The Holy See
back up
Search
riga

VISITA PASTORALE NEI PAESI BASSI

SANTA MESSA ALL'«IRENEHAL»

OMELIA DI GIOVANNI PAOLO II

Utrecht (Paesi Bassi)
Domenica
, 12 maggio 1985

1. « Alle einden der aarde aanschouwen het heil van onze God »[1].

Dit woord van de profeet Jesaja hebben wij gehoord in de Lauden, die wij samen gezongen hebben aan het begin van deze zesde zondag van de Paastijd. Heel de dag hebben wij ze met ons mee gedragen. Zij hebben ons voor de geest gestaan gedurende de ontmoetingen met de verschillende groepen, die een teken zijn van de vitaliteit van de Kerk in Nederland: religieuzen, vertegenwoordigers van de sociale organisaties, van de missiewerken en de hulporganisaties voor de onderontwikkelde landen, van de parochies, priesters en leken.

Dezelfde woorden van de profeet klink en opnieuw in onze oren, nu wij samen zijn voor het vieren van de Eucharistie.

« Alle einden der aarde aanschouwen het heil van onze God. Juich, aarde, alom, voor de Heer, zet de zang in, speelt op de snaren »[2].

2. Deze uitnodiging tot deelname aan de Paasvreugde wil ik richten tot u allen, die deze Eucharistie meeviert. Ik groet U allen met het woord van ,Jezus tot de apostelen: vrede zij u.

In het bijzonder groet ik al degenen, die vanmorgen en vanmiddag deelgenomen hebben aan de verschillende bijeenkomsten, alsmede de leden van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten Generaal en allen die hierheen gekomen zijn vanuit de parochies van het aartsbisdom Utrecht en de bisdommen Haarlem, Rotterdam en Groningen.

Het is een grote vreugde voor mij hier Utrecht te zijn, in de stad waarvan Sint Willibrord de eerste bisschop is geweest. Hij werd, op het einde van de zevende eeuw, te Rome tot bisschop gewijd door paus Sergius de eerste. In deze stad ook werd in 1459 Adriaan Florenszoon geboren. In 1523 werd hij tot paus gekozen onder de naam van Adriaan VI, de enige Nederlandse paus in de geschiedenis van de Kerk. Toen in 1853 de katholieke hierarchie werd hesteld in Nederland, werd Utrecht opnieuw hoofdzetel van de kerkprovincie en zetel van de aartsbisschop. Een bijzonder hartelijke groet richt ik tot de huidige aartsbisschop, Monseigneur Adrianus Simonis, en tot alle andere broeders in het bisschopsambt, die hier aanwezig zijn.

In het offer van Christus en de Kerk, dat vij thans vieren, willen wij alle mensen betrekken, die in dit land wonen en die ons nabij zijn; maar ook alle onbekenden en vreemdelingen. God, onze Vader, die in de hemel is, kent hun namen en harten, door Christus, onze Heer en onze Broeder, in de Heilige Geest, de Vertrooster.

3. « Alle einden der aarde aanschouwen het heil van onze God ».

Wat is het heil? Wat is het heil voor de mens van gisteren, van vandaag en van morgen — voor de mens van onze dagen, die verre van gemakkelijk zijn? Voor de mens, die soms verdriet heeft, terneergeslagen is, verloren loopt, de wanhoop nabij is, ook al leeft hij in welvaart en luxe?

Wat is het heil ...?

Het antwoord vinden wij in het Woord van God in de liturgie van vandaag. Het komt als het ware uit het hart van het Evangelie.

Het heil is God zelf, die zich aan de mens geeft en schenkt, omdat Hij Liefde ist.

Het heil is dus liefde, de liefde waarmee God zich aan de mens geeft, van hinnen uit zijn hart vult en het tegelijk opent voor de anderen, voor de naaste, voor alle mensen: dichtbij en veraf.

In deze geest spreekt vandaag tot ons de apostel Johannes: « Vrienden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft, is een kind van God en kent God ... want God is liefde »[3].

4. God is liefde en de liefde komt van God.

Zij komt tot de mens als een gave!

Deze gave heeft een tastbare en blijvende vorm gekregen in onze mensengeschiedenis. Zij heet: Jezus Christus.

« De liefde, die God is, heeft zich onder ons geopenbaard, doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld gezonden heeft, om ons het leven te brengen »[4].

De oorsprong van de liefde ligt dus in God; de oorsprong van die liefde, die de mens vrij maakt in God zelf. De bron van het heil ligt in God:

« Niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen »[5].

5. Wij zijn bier samen voor het vieren van de Eucharistie. Deze is zoenoffer voor de zonden der wereld, voor onze zonden. Juist daarom is zij heilsoffer.

Hierin overwint de liefde de zonde, de haat, de dood.

Die offer is eens en voor altijd vol bracht op Calvarië door het Kruis een de opstanding van Christus. Krachtens de instelling door Christus, wordt het op sacramentele wijze volbracht in de Eucharistie, in iedere heilige Mis.

Zo zijn wij dus samen om deel te hebben aan het sacrament van de liefde, aan het sacrament van de verlossing.

Wij weten ons berbonden met hen, die als eersten dit sacrament gevierd hebben. Christus heeft tot ben, tot de apostelen gezegd:

« Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ik u liefgehad. Blijft in mijn liefde »[6].

Deze woorden hebben een rijke en grandiose inhoud: zij brengen heil! Christus draagt op ons de liefde over, waarmee de Vader Hem van eeuwigheid af bemint en waarin Hij van eeuwigheid af de Vader bemint. Hij draagt op de mensen de liefde over die ons heil is. Hij stort haar in de mensen uit: in de harten, in het geweten, in de wil, in de daden.

De liefde is een gave: «Zij is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest, die ons werd geschonken »[7]. Christus heeft dit voor ons bewerkt. Deze liefde is uitgestort in de harten van de apostelen in de zaal van het Laatste Avondmaal. Zij is ook uitgestort in de harten van de honderdman Cornelius en zijn huisgenoten, toen de apostel Petrus hen bezocht te Caesarea, krachtens een duidelijke beschikking van de Heilige Geest, zoals wij gehoord hebben in de eerste lezing uit de Handelingen van de Apostelen.

6. De liefde is dus een gave. En de verlossing is een gave: gave van God zelf. De liefde is tegelijk een taak die God de mens oplegt. En ook het heil is een tak. God verlost ons door de kracht van de Heilige Geest, maar Hij doet dit niet zonder ons.

Daarom maakt Christus het gebod van de liefde tot de kern van het Evangelie en, in zekere zin, van de Eucharistie.

« Did is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad »[8].

En Hij voegt eraan toe, denkend aan het offer van het Kruis, dat Hem te wachten staat: « Geen grotere liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden »[9].

In zijn liefde blijven wil daarom zeggen: zijn geboden onderhouden, op de eerste plaats het gebod van de liefde. En Hij voegt er nog aan toe: « Gelijk Ik de geboden van mijn Vader heb onderhouden en in zijn liefde blijf »[10].

Degene die dit zegt, is de Zoon, die één in wezen is met de Vader: God uit God. Tegelijk is Hij werkelijk mens. In de goddelijke Drieëenheid is zijn wil een met de wil van de Vader; maar tegelijk is de wil van de Vader voor Hem als mens een gebod.

Deze wil van de Vader — de eeuwige wil van de Vader — is dat alle mensen gered worden door de liefde.

7. De Zoon van God komt om deze liefde te openbaren. Hij kondigt het gebod van de liefde af. Hij komt om vriendschap te sluiten met de mensen door middel van deze liefde, die uit God is.

« Gij zij mijn vrienden, als gij doet, wat ik u gebied ... Ik heb u vrienden genoemd, want 1k heb u alles meegedeeld, wat Ik van de Vader heb gehoord »[11].

Dat is Eucharistie vieren.

Zo zijn wij samengekomen op dezelfde manier als degenen, die deze woorden voor het eerst gehoord hebben; als de apostelen, die als eersten deelgenomen hebben aan de Eucharistie tijdens het Laatste Avondmaal. Krachtens de uitdrukkelijke opdracht van Christus hebben zij haar voor het eerst zelf gevierd en de opdracht om haar te vieren doorgegeven aan hun opvolgers in de Kerk.

Wij vieren de Eucharistie, Dit wonderlijke sacrament van de vriendschap van God met de mensen, van de Zoon van God met de mensenkinderen. Deze vriendschap is beklonken dorr het paasoffer, door het kruis en de verrijzenis.

Deze vriendschap wordt steeds hechter door het sacrament des altaars, door het sacrarnent van het Lichaam en Bloed des Heren. De vriendschap verdiept zich. De liefde, waarmee God ons van eeuwigheid bemint, wordt bezegeld. Het heil dat van God tot de mens komt, wordt door de liefde bevestigd. Het heil, dat een gave is en een gebod, een opdracht.

8. Jezus zegt: « Ik heb u uitgekozen en u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten vort te brengen ».[12]

In de loop van deze dag hebben velen in deze stad gesproken over de wijze, waarop zij het gebod van Christus zoeken te vervullen. Hoe zij « op tocht zoeken te gaan en vruchten voort te brengen ». De religieuzen doen het krachtens hun bijzondere roeping door in armoede, kuished en gehoorzaamheid te leven. Zo willen zij bijdragen tot het heil van het volk van God. Sommigen door en contemplatief leven van gebed; anderen door het actieve leven, in het eigen vaderland of in de missiegebieden, waar zij met vele edelmoedige en ijverige leken werken voor de evangelisatie en de menselijke, culturele en economische ontwikkeling van de bevolking. Vele anderen doen het door hun inzet op sociaal gebied, door hulp aan zieken, bejaarden en gevangenen, aan mensen die aan de zelfkant van de maatschappij leven, aan gehandicapten en kinderen, in het onderwijs en in de sociale en politieke actie. En niet te vergeten allen, die zich in hun parochies inzetten voor de opbouw van een echte geloofsgemeenschap, waarin de liefde op allerlei manieren ten volle bloeit. In de mate, waarin zij allen deel hebben aan de verlossing, willen zij op verschillende wijzen dienstbaar zijn aan het werk van het heil; op verschillende wijzen willen zij het gebod van de liefde in praktijk brengen, in de liefde van Christus blijven en deze met anderen delen.

U allen, dierbare broeeders en zusters, brengt naar deze eucharistische maaltijd de gave van uw werk en uw gebed, van uw zorg en uw lijden, opdat in deze gave van ieder en van allen zich de transsubstantiatie voltrekt: opdat mijn en uw offer wordt tot het offer van Christus zelf, het offer van het eeuwige heil.

9. Samen met u bid ik vurig, dat uw vruchten blijvend mogen zijn! Dat de liefde blijvend mag zijn, een liefde, die lankmoedig en goedertieren is, die niet afgunstig is, niet praalt, zich niets inbeeldt, niet om de schone schijn geeft, niet zichzelf zoekt, zich niet kwaad laat maken, het kwade niet aanrekent, zich niet over onrecht verheugt, maar haar vreugde vindt in de waarheid[13]. Om kort te gaan, een liefde die « opbouwt »[14]. De Nederlandse katholieken hebben veel opgebouwd, in het eigen land en elders in de wereld, in de missieen ontwikkelingslanden. Deze rijke vrucht van geloof en liefde mag niet verloren gaan, maar moet blijven en nog groeien. Mogen daarom de verdeeldheid en de weerstanden, die het geloof verduisteren en de liefde verkoelen, overwonnen worden in liefde en waarheid. Want zij beroven de christelijke samenleving van de vreugde, die een gave is van de Heilige Geest, die de verrezen Heer gezonden heeft.

Uit de grond van mijn hart hoop ik, dat in het leven van de Kerk in Nederland de woorden van Christus over de vreugde bewaarheid mogen worden: dat zijn « vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden »[15].

Deze vreugde zal in u zijn en volkomen zijn, als u in de liefde van Christus blijft; als u de geboden onderhoudt en vooral het gebod van de onderlinge liefde, dat Hij « zijn gebod » heeft willen noemen. Moge deze liefde de eenheid van de Kerk in Nederland versterken, opdat zij werkelijk in volkomen vreugde mag leven. In die vreugde, die een voorsmaak is van de vreugde zonder eind, die ons voor altijd zal samenbrengen in het huis van de Vader, tezamen met zijn Zoon, onze Broeder en Heer Jezus Christus. Amen!


[1] Ps. 97 (98), 3.

[2] Ibid. 3-4.

[3] 1 Io. 4, 7-8.

[4] Ibid. 4, 9.

[5] Ibid. 4, 10.

[6] Io. 15, 9.

[7] Rom. 5, 5.

[8] Io. 15, 12.

[9] Ibid. 15, 13.

[10] Ibid. 15, 10.

[11] Io. 15, 14-15.

[12] Ibid. 15, 16

[13] Cfr. 1 Cor. 13, 4-6.

[14] Ibid. 8, 2.

[15] Io. 15, 11.

 

© Copyright 1985 - Libreria Editrice Vaticana

 

top