The Holy See
back up
Search
riga

BOODSCHAP
VAN ZIJNE HEILIGHEID
PAUS BENEDICTUSUS XVI
VOOR DE VIERING VAN
WERELDVREDEDAG

1 JANUARI 2010

ALS U DE VREDE WILT BEVORDEREN
BESCHERM DAN DE SCHEPPING

 

1. Aan het begin van dit nieuwe jaar, wil ik van harte een vredegroet brengen aan alle christelijke gemeenschappen, internationale leiders en mensen van goede wil over de hele wereld. Voor deze 43ste wereldvrededag heb ik als thema gekozen: Als U de Vrede Wilt Bevorderen, Bescherm dan de Schepping. Eerbied voor de schepping is van immens belang, niet op de laatste plaats omdat “de schepping het begin en de grondslag is van alle werken van God”,[1] en het behoud ervan thans essentieel is geworden voor de vreedzame co-existentie van de mensheid. De onmenselijkheid van de mens jegens de mens heeft geleid tot talrijke bedreigingen van de vrede en van authentieke, integrale menselijke ontwikkeling – oorlogen, internationale en regionale conflicten, terreurdaden en schending van mensenrechten. Doch niet minder verontrustend zijn de bedreigingen die het gevolg zijn van de verwaarlozing – zo niet gewoon het misbruik – van de aarde en de natuurlijke goederen die God ons gegeven heeft. Daarom is het noodzakelijk dat de mensheid komt tot hernieuwing en versterking van “het verbond tussen mensen en het milieu, dat de scheppende liefde zou moeten weerspiegelen van God, uit Wie we voortkomen en naar Wie we op weg zijn”.[2]

2. In mijn encycliek Caritas in Veritate, heb ik benadrukt dat de integrale ontwikkeling van de mens nauw verbonden is met verplichtingen die voortvloeien uit de relatie van de mens met het milieu en de natuur. Het milieu moet worden gezien als Gods gave aan alle mensen en het gebruik dat we er van maken brengt een gedeelde verantwoordelijkheid voor de gehele mensheid met zich mee, in het bijzonder voor de armen en voor de toekomstige generaties. Ik heb er ook op gewezen dat in het geweten van de mensen het verantwoordelijkheidsbewustzijn dreigt te verminderen als de natuur, en in het bijzonder de mens, alleen maar wordt beschouwd als product van toeval of van evolutionair determinisme.[3] Als we daarentegen de schepping zien als een gave van God aan de mensheid, helpt ons dat de roeping en de waarde van de mens te begrijpen. Met de psalmist kunnen we vol bewonderende verbazing uitroepen: “Als ik naar de hemel kijk, het kunstwerk van Uw vingers, als ik maan en sterren zie, die Gij daar hebt gezet: ach wat is de mens dan, dat Gij naar hem omziet, ’t mensenkind, dat Gij zo voor hem zorgt?” (Ps. 8,4-5). Het beschouwen van de schoonheid van de schepping inspireert ons de liefde van de Schepper te erkennen, die Liefde die “de zon en de overige sterren beweegt”.[4]

3. Twintig jaar geleden heeft  Paus Johannes Paulus II zijn Boodschap voor Wereldvrededag gewijd aan het thema  Vrede met God de Schepper; vrede met de hele schepping en daarmee de aandacht gevestigd op de verhouding die wij als Gods schepselen hebben met alles wat ons omringt. “In onze dagen”, zo schreef hij, “is er een groeiend bewustzijn dat de wereldvrede bedreigd wordt …ook door gebrek aan passende eerbied voor de natuur”. Hij voegde eraan toe dat “ecologisch bewustzijn zeker niet gerelativeerd moet worden, maar zich juist moet ontwikkelen en rijpen, en tot uitdrukking komen in concrete programma’s en initiatieven”. [5] Eerdere pausen hebben ook reeds verwezen naar de verhouding tussen de mens en het milieu. In het jaar 1971, 80 jaar na de verschijning van de encycliek Rerum novarum van paus Leo XIII, wees paus Paulus VI erop dat de mensen “de natuur zo onbezonnen hebben geëxploiteerd dat het gevaar bestaat dat die wordt vernietigd en dat door zulk misbruik veroorzaakte schade op henzelf zal terugslaan”. Hij voegde eraan toe: “Maar niet alleen het milieu van de mens wordt voor deze steeds vijandelijker – vervuiling en afval, nieuwe ziekten en absolute mogelijkheid tot vernietiging – maar de mens heeft ook de menselijke samenleving niet meer in de hand en schept zo een milieu voor de toekomst dat voor hem weleens ondragelijk zou kunnen zijn. Het gaat hier om een sociaal probleem, dat de gehele familie van de mensheid omvat”.[6]

4. Ook al vermijdt de Kerk het zich uit te spreken over specifieke technische oplossingen, toch doet zij als “expert in menselijkheid” alle moeite de aandacht te vestigen op de verhouding tussen de Schepper, de mens en de schepping. In 1990 heeft paus Johannes Paulus II van een “milieucrisis” gesproken en door te verwijzen naar het feit dat deze in eerste instantie van ethische aard is, gewezen op de “dringende morele noodzaak voor een nieuwe solidariteit”. [7]7 Zijn oproep is vandaag de dag des te dringender, gelet op de tekenen van een toenemende crisis, waarvan het onverantwoordelijk zou zijn die niet serieus te nemen. Kunnen wij onverschillig blijven voor verschijnselen zoals globale klimaatsverandering, woestijnvorming, de vermindering en het verlies van productiviteit van grote landbouwgebieden, de vervuiling van rivieren en grondwater, het verlies aan biodiversiteit, de toename van natuurrampen en de ontbossing van tropische gebieden? Kunnen wij voorbij zien aan het groeiende verschijnsel van “milieuvluchtelingen”, mensen die vanwege de milieuschade aan hun woongebied dit – en dikwijls ook hun have en goed – moeten verlaten en zo blootgesteld zijn aan de gevaren en de ongewisse toekomst van gedwongen emigratie? Kunnen wij onbewogen blijven bij de reeds bestaande en dreigende conflicten wat betreft de toegang tot natuurlijke hulpbronnen? Dit zijn allemaal kwesties die van grote invloed zijn op het in praktijk brengen van de mensenrechten, zoals het recht op leven, voedsel, gezondheid en ontwikkeling.

5. Het mag duidelijk zijn dat de milieucrisis niet los gezien kan worden van andere, hieraan gerelateerde vragen, daar deze nauw verbonden is met het idee van ontwikkeling zelf en met onze kijk op de mens en zijn verhouding tot medemensen en tot de schepping. Daarom is het zinvol om tot een diepgaand en vooruitziend onderzoek van ons ontwikkelingsmodel te komen, waarbij ook de zin en het streven van de economie in beschouwing worden genomen, met als doel misstanden en misbruiken te corrigeren. De ecologische toestand van de planeet vraagt hierom, maar ook de culturele en morele crisis van de mens, waarvan de symptomen reeds langere tijd in alle delen van de wereld duidelijk zijn.[8] De mensheid heeft behoefte aan een diepe, culturele vernieuwing en moet die waarden opnieuw ontdekken die een vast fundament vormen waarop een betere toekomst voor allen kan worden opgebouwd. De crisissituaties die zij nu doormaakt, of die nu liggen op het gebied van de economie, de voedselvoorziening, het milieu of de samenleving, zijn ten diepste ook morele crisissen, en ze hangen allemaal met elkaar samen. Ze eisen van ons dat we opnieuw nadenken over de weg die we als mensen gezamenlijk gaan. Ze vereisen in het bijzonder een levensstijl van soberheid en solidariteit, met nieuwe regels en vormen van inzet, waarbij vertrouwvol en dapper wordt ingezet op positieve ervaringen en de negatieve ervaringen resoluut worden afgewezen. Alleen op die manier kan de huidige crisis een mogelijkheid tot onderscheiding en nieuwe strategische planning worden.

6. Is het soms niet waar dat wat wij in kosmische zin “natuur” noemen is ontstaan uit “een plan van liefde en waarheid”? De wereld is “niet het product van een of andere noodzaak, van een blind lot of van het toeval … ze komt voort uit de vrije wilsbeschikking van God, Die de schepselen heeft willen laten delen in Zijn wezen, wijsheid en goedheid”. [9] Het boek Genesis wijst, in de allereerste bladzijden, op het wijze ontwerp van de kosmos, dat de vrucht is van Gods Geest en waarvan het hoogtepunt gevormd wordt door man en vrouw, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van de Schepper om “de aarde te bevolken” en erover te “heersen” als door God Zelf aangestelde “rentmeesters” (vgl. Gen. 1,28). De door de Heilige Schrift beschreven harmonie tussen de Schepper, de mensheid en de schepping werd verstoord door de zonde van Adam en Eva, door de zonde van man en vrouw, die de plaats van God wilden innemen en weigerden te erkennen dat ze Zijn schepselen waren. Als gevolg daarvan werd ook de opgave verstoord over de aarde te “heersen”, haar te “bewerken” en te “beheren” en is er een conflict ontstaan tussen de mensheid en de overige schepping (vgl. Gen. 3,17-19). De mens heeft zich laten beheersen door egoïsme en de betekenis van Gods gebod uit het oog verloren. In zijn verhouding tot de schepping heeft hij zich gedragen als uitbuiter, die er absolute heerschappij over wilde uitoefenen. De ware betekenis van Gods aanvankelijke gebod bestond echter, zoals het boek Genesis duidelijk aantoont, niet uit een eenvoudige overdracht van gezag, maar uit een oproep tot verantwoordelijkheid. De wijsheid van de Ouden had erkend dat de natuur ons niet ter beschikking staat als een “een hoop toevallig verstrooid afval”.[10]  De Bijbelse Openbaring heeft ons laten zien dat de natuur een gave van de Schepper is, Die deze een ingebouwde ordening gegeven heeft en de mens in staat heeft gesteld daaruit de beginselen af te leiden die nodig zijn voor het “bewerken en beheren” ervan (vgl. Gen. 2,15). [11] Alles wat bestaat, behoort aan God toe, Die het heeft toevertrouwd aan de mens, maar niet voor eigenmachtig gebruik. Als de mens niet zijn rol als medewerker van God wil vervullen, maar zelf de plaats van God wil innemen, roept hij ten slotte de rebellie van de natuur op, die door hem “meer getiranniseerd dan beheerd wordt”.[12] De mens heeft daarom de plicht een verantwoordelijk rentmeesterschap over de schepping uit te oefenen, haar te beheren en te bewerken.[13]

7. Helaas moet worden vastgesteld dat grote aantallen mensen in verschillende landen en landstreken van onze planeet steeds grotere ontberingen ervaren als gevolg van de nalatigheid of de weigering van vele anderen op verantwoordelijke wijze met de natuur om te gaan. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft ons eraan herinnerd dat “God de aarde met alles wat daarin is, heeft bestemd voor het gebruik van alle mensen en volkeren”.[14] Dus behoren de goederen van de schepping aan de gehele mensheid. Toch brengt het huidige tempo van de uitbuiting van het milieu de beschikbaarheid van bepaalde natuurlijke hulpbronnen ernstig in gevaar, niet alleen voor de huidige generatie, maar vooral ook voor de toekomstige generaties.[15] Het is niet moeilijk om in te zien dat milieuschade vaak het gevolg is van het falen van ver vooruitziende politieke programma’s of van het nastreven van beperkte economische belangen op korte termijn, die zich dan helaas ontwikkelen tot een ernstige bedreiging voor de schepping. Om dit verschijnsel te bestrijden, op grond van het feit dat “iedere economische beslissing een moreel gevolg heeft” [16], is het ook noodzakelijk dat economische activiteiten rekening houden met het milieu. Als men gebruik maakt van natuurlijke hulpbronnen, moet men er ook zorg voor dragen dat ze beschermd worden en de kosten die dat met zich mee brengt – zowel wat betreft het milieu als op sociaal gebied – beschouwen als een essentieel deel van de totale onkosten. De internationale gemeenschap en  de nationale regeringen zijn verantwoordelijk voor het uitzenden van de juiste signalen om het misbruik van het milieu doeltreffend te bestrijden. Om het milieu te beschermen en de natuurlijke hulpbronnen en het klimaat veilig te stellen, moet er – ook vanuit juridisch en economisch standpunt – volgens duidelijk gestelde regels gehandeld worden, waarbij we tevens de solidariteit voor ogen houden, die wij verschuldigd zijn aan hen die in de armste gedeelten van de wereld wonen, evenals aan de toekomstige generaties.

8. Er is dringend behoefte aan een groter gevoel van solidariteit dat de generaties overstijgt. Toekomstige generaties mogen niet worden opgezadeld met de kosten van ons gebruik van de gemeenschappelijke hulpmiddelen van onze wereld. “Wij zijn erfgenamen van vroegere generaties en plukken de vruchten van het werk van onze tijdgenoten; daarom hebben wij ook verplichtingen jegens alle mensen en we mogen niet verwaarlozen reeds nu te zorgen voor hen die na ons de familie van de mensheid zullen uitbreiden.  Universele solidariteit brengt niet alleen voordelen mee maar legt ook verplichtingen op. Dit is een verantwoordelijkheid van huidige generaties ten opzichte van die van de toekomst, een verantwoordelijkheid ook van individuele staten en van de internationale gemeenschap”.[17] Natuurlijke hulpmiddelen moeten zodanig worden gebruikt dat onmiddellijke voordelen geen negatieve invloed hebben op mensen en andere levende wezens, noch nu, noch in de toekomst; zodanig dat de bescherming van privébezit niet in strijd is met de universele bestemming van goederen;[18] zodanig dat de menselijke activiteit de vruchtbaarheid van de aarde niet in gevaar brengt, omwille van de mensen nu en in de toekomst. Behalve een eerlijker gevoel van solidariteit met de komende generaties, is er ook een dringende morele behoefte aan een hernieuwde solidariteit binnen een generatie, in het bijzonder wat betreft de betrekkingen tussen de ontwikkelingslanden en de hooggeïndustrialiseerde landen: “De internationale gemeenschap heeft de onontkoombare opgave om met institutionele middelen paal en perk te stellen aan de exploitatie van niet-hernieuwbare hulpbronnen, en daarbij ook de arme landen te betrekken, om samen met hen plannen voor de toekomst te maken”.[19] De ecologische crisis toont de noodzaak van een solidariteit die tijd en ruimte overstijgt. Het is belangrijk om te erkennen dat de historische verantwoordelijkheid van de geïndustrialiseerde landen een van de oorzaken van de huidige ecologische crisis is. Toch kunnen de minder ontwikkelde landen, en de opkomende economieën in het bijzonder, zich niet onttrekken aan hun eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van de schepping, daar op iedereen de verplichting rust stap voor stap doeltreffende beleidsmaatregelen aangaande het milieu te nemen. Dit zou gemakkelijker te bereiken zijn als zelfbelang een kleinere rol speelde bij hulpverlening, alsook bij het doorgeven van kennis en schonere technologieën.

9.  Ongetwijfeld is een van de fundamentele problemen die de internationale gemeenschap moet aanpakken dat van de energiebronnen en de ontwikkeling van gemeenschappelijke en duurzame strategieën om te voorzien in de energiebehoeften van de huidige en toekomstige generaties. Dit betekent dat technologisch geavanceerde samenlevingen bereid moeten zijn een meer sobere levenswijze te bevorderen door hun energieverbruik te verminderen en de efficiëntie daarvan te verbeteren. Tegelijk moet onderzoek naar en gebruik van vormen van energie worden bevorderd, die minder negatieve invloed op het milieu hebben en is er “een wereldwijde herverdeling van energiereserves noodzakelijk, zodat ook landen die niet over eigen bronnen beschikken daar toegang toe kunnen krijgen”.[20] De ecologische crisis biedt een historische mogelijkheid een gemeenschappelijk actieplan te ontwikkelen met als doel de globale ontwikkeling te richten op groter respect voor de schepping en voor een integrale menselijke ontwikkeling, geïnspireerd door de waarden die eigen zijn aan liefde in waarheid.  Daarom hoop ik dat er een ontwikkelingsmodel zal worden aangenomen waarin de nadruk ligt op de menselijke persoon, op het bevorderen en delen van het algemeen welzijn, op verantwoordelijkheid, op het bewustzijn van de noodzakelijke verandering van levensstijl en op voorzichtigheid, de deugd die ons leert wat vandaag gedaan moet worden met het oog op wat morgen zou kunnen gebeuren.[21]

10. Een duurzaam, alomvattend beheer van het milieu en de hulpbronnen van de aarde vereist dat de menselijke intelligentie wordt ingezet voor technologisch en wetenschappelijk onderzoek en de praktische toepassing daarvan. De “nieuwe solidariteit”  waartoe Paus Johannes Paulus II heeft opgeroepen in zijn Boodschap voor Wereldvrededag  1990 [22] en de “wereldwijde solidariteit” waartoe ik zelf in de Boodschap voor Wereldvrededag 2009 heb opgeroepen[23] vormen een essentiële houding bij onze pogingen de schepping te beschermen door een beter, internationaal gecoördineerd, beheer van de hulpbronnen van de aarde, vooral vandaag de dag, nu er steeds duidelijker een verband blijkt te bestaan tussen de bestrijding van de milieuvervuiling en de bevordering van de integrale ontwikkeling van de mens.  Het gaat hier om een absoluut noodzakelijke dynamiek daar “de integrale ontwikkeling van de mens gepaard moet gaan met een solidaire ontwikkeling van de mensheid”.[24] Met de vele wetenschappelijke mogelijkheden en de potentiële vernieuwende processen die er tegenwoordig zijn, kunnen we tot bevredigende oplossingen komen, die de verhouding tussen de mens en het milieu in balans brengen. Het is bijvoorbeeld noodzakelijk onderzoek te bevorderen naar doeltreffende manieren om de grote mogelijkheden van zonne-energie te exploiteren. Evenveel aandacht moet worden besteed aan de inmiddels wereldwijde problematiek van het water en het globale hydrogeologische systeem, dat van primair belang is voor het leven op aarde en waarvan de stabiliteit sterk bedreigd wordt door klimaatverandering. Er moet worden gezocht naar gepaste maatregelen voor de ontwikkeling van de landbouw, waarbij de nadruk ligt op kleine boeren en hun gezinnen. Eveneens moet worden gestreefd naar het uitvoeren van passend beleid wat betreft het beheer van bossen, afvalverwerking en het versterken van de verbinding tussen klimaatverandering en het bestrijden van armoede. Grootscheepse nationale maatregelen zijn vereist, samen met een noodzakelijke internationale inzet, die vooral op de middellange en lange termijn belangrijke resultaten zullen opleveren. Het is in feite nodig een louter consumptieve mentaliteit te overstijgen, om vormen van landbouwkundige en industriële productie te bevorderen, die de scheppingsorde eerbiedigen en de primaire behoeften van all mensen bevredigen. Het ecologische probleem moet worden aangepakt, niet alleen vanwege de afschrikwekkende perspectieven van milieuverwoesting aan de horizon; de werkelijke motivatie moet worden gevonden in het zoeken naar authentieke, wereldwijde solidariteit, geïnspireerd door de waarden van liefde, rechtvaardigheid en het algemeen welzijn. Elders heb ik reeds gezegd  dat  “de techniek nooit alleen maar techniek is. De techniek toont de mens en zijn streven naar ontwikkeling en brengt de spanning van de menselijke geest tot uitdrukking bij het stapsgewijs overwinnen van bepaalde materiële beperkingen. De techniek voegt zich dus in in de opdracht “de aarde te bewerken en te beheren” (vgl. Gen, 2,15), die God de mens heeft toebedeeld, en moet er daarom op gericht zijn die band tussen de mens en het milieu te versterken, die de spiegel van Gods scheppende liefde moet zijn”.[25]

11. Het wordt steeds duidelijker dat de kwestie van milieuvervuiling ons uitdaagt onze levensstijl onder de loep te nemen, evenals de heden gangbare modellen van consumptie en productie, die dikwijls niet duurzaam zijn vanuit sociaal oogpunt, wat betreft het milieu, en zelfs economisch gezien. We moeten ons werkelijk een geheel andere denkwijze eigen maken, die zal leiden tot een nieuwe levensstijl, “waarin het zoeken naar waarheid, schoonheid, goedheid en gemeenschap met anderen omwille van de gezamenlijke groei de factoren zijn die de keuze bij consumptie, sparen en investeren bepalen”.[26] Opvoeding tot vrede moet in stijgende mate beginnen met verstrekkende beslissingen door individuen, gezinnen, gemeenschappen en staten. We zijn allemaal verantwoordelijk voor de bescherming en het behoud van de schepping. Deze verantwoordelijkheid kent geen grenzen. Gegeven het subsidiariteitsbeginsel is het belangrijk dat iedereen zich op zijn of haar eigen niveau inzet om het eigenbelang te overstijgen. Een speciale rol bij het bewust maken en vormen van mensen komt toe aan verschillende groepen in de samenleving en aan non-gouvernementele organisaties, die zich vastberaden en edelmoedig inzetten voor de verspreiding van ecologische verantwoordelijkheid, een verantwoordelijkheid die steeds dieper verankerd moet worden in eerbied voor de “menselijke ecologie”. De media hebben hier ook een verantwoordelijkheid als het gaat om het tonen van positieve en inspirerende voorbeelden. Zorg voor het milieu vereist dus een brede en globale kijk op de wereld – een verantwoordelijke gezamenlijke inspanning om van een op het egoïstische, nationalistische belang gerichte denkwijze te komen tot een visie die steeds open staat voor de noden van alle volkeren. We kunnen niet onverschillig blijven voor wat rondom ons heen gebeurt, want de aantasting van welk deel van de planeet dan ook slaat terug op ons allen. Verhoudingen tussen individuen, sociale groepen en staten, evenals die tussen mens en milieu, moeten worden gekenmerkt door eerbied en “liefde in waarheid”. In dit bredere verband moet men wel de pogingen bevorderen van de internationale gemeenschap om voortschrijdende ontwapening te garanderen en te streven naar een wereld die vrij is van atoomwapens, waarvan de aanwezigheid alleen al het leven van de planeet bedreigt, evenals de integrale ontwikkeling van de huidige generatie en van de toekomstige generaties.

12. De Kerk draagt verantwoordelijkheid voor de schepping en zij beschouwt het als haar plicht die verantwoordelijkheid ook uit te oefenen in het openbare leven, om aarde, water en lucht te beschermen als gaven van God de Schepper, die voor iedereen bedoeld zijn, en bovenal om de mensheid te behoeden voor het gevaar van zelfvernietiging. De achteruitgang van de natuur is nauw verbonden met de culturele modellen die de menselijke co-existentie vorm geven: want “als in de samenleving de ‘menselijke ecologie’ eerbiedigd wordt, profiteert de ecologie van het milieu daar ook van”.[27] Van jonge mensen kan niet gevraagd worden het milieu te eerbiedigen, als zij niet, in de gezinnen en in de samenleving als geheel, worden geholpen zichzelf te eerbiedigen. Het boek van de natuur is één en ondeelbaar; het omvat niet alleen het milieu, maar ook individuele en sociale ethiek, evenals de ethiek van het gezin.[28] Onze plichten aangaande het milieu vloeien voort uit onze plichten ten opzichte van de persoon, zowel als individu als in relatie tot anderen.

Daarom moedig ik van harte pogingen aan een groter besef van ecologische verantwoordelijkheid te bevorderen waardoor, zoals ik heb aangegeven in mijn encycliek Caritas in veritate, een authentieke “menselijke ecologie” gegarandeerd zou worden. Zo zou opnieuw de onaantastbaarheid van het menselijk leven worden benadrukt, in ieder stadium en onder alle omstandigheden, evenals de waardigheid van de persoon en de unieke opdracht van  het gezin, waar de mens wordt opgevoed in liefde tot de naaste en eerbied voor de natuur.[29] Het menselijke erfgoed van de samenleving moet bewaard worden. Dit erfgoed van waarden heeft zijn oorsprong in en maakt deel uit van de natuurlijke zedenwet, die ten grondslag ligt aan eerbied voor de mens en voor de schepping.

13. Zeker mogen we het zeer veelzeggende feit niet vergeten dat veel mensen vrede en rust ervaren, zich hernieuwd en gesterkt voelen, als ze in nauw contact komen met de schoonheid en de harmonie van de natuur. Er is een zekere wederzijdsheid: als wij voor de schepping zorgen, beseffen we dat God, door de schepping, voor ons zorgt. Van de andere kant zal een juist begrip van de relatie tussen mens en milieu er niet toe leiden dat de natuur wordt verabsoluteerd of belangrijker geacht dan de menselijke persoon. Als het leergezag van de Kerk ernstige bezwaren heeft tegen ideeën betreffende de natuur die worden ingegeven door ecocentrisme en biocentrisme, dan is dat omdat zulke noties het verschil in identiteit en waarde tussen de menselijke persoon en andere levende wezens elimineren. In naam van een schijnbaar egalitaire kijk op de “waardigheid” van alle levende wezens, wordt hiermee de facto de kenmerkende en superieure rol van de mens ontkend. Deze noties banen ook de weg voor een nieuw pantheïsme met trekjes van het neopaganisme, waarbij alleen de puur naturalistisch beschouwde natuur als bron van de redding van de mens wordt gezien. De Kerk is er echter op gericht de vraag op een evenwichtige wijze benaderen, met eerbied voor de “grammatica” die de Schepper in Zijn werk heeft gegrift door de mens de rol te geven van rentmeester en beheerder met verantwoordelijkheid over de schepping, een rol die de mens beslist niet mag misbruiken, maar waarvan hij ook geen afstand kan doen. Want de tegenovergestelde positie, de verabsolutering van de techniek en de menselijke macht, leidt uiteindelijk tot een zware aanval niet alleen op de natuur, maat ook op de menselijke waardigheid zelf.[30] 30

14. Als u de vrede wilt bevorderen, bescherm dan de schepping. Het streven naar vrede door alle mensen van goede wil zou beslist gemakkelijker worden als allen de onscheidbare relatie tussen God, de mensen en de gehele schepping zouden erkennen. In het licht van de goddelijke Openbaring en in trouw aan de Traditie van de Kerk, moeten christenen hun eigen bijdrage leveren. Zij beschouwen de kosmos en de wonderen daarvan in het licht van het scheppingswerk van de Vader en het verlossingswerk van Christus, die door Zijn dood en verrijzenis “alles in de hemelen en op aarde” (Kol.1,20) met God verzoend heeft. Christus, gekruisigd en verrezen, heeft de mensheid de gave van Zijn heiligmakende Geest geschonken, die de loop van de geschiedenis leidt, in afwachting van de dag waarop, met de wederkomst van de Verlosser in heerlijkheid, er “nieuwe hemelen en een nieuwe aarde” (2 Pet. 3,13) zullen zijn, waar rechtvaardigheid en vrede voor altijd zullen wonen. Het beschermen van natuur en milieu om een wereld van vrede op te bouwen is daarom de plicht van iedere mens. Het is een dringende oproep, waarop met hernieuwde en door allen gedragen inzet moet worden ingegaan. Het is ook een geweldige mogelijkheid om aan de komende generaties het perspectief van een betere toekomst voor allen door te geven. Moge het duidelijk zijn voor de wereldleiders, evenals voor iedereen op zijn eigen niveau, die het lot van de mensheid ter harte gaat: de bescherming van de schepping en de verwezenlijking van de vrede zijn nauw met elkaar verbonden! Daarom nodig ik alle gelovigen uit vurig te bidden tot God, de almachtige Schepper en de barmhartige Vader, opdat in het hart van iedere mens deze nadrukkelijke oproep weerklank mag vinden: Als u de vrede wilt bevorderen, bescherm dan de schepping

Uit het Vaticaan, 8 december 2009


[1] Catechismus van de Katholieke Kerk, 198.

[2] Benedictus XVI,  Boodschap voor Wereldvrededag 2008, 7.

[3] Vgl . Nr. 48.

[4] Dante Alighieri, La Divina Commedia, Paradiso, XXXIII, 145.

[5] Boodschap voor Wereldvrededag 1990, 1.

[6] Apostolische Brief Octogesima Adveniens, 21.

[7] Boodschap voor Wereldvrededag 1990, 10.

[8] Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate, 32.

[9] Catechismus van de Katholieke Kerk, 295.

[10] Heraclitus van Efese (c. 535 – c. 475 v. Chr.), Fragment 22B124, in H. Diels-W. Kranz, Die Fragmente der Vorsokratiker, Weidmann, Berlin,1952, 6th ed.

[11] Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate, 48.

[12] Johannes Paulus II, Encycliek  Centesimus Annus, 37.

[13] Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate, 50.

[14] Pastorale Constitutie Gaudium et Spes, 69.

[15] Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Sollicitudo Rei Socialis, 34.

[16] Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate, 37.

[17] Pauselijke Raad voor Gerechtigheid en Vrede, Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 467; vgl. Paulus VI, Encycliek Populorum Progressio, 17.

[18] Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus Annus, 30-31, 43.

[19] Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate, 49.

[20] Ibid.

[21] Vgl. St. Thomas van Aquino, S. Th., II-II, q. 49, 5.

[22] Vgl. Nr. 9.

[23] Vgl. Nr. 8.

[24] Paulus VI, Encycliek Populorum Progressio, 43.

[25] Encycliek Caritas in Veritate, 69.

[26] Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus Annus , 36.

[27] Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate, 51.

[28] Vgl. ibid., 15, 51.

[29] Vgl. ibid., 28, 51, 61; Johannes Paulus II, Encycliek Centesimus Annus , 38, 39.

[30] Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate, 70.

 

Vertaling Dr. N. Stienstra

 

top