
zeer machtige verleiding vormde met betrekking tot het geloof in de ene God, en
bestreed deze als een pervertering van godsdienstigheid. Maar daarmee werd
eros als zodanig niet verworpen; integendeel de oorlog werd verklaard aan
een verwrongen en destructieve vorm ervan, omdat de valse vergoddelijking die
hier plaats vindt eros juist van zijn waardigheid berooft en onmenselijk
maakt. De prostituees in de tempel die deze goddelijke bedwelming moesten
schenken werden namelijk niet als mensen en personen behandeld, maar alleen
gebruikt als middel om de ‘goddelijke waanzin’ op te wekken; ze waren geen
godinnen doch misbruikte mensen. Een dronken, bandeloze
eros is dus geen opstijgen, geen ‘extase’ tot het Goddelijke, maar een diepe
val van de mens. Zo wordt duidelijk dat eros beheerst en gezuiverd zal
moeten worden om de mens niet alleen vluchtig genot te schenken, maar een zekere
voorproef van het hoogtepunt van ons bestaan, van die zaligheid waarop heel ons
wezen wacht.
5. Twee dingen zijn bij dit korte overzicht van het beeld van eros
in verleden en heden duidelijk geworden. Om te beginnen, liefde heeft ergens
iets met het Goddelijke te maken; liefde belooft oneindigheid, eeuwigheid – het
grotere en geheel andere tegenover het alledaagse van ons bestaan. Er is echter
ook gebleken dat de weg daarheen niet eenvoudigweg in de overweldiging door het
instinct gevonden kan worden. Zuivering en rijping zijn nodig, die ook langs de
weg van de onthouding leiden. Dat is geen verwerping van eros, daardoor
wordt eros niet ‘vergiftigd’; hij wordt er juist door geheeld en
teruggevoerd naar zijn ware grootsheid.
Dit is op de eerste plaats toe te schrijven aan het wezen van de mens, dat
uit lichaam en ziel bestaat. De mens wordt geheel zichzelf als lichaam en ziel
een innerlijke eenheid vormen. De uitdaging door eros is overwonnen als
deze eenheid tot stand gebracht is. Als de mens alleen geest wil zijn en het
lichaam om zo te zeggen zou willen afdoen als slechts behorend tot het dierlijk
erfgoed, verliezen zowel geest als lichaam hun waardigheid. En als hij de geest
loochent en de materie, het lichaam, als enige werkelijkheid beschouwt, verliest
hij eveneens zijn grootheid. De epicurist Gassendi sprak Descartes plagend aan
met “o geest”. En Descartes antwoordde met “o lichaam”(3). Maar het is niet de
geest of het lichaam dat liefheeft – de mens, de persoon, heeft lief als enig
schepsel dat uit geest en lichaam bestaat. Alleen als die twee werkelijk
verenigd zijn is de mens geheel zichzelf. Alleen zo kan liefde –
eros – tot zijn ware grootheid rijpen.
Tegenwoordig wordt het christendom van eertijds dikwijls verweten dat het
vijandig tegenover het lichaam gestaan zou hebben, en zulke tendensen zijn er
ook altijd wel geweest. Toch is de huidige verheerlijking van het lichaam
bedrieglijk. De tot ‘seks’ gereduceerde eros wordt een handelsartikel,
niet meer dan een ‘ding’ dat men kan kopen en verkopen. Ja, de mens zelf wordt
daarbij een handelsartikel. In werkelijkheid is dit juist niet het grote ‘ja’
van de mens tegen zijn lichaam. Integendeel, hij beschouwt nu zijn lichaam en
zijn seksualiteit als het zuiver materiële gedeelte van zichzelf, dat hij
berekenend gebruikt en exploiteert. Hij ziet dit gedeelte ook niet als een
gebied waar hij zijn vrijheid in praktijk kan brengen, maar als een ‘iets’ dat
hij naar eigen goeddunken probeert zowel plezierig als ongevaarlijk te maken.
Hier hebben we te maken met een ontering van het menselijk lichaam. Het is niet
langer geïntegreerd in het geheel van de vrijheid van ons bestaan; het is niet
langer een essentiële uitdrukking van ons hele wezen, maar het wordt min of meer
verbannen naar het louter biologische gebied. De schijnbare verheerlijking van
het lichaam kan snel omslaan in haat jegens de lichamelijkheid. In tegenstelling
daarmee heeft het christelijk geloof de mens altijd beschouwd als eenheid in
dualiteit, waarbij geest en materie in elkaar grijpen en waarin beide juist zo
tot een nieuwe verhevenheid komen. Ja, eros
wil ons tot het Goddelijke trekken, ons buiten onszelf brengen, maar juist
daarom vraagt eros om een weg van opstijgen, onthouding, zuivering en
genezing.
6. Hoe moeten we ons deze weg van opstijgen en zuivering in de praktijk
voorstellen? Hoe moet de liefde beleefd worden om de menselijke en goddelijke
belofte te verwezenlijken? Een eerste belangrijke aanwijzing kunnen we in het
Hooglied vinden, één van de boeken van het Oude Testament, dat bij de
mystici welbekend is. Volgens de tegenwoordig gangbare opvatting zijn de
gedichten waaruit het boek bestaat oorspronkelijk liefdesliederen, die wellicht
heel concreet voor een Israëlitische bruiloft bedoeld waren en de
huwelijksliefde verheerlijkten. Daarbij is het zeer leerzaam op te merken dat in
de loop van het boek twee verschillende woorden voor ‘liefde’ voorkomen. Daar is
eerst het woord ‘dodim’ – een meervoud dat de nog onzekere, onbestemd
zoekende liefde aanduidt. Dit woord wordt later opgevolgd door ‘ahaba’,
dat in de Griekse vertaling van het Oude Testament met agape vertaald
wordt, dat er qua klank op lijkt en – zoals we gezien hebben – het kenmerkende
woord voor het bijbelse begrip van liefde geworden is. In tegenstelling tot de
nog zoekende en onbestemde liefde wordt daarmee het ervaren van liefde
uitgedrukt, de werkelijke ontdekking van de ander en daarmee het overwinnen van
de zelfzucht, die eerder nog de boventoon voerde. Liefde wordt nu zorg om en
voor de ander. Ze zoekt zichzelf niet meer – het verzinken in de bedwelming van
het geluk – ze wil het goede voor de geliefde, ze wordt onthouding, ze wordt
offerbereid, ja ze wil zelfs offers brengen.
Bij het groeien van de liefde tot grotere hoogte en haar innerlijke zuivering
behoort het verlangen naar onherroepelijkheid, en wel in dubbele zin: in de zin
van exclusiviteit – ‘alleen deze ene mens’ – en in de zin van ‘voor altijd’. Zij
omvat het hele bestaan in alle dimensies, ook die van de tijd. Dat kan ook niet
anders, want haar belofte is gericht op onherroepelijkheid: de liefde richt zich
op de eeuwigheid. Ja, liefde is ‘extase’, maar geen extase in de zin van het
bedwelmende ogenblik, maar extase als een voortdurende weg uit het in zichzelf
opgesloten ‘ik’ naar het loslaten van het ‘ik’, naar overgave en juist zo naar
het vinden van zichzelf, ja, naar het vinden van God: “Wie zijn leven tracht te
redden, zal het verliezen en wie het verliest, zal het behouden” (Lc 17,33) zegt
Jezus – een uitspraak van Hem die in verschillende varianten in de evangeliën
terugkeert (vgl. Mt 10,39; 16,25; Mc 8,35; Lc 9,24; Joh 12,25). Jezus geeft
daarmee zijn eigen weg aan, die door het Kruis tot de Verrijzenis leidt – de weg
van de graankorrel, die in de aarde valt en sterft en zo rijke vruchten draagt.
Hij beschrijft hier echter ook het wezen van de liefde en het menselijk bestaan
op zich, vanuit het middelpunt van zijn eigen offer en zijn daarin tot
volmaaktheid komende liefde.
7. Onze tot nu toe nogal filosofische reflecties over het wezen van de liefde
hebben ons nu als vanzelf tot het bijbelse geloof geleid. Aan het begin hebben
we de vraag gesteld of de verschillende, ja zelfs met elkaar strijdige
betekenissen van het woord liefde naar een of andere innerlijke eenheid
verwijzen of dat ze zonder onderling verband naast elkaar moeten blijven staan.
In het bijzonder hebben we ook de vraag gesteld of de ons door de bijbel en de
Traditie van de Kerk verkondigde boodschap over de liefde iets te maken heeft
met de algemeen menselijke liefdeservaring of er misschien lijnrecht tegenover
staat. Daarbij zijn we de twee basiswoorden eros en agape
tegengekomen, eros om de ‘aardse’ liefde aan te duiden, agape als
uitdrukking voor de liefde die op het geloof gegrondvest en door het geloof
gevormd is. Die twee worden vaak ook als ‘opstijgende’ en ‘neerdalende’ liefde
tegenover elkaar gezet. Andere indelingen zijn hiermee verwant, zoals
bijvoorbeeld het onderscheid tussen begerende en schenkende liefde (amor
concupiscentiae – amor benevolentiae), waaraan dan dikwijls ook nog de
liefde die op eigen voordeel uit is toegevoegd wordt.
In de filosofische en theologische discussie zijn deze verschillen dikwijls
opgeblazen tot tegenstellingen: de neerdalende, schenkende liefde, agape,
zou christelijk zijn; de niet-christelijke, en meer in het bijzonder de Griekse
cultuur zou worden gekenmerkt door de opstijgende, begerende liefde, eros.
Als men deze tegenstelling radicaal doorvoert, wordt de essentie van het
christendom losgemaakt uit de fundamentele levensverbanden van het mens-zijn en
wordt het een aparte wereld, die men dan wel bewonderenswaardig mag noemen, maar
die toch afgesneden is van het geheel van het menselijk bestaan. In
werkelijkheid laten eros en agape – opstijgende en neerdalende
liefde – zich nooit helemaal van elkaar scheiden. Hoe meer die twee, in
verschillende dimensies, in de juiste eenheid met elkaar geraken in de ene
werkelijkheid van de liefde, des te meer verwerkelijkt zich het ware wezen van
de liefde. Ook al is eros op de eerste plaats verlangend, opstijgend –
gefascineerd door de grote belofte van het geluk – toch zal hij, als hij de
ander nader komt, steeds minder met zichzelf bezig zijn, steeds meer het geluk
van de ander willen, steeds meer zorg voor de ander hebben, zichzelf schenken,
er voor de ander willen zijn. Het element van agape doet zijn intrede,
anders raakt eros in verval en verliest ook zijn eigen wezen. Van de
andere kant is het ook onmogelijk voor de mens om alleen van de schenkende,
neerdalende liefde te leven. Hij kan niet alleen maar geven, hij moet ook
ontvangen. Wie liefde wil schenken, moet haar zelf ook krijgen. Zeker, de mens
kan – zoals de Heer ons zegt – tot bron worden, waaruit stromen van levend water
vloeien (vgl. Joh 7,37-38). Maar om zo’n bron te worden, moet de mens zelf
steeds weer uit de eerste, de oorspronkelijke bron drinken – bij Jezus Christus,
uit wiens geopende hart de liefde van God zelf stroomt (vgl. Joh 19,34).
De Kerkvaders hebben in het verhaal van de Jakobsladder op velerlei wijzen
een symbool gezien van deze onlosmakelijke band tussen opstijgen en neerdalen,
van eros die God zoekt en agape die het ontvangene doorgeeft. In
deze bijbelpassage wordt verhaald dat de aartsvader Jakob in een droom boven de
steen die hem als hoofdkussen diende een ladder zag waarvan de top tot in de
hemel reikte en waarlangs engelen opstegen en afdaalden (vgl. Gn 28,12; Joh
1,51). Bijzonder indrukwekkend is de uitleg van deze droom die paus Gregorius de
Grote in zijn Regula pastoralis geeft. De ware herder, zo zegt hij, moet
zijn thuis hebben in de contemplatie. Alleen zo kan hij de noden van anderen in
zijn binnenste opnemen, zodat die de zijne worden: “per pietatis viscera in
se infirmitatem caeterorum transferat”(4). Gregorius verwijst daarbij naar
Paulus, die werd weggerukt naar de grootste mysteries van God en juist daardoor,
neerdalend alles voor allen wordt (vgl. 2Kor 12,2-4; 1Kor 9,22). Daarnaast haalt
hij ook nog het voorbeeld van Mozes aan, die iedere keer weer de tent van
samenkomst betreedt en met God in gesprek is, om van God uit er voor zijn volk
te kunnen zijn. “Binnen [in de tent] wordt hij omhoog getrokken door de
beschouwing, buiten [de tent] neemt hij de last van de lijdenden op zich –
intus in contemplationem rapitur, foris infirmantium negotiis urgetur”(5).
8. Hiermee zijn we gekomen tot een eerste, zij het nog zeer algemeen antwoord
op de twee bovengenoemde vragen: uiteindelijk is ‘liefde’ één enkele
werkelijkheid, maar ze heeft verschillende dimensies – soms kan de ene kant dan
weer de andere sterker naar voren komen. Als de twee kanten echter geheel los
van elkaar geraken, ontstaat een karikatuur of in ieder geval een verkommerde
vorm van de liefde. En we hebben ook al in principe vastgesteld dat het bijbelse
geloof geen wereld naast of zelfs tegenover het menselijke oergegeven van de
liefde opwerpt, doch de hele mens aanvaardt, zuiverend ingrijpt bij zijn zoeken
naar liefde en daarbij nieuwe dimensies biedt. Dit nieuwe van het bijbelse
geloof toont zich vooral op twee punten die extra aandacht verdienen: het
godsbeeld en het mensbeeld.
Het nieuwe van het bijbelse geloof
9. Op de eerste plaats houdt de bijbel ons een nieuw beeld van God voor. In
omringende culturen blijft het beeld van God en de goden uiteindelijk
onduidelijk en tegenstrijdig. In de ontwikkeling van het bijbelse geloof werd
echter de inhoud van het voor Israël fundamentele gebed, de Shema, steeds
duidelijker en ondubbelzinniger: “Luister, Israël! De Heer is onze God, de Heer
is de Enige” (Dt 6,4). Er is maar één God, die de Schepper van hemel en aarde is
en dus ook de God van alle mensen. Deze precisering omvat twee unieke elementen.
Ten eerste, werkelijk alle andere goden zijn God niet en Hij is de oorsprong van
de hele werkelijkheid waarin wij leven; Hij heeft die geschapen. Natuurlijk
wordt het idee van schepping ook elders gevonden, maar alleen hier wordt
absoluut duidelijk dat niet zomaar een god maar de ene ware God zelf de oorzaak
is van de hele werkelijkheid, dat die ontstaan is door de macht van zijn
scheppend Woord. Daarom is zijn schepping Hem dierbaar, want die is door Hem
gewild en ‘gemaakt’. Het tweede belangrijke element komt nu naar boven: deze God
houdt van de mens. De goddelijke macht die Aristoteles op het hoogtepunt van de
Griekse filosofie trachtte te begrijpen middels reflectie is weliswaar voor
ieder wezen voorwerp van verlangen en liefde – als geliefde beweegt deze godheid
de wereld(6) – maar deze godheid zelf ontbeert niets en heeft ook niet lief, doch
wordt alleen bemind. De ene God, waarin Israël gelooft, heeft zelf lief. Zijn
liefde is bovendien een uitverkiezende liefde; uit alle naties kiest Hij Israël
en heeft het lief – evenwel met het doel zo de gehele mensheid te genezen. God
heeft lief en zijn liefde mag zeker eros genoemd worden, maar ze is ook
volledige agape(7).
Met name de profeten Hosea en Ezechiël hebben Gods hartstochtelijke liefde
voor zijn volk beschreven door het gebruik van vrijmoedige erotische beelden.
Gods verhouding met Israël wordt beschreven middels de metaforen van verloving
en huwelijk; daarom is afgoderij overspel en prostitutie. Hier vinden we een
concrete verwijzing, zoals we gezien hebben, naar de vruchtbaarheidsriten en hun
misbruik van eros, maar ook een beschrijving van de verhouding van trouw
tussen Israël en God. De liefdesgeschiedenis van God met Israël bestaat er ten
diepste in dat God Israël de Tora schenkt, dat wil zeggen het volk de ogen opent
voor de ware natuur van de mens en het de weg toont die naar ware menselijkheid
leidt. Deze geschiedenis bestaat erin dat de mens die in trouw aan de ene God
leeft, ervaart dat hij Gods geliefde is en tevens vreugde in de waarheid en de
gerechtigheid, vreugde in God vindt, die zijn wezenlijk geluk wordt: “Wie anders
dan U heb ik in de hemel, niets wil ik op aarde dan U … Mij is het genoeg bij de
Heer te vertoeven” (Ps 73 [72],25.28).
10. Gods eros voor de mens is – zoals we reeds zeiden – ook geheel en
al agape. Dit is niet alleen het geval omdat deze liefde volledig om niet
wordt geschonken, zonder enige voorafgaande verdienste, maar ook omdat het
vergevende liefde is. Vooral Hosea laat zien dat deze agape-dimensie van
Gods liefde voor de mens veel verder gaat dan het feit dat deze onverdiend wordt
geschonken. Israël heeft ‘overspel’ gepleegd, het verbond gebroken; God zou
eigenlijk moeten oordelen, verstoten. Maar juist nu wordt geopenbaard dat God
God is en geen mens: “Hoe zou Ik echter u kunnen opgeven, Efraïm, u kunnen
uitleveren, Israël? … Mijn hart slaat over, heel mijn binnenste wordt week. Nee,
Ik zal mijn vlammende woede toch niet koelen, Efraïm niet opnieuw te gronde
richten, want Ik ben God, Ik ben geen mens, Ik ben de Heilige in uw midden” (Hos
11,8-9). Gods hartstochtelijke liefde voor zijn volk – voor de mens – is
tegelijkertijd een vergevende liefde. Die liefde is zo groot dat ze God tegen
zichzelf keert, zijn liefde tegen zijn rechtvaardigheid. Hierin zien christenen
een verborgen voorafbeelding van het mysterie van het Kruis: God heeft de mens
zo lief dat Hij zelf mens wordt, hem zelfs volgt in de dood en zo gerechtigheid
en liefde met elkaar verzoent.
Vanuit het oogpunt van filosofie en godsdienstgeschiedenis bestaat het
opmerkelijke van deze bijbelse visie erin dat wij van de ene kant een strikt
metafysisch Godsbeeld voor ons hebben: God is de oerbron van alles wat er
bestaat; maar deze oorsprong van de schepping van alle dingen – de Logos,
het oerverstand – heeft tegelijkertijd lief met alle hartstocht van de ware
liefde. Daarmee is eros op het hoogste plan getild, maar tegelijkertijd
zo gezuiverd dat hij met agape versmelt. Zo kunnen we begrijpen dat het
opnemen van het Hooglied in de canon van de heilige Schrift al zeer vroeg
verklaard werd uit de interpretatie dat deze liefdesliederen uiteindelijk de
verhouding van God tot de mens en van de mens tot God beschrijven. Zo is het
Hooglied zowel in de joodse als in de christelijke literatuur tot bron van
mystieke kennis en ervaring geworden, waarin het wezen van het bijbelse geloof
tot uitdrukking komt; ja, de mens kan zich met God verenigen – de oerdroom van
de mens. Die vereniging is echter geen versmelting, geen ondergaan in de
naamloze oceaan van het goddelijke, maar het is eenheid die liefde schept,
waarbij beiden – God en de mens – zichzelf blijven en toch geheel één worden:
“Wie zich met de Heer verenigt, is met Hem één geest”, zegt de heilige apostel
Paulus (1Kor 6,17).
11. Het eerste nieuwe element van het bijbelse geloof ligt, zoals wij gezien
hebben, in het godsbeeld; het tweede, daarmee innerlijk verbonden, vinden we in
het mensbeeld. Het scheppingsverhaal van de bijbel spreekt over de eenzaamheid
van de eerste mens, Adam, die God een hulp aan zijn zijde wil geven. Geen van de
andere schepselen kan voor de mens deze hulp zijn die hij nodig heeft, ofschoon
hij alle dieren van het veld en alle vogels een naam geeft en deze zo in de
context van zijn leven betrekt. Dan maakt God uit een rib van de man de vrouw.
Nu vindt Adam de hulp waaraan hij behoefte heeft: “Eindelijk, dit is been van
mijn gebeente en vlees van mijn vlees” (Gn 2,23). Daarachter kan men begrippen
zien zoals die bijvoorbeeld in de door Plato vermelde mythe tevoorschijn komen;
de mens zou oorspronkelijk bolvormig zijn geweest, dat wil zeggen geheel op
zichzelf gericht en zelfgenoegzaam. Hij werd echter door Zeus als straf voor
zijn hoogmoed gehalveerd, zodat hij nu voortdurend naar de andere helft van
zichzelf verlangt, waarnaar hij op weg is, om weer heel te worden(8). In het
bijbelverhaal is geen sprake van straf, maar wel is er de gedachte dat de mens
als het ware onvolledig is – van nature op weg om in de ander zijn heelheid te
vinden, dat hij slechts in het samenzijn van man en vrouw ‘heel’ wordt. Het
bijbelverhaal besluit dan ook met een profetie over Adam: “Daarom zal een mens
zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee
zullen één zijn” (Gn 2,24).
Deze profetie heeft twee belangrijke aspecten. Eros is als het ware
van nature in de mens zelf verankerd. Adam is op zoek en “verlaat zijn vader en
moeder” om de vrouw te vinden; alleen samen vertegenwoordigen zij de hele
mensheid, worden samen “één vlees”. Het tweede is niet minder belangrijk.
Eros verwijst vanaf de schepping naar het huwelijk, naar een verbintenis
die uniek en onherroepelijk is. Zo en alleen zo beantwoordt hij aan zijn diepe
doel. Het monogame huwelijk stemt overeen met het monotheïstische godsbeeld. Het
op exclusieve en onherroepelijke liefde berustende huwelijk wordt tot beeld van
de verhouding tussen God en zijn volk en omgekeerd: de wijze waarop God
liefheeft wordt tot maatstaf voor de menselijke liefde. Deze nauwe band tussen
eros en het huwelijk in de bijbel vinden we nauwelijks in buitenbijbelse
literatuur.
Jezus Christus – de mensgeworden liefde van God
12. Ofschoon we tot nu toe overwegend over het Oude Testament gesproken
hebben, is niettemin de verwevenheid van de beide Testamenten als de ene Schrift
van het christelijk geloof zichtbaar geworden. Het werkelijk nieuwe van het
Nieuwe Testament zijn niet de nieuwe ideeën, maar de figuur van Christus zelf,
die de oudtestamentische gedachten vlees en bloed een ongehoord realisme geeft.
In het Oude Testament bestaat het nieuwe van de bijbel trouwens evenmin enkel
uit gedachten, doch uit het onverwachte en in zeker opzicht ongehoorde handelen
van God. Dit handelen van God neemt een dramatische vorm aan, nu God in Jezus
Christus zelf het ‘verloren schaap’, de lijdende en verloren mensheid, achterna
gaat. Als Jezus in zijn gelijkenissen spreekt over de herder die achter het
verloren schaap aan gaat, over de vrouw die de drachme zoekt, over de vader die
de verloren zoon tegemoet gaat en hem omhelst, dan zijn dat niet alleen maar
woorden, maar beelden van zijn eigen zijn en doen. Zijn dood op het Kruis is het
hoogtepunt van de manier waarop God zich tegen zichzelf keert, waarbij Hij
zichzelf wegschenkt om de mens weer op te richten en hem te redden – liefde in
de meest radicale vorm. Door de doorboorde zijde van Christus te aanschouwen,
waar Johannes in zijn evangelie over spreekt (vgl. 19,37), kunnen we het
uitgangspunt van deze encycliek begrijpen: “God is liefde” (1Joh 4,8). Daar kan
deze waarheid worden aanschouwd.
En van daaruit moeten we nu definiëren wat liefde is. Vanuit deze
aanschouwing ontdekt de christen de weg van zijn leven en zijn liefde.
13. Jezus heeft deze daad van zelfgave blijvend aanwezig gemaakt door de
instelling van de Eucharistie tijdens het Laatste Avondmaal. Hij anticipeert op
zijn dood en verrijzenis door zichzelf reeds in dit uur aan zijn leerlingen te
geven in brood en wijn, zijn Lichaam en Bloed, als het nieuwe manna (vgl. Joh
6,31-33). De antieke wereld had ervan gedroomd dat uiteindelijk het werkelijke
voedsel van de mens – datgene waarvan hij als mens leeft – de Logos, de
eeuwige wijsheid, is; diezelfde Logos is nu waarlijk voedsel voor ons
geworden – als liefde. De Eucharistie haalt ons binnen in Jezus’ zelfgave. We
ontvangen niet alleen maar statisch de mensgeworden Logos, maar we worden
binnengehaald in de dynamiek van zijn zelfgave. Het beeld van het huwelijk
tussen God en Israël wordt nu werkelijkheid op een wijze die eerder ondenkbaar
was: het staan voor God is vereniging met God geworden door het delen in Jezus’
zelfgave, delen in zijn Lichaam en Bloed. De sacramentele ‘mystiek’, gegrond in
Gods neerdaling tot ons, reikt verder en voert hoger dan welke mystieke opgang
van de mens ook.
14. Maar nu moeten we nog een aspect bekijken. Deze ‘mystiek’ van het
sacrament is sociaal van aard, want in de sacramentele communie word ik verenigd
met de Heer, evenals alle andere mensen die de communie ontvangen. Zoals de
apostel Paulus zegt: “Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één
lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood” (1Kor 10,17). Vereniging
met Christus is ook vereniging met al diegenen aan wie Hij zichzelf schenkt. Ik
kan Christus niet voor mezelf alleen hebben; ik kan Hem alleen toebehoren in
gemeenschap met allen die de Zijnen zijn geworden of zullen worden. De communie
trekt mij uit mezelf naar Hem toe en zo naar eenheid met alle christenen. We
worden “één lichaam”, geheel en al samengevoegd in één enkel bestaan. Liefde tot
God en naastenliefde zijn nu werkelijk verenigd; de mensgeworden God trekt ons
allen tot zich. Zo kunnen we begrijpen hoe agape ook een aanduiding voor
de Eucharistie wordt; daar komt Gods agape lichamelijk tot ons om zijn
werk in ons en door ons voort te zetten. Alleen vanuit deze
christologisch-sacramentele basis kunnen we Jezus’ leer over de liefde op de
juiste wijze begrijpen. De overgang die Hij bewerkstelligt van de Wet en de
Profeten naar het dubbelgebod van de liefde tot God en tot de naaste, evenals
het feit dat dit gebod tot middelpunt van het hele geloofsleven is gemaakt, is
niet eenvoudigweg een kwestie van moraal, die zou kunnen bestaan los van en
naast het geloof in Christus en de sacramentele presentstelling daarvan. Geloof,
eredienst en moraal zijn in elkaar gestrengeld tot één enkele werkelijkheid die
vorm krijgt in onze ontmoeting met Gods agape. Hier houdt de
gebruikelijke tegenstelling tussen eredienst en moraal eenvoudigweg geen stand.
‘Eredienst’ zelf, eucharistische gemeenschap, omvat de werkelijkheid van zowel
bemind worden als ook anderen op hun beurt liefhebben. Eucharistie die zich niet
vertaalt in concrete beoefening van de liefde is ten diepste onvolledig. Van de
andere kant is het ‘gebod’ van de liefde alleen mogelijk omdat het meer is dan
een vereiste, zoals we hierna nog uitvoerig zullen moeten overwegen. Liefde kan
een ‘gebod’ zijn, omdat er eerst liefde geschonken wordt.
15. Zo kunnen we de grote gelijkenissen van Jezus begrijpen. De rijke vrek
(vgl. Lc 16,19-31) smeekt vanuit de onderwereld waar hij gefolterd wordt dat aan
zijn broers gemeld zal worden hoe het de mens vergaat die de noodlijdende arme
gewoonweg over het hoofd heeft gezien. Jezus pakt om zo te zeggen deze noodkreet
op en reikt die ons aan om ons te waarschuwen, om ons op het rechte pad te
brengen. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (vgl. Lc 10,25-37)
verduidelijkt bovenal twee zaken. Tot die tijd sloeg het begrip ‘naaste’ in
feite alleen op de volksgenoten en op de vreemdelingen die zich in het land
Israël gevestigd hadden, met andere woorden, op de hechte gemeenschap van een
land en een volk. Deze grens wordt nu doorbroken: iedereen die mij nodig heeft
en die ik helpen kan is mijn naaste. Het begrip ‘naaste’ wordt universeel
gemaakt en blijft toch concreet. Het wordt, ook al wordt het uitgebreid tot alle
mensen, niet gereduceerd tot een vrijblijvende liefde op verre afstand, maar
vereist mijn praktische inzet, hier en nu. De Kerk heeft de voortdurende opgave
deze samenhang tussen veraf en nabij te interpreteren met betrekking tot het
leven in de praktijk van haar leden. Ten slotte moeten we nog bijzondere
aandacht besteden aan de grote gelijkenis van het Laatste Oordeel (vgl. Mt
25,31-46), waarin de liefde tot maatstaf wordt wat betreft het definitieve
oordeel over de waarde dan wel het gebrek daaraan van een mensenleven. Jezus
vereenzelvigt zich met de noodlijdenden: de hongerigen, de dorstigen, de
vreemdelingen, de naakten, de zieken, degenen die in de gevangenis zitten. “Al
wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor
Mij gedaan” (Mt 25,40). Liefde tot God en tot de naaste versmelten; in de
geringste ontmoeten wij Jezus zelf en in Jezus ontmoeten wij God.
Liefde tot God en tot de naaste
16. Na al deze overwegingen over het wezen van de liefde en de uitleg daarvan
in het bijbelse geloof, blijft er een tweeledige vraag met betrekking tot onze
eigen houding. Ten eerste, kunnen wij God wel liefhebben terwijl we Hem niet
zien? En ten tweede, kan liefde geboden worden? Tegen het dubbelgebod van de
liefde kan een, in deze vragen doorklinkend, dubbel bezwaar worden ingebracht.
Niemand heeft ooit God gezien – hoe kunnen wij Hem dan liefhebben? En daarnaast:
liefhebben kan men niet op bevel, want liefde is een gevoel, dat er is of niet,
maar dat niet door de wil teweeg gebracht kan worden. De Schrift lijkt het
eerste bezwaar te bevestigen: “Als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl
hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij
ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien”(
1Joh 4,20). Deze tekst sluit echter de liefde tot God helemaal niet uit als iets
onmogelijks – in tegendeel, in de context van de zojuist geciteerde
Eerste brief van Johannes wordt die juist uitdrukkelijk geëist. Het
is de onlosmakelijke band tussen liefde tot God en naastenliefde die wordt
onderstreept. Die twee horen zo nauw bij elkaar dat de mens liegt als hij zegt
dat hij God liefheeft terwijl hij zich afsluit voor zijn naaste of deze zelfs
haat. Dit vers uit de Johannesbrief moet veel eerder uitgelegd worden in
de zin dat naastenliefde een manier is om ook God te ontmoeten, en dat zich
afwenden van de naaste de mens tevens blind maakt voor God.
17. Inderdaad, niemand heeft God gezien zoals Hij in zichzelf is. En toch is
God niet helemaal onzichtbaar voor ons; Hij is niet gewoonweg ontoegankelijk
gebleven. God heeft ons het eerst liefgehad, zegt de reeds aangehaalde
Johannesbrief (vgl. 4,10) en deze liefde van God is onder ons verschenen,
zichtbaar geworden “doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld gezonden heeft, om
ons het leven te brengen” (1Joh 4,9). God heeft zich zichtbaar gemaakt; in Jezus
kunnen wij de Vader zien (vgl. Joh 14,9). God is inderdaad op heel veel manieren
zichtbaar. In de liefdesgeschiedenis die de bijbel ons vertelt komt Hij ons
tegemoet, tracht ons voor zich te winnen – tot aan het Laatste Avondmaal, tot
aan zijn aan het Kruis doorstoken hart, tot aan de verschijningen van de
Verrezene en de grote daden waarmee Hij middels het handelen van de apostelen de
jonge Kerk op haar weg begeleid heeft. In de verdere kerkgeschiedenis is de Heer
ook niet afwezig. Steeds weer komt Hij op ons toe – door mensen die Hem
weerspiegelen, door zijn Woord, in de sacramenten, in het bijzonder in de
Eucharistie. In de liturgie van de Kerk, in haar gebeden, in de levende
gemeenschap van de gelovigen, daar ervaren wij Gods liefde, nemen wij Hem waar
en leren wij ook zijn aanwezigheid in ons dagelijks leven te herkennen. Hij
heeft ons het eerst liefgehad en heeft ons ook nu het eerst lief; daarom kunnen
wij ook met liefde antwoorden. God schrijft ons geen gevoel voor dat we niet
kunnen oproepen. Hij heeft ons lief, laat ons zijn liefde zien en gewaar worden,
en uit dit ‘het eerst’ van God kan als antwoord ook in ons de liefde ontkiemen.
Daarenboven wordt in dit proces van ontmoeting ook duidelijk dat liefde niet
alleen maar een gevoel is. Gevoelens komen en gaan. Het gevoel kan een geweldige
eerste vonk zijn, maar het is niet de hele liefde. We hebben aan het begin
gesproken over het proces van zuivering en rijping, waardoor eros
helemaal zichzelf wordt, liefde in de volle zin van het woord. Rijpe liefde
mobiliseert alle vermogens van de mens en schakelt om zo te zeggen de hele mens
in. De ontmoeting met de zichtbare manifestaties van Gods liefde kan in ons het
gevoel van vreugde opwekken dat voortkomt uit de ervaring van het geliefd zijn.
Maar deze ontmoeting doet ook een beroep op onze wil en ons verstand. De
erkenning van de levende God is de weg naar de liefde en het ‘ja’ van onze wil
gesproken tegen zijn wil verenigt verstand, wil en gevoel in de alomvattende
daad van liefde. Dit is natuurlijk een proces, dat steeds blijft voortduren;
liefde is nooit ‘klaar’ en voltooid; ze verandert in de loop van het leven,
rijpt en blijft daardoor juist trouw aan zichzelf. Idem velle atque idem
nolle(9) – hetzelfde willen en hetzelfde verwerpen – dat is wat men in de
oudheid als de ware inhoud van de liefde beschouwde: het op-elkaar-gaan-lijken,
dat tot gemeenschap in willen en denken leidt. De liefdesgeschiedenis van God en
mens bestaat erin dat dit gemeenschappelijke willen groeit in het
gemeenschappelijk denken en voelen en zo ons willen en de wil van God steeds
meer samenvallen. Dan is de wil van God geen vreemde wil meer voor mij, die mij
door geboden van buitenaf wordt opgelegd, maar mijn eigen wil, op grond van het
besef dat God inderdaad dichter bij mij is dan ik bij mijzelf kan zijn(10). Dan
groeit de overgave aan God. Dan wordt God ons geluk (vgl. Ps 73 [72],23-28).
18. Zo wordt naastenliefde in de door de bijbel, door Jezus, verkondigde
betekenis mogelijk. Die bestaat erin dat ik ook de medemens die ik vooralsnog
helemaal niet mag of zelfs niet ken, vanuit God liefheb. Dat is alleen maar
mogelijk vanuit de innerlijke ontmoeting met God, die tot een gemeenschappelijk
willen is geworden en zelfs reikt tot in het gevoel. Dan leer ik die ander niet
meer alleen met mijn ogen en gevoelens te bekijken, maar vanuit het perspectief
van Jezus Christus. Zijn vriend is mijn vriend. Ik zie door het uiterlijk heen
zijn innerlijk wachten op een gebaar van liefde, van aandacht, die ik hem niet
alleen doe toekomen middels de daarvoor bestaande organisaties en die ik
wellicht als politiek noodzakelijk erken. Ik kijk met Christus en kan de ander
meer geven dan de noodzakelijke uiterlijke dingen: de blik van liefde waaraan
hij behoefte heeft. Hier zien we de noodzakelijke wisselwerking tussen de liefde
tot God en de liefde tot de naaste, waarover de eerste brief van Johannes
zo indringend spreekt. Als ik in mijn leven helemaal geen contact met God heb,
kan ik in de ander alleen de ander zien en kan ik het goddelijk beeld in hem
niet herkennen. Als ik echter de aandacht voor de ander helemaal uit mijn leven
weglaat en alleen maar ‘vroom’ wil zijn, alleen mijn ‘godsdienstige plichten’
vervullen, verdort ook mijn relatie met God. Dan is die alleen nog maar
‘correct’, doch zonder liefde. Slechts mijn bereidheid naar de naaste toe te
gaan en hem liefde te tonen, maakt mij ook gevoelig jegens God. Alleen de dienst
aan de naaste opent mijn ogen voor wat God voor mij doet en hoe Hij mij
liefheeft. De heiligen – denken we bijvoorbeeld aan de zalige Teresa van
Calcutta – hebben de kracht om de naaste lief te hebben steeds weer geput uit
hun ontmoeting met de eucharistische Heer, en omgekeerd heeft deze ontmoeting
werkelijkheid en diepte gekregen door hun dienst aan de naaste. Liefde tot God
en liefde tot de naaste zijn onscheidbaar: er is slechts één gebod. De liefde
tot God en tot de naaste leven echter beide van de liefde van God, die ons het
eerst heeft liefgehad. Zo is het geen ‘gebod’ van buitenaf meer, dat ons het
onmogelijke voorschrijft, maar een geschonken ervaring van de liefde van
binnenuit, die op grond van haar wezen aan anderen doorgegeven moet worden.
Liefde groeit door liefde. Ze is ‘goddelijk’ omdat ze van God komt en ons met
God verenigt, en in dit proces van eenwording maakt ze ons tot een ‘wij’, dat al
onze verdeeldheid overwint en ons één laat worden, zodat uiteindelijk “God alles
in allen” is (vgl. 1Kor 15,28).
Deel twee
Caritas
Het beoefenen van de liefde door de Kerk als een ‘gemeenschap van liefde’
Het beoefenen van de liefde door de Kerk als uiting van de trinitaire
liefde
19. “Als je liefde ziet, zie je de Allerheiligste Drie-eenheid”,
schreef St. Augustinus(11). In de voorafgaande overwegingen hebben we onze blik
kunnen richten op de geopende zijde van Jezus, op Hem “die zij doorboord hebben”
(vgl. Joh 19,37; Zach 12,10) en daarbij het plan van de Vader herkend, die uit
liefde (vgl. Joh 3,16) zijn eniggeboren Zoon naar de wereld gestuurd heeft, om
de mensen te verlossen. Bij zijn dood aan het kruis heeft Jezus, zoals de
evangelist meldt, “de geest gegeven” (vgl. Joh 19,30) – vooruitlopend op de gave
van de heilige Geest, die Hij na zijn verrijzenis zou schenken (vgl. Joh 20,22).
Zo werd de belofte vervuld van de “stromen van levend water”, die dankzij de
uitstorting van de Geest uit het binnenste van de gelovigen zouden vloeien (vgl.
Joh 7,38-39). De Geest is namelijk de innerlijke kracht die hun hart in
overeenstemming brengt met het hart van Christus en hen beweegt de medemensen
lief te hebben zoals Hij hen heeft liefgehad, toen Hij voorover boog om de
voeten van de leerlingen te wassen (vgl. Joh 13,1-13) en heel in het bijzonder
toen Hij voor allen zijn leven gaf (vgl. Joh 13,1; 15,13).
De Geest is ook een kracht die het hart van de kerkelijke gemeenschap
verandert, zodat zij in de wereld kan getuigen van de liefde van de Vader, die
de mensheid in zijn Zoon wil maken tot één enige familie. Alles wat de Kerk doet
is uiting van een liefde die het gehele welzijn van de mens nastreeft: de
evangelisatie door het Woord en de sacramenten – een onderneming die in de loop
der eeuwen dikwijls heldhaftig is geweest – en de bevordering en ontwikkeling
van het leven en werken van de mens op de verschillende terreinen. Zo is liefde
de dienst die de Kerk verleent om onverdroten ook in het materiële lijden en de
materiële noden van de mensen te voorzien. Op dit aspect, op deze liefdesdienst,
wil ik in dit tweede deel van de encycliek nader ingaan.
Het beoefenen van de liefde als opdracht van de Kerk
20. De naastenliefde, verankerd in de liefde tot God, is op de eerste plaats
een opdracht aan iedere individuele gelovige, maar ook aan de gezamenlijke
kerkelijke gemeenschap, en wel op alle niveaus, van de lokale gemeenschap en de
particuliere Kerk tot aan de universele Kerk toe. Ook de Kerk als gemeenschap
moet de liefde in praktijk brengen. Daarom heeft de liefde ook behoefte aan
organisatie als voorwaarde voor geordend, gemeenschappelijk dienen. Het
bewustzijn van deze opdracht is in de Kerk vanaf het begin sterk aanwezig
geweest: “Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten
alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen
en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte” (Hnd 2,44-45). Lucas
vertelt ons dit in de context van een soort blauwdruk van de Kerk, waarbij hij
tot de essentiële elementen rekent het vasthouden aan de ‘leer der apostelen’ en
aan het ‘gemeenschappelijk leven’ (koinonia), aan het ‘breken van het
brood’ en aan het ‘gebed’ (vgl. Hnd 2,42). Het hier aanvankelijk niet verder
omschreven element van ‘gemeenschap’ (koinonia) wordt in de hierboven
geciteerde verzen concreet gemaakt. De gemeenschap bestaat erin dat de gelovigen
alles gemeenschappelijk hebben en dat er bij hen geen verschil tussen rijk en
arm meer is (vgl. ook Hnd 4,32-37). Deze vorm van materiële gemeenschap kon
natuurlijk geen stand houden toen de Kerk zich uitbreidde. Maar de kern, waar
het om ging, bleef wel bestaan. In de gemeenschap van de gelovigen mag er geen
armoede bestaan in de zin dat iemand verstoken is van de goederen die voor een
menswaardig bestaan noodzakelijk zijn.
21. We zien dat een beslissende stap wordt genomen in de worsteling om dit
kerkelijk grondbeginsel door te voeren met de keuze van zeven mannen, die de
oorsprong van het diakenambt vormde (vgl. Hnd 6,5-6). Het ging hier om de
ongelijkheid die ontstaan was tussen het Hebreeuws en het Grieks sprekende deel
van de vroege Kerk bij de dagelijkse zorg voor de weduwen. De apostelen, aan wie
voor alles ‘het gebed’ (Eucharistie en liturgie) en de ‘dienst van het woord’
was opgedragen, voelden zich overbelast met de ‘zorg voor de ondersteuning’. Ze
besloten dus zich te beperken tot hun voornaamste opdracht en voor de andere, in
de Kerk evenzeer noodzakelijke opdracht de groep van zeven in te stellen, van
wie overigens ook niet alleen maar de dienst van de verdeling zonder meer werd
gevraagd. Het moesten mannen “vol van geest en wijsheid” zijn (vgl. Hnd 6,1-6).
Dat betekent dat de maatschappelijke dienst die ze moesten verlenen, zeer
concreet maar tegelijk ook geheel en al een geestelijke dienst was en dat hun
ambt derhalve een geestelijk ambt was, waarin een voor de Kerk essentiële
opdracht, namelijk de geordende naastenliefde, werd uitgevoerd. Door het
instellen van deze groep van zeven was nu die ‘diakonia’ – de dienst van
de gemeenschappelijk, ordelijk beoefende naastenliefde – in de basisstructuur
van de Kerk zelf verankerd.
22. In de loop der tijd en met de voortschrijdende uitbreiding van de Kerk
werd de liefdadigheid, de caritas, gevestigd als een deelgebied dat
wezenlijk voor haar is, samen met de bediening van de sacramenten en de
verkondiging van het Woord. Liefde bewijzen aan weduwen en wezen, aan
gevangenen, aan zieken en alle soorten noodlijdenden, behoort evenzeer tot het
wezen van de Kerk als de dienst van de sacramenten en de verkondiging van het
evangelie. De Kerk kan de liefdadigheid evenmin verwaarlozen als de sacramenten
en het Woord. De martelaar Justinus († omstreeks 155) schetst in de context van
de zondagse viering van de christenen ook hun liefdadigheid, waarmee de
Eucharistie als zodanig innig verbonden is. De welgestelden geven naargelang hun
mogelijkheden, ieder zoveel hij wil. Met de opbrengst ondersteunt de bisschop
dan de wezen, de weduwen en degenen die vanwege ziekte of om andere redenen in
nood verkeren, evenals de gevangenen en de vreemdelingen(12). De grote
christelijke schrijver Tertullianus († na 220) meldt dat de zorg van de
christenen voor allerlei soorten noodlijdenden de verbazing van de heidenen
wekt(13). En als Ignatius van Antiochië († rond 117) de Kerk van Rome de
“voorzitter van het liefdesverbond” (verbond van agape)(14) noemt, kan men
wel met zekerheid aannemen dat hij met deze aanduiding in zekere zin ook haar
concrete liefdadigheid tot uitdrukking wilde brengen.
23. In deze context mag een verwijzing naar de wettelijke structuren wat
betreft de liefdadigheid in de jonge Kerk nuttig zijn. Rond het midden van de
vierde eeuw krijgt in Egypte de zogenaamde ‘diaconie’ vorm: een instelling in
ieder monnikenklooster, die verantwoordelijk is voor alle steunverlening – de
caritas. Uit dit eerste begin ontwikkelt zich in Egypte tot aan de zesde
eeuw een vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid, waaraan de staat zelfs
een deel van het koren voor openbare uitdeling toevertrouwt. In Egypte heeft
uiteindelijk niet alleen elk klooster maar ook ieder bisdom zijn diaconie – een
instelling die zich dan zowel in het Oosten als in het Westen uitbreidt. Paus
Gregorius de Grote († 604) vermeldt de diaconie in Napels. Wat betreft Rome zijn
er schriftelijke bewijzen voor diaconieën vanaf de zevende en de achtste eeuw.
Maar vanzelfsprekend behoorde de steunverlening aan armen en noodlijdenden,
volgens de principes voor het christelijk leven ontwikkeld in de Handelingen
der Apostelen, ook eerder al en vanaf het begin wezenlijk bij de Kerk van
Rome. Deze opdracht wordt levendig tot uitdrukking gebracht in de figuur van de
diaken Laurentius († 258). De dramatische beschrijving van zijn martelaarschap
was reeds aan de heilige Ambrosius († 397) bekend en toont ons in essentie het
authentieke beeld van de heilige. Hem werd als verantwoordelijke voor de
Romeinse armenzorg na de arrestatie van zijn medebroeders en van de paus nog wat
tijd gelaten om de schatten van de Kerk bij elkaar te zamelen met het doel ze
aan de wereldlijke overheden te overhandigen. Laurentius verdeelde de
beschikbare middelen onder de armen, en stelde dezen aan de machthebbers voor
als de ware schat van de Kerk(15). Hoe men ook over de historische juistheid van
zulke details denkt – Laurentius is als groot voorbeeld van de kerkelijke liefde
in het geheugen van de Kerk aanwezig gebleven.
24. Een verwijzing naar de figuur van keizer Julianus de Afvallige († 363)
kan ook nog eens aantonen hoe wezenlijk de georganiseerde en in praktijk
gebrachte naastenliefde voor de jonge Kerk was. Julianus had als zesjarig kind
de moord op zijn vader, zijn broer en andere familieleden door de paleisgarde
meegemaakt en hij schreef deze brute daad – terecht of ten onrechte – toe aan
keizer Constans, die zich uitgaf voor een uitmuntend christen. Daarmee had het
christelijk geloof eens en voor al voor hem afgedaan. Als keizer besloot hij het
heidendom, de oude Romeinse godsdienst, in ere te herstellen, maar tegelijk te
hervormen, zodat die werkelijk de dragende kracht van het rijk zou kunnen
worden. Daarvoor ontleende hij veel aan het christendom. Hij stelde een
hiërarchie van metropolieten en priesters in. De priesters moesten de liefde tot
God en tot de naaste bevorderen. In één van zijn brieven(16) schreef hij dat het
enige van het christendom waarvan hij onder de indruk kwam, de liefdadigheid van
de Kerk was. En daarom was het voor zijn nieuwe heidendom van het allergrootste
belang dat er naast het systeem van de kerkelijke liefdadigheid een soortgelijke
activiteit van zijn godsdienst zou komen. De “Galileeërs”, zo zei hij, hadden op
die manier hun populariteit verworven. Men moest hen nadoen en zelfs
overtreffen. Op deze wijze bevestigde de keizer dus dat het beoefenen van de
naastenliefde, de caritas, een onmiskenbaar kenmerk van de christelijke
gemeenschap, de Kerk, was.
25. We hebben aan onze overwegingen twee wezenlijke inzichten overgehouden:
a. Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige opdracht: de
verkondiging van Gods Woord (kerygma-martyria), het vieren van de
sacramenten (leiturgia), de dienst van de liefde (diakonia). Deze
opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de
liefde is voor de Kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou
kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking
van haar diepste wezen(17).
b. De Kerk is de familie van God in de wereld. In deze familie mogen er geen
noodlijdenden zijn. Tegelijkertijd overschrijdt caritas-agape echter de
grenzen van de Kerk. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan blijft maatstaf
en gebiedt de universele liefde, die zich wendt naar de behoeftige die men
‘toevallig’ ontmoet (vgl. Lc 10,31), wie hij ook is. Zonder ook maar iets af te
doen aan de universaliteit van het gebod tot liefde, heeft de Kerk toch ook een
speciale opdracht – dat in de Kerk zelf, als één familie, geen van de kinderen
gebrek mag lijden. Hier geldt het woord uit de Brief aan de Galaten:
“Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze
geloofsgenoten” (6,10).
Gerechtigheid en liefde
26. Sinds de negentiende eeuw wordt er tegen de kerkelijke liefdadigheid een
bezwaar aangevoerd dat dan vooral door het marxistische denken nadrukkelijk
ontwikkeld is. De armen, zo wordt gezegd, hebben geen behoefte aan liefdadigheid
maar aan gerechtigheid. Liefdadigheid – aalmoezen geven – zou in feite de manier
zijn waarop de rijken zich onttrekken aan de totstandkoming van de
gerechtigheid, hun geweten sussen, vasthouden aan hun eigen positie en de armen
hun recht ontfutselen. Liever dan door middel van individuele liefdadigheid mee
te werken aan het in stand houden van de bestaande verhoudingen, zou er een
rechtvaardige structuur geschapen moeten worden, waarin alle mensen hun aandeel
in de goederen van de wereld krijgen en daardoor geen behoefte meer hebben aan
liefdadigheid. Toegegeven, er zit wel iets in dit argument, maar er is ook veel
mis mee. Het is juist dat het basisprincipe van de staat het streven naar
gerechtigheid moet zijn en dat het doel van een rechtvaardige sociale orde is,
met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, iedereen zijn aandeel in de
goederen van de gemeenschap te garanderen. Dat heeft de christelijke staatsleer
en sociale leer ook altijd benadrukt. De vraag van de rechtvaardige ordening van
de gemeenschap is – historisch gezien – met de ontwikkeling van de
geïndustrialiseerde maatschappij in de negentiende eeuw in een nieuwe situatie
geraakt. Het ontstaan van de moderne industrie heeft de oude maatschappelijke
structuren uiteen doen vallen en met de massa arbeiders die afhankelijk zijn van
loon een radicale verandering in de samenstelling van de maatschappij teweeg
gebracht, waarin de verhouding tussen kapitaal en arbeid de beslissende vraag
werd, die er voordien in deze vorm niet geweest was. Productiemiddelen en
kapitaal vormden nu de nieuwe macht die, in de handen van weinigen gelegd, tot
rechteloosheid van de werkende massa’s leiden, waartegen deze in opstand moesten
komen.
27. We moeten toegeven dat de vertegenwoordigers van de Kerk pas geleidelijk
opgemerkt hebben dat de vraag aangaande de rechtvaardige structuur van de
samenleving op een nieuwe manier werd gesteld. Er waren wegbereiders. Eén van
hen was bijvoorbeeld bisschop Ketteler van Mainz († 1877). Als antwoord op de
concrete noden ontstonden er kringen, verenigingen, verbanden, federaties en
bovenal nieuwe religieuze congregaties die in de negentiende eeuw de strijd
tegen armoede, ziekte en gebrekkig onderwijs aanbonden. Het pauselijk leergezag
trad in 1891 naar buiten met de door Leo XIII gepubliceerde Encycliek Rerum
novarum. Daarop volgde in 1931 de Encycliek van Pius XI Quadragesimo anno.
De zalige paus Johannes XXIII publiceerde in 1961 zijn Encycliek Mater et
magistra, terwijl Paulus VI in de Encycliek Populorum progressio
(1967) en in de apostolische Brief Octogesima adveniens (1971)
nadrukkelijk op de sociale problematiek inging, die nu in het bijzonder acuut
geworden is in Latijns Amerika. Mijn grote voorganger Johannes Paulus II heeft
ons een trilogie van sociale Encyclieken nagelaten: Laborem exercens
(1981), Sollicitudo rei socialis (1987) en ten slotte Centesimus annus
(1991). Zo is gestaag, door het in gesprek gaan met steeds nieuwe situaties en
problemen een katholieke sociale leer gegroeid, die in het door de ‘Pauselijke
Raad voor Gerechtigheid en Vrede (Justitia et Pax)’ in 2004 gepresenteerde
Compendium van de sociale leer van de Kerk op samenhangende wijze geschetst
is. Het marxisme had de wereldrevolutie en de voorbereiding daarvan voorgesteld
als het universeel geneesmiddel voor de sociale problematiek. Door de revolutie
en door de daarmee verbonden collectivisering van de productiemiddelen zou –
aldus deze leer – plotseling alles anders en beter worden. Deze droom is
vervlogen. In de moeilijke situatie waarin wij ons vandaag de dag bevinden,
juist ook ten gevolge van de globalisering van de economie, is de sociale leer
van de Kerk een fundamentele richtlijn geworden, die oriëntatie biedt ook ver
buiten de Kerk. In het licht van de voortschrijdende ontwikkeling moet, in
samenspraak met allen die serieus zorg dragen voor de mens en zijn wereld,
gemeenschappelijk gestreden worden aan de hand van deze oriëntatie.
28. Om nu de verhouding tussen de noodzakelijke strijd voor gerechtigheid en
het dienstwerk van de liefde nader te verduidelijken, moeten twee fundamentele
feiten in beschouwing genomen worden:
a. De rechtvaardige ordening van de maatschappij en de staat is de centrale
opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd
wordt zou alleen maar een grote roversbende zijn, zoals Augustinus ooit zei: “Remota
itaque iustitia quid sunt regna nisi magna latrocinia?”(18) Fundamenteel voor
het christendom is het onderscheid tussen wat de keizer toekomt en wat God
toekomt (vgl. Mt 22,21), dat wil zeggen de scheiding tussen Kerk en staat of,
zoals het Tweede Vaticaans Concilie zegt, de autonomie van het aardse(19). De
staat mag de godsdienst niet voorschrijven, doch moet de vrijheid en de vrede
van de aanhangers van verschillende godsdiensten onderling waarborgen. De Kerk
als sociale uitdrukking van het christelijk geloof is van haar kant
onafhankelijk en leeft vanuit het geloof in haar vorm van gemeenschap, die door
de staat gerespecteerd moet worden. De twee domeinen moeten onderscheiden worden
maar zijn wel op elkaar betrokken.
Gerechtigheid is het doel en vandaar ook de innerlijke maatstaf van alle
politiek. De politiek is meer dan een mechanisme om het openbare leven te
regelen, doch heeft als oorsprong en doel juist de gerechtigheid en die heeft
betrekking op de ethiek. Zo is het voor de staat bijna onontkoombaar zich steeds
weer af te vragen: Hoe moet de gerechtigheid hier en nu verwezenlijkt worden?
Maar die vraag vooronderstelt een andere, fundamentelere vraag: Wat is
gerechtigheid? Dit is een vraag van de praktische rede, maar om goed te
functioneren moet de rede steeds weer gezuiverd worden, want de kans dat de rede
ethisch verblind wordt door het zegevieren van bepaalde belangen en macht is een
nooit geheel uit te bannen gevaar.
Hier raken politiek en geloof elkaar. Het geloof heeft zeker zijn eigen wezen
als ontmoeting met de levende God – een ontmoeting die voor ons nieuwe
horizonten ontsluit, die veel verder reiken dan de rede. Maar het geloof is
tegelijk ook een reinigende kracht voor de rede zelf. Het geloof bevrijdt de
rede vanuit het perspectief van God van de verblinding en helpt die aldus beter
zichzelf te zijn. Het geloof stelt de rede in staat haar eigen werk beter te
doen en wat haar eigen is beter te zien. Dit is precies de plek voor het
inzetten van de katholieke sociale leer. Deze wil de Kerk geen macht over de
staat geven; ze wil evenmin inzichten en gedragingen die bij het geloof horen
opdringen aan hen die dit geloof niet delen. Ze wil eenvoudigweg bijdragen tot
de zuivering van de rede en erbij helpen dat datgene wat juist is hier en nu kan
worden herkend en dan ook uitgevoerd.
De sociale leer van de Kerk redeneert op basis van de rede en de natuurwet,
dat wil zeggen vanuit datgene wat wezenlijk is voor alle mensen. En de Kerk weet
dat het niet haar opdracht is zelf deze leer politiek door te zetten. Ze wil de
gewetensvorming in de politiek dienen en ertoe bijdragen dat de heldere kijk op
de ware vereisten van de gerechtigheid toeneemt en tegelijk ook de bereidheid
vanuit de gerechtigheid te handelen, zelfs als dat in strijd is met de belangen
van brede lagen van de bevolking. Dat betekent echter dat het vestigen van een
rechtvaardige maatschappelijke en staatsrechtelijke orde waardoor ieder het
zijne krijgt een fundamentele opgave is, die iedere generatie weer op zich moet
nemen. Daar het om een politieke opgave gaat, kan dit niet rechtstreeks een
opdracht van de Kerk zijn. Daar het echter tegelijkertijd een fundamentele
menselijke opdracht is, heeft de Kerk de plicht op haar manier, door de
zuivering van de rede en door ethische vorming, haar bijdrage te leveren, zodat
de eisen van de gerechtigheid inzichtelijk en politiek haalbaar worden.
De Kerk kan en mag zich de politieke strijd niet toe-eigenen, om een zo
rechtvaardig mogelijke samenleving te verwezenlijken. Ze kan en mag de staat
niet vervangen. Maar ze kan en mag in de strijd om gerechtigheid ook niet
afzijdig blijven. In de strijd van de rede moet ze zich mengen langs de weg van
de argumentatie, en ze moet de geestelijke krachten opwekken zonder welke de
gerechtigheid, die altijd ook offers vraagt, geen ingang kan vinden en evenmin
kan gedijen. Een rechtvaardige maatschappij kan niet het werk van de Kerk zijn,
doch moet door de politiek bewerkt worden. Maar de inzet voor de gerechtigheid
door een opening van kennis en wil te creëren voor de eisen van het goede is wel
geheel en al haar zaak.
b. Liefde – caritas – zal altijd nodig zijn, ook in de meest
rechtvaardige samenleving. Er is geen rechtvaardige staatsvorm die de dienst van
de liefde overbodig zou kunnen maken. Wie de liefde wil afschaffen staat op het
punt de mens als mens af te schaffen. Er zal altijd leed zijn dat om troost en
hulp vraagt. Er zal altijd eenzaamheid zijn. Er zullen ook altijd situaties van
materiële nood zijn, waarbij hulp in de zin van concrete naastenliefde nodig
is(20). De totale verzorgingsstaat die alles naar zich toetrekt wordt uiteindelijk
een bureaucratische instantie, die het wezenlijke niet kan geven dat de lijdende
mens – iedere mens – nodig heeft: liefdevolle persoonlijke aandacht. We hebben
geen behoefte aan een alles regelende en beheersende staat, maar aan een staat
die, volgens het subsidiariteitsbeginsel, edelmoedig initiatieven erkent en
steunt, die uit de verschillende maatschappelijke krachten voortkomen en
spontaniteit verbinden met het nabij zijn aan de mens die hulp nodig heeft. De
Kerk is zo’n levende kracht. In haar leeft de dynamiek van de door de Geest van
Christus ontstoken liefde, die de mens niet alleen materiële hulp, maar ook
sterking en genezing van de ziel biedt, die dikwijls nog noodzakelijker is dan
de materiële ondersteuning. Achter de bewering dat rechtvaardige structuren de
liefdadigheid overbodig zouden maken, gaat in feite een materialistisch
mensbeeld schuil, het bijgeloof dat de mens “van brood alleen” leeft (Mt 4,4;
vgl. Dt 8,3) – een overtuiging die de mens verlaagt en juist het specifiek
menselijke miskent.
29. Zo kunnen we nu nader bepalen wat in het leven van de Kerk de verhouding
is tussen de strijd voor de rechtvaardige ordening van staat en maatschappij aan
de ene kant en de georganiseerde liefdadigheid aan de andere kant. Er is reeds
gezegd dat het vestigen van rechtvaardige structuren geen rechtstreekse opdracht
van de Kerk is, maar tot de orde van de politiek – van de zelfverantwoordelijke
rede – behoort. De Kerk heeft hierin een indirecte opdracht in zover het haar
toekomt bij te dragen tot de zuivering van de rede en het opwekken van de morele
krachten zonder welke juiste structuren niet kunnen worden opgebouwd, noch op
den duur kunnen functioneren.
De rechtstreekse opgave te werken voor een rechtvaardige ordening van de
samenleving komt daarentegen speciaal aan de lekengelovigen toe. Als
staatsburgers zijn ze geroepen persoonlijk aan het openbare leven deel te nemen.
Ze kunnen niet afzien van deelname aan “de veelvoudige en gevarieerde
economische, sociale, wetgevende, bestuurlijke en culturele activiteit welke
gericht is op de organische en institutionele bevordering van het algemeen
welzijn”(21). Het is ook de opdracht van de lekengelovigen het maatschappelijk
leven op de juiste wijze gestalte te geven, waarbij ze de legitieme
zelfstandigheid hiervan respecteren en met de andere burgers ieder naar eigen
deskundigheid en eigen verantwoordelijkheid samenwerken(22). Ofschoon de
specifieke uitingsvormen van de kerkelijke liefdadigheid nooit gelijkgeschakeld
mogen worden met de activiteiten van de staat, is het toch onbetwist dat de
liefde het hele leven van de lekengelovigen moet bezielen en bijgevolg ook hun
politieke werk in de zin van “sociale naastenliefde”(23) kenmerkt.
De caritatieve organisaties van de Kerk vormen daarentegen een
opus proprium, één van haar hoogsteigen opdrachten, waarbij zij niet als
medewerker fungeert, maar als rechtstreeks verantwoordelijke zelf handelt en
datgene doet wat overeenstemt met haar wezen. Van de beoefening van de
liefdadigheid als gemeenschappelijk geordende activiteit van de gelovigen kan de
Kerk nooit vrijgesteld worden, en van de andere kant zal er ook nooit een
situatie zijn waarin er geen behoefte is aan de praktische naastenliefde van
iedere individuele christen, omdat de mens afgezien van gerechtigheid altijd
liefde nodig heeft en nodig zal hebben.
De veelsoortige structuren van de dienst van de liefde in het huidige
sociale milieu
30. Voordat ik probeer het specifieke profiel van de kerkelijke activiteiten
in dienst van de mens te definiëren, wil ik een blik werpen op de algemene
toestand wat betreft de strijd voor gerechtigheid en liefde in de huidige
wereld.
a. De massamedia hebben onze planeet kleiner doen worden, door uiteenlopende
mensen en culturen snel aanmerkelijk dichter bij elkaar te brengen. Ofschoon dit
‘samenleven’ af en toe tot onbegrip en spanningen leidt, vormt toch het feit dat
we nu de noden van de mensen veel directer ervaren op de eerste plaats een
oproep tot deelname aan hun situatie en aan hun moeilijkheden. Dagelijks worden
we er ons van bewust hoeveel leed er tengevolge van veelsoortige materiële
alsook geestelijke nood in de wereld is, en dat ondanks de grote vooruitgang op
wetenschappelijk en technisch gebied. Bijgevolg wordt er in deze tijd, onze
tijd, een nieuwe bereidheid gevraagd de noodlijdende naaste te helpen. Het
Tweede Vaticaans Concilie heeft dit al met zeer duidelijke woorden benadrukt:
“In deze tijd nu de communicatiemiddelen immers sneller zijn, de afstand tussen
de mensen in zekere zin overwonnen is … kan en moet caritatief werk alle mensen
zonder uitzondering insluiten en alle noden waar dan ook”(24).
Van de andere kant – en dat is een uitdagend en tegelijk bemoedigend aspect
van de globalisering – staan ons vandaag de dag ontelbare middelen ter
beschikking, om onze noodlijdende broeders en zusters humanitaire hulp te doen
toekomen, niet op de laatste plaats de moderne systemen voor de verdeling van
voedsel en kleding, evenals het beschikbaar stellen van opvang- en
huisvestingsmogelijkheden. Zo overstijgt de zorg voor de naaste de grenzen van
nationale gemeenschappen en wordt ernaar gestreefd de horizon van die zorg uit
te breiden tot de hele wereld. Terecht heeft het Tweede Vaticaans Concilie
benadrukt: “Als tijdsverschijnsel verdient het groeiende en onstuitbare
solidariteitsgevoel van alle volkeren bijzondere vermelding”(25).
Overheidsinstanties en humanitaire verenigingen steunen dergelijke initiatieven,
de eerstgenoemde door subsidies of belastingvermindering, de laatstgenoemde door
aanzienlijke hoeveelheden geld ter beschikking te stellen. Op die manier
overstijgt de solidariteit tot uitdrukking gebracht door de menselijke
gemeenschap die van de enkeling aanzienlijk.
b. In deze situatie zijn er talrijke vormen van samenwerking tussen
instanties van de staat en kerkelijke instanties ontstaan en gegroeid, die
vruchtbaar zijn gebleken. De kerkelijke instanties kunnen met hun transparante
manier van werken en de trouwe vervulling van hun plicht van de liefde te
getuigen, ook de burgerlijke instanties met een christelijke geest bezielen en
een wederzijdse afstemming bevorderen, die ongetwijfeld nuttig zal zijn voor de
doeltreffendheid van de caritatieve dienst(26). Zo zijn er in dit verband ook
veelsoortige organisaties met caritatieve of filantropische doelstellingen
opgericht die zich inzetten om, gelet op de bestaande politieke en sociale
problemen, vanuit humanitair oogpunt tot bevredigende oplossingen te komen. Een
belangrijk verschijnsel van onze tijd is het ontstaan en de uitbreiding van
allerlei vormen van vrijwilligerswerk, waardoor een grote verscheidenheid aan
dienstverlening wordt overgenomen(27). Tot allen die in verschillende vormen aan
deze activiteiten deelnemen, wil ik een bijzonder woord van erkenning en
dankbaarheid richten. Deze wijdverbreide inzet is voor jongeren een school voor
het leven die opvoedt tot solidariteit en tot de bereidheid niet zomaar wat,
doch zichzelf te geven. De anticultuur van de dood, die bijvoorbeeld tot
uitdrukking komt in drugs, wordt hier tegemoet getreden door de liefde, die niet
zichzelf zoekt, doch juist in de bereidheid zichzelf te verliezen voor anderen
(vgl. Lc 17,33 e.v.) een cultuur van het leven blijkt te zijn.
Ook in de katholieke Kerk en in andere kerken en kerkelijke gemeenschappen
zijn nieuwe vormen van charitatieve activiteit ontstaan en hebben reeds
bestaande vormen nieuwe kracht gekregen – vormen waarin dikwijls een geslaagde
link wordt gelegd tussen evangelisatie en liefdadigheid. Ik wil hier
nadrukkelijk opnieuw bevestigen wat mijn grote voorganger Johannes Paulus II in
zijn Encycliek
Sollicitudo rei socialis(28) heeft geschreven, toen hij de bereidheid van de
katholieke Kerk onderstreepte om met de charitatieve organisaties van deze
kerken en gemeenschappen samen te werken, daar wij toch allen handelen vanuit
dezelfde fundamentele motivatie en zo hetzelfde doel voor ogen hebben: een waar
humanisme, dat in de mens het beeld van God herkent en hem wil helpen een leven
te leiden in overeenstemming met deze waardigheid. De Encycliek Ut unum sint
beklemtoont dan nogmaals dat voor een betere ontwikkeling van de wereld de
gemeenschappelijke stem en de inzet van de christenen nodig is opdat “de rechten
en noden van alle mensen geëerbiedigd worden, met name van de armen, de mensen
zonder aanzien, de weerlozen”(29). Ik wil hier graag mijn vreugde tot uitdrukking
brengen over het feit dat deze wens in de hele wereld in talrijke initiatieven
uitgebreid weerklank gevonden heeft.
Het specifieke profiel van de kerkelijke liefdadigheid
31. Het toenemen van allerlei organisaties die zich inzetten voor de mens in
zijn verschillende noden, kan verklaard worden uit het feit dat het gebod van de
naastenliefde door de Schepper in de natuur van de mens zelf gegrift is. Het is
echter ook een gevolg van de aanwezigheid van het christendom in de wereld,
waardoor dit in de geschiedenis vaak zeer verduisterde gebod steeds weer gewekt
en in praktijk gebracht wordt. Het hervormde heidendom van keizer Julianus de
Afvallige is slechts een vroeg voorbeeld van dit effect. Zo reikt de kracht van
het christendom ver over de grenzen van het christelijk geloof heen. Daarom is
het des te belangrijker dat de kerkelijk charitatieve activiteit haar volle
luister behoudt en niet eenvoudigweg wordt tot een variant van het algemene
welzijnswerk. Wat zijn dan nu de essentiële elementen van de christelijke en
kerkelijke liefdadigheid?
a. Naar het voorbeeld dat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan ons
voor ogen houdt is christelijke liefdadigheid allereerst eenvoudigweg het
antwoord op datgene wat in een concrete situatie onmiddellijk nodig is: de
hongerigen moeten te eten krijgen, de naakten moeten gekleed worden, de zieken
medisch behandeld, de gevangenen bezocht, enzovoort. De charitatieve
organisaties van de Kerk – te beginnen met die van de (diocesane, nationale en
internationale) ‘Caritas’ – moeten al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat
de benodigde middelen en bovenal de mensen die dit werk doen, beschikbaar zijn.
Wat de dienstverlening van mensen aan de noodlijdenden betreft, daar is op de
eerste plaats vakkundigheid voor nodig. De hulpverleners moeten zo getraind zijn
dat ze weten wat ze moeten doen en dat goed doen, waarna ze de verdere
verzorging op zich kunnen nemen. Vakkundigheid is een eerste, fundamenteel
vereiste, maar is op zich niet genoeg. Het gaat immers om mensen en mensen
hebben meer nodig dan alleen een technisch juiste behandeling. Ze hebben
behoefte aan menselijkheid. Ze hebben behoefte aan liefdevolle toewijding. Voor
allen die in de charitatieve organisaties van de Kerk actief zijn moet
kenmerkend zijn dat ze niet alleen op kundige wijze doen wat er te doen staat,
maar zich van harte aan de ander toewijden, zodat deze hun menselijke goedheid
gewaar wordt. Daarom hebben deze helpers naast en bij de professionele vorming
bovenal de vorming van het hart nodig. Ze moeten worden gebracht tot de
ontmoeting met God in Christus, die de liefde in hen wekt en hun hart voor de
naaste opent, zodat naastenliefde voor hen niet meer om zo te zeggen een van
buitenaf opgelegd gebod is, maar het gevolg van hun geloof, dat zich uit in de
liefde (vgl. Gal 5,6).
b. Christelijke liefdadigheid moet onafhankelijk zijn van partijen en
ideologieën. Het is geen middel om een ideologisch gestuurde verandering in de
wereld tot stand te brengen en staat niet in dienst van wereldlijke strategieën,
maar is hier en nu de presentstelling van de liefde, waar de mens altijd
behoefte aan heeft. De moderne tijd wordt, vooral sinds de 19de eeuw, beheerst
door verschillende varianten van een filosofie van de vooruitgang, waarvan de
radicaalste vorm het marxisme is. Bij de marxistische strategie hoort de
Verelendungstheorie. Die stelt dat wie in een situatie van onrechtvaardige
heerschappij de mens charitatief helpt, zich in feite dienstbaar maakt aan het
bestaande systeem van onrecht, omdat hij dat schijnbaar dragelijk maakt,
tenminste tot op zekere hoogte. Zo wordt het revolutionaire potentieel afgeremd
en de omwenteling die tot een betere wereld moet leiden tegengehouden. Daarom
wordt charitatieve inzet als systeembevestigend gebrandmerkt en aangevochten. In
feite is dit een filosofie van onmenselijkheid. De nu levende mens wordt
geofferd aan de moloch van de toekomst, een toekomst waarvan het op zijn minst
twijfelachtig is of die ooit zal aanbreken. In werkelijkheid kan de
menselijkheid van de wereld niet bevorderd worden doordat men haar voorlopig
stil legt. Men draagt alleen bij tot een betere wereld als men nu zelf het goede
doet, met passie en overal waar de mogelijkheid zich voordoet, onafhankelijk van
partijstrategieën en -programma’s. Het programma van de christen – het programma
van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus – is ‘het hart dat ziet’.
Dit hart ziet waar liefde nodig is en handelt ernaar. Als de charitatieve
activiteit van de Kerk als gemeenschappelijk initiatief wordt uitgevoerd, zijn
afgezien van de spontaniteit van het individu vanzelfsprekend ook planning,
voorzorgsmaatregelen en samenwerking met andere soortgelijke instellingen
noodzakelijk.
c. Bovendien mag in praktijk gebrachte naastenliefde geen middel zijn voor
wat men tegenwoordig aanduidt als proselitisme. De liefde is om niet. Ze wordt
niet beoefend om er andere doelen mee te bereiken(30). Dat betekent echter niet
dat bij charitatieve activiteit God en Christus om zo te zeggen terzijde
geschoven moeten worden. De hele mens is immers in het spel. Dikwijls is juist
de afwezigheid van God de diepste oorzaak van het lijden. Wie in de naam van de
Kerk liefdadigheid beoefent, zal nooit proberen de ander het geloof van de Kerk
op te dringen. Hij weet dat de liefde in haar zuiverheid en onbaatzuchtigheid
het beste getuigenis is voor de God waarin wij geloven en die ons tot liefde
brengt. De christen weet wanneer het tijd is om over God te spreken en wanneer
het beter is over Hem te zwijgen en eenvoudigweg de liefde te laten spreken. Hij
weet dat God liefde is (vgl. 1Joh 4,8) en dat Hij juist dan aanwezig is als er
alleen maar liefde in praktijk wordt gebracht. Hij weet – om terug te komen op
de eerder gestelde vragen – dat verachting voor de liefde verachting voor God en
voor de mens is – de poging het zonder God klaar te spelen. Daarom is de liefde
de beste verdediging van God en van de mens. Het is de opdracht van de
charitatieve organisaties van de Kerk om dit besef in hun vertegenwoordigers te
versterken, zodat ze zowel in hun doen als in hun spreken, hun zwijgen, hun
voorbeeld, geloofwaardige getuigen van Christus worden.
De verantwoordelijken voor de charitatieve activiteit van de Kerk
32. Ten slotte moeten we ons nog bezighouden met de reeds genoemde
verantwoordelijken voor de charitatieve activiteit van de Kerk. In de
overwegingen tot nu toe is al duidelijk geworden dat het eigenlijke subject van
de verschillende katholieke organisaties die een charitatieve dienst verlenen,
de Kerk zelf is, en wel op alle niveaus, te beginnen bij de parochies en dan via
de particuliere kerken tot aan de universele Kerk. Daarom was het zeer passend
dat mijn vereerde voorganger Paulus VI de ‘Pauselijke Raad Cor Unum’
heeft ingesteld, als een organisatie van de Heilige Stoel die verantwoordelijk
is voor de oriëntatie en coördinatie van de door de Kerk bevorderde charitatieve
organisaties en activiteiten. Het stemt overeen met de bisschoppelijke structuur
van de Kerk dat in de particuliere kerken de bisschoppen als opvolgers van de
apostelen er als eersten verantwoordelijk voor zijn dat het programma van de
Handelingen van de Apostelen (vgl. 2,42-44) ook vandaag de dag wordt
uitgevoerd. De Kerk als familie van God moet ook vandaag en morgen een plaats
van wederzijdse hulp zijn en tegelijkertijd een plaats van dienstbaarheid voor
ieder die behoefte heeft aan hulp, ook als hij of zij niet tot de Kerk behoort.
Bij de bisschopswijding worden voor de wijding zelf plaats vindt vragen aan de
kandidaat gesteld, waarbij de wezenlijke elementen van zijn dienstwerk aan de
orde komen en hem de plichten van zijn toekomstig ambt worden voorgehouden. In
deze context belooft de wijdeling uitdrukkelijk “omwille van de Heer de armen en
de daklozen en alle noodlijdenden goed te behandelen en hun barmhartig te
zijn”(31). Het Wetboek van Canoniek Recht (cic) behandelt in de
canones over het bisschopsambt de charitatieve activiteit niet uitdrukkelijk
als een apart onderdeel van de taak van een bisschop, maar spreekt zeer in het
algemeen over de opdracht van de bisschop de verschillende apostolische
activiteiten ieder met behoud van het eigen karakter te coördineren(32).
Kortgeleden heeft echter het Directorium voor de pastorale dienst van de
bisschoppen de plicht tot liefdadigheid als essentiële opdracht van de Kerk
als geheel en van de bisschop in zijn diocees concreter ontvouwd(33) en
geaccentueerd dat de liefdadigheid een werk van de Kerk als zodanig is en dat
deze, evenals de dienst aan het Woord en aan de sacramenten, een wezenlijk
onderdeel van haar fundamentele opdracht vormt(34).
33. Wat betreft de medewerkers die in de praktijk het werk van de
naastenliefde in de Kerk verrichten, is het wezenlijke al gezegd. Ze mogen zich
niet richten naar de ideologieën die de wereld willen verbeteren maar moeten
zich laten leiden door het geloof, waarin de liefde zich uit (vgl. Gal 5,6). Ze
moeten daarvoor op de allereerste plaats mensen zijn die door de liefde van
Christus geraakt zijn, van wie Christus het hart met zijn liefde gewonnen heeft
en daarin de liefde tot de naaste heeft gewekt. Hun motto moet de zin uit de
tweede Korintebrief zijn: “De liefde van Christus laat ons geen rust”
(5,14). Het besef dat in Hem God zelf zich voor ons weggeschonken heeft tot aan
de dood toe, moet ons ertoe brengen niet meer voor onszelf te leven, maar voor
Hem, en met Hem voor de anderen. Wie Christus liefheeft, heeft de Kerk lief en
wil dat zij steeds meer teken en instrument van zijn liefde wordt. De
medewerkers aan iedere katholieke charitatieve organisatie willen met de Kerk en
dus ook met de bisschop eraan werken dat de liefde van God zich in de wereld
verspreidt. Zij willen door hun deelname aan de liefdadigheid van de Kerk
getuigen van God en van Christus zijn en juist daarom belangeloos goed zijn voor
mensen.
34. Het innerlijk openstaan voor de katholieke dimensie van de Kerk zal
automatisch de bereidheid van medewerkers bevorderen om samen met andere
organisaties af te stemmen wat betreft de dienstverlening in de verschillende
vormen van behoefte. Dat moet echter wel gebeuren met inachtneming van het
specifiek eigen karakter van het dienstwerk dat Christus van zijn leerlingen
verwacht. In zijn hymne op de liefde leert de heilige Paulus (1Kor 13) ons dat
liefde altijd meer is dan alleen handelen: “Al deel ik heel mijn bezit uit, al
geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, baat het
mij niets” (vers 3). Deze hymne moet de
Magna Charta van alle kerkelijk dienstwerk zijn. Daarin zijn alle
overwegingen samengevat die ik in de loop van dit schrijven over de liefde heb
ontwikkeld. De praktische activiteit is te weinig als daarin de liefde tot de
mens zelf niet voelbaar wordt, liefde gevoed door de ontmoeting met Christus.
Het persoonlijke, innerlijke deelnemen aan de nood en het lijden van de ander
wordt zo een gedeeltelijke gave van mijzelf voor hem. Opdat de gave niet
vernederend voor hem is, moet ik de ander niet alleen iets van mijzelf maar
mijzelf geven, als persoon daarin aanwezig zijn.
35. Deze juiste manier van dienen maakt de helper nederig. Hij beschouwt zich
tegenover de ander niet als hoger geplaatst, hoe armzalig diens situatie op dat
moment ook mag zijn. Christus heeft de laatste plaats in de wereld – het kruis –
ingenomen, en juist door deze radicale nederigheid heeft Hij ons verlost en
helpt Hij ons voortdurend. Wie in staat is te helpen erkent dat hij zelf op
precies dezelfde manier geholpen wordt en dat het niet zijn verdienste en
grootheid is dat hij kan helpen. Deze opdracht is genade. Hoe meer iemand voor
anderen doet, des te beter zal hij het woord van Christus verstaan en zich eigen
maken: “Wij zijn onnutte knechten” (Lc 17,10). Want hij erkent dat hij niet op
grond van zijn eigen grootheid of prestatie handelt, maar omdat de Heer hem
ertoe in staat stelt. Soms kunnen de buitensporige nood en de eigen beperkingen
een bekoring tot moedeloosheid worden. Maar juist dan helpt de wetenschap dat
hij uiteindelijk slechts een werktuig in de hand van de Heer is. Hij zal zich
bevrijden de hoogmoed, van de gedachte dat hij zelf en op eigen kracht de
noodzakelijke verbetering van de wereld tot stand moet brengen. Hij zal in alle
nederigheid datgene doen wat hem mogelijk is en in nederigheid de rest aan de
Heer overlaten. God regeert de wereld, niet wij. Wij dienen Hem slechts, voor
zover we kunnen en Hij ons daartoe de kracht geeft. Met die kracht alles doen
wat in ons vermogen ligt is de opdracht die de ware dienaar van Jezus Christus
als het ware voortdurend in beweging houdt: “De liefde van Christus laat ons
geen rust” (2Kor 5,14).
36. De ervaring van de eindeloze nood kan ons van de ene kant in de armen van
een ideologie drijven, die pretendeert datgene te doen wat Gods
wereldheerschappij naar het zich laat aanzien niet tot stand brengt – de
volledige oplossing van alle problemen. Van de andere kant kan die ervaring een
bekoring tot traagheid worden, omdat het lijkt alsof er toch niets te bereiken
is. In deze situatie is levend contact met Christus afdoende hulp om op het
rechte pad te blijven en niet te vervallen in mensenverachtende hoogmoed, die
niet opbouwend is doch veeleer vernietigend, noch zich aan berusting over te
geven, die zou verhinderen dat men zich door de liefde laat leiden om zo de mens
te dienen. Het gebed als manier om steeds weer kracht te krijgen bij Christus
wordt hier tot een heel praktische en urgente noodzaak. Wie bidt, verdoet zijn
tijd niet, zelfs als de situatie alle tekenen van urgentie vertoont en alleen
lijkt aan te zetten tot handelen. Vroomheid verzwakt niet de strijd tegen de
armoede of zelfs tegen de ellende van de naaste. De zalige Teresa van Calcutta
is er een zeer duidelijk voorbeeld van dat de tijd in gebed aan God gewijd de
feitelijke werken van naastenliefde niet alleen niet schaadt doch in
werkelijkheid de onuitputtelijke bron ervan is. In haar brief voor de
Veertigdagentijd van 1996 schreef de zalige aan haar lekenmedewerkers: “Wij
hebben deze innige band met God in ons dagelijks leven nodig. En hoe kunnen we
die krijgen? Door het gebed.”
37. Met het oog op het activisme en de dreigende secularisering van veel
christenen die zich bezighouden met charitatief werk, is het tijd het belang van
het gebed opnieuw te benadrukken. De biddende christen beeldt zich uiteraard
niet in dat hij Gods plannen kan veranderen of verbeteren wat God voorzien
heeft. Hij zoekt veeleer de ontmoeting met de Vader van Jezus Christus en vraagt
Hem met de troost van zijn Geest in hem en in zijn werk aanwezig te zijn. De
vertrouwdheid met de persoonlijke God en de overgave aan zijn wil verhinderen
dat de mens schade oploopt en behoeden hem ervoor ten prooi te vallen aan één of
andere fanatieke en terroristische leer. Een waarachtig godsdienstige
grondhouding voorkomt dat de mens zich opwerpt als rechter van God en Hem
aanklaagt omdat Hij ellende toe zou laten, zonder medelijden met zijn schepselen
te voelen. Wie zich echter, met een beroep op de belangen van de mens, aanmatigt
tegen God te strijden – op wie moet hij zich verlaten als het menselijk handelen
machteloos blijkt te zijn?
38. Natuurlijk kan Job zich bij God beklagen over het onbegrijpelijke en
ogenschijnlijk niet te rechtvaardigen lijden dat er in de wereld bestaat. Zo
zegt hij in zijn leed: “Ach, kon ik Hem toch eens vinden en doordringen tot zijn
verblijf … Eindelijk zou ik zijn antwoord kennen en horen wat Hij wil. Als Hij
mij dan met al zijn macht zou vervolgen … Daarom juist ben ik zo bang voor Hem;
hoe meer ik dat besef, hoe banger ik word. Bij Hem zinkt al mijn moed weg. Juist
zijn almacht bestemt mij tot onmacht” (Job, 23,3.5-6.15-16). Dikwijls is het ons
niet gegeven te begrijpen waarom God zijn arm niet uitstrekt, niet ingrijpt.
Overigens verbiedt Hij ons niet om, net als Jezus aan het kruis, uit te roepen:
“Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” (Mt 27,46). In biddende
samenspraak moeten we steeds weer met deze vraag tot Hem komen: “Hoelang nog,
heilige en waarachtige Heerser, zult Gij het oordeel uitstellen?” (Apk 6,10) De
heilige Augustinus geeft op ons lijden het antwoord van het geloof: “Si
comprehendis, non est Deus” – Als je Hem begrijpt, is Hij God niet(35). Ons
protest wil God niet uitdagen, en Hem evenmin dwaling, zwakte of
onverschilligheid toedichten. Voor de gelovige is het onmogelijk te denken dat
God machteloos is, of dat Hij “slaapt” (vgl. 1K 18,27). Het is veeleer het geval
dat zelfs ons uitroepen, zoals dat van Jezus aan het kruis, de uiterste en
diepste bevestiging van ons geloof aan zijn soevereiniteit is. Christenen
geloven namelijk ondanks alle onbegrijpelijkheden en alle verwarring om zich
heen aan de “goedheid en mensenliefde van God” (Tit 3,4). Ofschoon zij, net als
alle andere mensen, ondergedompeld zijn in de dramatische complexiteit van de
historische gebeurtenissen, houden zij vast aan de hoop dat God een Vader is en
ons liefheeft, ook als zijn zwijgen onbegrijpelijk blijft.
39. Geloof, hoop en liefde horen bij elkaar. De hoop wordt in praktijk
gebracht door de deugd van het geduld dat niet ophoudt het goede te doen, ook
als er schijnbaar geen resultaat wordt geboekt, en door de deugd van de
nederigheid, die Gods geheim aanvaardt en Hem ook in donkere dagen vertrouwt.
Het geloof toont ons de God die zijn Zoon voor ons overgeleverd heeft, en
schenkt ons zo de overweldigende zekerheid dat het waar is: God is liefde! Op
deze manier verandert Hij ons ongeduld en onze twijfel in de zekere hoop dat God
de wereld in zijn hand houdt en dat Hij ondanks alle duisternis zegeviert, zoals
het boek Openbaring in overweldigende beelden ten slotte stralend toont.
Het geloof, de verinnerlijking van Gods liefde, die zich in het doorstoken hart
van Jezus aan het kruis heeft geopenbaard, doet de liefde ontstaan. Zij is het
licht – uiteindelijk het enige licht – dat een donkere wereld steeds weer
verlicht en ons de moed geeft te leven en te handelen. De liefde is mogelijk en
wij kunnen die in praktijk brengen omdat we naar Gods beeld geschapen zijn. De
liefde verwezenlijken en daarmee het licht van God in de wereld toelaten –
daartoe wil ik met deze encycliek uitnodigen.
Slot
40. Laten we ten slotte de heiligen beschouwen, die de liefde op voorbeeldige
wijze in praktijk hebben gebracht. We denken daarbij in het bijzonder aan
Martinus van Tours († 397), de soldaat, die later monnik en bisschop werd. Als
een icoon verduidelijkt hij de onvervangbare waarde van het individuele
getuigenis van de liefde. Voor de poorten van Amiens deelt Martinus zijn mantel
met een arme. De volgende nacht verschijnt hem in een droom Jezus zelf, gekleed
in die mantel, om de eeuwige geldigheid van de woorden uit het evangelie te
bevestigen: “Ik was naakt en gij hebt mij gekleed … al wat gij gedaan hebt voor
een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt
25,36.40)(36). En hoeveel meer getuigenissen van liefde zou men uit de
geschiedenis van de Kerk nog kunnen aanvoeren! Zij komt op bijzondere wijze tot
uitdrukking in de belangrijke dienst van in praktijk gebrachte naastenliefde,
zoals die ontplooid is door de gehele monastieke beweging, vanaf de aanvang met
de heilige abt Antonius († 356). In de ontmoeting ‘van aangezicht tot
aangezicht’ met de God die liefde is, voelt de monnik de dringende eis zijn hele
leven te veranderen in dienst – dienst aan God en dienst aan de naaste. Zo zijn
de grote hospitia, de ziekenhuizen en armenhuizen die naast de kloosters
ontstaan zijn, te verklaren. En zo worden ook de grote initiatieven voor de
menselijke vooruitgang en de christelijke opvoeding verklaard, die vooral voor
de armen bedoeld zijn. De kloosterordes en de bedelordes hebben zich het eerst
over hen ontfermd en daarna, de hele geschiedenis van de Kerk door, de
verschillende mannelijke en vrouwelijke ordes en congregaties. Heiligen zoals
Franciscus van Assisi, Ignatius van Loyola, Johannes de Deo, Camillus de Lellis,
Vincentius à Paulo, Louise de Marillac, Giuseppe B. Cottolengo, Johannes Bosco,
Luigi Orione en Teresa van Calcutta – om er maar een paar te noemen – zijn
beroemde voorbeelden van sociale liefdadigheid voor alle mensen van goede wil.
De heiligen zijn de ware lichtdragers van de geschiedenis, omdat ze mensen van
geloof, hoop en liefde zijn.
41. De heilige die boven alle anderen uitsteekt is Maria, de Moeder van de
Heer, de spiegel van alle heiligheid. In het evangelie volgens Lucas zien
we haar terwijl ze een liefdesdienst bewijst aan haar bloedverwante, Elisabet,
bij wie ze “ongeveer drie maanden” blijft (1,56) om haar in de laatste fase van
haar zwangerschap bij te staan. “Magnificat anima meum Dominum”, zegt ze
bij dit bezoek – “Mijn hart prijst hoog de Heer” – (Lc 1,46) en geeft daarmee
uitdrukking aan het hele programma van haar leven. Ze stelt niet zichzelf in het
middelpunt maar maakt ruimte voor God, die ze zowel in het gebed als in de
dienst aan de naaste ontmoet – alleen dan wordt de wereld goed. Maria is groot,
juist omdat ze niet zichzelf maar God wil verheerlijken. Ze is nederig. Ze wil
niets anders zijn dan de dienstmaagd des Heren (vgl. Lc 1,38.48). Ze weet dat ze
alleen maar tot het heil van de wereld bijdraagt omdat ze niet haar eigen werk
wil volbrengen, maar zich geheel en al beschikbaar stelt voor wat God wil
ondernemen. Ze is vervuld van hoop. Alleen omdat ze gelooft in Gods beloften en
het heil van Israël verwacht, kan de engel tot haar komen en haar roepen voor de
beslissende dienst aan deze beloften. Ze gelooft: “Zalig ben je, omdat je
geloofd hebt”, zegt Elisabet tot haar (vgl. Lc 1,45). Het Magnificat –
als het ware een portret van haar ziel – is geheel geweven uit draden van de
heilige Schrift, uit de draden van Gods Woord. Zo wordt zichtbaar dat ze
werkelijk thuis is in Gods Woord, er naar binnen en naar buiten gaat. Ze spreekt
en denkt met Gods Woord; Gods Woord wordt haar woord, en haar woord komt voort
uit het Woord van God. Zo is ook zichtbaar dat haar gedachten worden gevormd
door meedenken met Gods gedachten, dat haar willen meewillen met de wil van God
is. Omdat ze ten diepste doordrongen was van Gods Woord, kon ze Moeder van het
mensgeworden Woord worden. Ten slotte: Maria heeft lief. Hoe zou het ook anders
kunnen? Als gelovige en in het geloof denkend met Gods gedachten, willend met
Gods wil, moet ze wel liefhebben. Wij krijgen er een vermoeden van door de
stille gebaren in de kindheidsverhalen uit het evangelie. We zien het in de
discrete manier waarop ze in Kana het probleem van het bruidspaar opmerkt en het
bij Jezus brengt. We zien het in de nederigheid waarmee ze de achteruitstelling
in de tijd van het openbare leven aanvaardt – wetend dat haar Zoon nu een nieuwe
familie moest stichten en dat het uur van de Moeder pas weer komt op het moment
van het Kruis, dat Jezus’ ware uur is (vgl. Joh 2,4; 13,1). Dan, als de
leerlingen gevlucht zijn, zal zij het zijn die onder het kruis staat (vgl. Joh
19,25-27), en later, in het uur van Pinksteren, zullen de leerlingen zich rond
haar verzamelen in de verwachting van de heilige Geest (vgl. Hnd 1,14).
42. Tot het leven van de heiligen hoort niet alleen hun aardse biografie,
maar ook hun leven en werken van God uit na hun dood. In de heiligen wordt het
zichtbaar: wie naar God gaat, gaat niet weg van de mensen, maar is hun juist nu
pas werkelijk nabij. Dat zien we nergens meer dan bij Maria. Het woord van de
gekruisigde tot de leerling, tot Johannes en door hem tot alle leerlingen van
Jezus: “Zie daar uw moeder” (Joh 19,27) wordt alle geslachten door steeds
opnieuw waar. Maria is inderdaad de Moeder van alle gelovigen geworden. Tot haar
moederlijke goedheid, evenals tot haar maagdelijke zuiverheid en schoonheid
komen de mensen van alle tijden en alle werelddelen in hun nood en hun hoop, in
hun vreugde en pijn, in hun eenzaamheid en in gemeenschap. En altijd ervaren zij
het geschenk van haar goedheid, ervaren ze haar onuitputtelijke liefde, die zij
uit de grond van haar hart meedeelt. De getuigenissen van dankbaarheid die haar
in alle werelddelen en culturen worden gebracht, zijn een erkenning van die
reine liefde die niet zichzelf zoekt maar eenvoudigweg het goede wil. De
verering van de gelovigen toont tegelijk een onmiskenbare intuïtie aangaande de
manier waarop zulke liefde mogelijk wordt: door de meest innige eenwording met
God, door van Hem doordrongen te zijn, waardoor degene die uit de bron van Gods
liefde heeft gedronken zelf kan worden tot bron “waaruit stromen van levend
water vloeien” (vgl. Joh 7,38). Maria, de Maagd, de Moeder, toont ons wat liefde
is, wat haar oorsprong is en waar haar altijd vernieuwde kracht vandaan komt.
Aan haar vertrouwen we de Kerk en haar zending in dienst van de liefde toe:
Heilige Maria, Moeder van God, Gij hebt de wereld het ware Licht
geschonken. Jezus, uw zoon – de Zoon van God. Gij hebt u geheel aan
Gods roeping toevertrouwd en bent zo geworden tot bron van het goede dat
uit Hem stroomt. Toon ons Jezus, leid ons tot Hem. Leer ons Hem kennen en
Hem liefhebben, opdat ook wijzelf oprecht kunnen liefhebben en bronnen
van levend water kunnen worden temidden van een dorstende wereld.
Gegeven te Rome, St. Pieter, op 25 december, het Hoogfeest van de Geboorte
van de Heer, in het jaar 2005, het eerste van mijn pontificaat.
Benedictus PP. XVI
Noten
1. Vgl. Jenseits von Gut und Böse, IV, 168.
2. X, 69.
3. Vgl. R. Descartes, Œuvres, ed. V. Cousin, Band 12 (Paris 1824), 95
e.v..
4. II, 5, in: SCh 381, 196.
5. A.w., 198.
6. Vgl. Metafysica, XII, 7.
7. Vgl. Pseudo-Dionysius de Areopagiet, die in zijn werk over de goddelijke
naam, IV, 12-14, in: pg 3, 709-713 God tegelijkertijd eros
en agape noemt.
8. Vgl. Symposion, XIV-XV, 189c-192d.
9. Sallustius, De coniuratione Catilinae, XX, 4.
10. Vgl. Augustinus, Confessiones, III, 6, 11, in: ccl 27, 32.
11. De Trinitate, VIII, 8, 12, in: ccl 50, 287.
12. Vgl. I Apologia, 67, in: pg 6, 429.
13. Vgl. Apologeticum 39, 7, in: pl 1, 468.
14. Ep. ad Rom., Inscr., in: pg 5, 801.
15. Vgl. Ambrosius, De officiis ministrorum, II, 28, 140, in: pl
16, 141.
16. Vgl. Ep. 83, in: J. Bidez, L'Empereur Julien. Œuvres complètes
(Paris 19602), t. I, 2a, 145.
17. Vgl. Congregatie voor de Bisschoppen, Directorium voor de pastorale
dienst van de bisschoppen Apostolorum successores (22 februari 2004), 194
(Vaticaanstad 2004), 2a, 205-206.
18. De Civitate Dei, IV, 4, in: ccl 47, 102.
19. Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, pastorale Constitutie over de Kerk in de
wereld van deze tijd Gaudium et spes, 36.
20. Vgl. Apostolorum successores, 197.
21. Johannes Paulus II, postsynodale apostolische Exhortatie
Christifideles laici (30 december 1988), 42, in: Kerkelijke documentatie
(kd) 17/2 (februari 1989), 216.
22. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Leerstellige nota aangaande
vraagstukken met betrekking tot de activiteiten en het gedrag van katholieken op
het gebied van de politiek (24 november 2002), 1, in: kd 31/2-3 (4
april 2003), 67-68.
23. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1939.
24. Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over het lekenapostolaat
Apostolicam actuositatem, 8.
25. A.w., 14.
26. Vgl. Apostolorum successores, 195.
27. Vgl. Christifideles laici, 41, in: a.w., 215-216.
28. Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Sollicitudo rei socialis (30
december 1987), 32, in: kd 16/3 (maart 1988), 115-116.
29. Johannes Paulus II, Encycliek Ut unum sint (25 mei 1995), 43, in:
kd 23/6-7 (oktober 1995), 311.
30. Vgl. Apostolorum successores, 196.
31. Pontificale Romanum, De ordinatione episcopi, 43.
32. Vgl. cic, can. 394; Wetboek van Canones van de Oosterse Kerken
(cceo), can. 203.
33. Vgl. Apostolorum successores, 193-198.
34. Vgl. a.w., 194.
35. Sermo 52, 16, in: pl 38, 360.
36. Vgl. Sulpicius Severus, Vita Sancti Martini, 3, 1-3, in: SCh
133, 256-258.
© Copyright 2006 –
Libreria Editrice Vaticana / R.-K. Kerkgenootschap in Nederland
|