The Holy See
back up
Search
riga

BOODSCHAP
VAN ZIJNE HEILIGHEID
PAUS BENEDICTUS XVI
VOOR DE VASTENTIJD 200
8

 

“Christus is om uwentwil arm geworden” (2 Kor 8,9)

 

Dierbare broeders en zusters!

1. Ieder jaar biedt de liturgische opgang naar Pasen ons een welkome gelegenheid de betekenis van ons christen-zijn te verdiepen, en worden we aangespoord de barmhartigheid van God opnieuw te ontdekken, zodat wij van onze kant barmhartiger worden jegens onze broeders en zusters. In de Veertigdagentijd is het de zorg van de Kerk enkele bijzondere werken aan te bevelen, die de gelovigen concreet vooruithelpen bij dit proces van innerlijke vernieuwing, namelijk gebed, vasten en het geven van aalmoezen. Dit jaar wil ik in de gebruikelijke boodschap voor de Veertigdagentijd stilstaan bij de praktijk van het geven van aalmoezen, wat een concrete manier vormt om de noodlijdende te hulp te komen en tegelijkertijd een ascetische oefening is om ons te bevrijden van de gebondenheid aan aardse goederen. Hoe sterk de invloed van materieel bezit is, en hoe ondubbelzinnig onze beslissing moet zijn dit niet tot afgod te maken, bevestigt Jezus nadrukkelijk: “Gij kunt niet God dienen en de mammon” (Lc 16,13). Het geven van aalmoezen helpt ons deze voortdurende bekoring te overwinnen, want het leert ons de noden van de naaste te zien en met anderen te delen wat wij, dankzij de goddelijke goedheid, bezitten. Dat is het doel van de bijzondere collectes voor de armen, die tijdens de Veertigdagentijd in veel delen van de wereld worden georganiseerd. Op die manier verbindt de innerlijke zuivering zich met een gebaar van kerkelijke gemeenschap, dat men in de vroege Kerk al kende. Daarover spreekt bijvoorbeeld de heilige Paulus in zijn brieven over de collecte voor de gemeenschap van Jerusalem (vgl. 2 Kor 8-9; Rom 15,25-27).

2. Het evangelie leert: wij zijn geen eigenaren, maar beheerders van de goederen die wij bezitten. Die mogen daarom niet als onaantastbaar eigendom worden beschouwd, doch als middelen waardoor de Heer ieder van ons roept in Zijn naam zorg te dragen voor onze naaste. Zoals de Katechismus van de Katholieke Kerk benadrukt: materiële goederen hebben een sociale waarde, in overeenstemming met hun universele bestemming (vgl. nr. 2404).

In het evangelie is duidelijk dat Jezus een ernstig verwijt maakt aan degene die de aardse rijkdommen alleen voor zichzelf wil hebben en benutten. Gegeven de velen die aan alles gebrek hebben en honger lijden, zijn de woorden uit de eerste Johannesbrief een harde terechtwijzing: “Hoe kan de goddelijke liefde blijven in een mens die geld genoeg heeft, en toch zijn hart sluit voor de nood van zijn broeder?” (1 Joh 3,17). Nog duidelijker weerklinkt de oproep tot delen in landen die voornamelijk christelijk zijn, omdat hun verantwoordelijkheid ten opzichte van de vele ongelukkigen en verlatenen zwaarder weegt. Deze mensen helpen is eerder een plicht tot gerechtigheid dan een gebaar van liefdadigheid.

3. Het evangelie brengt een typisch kenmerk aan het licht van het christelijk geven van aalmoezen: een aalmoes moet in het verborgene gegeven worden. “Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet”, gebiedt Jezus, “opdat uw aalmoes in het verborgene blijve” (Mt 6,3-4). Kort tevoren heeft Hij gezegd dat men zich niet op eigen goede daden moet laten voorstaan, om niet het risico te lopen daardoor het recht op loon in de hemel te verspelen (vgl. Mt 6,1-2). De leerling moet er zorg voor dragen dat alles gebeurt tot meerdere eer van God. Jezus vermaant: “Zo moet uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is” (Mt 5,16). Alles moet dus gericht zijn niet op onze eer, maar op de eer van God. Moge dit besef, dierbare broeders en zusters, iedere daad van hulpverlening aan de naaste begeleiden, opdat die niet tot middel wordt om zelf op de voorgrond te treden. Als wij bij het verrichten van een goede daad niet de eer van God en het ware welzijn van de medemensen tot doel hebben, maar vooral naar persoonlijk voordeel of eenvoudigweg bijval streven, beantwoorden wij niet aan de oproep van het evangelie. In de moderne, door beelden bepaalde samenleving, moet men zeer waakzaam zijn waar het deze bekoring betreft. De milddadigheid van het evangelie is niet slechts filantropie: het is veel eerder een concrete daad van caritas, van liefde, een goddelijke deugd, die volgt uit de innerlijke bekering tot liefde jegens God en de medemens, in navolging van Jezus Christus, die Zich volledig aan ons geschonken heeft tot aan de dood op het kruis. Hoe zouden wij God niet danken voor de vele mensen die, ver verwijderd van de schijnwerpers van de mediamaatschappij, in stilte en vanuit een christelijke geest grootmoedige daden verrichten ter ondersteuning van de naaste in nood? Het heeft weinig zin de eigen goederen aan anderen te schenken, als dat leidt tot een van ijdelheid opgeblazen hart: daarom zoekt degene die weet dat God “in het verborgene ziet”, en in het verborgene zal vergelden, geen menselijke erkenning voor de door hem volbrachte werken van barmhartigheid.

4. De heilige Schrift nodigt ons uit het geven van aalmoezen te beschouwen met een diepere blik, die de puur materiële dimensie overstijgt en ons leert dat het zaliger is te geven dan te ontvangen (vgl. Hand. 20,35). Als wij uit liefde handelen, dan geven wij uitdrukking aan de waarheid van ons ‘zijn’: wij zijn namelijk niet voor onszelf geschapen, doch voor God en voor de medemensen (vgl. 2 Kor. 5,15). Iedere keer als we uit liefde tot God onze goederen delen met de behoeftige naaste, ervaren we dat de volheid van het leven uit de liefde komt en dat alles tot ons terugkeert als zegen van de vrede, de innerlijke tevredenheid en de vreugde. De hemelse Vader beloont ons geven van aalmoezen met Zijn vreugde. Meer nog: de heilige Petrus vermeldt bij de geestelijke vruchten van het geven van aalmoezen de vergeving van de zonden: “De liefde” –  zo schrijft hij – “bedekt tal van zonden” (1 Petr 4,8). De liturgie van de Veertigdagentijd herhaalt het dikwijls: God biedt ons zondaars de mogelijkheid tot vergeving aan. Als wij ons bezit delen met de armen, worden wij erop voorbereid die te ontvangen. Op dit moment denk ik aan al diegenen die de last voelen van het kwaad dat zij hebben gedaan, en zich juist daarom ver van God voelen, angstig en bijna niet bij machte zich tot Hem te wenden. Als het geven van aalmoezen ons dicht bij de naaste brengt, brengt het ons dicht bij God, en het kan tot werktuig worden van een ware bekering en verzoening met Hem en met onze broeders en zusters.

5. Het geven van aalmoezen voedt ons op tot een liefdevolle edelmoedigheid. De heilige Giuseppe Benedetto Cottolengo placht aan te bevelen: “Tel nooit de munten die je weggeeft want, zo zeg ik altijd:  Als bij het geven van aalmoezen de linkerhand niet mag weten wat de rechter doet, dan mag ook de rechter niet weten wat die zelf doet” (Detti e pensieri, Edilibri, nr. 201). In dit verband is van grote betekenis de episode uit het evangelie aangaande de weduwe die van haar armoe “alles waar ze van leven moest” (Mc 12,44) in de offerkist van de tempel wierp. Haar twee kleine, onbeduidende muntjes worden tot een veelzeggend symbool: deze weduwe geeft God niet iets van haar overvloed; ze geeft niet iets van wat ze bezit; ze geeft wat ze is. Ze geeft zichzelf volledig.

Dit ontroerende verhaal is ingebed in de bijbelse beschrijving van de dagen die onmiddellijk vooraf gaan aan het lijden en de dood van Jezus. Jezus is arm geworden, opdat wij rijk zouden worden door Zijn armoede, schrijft St. Paulus; Hij heeft Zichzelf helemaal voor ons gegeven. De Veertigdagentijd spoort ons aan – ook door het geven van aalmoezen – Zijn voorbeeld na te volgen. In de school van Jezus kunnen wij leren ons leven tot gave te maken; doordat we Hem navolgen, groeit de bereidheid niet alleen iets van ons bezit te geven, maar juist onszelf. Wordt niet zo ongeveer het hele evangelie samengevat in het ene gebod van de liefde? De praktijk om aalmoezen te geven in de Veertigdagentijd wordt zo tot een middel om voortgang te maken in onze christelijke roeping. Als de christen zichzelf geeft zonder berekening, getuigt hij: niet de materiële rijkdom dicteert de wetten van het bestaan, maar de liefde. Wat de aalmoes haar waarde geeft is – naar de mogelijkheden en omstandigheden van ieder individu – de liefde die inspireert tot verschillende vormen van zelfgave.

6. Dierbare broeders en zusters, de voorbereiding op Pasen nodigt ons, ook door het geven van aalmoezen, uit tot een geestelijke training, opdat wij groeien in de liefde en Christus Zelf herkennen in de armen. In de Handelingen der Apostelen wordt verhaald wat de Apostel Petrus zegt tot de lamme die aan de tempelpoort om aalmoezen vraagt: “Zilver en goud heb ik niet; maar wat ik heb geef ik u. In de naam van Jezus Christus de Nazoreeër: gebruik uw voeten” (Hand 3,6). Met de aalmoes geven wij iets materieels; het kan een teken zijn van de grotere gave, die wij anderen geven met het woord en het getuigenis van Christus, in Wiens naam wij het ware leven hebben. Deze tijd nodigt ons daarom uit door persoonlijke en gemeenschappelijke inspanning Christus toegedaan te zijn en te getuigen van Zijn liefde. Maria, de Moeder en trouwe Dienstmaagd van de Heer, moge de gelovigen helpen om in hun “geestelijke strijd” van de Veertigdagentijd de wapens van het gebed, het vasten en het geven van aalmoezen goed te gebruiken. Dan gaan wij, in kracht van de Geest vernieuwd, het Paasfeest tegemoet. Met deze wens schenk ik u allen van harte mijn Apostolische Zegen.

Van het Vaticaan, 30 oktober 2007

Benedictus PP. XVI

 

© Copyright 2007 - Libreria Editrice Vaticana

   

top