The Holy See
back up
Search
riga

VISITA PASTORALE NEI PAESI BASSI

SANTA MESSA NELLA CATTEDRALE DI 'S-HERTOGENBOSCH

OMELIA DI GIOVANNI PAOLO II

Sabato, 11 maggio 1985

 

1. « Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de Hemel »[1].

Dierbare broeders en zusters, deze uitroep van Jacob maken wij vanavond tot de onze. Ik zie deze mooie kathedraal, die na een langdurige restauratie in haar luister is hersteld. Ik ervaar er een schoonheid in, die al het zichtbare overstijgt: het is het huis van God, waarin wij verbonden zijn met de hemel.

Toen paus Leo IX in de elfde eeuw naar Nederland was gekomen, heeft hij in Voerendaal een kerk gewijd. Vandaag, op de eerste dag van mijn bezoek, zal ik een altaar mogen wijden. Met dezelfde bedoeling als negen eeuwen geleden: de gelovigen samenbrengen voor een wijding, die niet alleen de stenen van een kerk of een altaar betreft, maar ook de harten van allen, die eraan deelnemen.

Ik groet u allen om mij heen en ik druk mijn vreugde uit, dat ik in uw midden mag zijn, samen met u, die het « volk Gods » bent. Zo heeft het tweede Vaticaans Concilie de Kerk genoemd: «volk Gods».

Van harte groet ik ook mijn broeders in het bisschopsambt, de vorige bisschop, Monseigneur Bluyssen, en Monseigneur ter Schure, de nieuwe bisschop.

Eveneens groet ik hartelijk de priesters, de religieuzen en de leken, die medewerken aan de zending van de Kerk onder leiding van de bisschop, aan wie ik nogmaals mijn broederlijke wensen uitdruk en de verzekering geef van mijn oprechte steun in de verbondenheid van het bischoppencollege.

2. Ik ben blij, dat ik samen met u de bidtocht door de straten van de stad heb kunnen maken. Hij was een symbool van de geestelijke tocht, die het volk Gods moet maken. Wij zijn samen op weg naar hetzelfde Vaderhuis. Mijn aanwezigheid hier in uw midden is een teken van de eenheid van de Nederlandse kerk met de kerk van Rome en bijgevolg met de wereldkerk.

Wij zijn een pelgrimerend volk. Het Concilie spreekt over de Kerk als het velk van God « dat in deze tijd optrekt op zoek naar de toekomstige en blijvende stede »[2].

Onderweg-zijn in deze wereld betekent, dat wij werkelijk in de ons omgevende wereld zijn, in haar cultuur en in de hedendaagse levensomstandigheden. Het verlangen om volgens het Evangelie te leven op een wijze, die aangepast is aan onze tijd, is prijzenswaard, want het geeft blijk van het dynamisme van het volk Gods in uw land.

Maar een maatschappij, als de uwe, die aanzienlijke vooruitgang heeft gemaakt op wetenschappelijk en technisch gebied, heeft des te meer geestelijke inspiratie nodig. Zij heeft ook behoef te aan de morele krachten, waarmee zij de hindernissen kan overwinnen, die een authentieke ontwikkeling in de weg staan. De Kerk biedt haar deze geestelijke inspiratie en morele krachten aan. Zij spant zich in om op alle niveaus de kwaliteit van het leven te bevorderen.

3. De bidtocht heeft ons hier als het ware thuis gebracht. Het verheugt mij, dat ik het altaar zal kunnen wijden. Want dit vormt een verzamelpunt voor het volk Gods en is een symbool van een fundamenteel aspect ervan. Het Concilie heeft gezegd, dat het hoofd van het messiaanse volk Christus is, « die is overgeleverd om onze misslagen en opgewekt om onze rechtvaardiging »[3].

Aan het altaar vieren wij de gedachtenis van het paasmysterie, dat het fundament van de Kerk is.

Hier vindt het pelgrimerende volk het Levensbrood, dat het de kracht geeft zijn tocht steeds voort te zetten, zelfs temidden van de grootste moeilijkheden.

Hier vindt en hervindt dit volk zijn eenheid. Het volk onderweg is nog onvolmaakt. Het woord van God heeft ons daar zoéven aan herinnerd: « Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter en ga u eerst met uw broeder verzoenen »[4].

Ik weet, dat u sterk de noodzaak van verzoening voelt. U zegt dat u zichzelf herkent in de situatie van de jonge kerk van Korinte, waarin sommigen zeiden: « ik ben van Paulus », anderen: « ik ben van Apollos » en weer anderen « ik ben van Kefas ».

Als opvol.ger van Petrus is mijn dienstwerk allereerst een dienst aan de eenheid. Ik wil alles wat in mijn vermogen ligt, doen oin de verzoening te bevorderen. Met sint Paulus zeg ik, dat onze eenheid tot stand komt in Christus, in zijn dood en verrijzenis, welke wij aan dit altaar vieren. Als wij ons uit de grond van ons hart verzoenen met onze broeders, dan zal de Eucharistie ons maken tot het Lichaam van Christus, waarvan wij samen de ledematen zijn.

4. De Kerk sluit zich niet op in de wereld, waar zij als pelgrim doorheen trekt. Het Concilie heeft benadrukt, dat het volk Gods onderweg is naar de toekomstige en blijvende stede. Dit volk weet, dat het geroepen wordt tot een leven dat zijn vervulling zal vinden in een even mysterieuze als wonderbare toekomst. Het heeft de zekerheid, dat al zijn verlangens, die niet vervuld worden tijdens zijn aardse pelgrimstocht, onfeilbaar en volkomen vervuld zullen worden in de hemelse gemeenschap. De hoop die opgewekt is door het heilswerk, kan niet bedrogen worden: hij spoort ons aan hier op aarde al het mogelijke te doen om de menselijke samenleving te verbeteren, en hij geeft ons de verzekering, dat de onvermijdelijke onvolmaaktheden van deze wereld tot volmaaktheid zullen komen in de toekomstige wereld.

In zijn goedheid heeft Christus aan de Kerk gidsen gegeven, die de weg moeten aanwijzen.

« Jesus Christus, de eeuwige Herder, heeft he heilige Kerk gesticht door zijn apostelen te zenden, zoals Hijzelf door de Vader gezonden was »[5]. Hij is het, die gewild heeft, dat hun opvolgers, namelijk de bisschoppen, tot aan de voleiding der tijden de herders van zijn Kerk zouden zijn. Maar om het episcopaat één en onverdeeld te bewaren, heeft Hij de heilige Petrus aan het hoofd van de andere apostelen gesteld en in hem het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid in geloof en gemeenschap vastgelegd »[6].

De wijsheid van Christus heeft dus een structuur gewild, waarin herders belast zijn met de taak het volk van God te leiden naar het verheven doel, dat het nastreeft. Deze herders staan geheel ten dienste van hun broeders en dienen zich te wijden aan de ontplooiing van hun christelijk leven. Om hun taak te kunnen vervullen is het nodig, dat zij geaccepteerd worden.

Ik weet dat u moeilijke weken doorgemaakt hebt. De recente bischops-benoemingen hebben sommigen van u zeer getroffen. Zij vragen zich af: waarom deze spanningen?

Ik wil u in alle oprechtheid zeggen, dat de paus voor iedere benoeming aan het hoofd van een bisdom het leven van een plaatselijke kerk tracht te begrijpen. Hij wint inlichtingen in en vraagt raad, overeenkomstig het kerkelijk recht en gebruik. U zult begrijpen, dat de meningen soms verdeeld zijn. Uiteindelijk moet de beslissing door de paus genomen worden. Moet hij zijn keuze toelichten? De discretie laat het niet toe.

Gelooft mij, broeders en zusters, dit lijden aan de Kerk doet mij pijn. Maar weest ervan overtuigd, dat ik werkelijk geluisterd, goed overwogen en gebeden heb. En ik heb ten overstaan van God diegene benoemd, die ik het meest geschikt achtte. Accepteert hem omwille van de liefde van Christus als degene, die temidden van u de Goede Herder van de Kerk vertegenwoordigt.

5. Christus heeft zijn kerk ingericht als een welgeordend en vrij volk. U bent een volk, dat zijn vrijheid liefheeft als een zeer hoge waarde. Uw volk heeft tachtig jaar gestreden voor zijn politieke vrijheid. Dikwijls hebt u in de loop der eeuwen mensen opgenomen, die in hun eigen vaderland vervolgd werden.

Maar u hebt tevens ervaren dat men geen misbruik mag maken van de vrijheid. Als de vrijheid niet gericht is, als zij geen weet wil hebben van de wet, die in het menselijk hart geschreven staat, als zij niet luistert naar de stem van het geweten, dan keert zij zich tegen de mens en de maatschappij.

Ook in het kerkelijke leven moet zij zich ontplooien in eerbied voor het gezag van hen, die door Christus geroepen zijn tot een pastorale bediening. Op deze wijze moet de samenwerking « vrij en geordend » zijn. De ervaring toont trouwens, dat de vrijheid zich het best entwikkelt, als zij zich houdt aan de regels van de zedenwet en de richtlijnen aanvaardt, die gegeven worden door de herders van het volk Gods. Ons geloof leert ons, dat wij de echte vrijheid vinden in Christus, die gezegd heeft: « De waarheid zal u vrij maken », en ook: « Ik ben de Waarheid ». Inderdaad, Christus roept ons op tot de ware vrijheid. Alleen Hij kan ons geheel vrij maken. Daarom besteedt de Kerk overal in de wereld zoveel zorg aan de verdediging en de bevordering van de authentieke menselijke vrijheid.

6. Op dit ogenblik zijn wij samen bij Maria, de zoete Moeder van Den Bosch. Miljoenen mensen hebben in de loop der eeuwen hun weg door het leven even onderbroken om bij haar te zijn; om bij haar hun verlangens, hun zorgen, hun gedachten uit te spreken; om bij haar te bidden en nieuwe kracht te putten uit haar aantrekkelijke heiligheid, die tegelijk zozeer doortrokken is van evangelische eenvoud.

Het tweede Vaticaans Concilie heeft Maria beschreven als de ideale gelovige die boven allen uitmunt en een heel uitzonderlijk

lid van de Kerk is. In het geloof en de liefde is zij type en voorbeeld voor de Kerk.

Juist omdat Maria volledig beantwoord heeft aan Gods uitnodigende openbaring, is zij een teken van hoop en vertrouwen geworden.

Haar leven werd getekend door het allerdiepste leed, door smart, door onzekerheid. Zij is er niet aan ten onder gegaan. Zij bleef onwankelbaar geloven, dat in vervulling zou gaan, wat haar vanwege de Heer was gezegd.

Heel haar leven lang bleef zij herhalen, vervuld van de Heilige Geest of in dorre duisternis: « Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd »[7].

Zij is « het toonbeeld en de aanzet van de Kerk, zoals deze in de toekomstige eeuw voltooid zal worden. Evenzo is zij hier op aarde, totdat de dag des Heren komt, het lichtend teken van de vaste hoop en de vertroosting van het pelgrimerend volk van God »[8].

Het is een goede gewoonte om na het « Onze Vader » een « Wees gegroet te bidden. Zo richten wij ons tot de Moeder van de Heer met de woorden, waarmee de aartsengel Gabriél haar begroet heeft: « Wees beproet, Maria, vol van genade ». En wij vragen om haar voorspraak « nu en in het uur van onze dood ».

Van Maria kunnen wij, pelgrims, leren, dat christelijk geloof uiteindelijk geworteld is in een overgave vol vertrouwen aan God, die de scheppende liefde zelf is. Maria is het meest du idelijke voorbeeld van zo'n overgave. Mogen wij, zoals zij, Gods woord bewaren  in ons hart en zo rijke vrucht dragen. Amen.


[1] Gen. 28, 17.

[2] Lumen Gentium, 9.

[3] Rom. 4, 25.

[4] Matth. 5, 23-24.

[5] Io. 20, 21.

[6] Lumen Gentium, 18.

[7Luc. 1, 46-48.

[8] Lumen Gentium, 68.

 

 

© Copyright 1985 - Libreria Editrice Vaticana

 

top