The Holy See
back up
Search
riga

BRIEF VAN PAUS ZIJNE HEILIGHEID
BENEDICTUS XVI

AAN HET BEGIN VAN HET JAAR VAN DE PRIESTERS
NAAR AANLEIDING VAN DE 150STE  “DIES NATALIS”
VAN DE HEILIGE PASTOOR VAN ARS

 

Dierbare medebroeders in het priesterambt,

Op het Hoogfeest van het Allerheiligst Hart van Jezus, vrijdag 19 juni 2009 – de dag die traditioneel gewijd is aan gebed om de heiliging van de priesters – wil ik naar aanleiding van de 150ste gedenkdag van de “dies natalis” van Johannes Maria Vianney, de patroonheilige van alle pastoors ter wereld[1], officieel een “jaar van de priesters” uitroepen. Dit jaar, dat wil bijdragen aan het intensiveren van het streven van alle priesters naar een innerlijke vernieuwing, voor een nog sterker en daadkrachtiger getuigenis voor het evangelie in de wereld van vandaag, zal in 2010 opnieuw op dit Hoogfeest worden afgesloten. “Het priesterschap, dat is de liefde van het hart van Jezus”, placht de heilige Pastoor van Ars te zeggen.[2] Deze roerende formulering brengt ons er vooral toe te beseffen, innerlijk geraakt en dankbaar, welk een onmetelijk geschenk priesters zijn, niet alleen voor de Kerk, maar ook voor de mensheid als zodanig. Ik denk aan alle priesters die eenvoudig dag na dag het woord en de daden van Christus bij de christengelovigen en bij de hele wereld brengen, doordat zij proberen met hun gedachten, hun wil, hun gevoel en hun algehele levensstijl gelijkvormig aan Hem te zijn. Hoe zou men kunnen nalaten hun apostolische inspanningen, hun onvermoeibare en verborgen dienstwerk en hun allesomvattende liefde te onderstrepen? En wat zou men moeten zeggen van de moedige trouw van zoveel priesters die – ook te midden van moeilijkheden en onbegrip – trouw blijven aan hun roeping “vrienden van Christus” te zijn, die door Hem op bijzondere wijze geroepen, uitgekozen en uitgezonden zijn?

Ik zelf koester nog de herinnering aan de eerste pastoor aan wiens zijde ik mijn dienstwerk als jonge priester uitoefende; hij heeft mij een voorbeeld nagelaten van onvoorwaardelijke toewijding aan zijn pastorale opdracht tot aan de dood, die hem overviel toen hij een zwaar zieke het viaticum bracht. En dan denk ik aan de talloze medebroeders die ik ontmoet heb en nog steeds ontmoet, ook tijdens mijn pastorale reizen in de verschillende landen – medebroeders die edelmoedig toegewijd zijn aan de dagelijkse uitoefening van hun priesterlijke dienst. Maar de door de heilige Pastoor van Ars gebruikte formulering roept ook de herinnering op aan het doorboorde hart van Christus en aan de doornenkroon op Zijn hoofd. Daarom gaan mijn gedachten ook uit naar de talloze situaties van lijden waarin veel priesters zich bevinden, ofwel omdat zij deel hebben aan de veelvormige menselijke ervaringen van pijn, ofwel omdat zij bij degenen voor wie zij hun dienstwerk verrichten op onbegrip stuiten. Hoe zou men de vele priesters kunnen vergeten, die in hun waardigheid worden gekwetst, in hun zending belemmerd, soms zelfs tot aan het ultieme getuigenis van het offer van het eigen leven worden vervolgd? 

Helaas zijn er ook situaties, die nooit genoeg betreurd kunnen worden, waarin de Kerk zelf lijdt, en wel vanwege de ontrouw van sommige van haar bedienaren. De wereld ziet daarin dan aanleiding tot ergernis en afwijzing. Wat in zulke gevallen het meest behulpzaam is voor de Kerk is niet zo zeer het steeds maar benadrukken van de zwakheden van haar bedienaren, als wel veel meer het hernieuwde en vreugdevolle bewustzijn van de grootheid van Gods gave, die op stralende wijze gestalte krijgt in edelmoedige herders, in van brandende liefde tot God en de mensen vervulde religieuzen, in verlichte en geduldige geestelijke leiders. In dit verband kunnen de leer en het voorbeeld van de heilige Johannes Maria Vianney voor iedereen een belangrijk referentiekader bieden; de Pastoor van Ars was uiterst nederig, maar hij wist dat hij als priester een onmetelijke gave voor zijn mensen was: “Een goede herder, een herder naar Gods hart, is de grootste schat die de goede God een parochie kan geven en een van de waardevolste geschenken van de goddelijke barmhartigheid.”[3] Hij sprak over het priesterschap alsof hij de grootte van de aan het menselijk schepsel toevertrouwde gave en  opgave eenvoudigweg niet kon vatten: “O, hoe groot is de priester! … Als hij zichzelf zou verstaan, zou hij sterven … God gehoorzaamt hem: hij spreekt twee zinnetjes uit en op zijn woord daalt de Heer van de hemel af en laat Zich omsluiten door een kleine Hostie …”[4] En als hij aan de gelovigen het belang van de sacramenten uitlegde, zei hij: “Zonder het wijdingssacrament zouden wij de Heer niet hebben. Wie heeft Hem daar in het tabernakel gezet? De priester. Wie heeft uw ziel aangenomen toen u in deze wereld kwam? De priester. Wie voedt uw ziel, om haar de kracht te geven haar pelgrimstocht te volbrengen? De priester. Wie zal uw ziel er op voorbereiden voor God te verschijnen, door haar voor de laatste maal in het bloed van Christus te wassen? De priester, altijd weer de priester. En indien de ziel sterft [door de zonde], wie zal haar opwekken, wie zal haar rust en vrede geven? Alweer de priester … Na God is de priester alles! … In de hemel zal hij zichzelf pas goed verstaan”.[5]  Deze uitspraken, die aan het priesterlijk hart van een heilig priester ontsproten zijn, zouden overdreven kunnen lijken. Maar daarin openbaart zich wel de buitengewone achting die hij voor het sacrament van het priesterschap had. Hij leek overweldigd door een grenzeloos verantwoordelijkheidsbesef: “Als wij werkelijk zouden begrijpen wat een priester op aarde is, zouden wij sterven: niet van schrik maar van liefde … Zonder de priester zouden de dood en het lijden van onze Heer tot niets dienen. Het is de priester die het werk van de verlossing op aarde voortzet … Wat zouden we hebben aan een huis vol goud als er niemand was die de deur ervan voor ons opende? De priester bezit de sleutel tot de hemelse schatten: hij is het die de deur opent; hij is de rentmeester van de goede God, de beheerder van Zijn goederen … Laat een parochie twintig jaar lang zonder priester, en men zal daar de dieren aanbidden … de priester is geen priester voor zichzelf, hij is het voor jullie.”[6]

Toen hij naar Ars kwam, een dorpje met 230 inwoners, was hij door de bisschop reeds gewaarschuwd, dat hij een hachelijke situatie op godsdienstig gebied zou aantreffen: “Er is in die parochie niet veel liefde tot God; u zult deze daar brengen”. Hij was er zich dan ook volledig van bewust dat hij daarheen moest gaan om de aanwezigheid van Christus te belichamen door te getuigen van Zijn heilbrengende zachtmoedigheid. “[Mijn God], schenk mij de bekering van mijn parochie; ik wil daar alles voor lijden, wat U wilt, mijn hele leven lang!” – met dit gebed begon hij aan zijn zending.[7] Aan de bekering van zijn parochie wijdde de heilige Pastoor zich met al zijn krachten en hij zette de christelijke vorming van het hem toevertrouwde volk bij alles op de eerste plaats. Dierbare medebroeders in het priesterlijk dienstwerk, laten wij van de Heer Jezus de genade afsmeken dat ook wij de pastorale methode van Johannes Maria Vianney kunnen aanleren! Wat wij op de eerste plaats moeten leren is onze volledig identificatie met onze eigen opgave. In Jezus vallen Persoon en zending ten diepste samen. Zijn gehele heilshandelen was en is een uitdrukking van Zijn Zoon-zijn, dat van eeuwigheid voor de Vader staat in een houding van liefdevolle onderwerping aan Diens wil. In bescheiden en toch authentieke analogie moet ook de priester deze identificatie nastreven. Natuurlijk moet daarbij niet worden vergeten dat de effectieve werkzaamheid van het dienstwerk onafhankelijk blijft van de heiligheid van de priester; maar men mag ook de buitengewone vruchtbaarheid niet uit het oog verliezen, die ontspruit aan het samengaan van de objectieve heiligheid van het dienstwerk en de subjectieve heiligheid van de priester. De Pastoor van Ars begon meteen met deze nederige en geduldige taak om zijn leven als priester in overeenstemming te brengen met de heiligheid van het hem toevertrouwde dienstwerk en zei dat hij in feite in zijn parochiekerk zou “wonen”. “Toen hij nog maar net was aangekomen, koos hij de kerk tot zijn woning … Voor de dageraad betrad hij de kerk en pas na het Angelus van de avond kwam hij weer naar buiten. Daar moest men hem zoeken als men hem nodig had”, zo vermeldt zijn eerste biografie.[8]

De vrome overdrijving van de eerbiedige hagiograaf mag ons geen aanleiding geven voorbij te zien aan het feit dat de heilige Pastoor het ook verstond actief in het gehele gebied van zijn parochie te “wonen”. Hij bezocht systematisch alle zieken en gezinnen; hij organiseerde volksmissies en patroonsfeesten; hij zamelde geld in en beheerde het voor zijn charitatieve en missionaire projecten; hij verfraaide zijn kerk en zorgde voor de nodige liturgische voorwerpen; hij bekommerde zich om de weesmeisjes van de “Providence” (een door hem gestichte instelling) en de vrouwen die voor hen zorgden; hij bekommerde zich om de schoolopleiding van de kinderen; hij stichtte broederschappen en moedigde leken aan met hem samen te werken.

Zijn voorbeeld geeft mij aanleiding het terrein van de samenwerking te benadrukken, dat steeds meer moet worden uitgebreid naar de gelovige leken, samen met wie de priesters het ene priesterlijke volk vormen[9] en te midden van wie zij leven, om krachtens het gewijde priesterambt “allen te leiden tot de eenheid van liefde, ‘elkaar hartelijk beminnend met broederlijke genegenheid en elkaar overtreffend in eerbetoon’ (Rom. 12,10)”.[10]  In dit verband wil ik herinneren aan het dringende verzoek waarmee het Tweede Vaticaans Concilie de priesters aanmoedigt “de eigen waardigheid van de leken en het aandeel dat zij hebben in de zending van de Kerk [te] erkennen en [te] bevorderen. … Zij moeten graag naar de leken luisteren, in broederlijke gezindheid met hun wensen rekening houden, hun ervaring en competentie op de diverse terreinen van de menselijke activiteit erkennen, om samen met hen de tekenen des tijds te kunnen onderkennen.”[11]

De heilige Pastoor onderrichtte zijn parochianen vooral door het getuigenis van zijn leven. Door zijn voorbeeld leerden de gelovigen bidden en graag bij het tabernakel vertoeven voor een bezoek aan de Eucharistische Jezus.[12]  “Het is niet nodig veel te spreken om goed te bidden”, legde de pastoor hun uit. “We weten dat Jezus daar is, in het heilige tabernakel. Laten wij ons hart voor Hem openen, ons verheugen in Zijn heilige aanwezigheid. Dat is het beste gebed.”[13]  En hij spoorde hen aan: “Gaat ter Communie, mijn broeders, komt naar Jezus. Komt, om van Hem te leven, zodat u met Hem kunt leven …”[14] “Het is waar dat u dit niet waardig bent, maar u hebt het nodig!”[15] Deze opvoeding van de gelovigen tot besef van de Eucharistische Aanwezigheid en tot het ontvangen van de Communie was bijzonder effectief als de gelovigen hem het heilig Misoffer zagen vieren. Wie dat bijwoonde zei dat “het niet mogelijk was een voorbeeld te vinden dat de aanbidding beter tot uitdrukking zou kunnen brengen … Hij keek vol liefde naar de Hostie”.[16] “Alle goede werken samen wegen niet op tegen het Misoffer, want dat zijn werken van mensen, terwijl de heilige Mis het werk van God is”[17], zei hij. Hij was ervan overtuigd dat de ijver van een priesterleven geheel van de Mis afhangt: “Als een priester verslapt, is de oorzaak dat hij bij de Mis niet oplettend is! Mijn God, hoe beklagenswaardig is een priester die viert alsof hij iets gewoons zou doen!”[18]  En hij had zich tot gewoonte gemaakt bij de viering altijd ook zijn eigen leven als offer aan te bieden: “Wat is het goed als een priester iedere morgen zichzelf als offer aanbiedt!”[19]

Deze persoonlijke inleving in het kruisoffer voerde hem – in één innerlijke beweging – van het altaar naar de biechtstoel. Priesters mogen er zich nooit bij neerleggen dat hun biechtstoel niet bezocht wordt, noch zich ertoe beperken de aversie van de gelovigen tegen dit sacrament vast te stellen. Ten tijde van de heilige Pastoor was in Frankrijk de biecht niet eenvoudiger en ook niet frequenter dan in onze dagen, daar de ijzige storm van de revolutie de religieuze praxis gedurende lange tijd onderdrukt had. Toch probeerde hij op alle mogelijke manieren, door preek en overtuigende raadgeving, zijn parochianen de betekenis en de schoonheid van de sacramentele boete opnieuw te doen ontdekken, door deze te presenteren als een innerlijk met de Eucharistische aanwezigheid verbonden noodzakelijkheid. Op die manier slaagde hij erin een kringloop van deugd in gang te zetten. Door de lange periodes die hij in de kerk doorbracht voor het tabernakel, bereikte hij dat de gelovigen hem begonnen na te volgen; ze kwamen erheen om Jezus te bezoeken en waren er tegelijk zeker van dat ze de pastoor zouden aantreffen, die bereid was hen aan te horen en hun vergeving te schenken. Later was het de steeds groeiende menigte van boetvaardigen uit heel Frankrijk die hem dagelijks tot zestien uur lang in de biechtstoel hield. Men zei toen dat Ars “het grote ziekenhuis van de zielen”[20] was geworden. “De genade die hij ontving [voor de bekering van de zondaars] was zo sterk, dat deze de zondaars volgde, zonder hun een moment rust te gunnen”, zegt de eerste biograaf.[21] De heilige Pastoor zag dat niet anders toen hij zei: “Het is niet de zondaar die tot God terugkeert, om Hem om vergeving te vragen, maar God Zelf loopt de zondaar na en laat hem tot Zich terugkeren”.[22]  “Deze goede Heiland is zo van liefde vervuld dat Hij ons overal zoekt”.[23]

Wij priesters zouden allemaal moeten voelen dat de woorden die hij Christus in de mond legt ons persoonlijk aangaan: “Ik draag mijn dienaars op aan de zondaars te verkondigen dat Ik altijd bereid ben hen te ontvangen, dat Mijn barmhartigheid onbegrensd is”.[24] Van de heilige Pastoor van Ars kunnen wij priesters niet alleen het onuitputtelijke vertrouwen in het boetesacrament leren, dat ons aanspoort dit sacrament weer in het middelpunt van onze pastorale zorg te plaatsen, maar ook de methode van de “dialoog van het heil”, die zich daar voltrekken moet. De Pastoor van Ars gedroeg zich tegenover de verschillende penitenten telkens weer op een andere manier. Wie tot zijn biechtstoel kwam omdat hij werd aangetrokken door een innerlijk en nederig verlangen naar Gods vergeving, vond bij hem de bemoediging onder te duiken in de “stroom van goddelijke barmhartigheid”, die in zijn kracht alles meesleept. En als iemand terneergeslagen was bij de gedachte aan zijn zwakheid en onstandvastigheid en vreesde voor herhaling in de toekomst, openbaarde de Pastoor hem het mysterie van God met een uitspraak van roerende schoonheid: “De goede God weet alles. Nog voordat je zondigt, weet Hij dat je weer zult zondigen, en toch vergeeft Hij je. Hoe groot is de liefde van onze God, Die zo ver gaat dat Hij vrijwillig de toekomst vergeet, opdat Hij ons nu kan vergeven!”[25] Wie zichzelf daarentegen lauw en bijna onverschillig beschuldigde, maakte hij door zijn eigen tranen het ernstige inzicht duidelijk hoe “afschuwelijk” deze houding is: “Ik huil omdat u niet huilt”[26], zei hij. “Als de Heer maar niet zo goed was! Maar Hij is zo goed! Men moet wel een barbaar zijn om zich tegenover zo’n goede Vader zo te gedragen!”[27]  Hij liet het berouw in het hart van de lauwen opkomen door hen te dwingen als het ware in het gezicht van de biechtvader het “belichaamde” lijden van God ten gevolge van de zonden met eigen ogen te zien. Voor wie daarentegen toonde dat hij vol verlangen naar en in staat tot een dieper geestelijk leven was, opende hij de diepten der liefde, door hem duidelijk te maken hoe onbeschrijfelijk mooi het is met God verenigd en in Zijn tegenwoordigheid te leven: “Alles onder Gods oog, alles met God, alles, om God te behagen … Wat is dat mooi!”[28]  En hij leerde hun bidden: “Mijn God, verleen mij de genade U zoveel als maar mogelijk lief te hebben”.[29]

De Pastoor van Ars heeft in zijn tijd het hart en het leven van zoveel mensen kunnen omvormen, omdat het hem gelukt is hun de barmhartige liefde van de Heer te laten waarnemen. Ook in onze tijd is een dergelijke verkondiging en een dergelijk getuigenis van de waarheid van de liefde zeer urgent: Deus caritas est (1 Joh 4,8). Met het woord en de sacramenten van zijn Jezus wist Johannes Maria Vianney zijn volk op te bouwen, ofschoon hij, overtuigd van zijn persoonlijke tekortkomen, dikwijls huiverde en zich meermalen aan de verantwoordelijkheid van het dienstwerk in de parochie wenste te onttrekken, omdat hij zich onwaardig voelde. Desondanks bleef hij in voorbeeldige gehoorzaamheid steeds op zijn post, want de apostolische ijver voor het heil van de zielen verteerde hem. Door een strenge ascese probeerde hij zijn eigen roeping volledig na te leven: “Het grote ongeluk van ons, pastoors,” zo beklaagde zich de heilige, “bestaat erin dat de ziel afstompt”[30], en hij bedoelde daarmee een gevaarlijke gewenning van de herder aan de toestand van zonde of onverschilligheid waarin veel van zijn schapen leven. Met waken en vasten beteugelde hij zijn lichaam om te voorkomen dat dit zich tegen zijn priesterlijke ziel zou verzetten. Ook schrok hij er niet voor terug zichzelf te kastijden voor het welzijn van de hem toevertrouwde zielen en om bij te dragen tot de boetedoening voor alle zonden die hij in de biecht gehoord had. Tegen een medebroeder in het priesterambt zei hij: “Ik verraad je mijn recept: ik leg de zondaars een kleine boete op en de rest doe ik in hun plaats”.[31]Afgezien van de concrete boetedoeningen waaraan de Pastoor van Ars zich onderwierp, blijft in ieder geval de kern van zijn leer voor allen geldig: de zielen zijn gekocht met het bloed van Jezus en de priester kan zich niet wijden aan hun redding als hij weigert persoonlijk deel te hebben aan de “kostbare prijs” van hun verlossing.

In de wereld van vandaag is het even hard nodig als in de moeilijke tijden van de Pastoor van Ars, dat de priesters in hun leven en handelen uitblinken door een sterk getuigenis voor het evangelie. Paulus VI heeft terecht opgemerkt: “De mens van vandaag luistert liever naar getuigen dan naar geleerden, en als hij naar geleerden luistert dan is het omdat ze getuigen zijn.”[32] Opdat in ons geen existentiële leegte ontstaat en de vruchtbaarheid van ons dienstwerk niet in gevaar komt, moeten wij ons telkens opnieuw afvragen: “Zijn wij werkelijk doordrenkt van Gods woord? Is dat werkelijk het voedsel waarvan wij leven, meer dan van brood en de zaken van deze wereld? Kennen we het werkelijk? Houden we ervan? Gaan wij er innerlijk mee om, zodat het ons leven bepaalt, ons denken vormt?”[33]  Zoals Jezus de Twaalf riep om bij Hem te zijn (vgl. Mc. 3,14), en hen pas daarna uitzond om te prediken, zo zijn ook in onze dagen de priesters geroepen die “nieuwe levensstijl” aan te nemen, die Jezus, de Heer, ingevoerd heeft en die de apostelen zich eigen hebben gemaakt.[34]

Juist die onvoorwaardelijke aanvaarding van deze “nieuwe levensstijl” was een kenmerk van de priesterlijke inzet van de Pastoor van Ars. In de encycliek Sacerdotii nostri primordia, die in 1959, honderd jaar na de dood van Johannes Maria Vianney, werd gepubliceerd, voerde Johannes XXIII diens ascetische karakter op met bijzondere verwijzing naar het thema van de “drie evangelische raden”, die hij ook voor priesters noodzakelijk achtte: “Ook al is aan de priester voor het bereiken van deze heiligheid van leven het naleven van de evangelische raden niet op grond van zijn clericale stand opgelegd, toch biedt dit leven hem, zoals aan alle leerlingen van de Heer, de normale weg van de christelijke heiliging”.[35] De Pastoor van Ars verstond het de “evangelische raden” in zijn situatie als priester op passende wijze na te leven. Zijn armoede was namelijk niet zoals die van een religieus of een monnik, maar zoals die van een wereldheer verwacht wordt. Hoewel hij met veel geld omging (daar welgestelde pelgrims niet verzuimden zijn charitatieve werken te gedenken), wist hij dat alles bedoeld was voor zijn kerk, zijn armen, zijn wezen, de meisjes van zijn “Providence[36] , de meest noodlijdende gezinnen. Daarom was hij “rijk om anderen te geven, en zeer arm voor zichzelf”.[37] Hij verklaarde: “Mijn geheim is eenvoudig: alles geven en niets behouden”.[38] Als hij met lege handen stond, zei hij tevreden tegen de armen die zich tot hem wendden: “Vandaag ben ik arm zoals jullie, ben ik één van jullie”.[39]  Zo kon hij aan het einde van zijn leven in alle rust zeggen: “Ik heb niets meer. Nu kan de goede God mij roepen als Hij wil!”[40] Ook zijn zuiverheid was zoals die voor het dienstwerk van een priester noodzakelijk is. Men kan zeggen dat het de passende zuiverheid was van degene die dagelijks de Eucharistie moet aanraken en die Deze met de hele begeestering van zijn hart aanschouwt en met dezelfde begeestering aan zijn gelovigen reikt. Er werd van hem gezegd dat “de zuiverheid van zijn gezicht straalde”, en de gelovigen merkten op dat hij met de ogen van een verliefde naar het tabernakel keek.[41] Ook de gehoorzaamheid van Johannes Maria Vianney werd geheel en al belichaamd in de smartelijk bevochten innerlijke instemming met de dagelijkse eisen van zijn ambt. Het is bekend hoezeer hij werd gekweld door de gedachte aan zijn tekortkomen voor het dienstwerk van pastoor en hoezeer hij wenste te vluchten “om in eenzaamheid zijn povere leven te bewenen”.[42] Alleen de gehoorzaamheid en zijn hartstocht voor de zielen konden hem ervan overtuigen op zijn post te blijven. Tegenover zichzelf en zijn gelovigen verklaarde hij: “Er zijn geen twee goede manieren om God te dienen. Er is er maar één: Hem zo dienen als Hij het wil.”[43] De gouden regel voor een leven in gehoorzaamheid leek hem deze: “Alleen maar doen wat aan de goede God aangeboden kan worden.”[44]

In verband met de spiritualiteit die door de beoefening van de evangelische raden wordt bevorderd, wil ik de priesters in dit aan hen gewijde jaar heel graag bijzonder oproepen de nieuwe lente aan te grijpen, die de Geest in onze dagen in de Kerk doet ontstaan, niet op de laatste plaats door de kerkelijke bewegingen en de nieuwe gemeenschappen. “De Geest is veelvoudig in Zijn gaven … Hij waait waar Hij wil. Hij doet dat op onverwachte wijze, op onverwachte plaatsen en in niet eerder bedachte vormen … maar Hij toont ons ook dat Hij werkt met het oog op het ene Lichaam en in de eenheid van het ene Lichaam”[45] In dit verband geldt de aanwijzing van het decreet Presbyterorum Ordinis: “Zij [de priesters] moeten de geesten onderzoeken of zij wel van God komen, en de veelvoudige charisma’s van de leken, eenvoudige en meer belangrijke, met geloofszin opsporen, vreugdevol erkennen en zorgvuldig koesteren.”[46] Van deze gaven, die velen aanzetten tot een hoger geestelijk leven, kunnen niet alleen de gelovige leken, maar ook de priesters zelf profiteren. Het samenwerken van gewijde ambtsdragers en charisma’s kan namelijk leiden tot “een gezonde impuls voor een nieuw engagement van de Kerk bij verkondiging en getuigenis van het evangelie van de hoop en de liefde in alle delen van de wereld”.[47]  Daarnaast wil ik, aansluitend bij de Apostolische Exhortatie Pastores dabo vobis van Paus Johannes Paulus II, daar nog aan toevoegen dat het gewijde ambt een radicale “gemeenschapsvorm” heeft en alleen in de gemeenschap van de priesters met hun bisschop vervuld kan worden.[48] Het is noodzakelijk dat deze gemeenschap van de priesters onder elkaar, gebaseerd op het wijdingssacrament en tot uitdrukking gebracht in de concelebratie van de priesters onderling en met hun bisschop, zich vertaalt in verschillende concrete vormen van effectieve en affectieve priesterlijke broederlijkheid.[49] Alleen zo kunnen priesters de gave van het celibaat  ten volle beleven en in staat zijn christelijke gemeenschappen te doen opbloeien, waarin de wonderen van de eerste verkondiging van het evangelie zich herhalen.

Het Sint-Paulusjaar, dat ten einde loopt, richt onze gedachten op de apostel van de heidenen, in wie voor onze ogen een glanzend voorbeeld oplicht van een priester die zich geheel en al aan zijn dienstwerk had “overgegeven”. “De liefde van Christus laat ons geen rust”, schrijft hij, “sinds wij hebben ingezien dat Een is gestorven voor allen. Maar dan zijn allen gestorven!” (2 Kor, 5,14). En hij voegt eraan toe: “Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar ter wille van Hem die voor hen is gestorven en verrezen” (2 Kor. 5,15). Kan men een beter programma voorleggen aan een priester die bezig is voortgang te maken op de weg van de christelijke volmaaktheid?

Dierbare priesters, de viering van de 150ste sterfdag van de heilige Johannes Maria Vianney (1859) sluit direct aan bij de pas afgesloten vieringen van de 150ste gedenkdag van de verschijningen in Lourdes (1858). Reeds in 1959 heeft de zalige Paus Johannes XXIII opgemerkt: “Kort voordat de Pastoor van Ars zijn lange, verdienstelijke loopbaan beëindigde, was in een ander deel van Frankrijk de Onbevlekte Maagd verschenen aan een nederig en zuiver meisje, om haar een boodschap van gebed en boete over te brengen, waarvan de enorme geestelijke weerklank sinds een eeuw welbekend is. In feite was het leven van de heilige priester, wiens gedachtenis wij vieren, al op voorhand een levendige weergave van de grote bovennatuurlijke waarheden die aan de zieneres van Massabielle overgedragen werden. Hijzelf koesterde een vurige verering voor de Onbevlekte Ontvangenis van de heilige Maagd – hij die in 1836 zijn parochie had toegewijd aan Maria Zonder Zonde Ontvangen en daarna het dogma van 1854 met zoveel geloof en vreugde zou aannemen”.[50] De heilige Pastoor herinnerde er zijn gelovigen altijd aan dat “Jezus Christus, nadat Hij ons alles had gegeven wat Hij ons geven kon, ons nog het meest waardevolle dat Hij bezat als erfenis heeft willen nalaten, namelijk Zijn Moeder”[51].

Aan de allerheiligste Maagd Maria vertrouw ik dit jaar van de priesters toe en ik vraag haar in het innerlijk van iedere priester een edelmoedige herleving op te wekken van die idealen van volledige overgave aan Christus en Zijn Kerk, die het denken en handelen van de heilige Pastoor van Ars bepaalden. Met zijn vurige gebedsleven en zijn hartstochtelijke liefde tot de gekruisigde Jezus voedde Johannes Maria Vianney zijn dagelijkse onvoorwaardelijke overgave aan God en aan de Kerk. Moge zijn voorbeeld de priesters bewegen tot dat getuigenis van eenheid met de bisschop, met elkaar en met de leken, dat vandaag even nodig is als altijd. Ondanks het kwaad dat er in de wereld is, zijn de woorden van Christus tot Zijn apostelen in de Zaal van het Laatste Avondmaal nog altijd actueel: “In de wereld leeft gij in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16,33). Het geloof in de goddelijke Meester geeft ons de kracht vertrouwvol de toekomst tegemoet te zien. Dierbare priesters, Christus rekent op u. Laat u, naar het voorbeeld van de heilige Pastoor van Ars, door Hem in bezit nemen, dan bent u in de wereld van vandaag ook Zijn boden van hoop, van verzoening en van vrede!

Van ganser harte geef ik u mijn zegen.

Uit het Vaticaan, 16 juni 2009

 

Benedictus PP. XVI

 

Vertaling namens en met goedkeuring van de Nederlandse Bisschoppenconferentie door Dr. N. Stienstra, met medewerking van Drs. N.M. Schnell, pr.


 
[1] Hij werd in1929 door Paus Pius XI tot patroonheilige van alle pastoors uitgeroepen.

[2]Le Sacerdoce, c’est l’amour du cœur de Jésus” (in Le curé d’Ars. Sa pensée – Son cœur. Présentés par l’Abbé Bernard Nodet, éd. Xavier Mappus, Foi Vivante, 1966, S. 98). Hierna: Nodet. Deze zin wordt onder nummer 1589 ook in de Catechismus van de Katholieke Kerk geciteerd.

[3] Nodet, p. 101

[4] Id., p. 97

[5] Id., pp. 98-99

[6]Id., pp. 98-100

[7]Id., p.183

[8] Monnin A., Il curato d’Ars. Vita di Gian-Battista-Maria Vianney, Deel. I, ed. Marietti, Turijn 1870, p.122

[9]Vgl. Lumen gentium, nr.10

[10]Presbyterorum ordinis, nr. 9

[11] Id.

[12] “De beschouwing (contemplatie) is een op Jezus gerichte blik vol geloof. ‘Ik kijk Hem aan en Hij kijkt mij aan’, zei een boer uit Ars, toen hij voor het tabernakel in gebed was, ten tijde van zijn heilige pastoor” (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2715).

[13] Nodet, p. 85

[14] Id., p. 114

[15] Id., p. 119

[16] Monnin., a.w., II, p. 430ff.

[17] Nodet, p. 105

[18] Id.

[19] Id., p. 104

[20] Monnin., a.w., II, p. 293

[21] Id., p. 10

[22] Nodet, p. 128

[23] Id., p. 50

[24] Id., p. 131

[25] Id., p. 130

[26] Id., p. 27

[27] Id., p 139

[28] Id., p. 28

[29] Id., p. 77

[30] Id., p. 102

[31] Id., p. 189

[32] Evangelii nuntiandi, nr. 41

[33] Benedictus XVI, Homilie in de Chrismamis, 9.4.2009

[34]Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de deelnemers aan de plenaire vergadering van de Congregatie voor de Clerus, 16.3.2009

[35] Deel I

[36] Deze naam gaf hij aan het huis waarin hij meer dan 60 in de steek gelaten meisjes liet opnemen en opvoeden. Om dit huis in stand te houden was hij tot alles bereid: “J’ai fait tous les commerces imaginables – Ik heb daarvoor alle zaken gedaan, die men zich maar kan voorstellen”, zei hij lachend (Nodet, p. 214).

[37] Nodet, p. 216

[38] Id., p. 215

[39] Id., p. 216

[40] Id., p. 214

[41] Vgl. Id., p. 112

[42] Vgl. Id., p. 82-84; 102-103

[43]Id., p. 75

[44]Id., p. 76

[45] Benedictus XVI, Homilie bij de Pinkstervigilie, 3.6.2006

[46] Nr. 9

[47]Benedictus XVI, Toespraak tot de bisschoppen die een band hebben met de Focolarebeweging en de Gemeenschap “Sant’Egidio” , 8.2.2007

[48] Vgl. nr. 17

[49]Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie Pastores dabo vobis, nr. 74

[50] Encycliek Sacerdotii Nostri primordia, Deel III

[51]Nodet, p. 244

 

 

top