The Holy See
back up
Search
riga

VISITA PASTORALE NEI PAESI BASSI

SANTA MESSA PER GLI AMMALATI E GLI HANDICAPPATI

OMELIA DI GIOVANNI PAOLO II

L'Aja (Paesi Bassi)
Lunedě
, 13 maggio 1985

 

« Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting »[1].

1. Met deze woorden van de apostel Paulus en met diepe genegenheid groet ik u allen, dierbare broeders en zusters, in deze wijde ruimte van liefde en hoop! Ik heet u allen van harte welkom, u, die ziek bent en gehandicapt, maar evenzeer u, die hen verpleegt en verzorgt. Want de zieken en gehandicapten zouden niet hierheen gekomen zijn, zonder de helpende hand van degenen, die hen verzorgen. Ik groet ook alle zieken en gehandicapten, die niet hier zijn, maar door de televisie met ons verbonden zijn en zich omringd weten door de hartelijkheid van hen die in hun directe omgeving leven.

De eerste lezing, uit de tweede brief van Sint Paulus aan de Korintiërs, wijst op de troost, die uitgaat van het geloof in God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting. Het geloof in de liefde en de voorzienigheid van de Vader geeft ons inderdaad de zekerheid, dat God ons werkelijk nabij is in al ons verdriet, « zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden ». Dit geloof ontstaat als wij opzien naar Christus, die gestorven is aan het kruis voor ons heil. « Want wij delen volop in het lijden van Christus, maar door Christus gewordt ons ook overvloedige vertroosting »[2]. Sint Paulus erkent openlijk, dat zijn leven als apostel getekend is door lijden, maar ook door de voldoening, welke zijn dienstwerk hem geeft. Vol zekerheid getuigt hij dat zowel de verdrukking, die hij ondergaat, als de bemoediging, die hij ondervindt, troost en heil zijn voor de gelovigen: « Onze hoop voor u staat vast: wij weten dat gij, delend in onze smarten, ook zult delen in onze vertroosting »[3].

Deze woorden zijn diep van zin en rijk aan christelijke levenswijsheid. Zij zijn een boodschap en een onderricht voor de christenen van alle tijden. Dezen moeten altijd getuigen van de hoop, die in hen leeft, maar in het bijzonder, wanneer zij lijden.

2. Ook u allen bent geroepen om apostelen en getuigen van Christus te zijn, hetzij door uw lijden, hetzij door uw liefdevolle zorg voor hen die lijden.

Ik denk hier in uw land aan uw grote voorgangers in het geloof: Servatius, Wiilibrordus, Bonifatius en Plechelmus, Geert Groote, Thornas van Kempen, de martelaren van Gorkum, Peerke Donders, Edith Stein en vele anderen. In uw midden denk ik bijzonder aan Liduina van Schiedam. U weet, hoe zij als vijftien-jarig meisje gevallen is op het ijs, en 38 jaar lang aan haar ziekbed gekluisterd is geweest. Zij was zeker niet vromer dan haar leeftijdgenoten en zij was ongeduldig van aard. Vele jaren heeft zij geworsteld met de vraag « Waarom juist ik? ». Opstandigheid en moedeloosheid wisselden elkaar af, tot op het moment, waarop zij na verloop van jaren onder leiding van de Geest van God dit geheim begon te ontdekken: haar lijden kon een weg van liefde worden. Velen kwamen haar opzoeken, niet om haar te troosten, maar om zelf gesterkt en getroost te worden door haar geloof en overgave.

Mijn gedachte gaat ook uit naar Titus Brandsma. Vorige week hebt u herdacht, dat uw land veertig jaar geleden bevrijd is. Titus Brandsma is één van degenen, die hun leven gegeven hebben voor uw vrijheid. Reeds het getuigenis van zijn leven had hem tot een heilige gestempeld. Nog in zijn laatste dagen bemoedigde hij zijn medegevangenen: « Wij zijn niet geroepen om in het openbaren leven grootse, opvallende, drukbesproken dingen te doen ... Maar het is onze plicht de gewone dingen op grootse wijze te doen met een zuivere bedoeling en met inzet van onze gehele persoonlijkheid ». Op deze wijze verwoordde hij zijn eigen levensinstelling.

3. Mijn gedachte gaat echter bovenal uit naar de tekst die wij beluisterd hebben uit het evangelie van de heilige Johannes. Tijdens het Laatste Avondmaal waarschuwt Jezus de apostelen voor het lijden dat hun te wachten staat, opdat zij niet ten val zullen komen, als het hun treft: zij zullen gehaat worden en uit de synagoge gebannen worden; zij zullen zelfs gedood worden door mensen, die menen zo een daad van godsverering te stellen! Maar Jezus geeft hun ook de verzekering van de tegenwoordigheid en de vertroosting van de Geest der waarheid, die uitgaat van de Vader. Jezus zal hem zenden, opdat Hij getuigenis over hem aflegt en over zijn zending om te openbaren en te verlossen. Ook de apostelen moeten getuigen, omdat zij vanaf het begin bij Hem zijn geweest, zijn woorden hebben gehoord en zijn werken hebben gezien[4]. Deze woorden van waarschuwing, troost en opwekking richt Jezus ook tot alle christenen. Gods Woord is mens geworden en heeft de Waarheid en de Verlossing gebracht. Maar Hij heeft het lijden niet weggenomen. Hij heeft beloofd de Geest der vertrosting te zenden, opdat alwie in Hem gelooft, het heilsplan volledig kan aanvaarden, zich met vertrouwen aan de voorzienigheid kan overgeven en zo kan getuigen dat de waarde en de troost van het geloof juist blijken in het lijden: « Neemt uw kruis op en volgt Mij ... Komt allen tot mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken »[5]. In tijden van lijden en verdriet moeten wij steeds bedenken, dat God andere maatstaven hanteert en dat Hij waarde hecht aan wat aanvaard en gedaan wordt in stilte, in nederigheid, in het verborgene, in gedwongen non-actief-zijn.

4. Hier te midden van u gaat mijn gedachte ook uit naar het verborgen leven van Jezus — dertig schijnbaar nutteloze jaren, doorgebracht in het dorp Nazaret, waar Hij onderdanig was aan zijn ouders en met de jaren toenam in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen[6]. Wij moeten niet in de verleiding komen te denken, dat de waarde van ons leven alleen maar afhangt van tastbare resultaten. Geen enkel mensenleven is zonder waarde. In het licht van het leven van Jezus worden de eenvoudige dingen van het dagelijkse leven van belang: het werk samen met anderen, de goedheid van hen die hun naasten bijstaan en de dankbaarheid van degenen die deze goedheid ondervinden. Dit alles maakt ons tot getuigen van de Blijde Boodschap.

Het spectaculaire van de verborgen kracht van God ist, dat zij ons doet groeien en bloeien daar, waar Hij ons geplant heeft. Hij nodigt ons uit groot te zijn in de kleine dingen. Dat was ook de houding van Maria, toen zij aan de engel antwoordde: « Zie de dienstmaagt des Heren; mij geschiede naar uw woord »[7].

Het komt erop aan het goud te zoeken in de bodem, waarop wij staan, dat wil zeggen het leven dat de Heer ons gegeven heeft, waardevol te maken. Na de hemelvaart van Jezus verlangden de apostelen terug naar zijn aanwezigheid. Maar verlicht en gesterkt door de Heilige Geest, konden zij de enorme moeilijkheden van de verkondiging van het Evangelie in een vijandige en heidense wereld aan. Zij hebben de vervolgingen, de tegenslagen, de nederlagen en de vernederingen aanvaard. Sint Paulus vloeide over van blijdschap bij al zijn wederwaardigheden[8]. Zo moet het zijn voor allen, die Christus volgen, dor de vertroosting van de Heilige Geest. Zo moet het zijn voor u, die ziek bent of zieken verzorgt, door de vrede en de kracht, die voortkomen uit het geloof in Hem, die ons vertroost. U moet het gist in het deeg zijn, het licht voor de wereld! De mensen letten erop, hoe christenen zich gedragen, om zekerheid, moed en hoop te krijgen; om in ben en door hen de echte zin van het leven te vinden.

U leeft in een land, dat zich kan beroemen op uitstekende medische voorzieningen en verzorging: moderne ziekenhuizen en verpleeghuizen, instellingen voor geestelijk gehandicapten en zwakzinnigen, waarin artsen, verpleegkundigen en vele andere medewerkers met grote toewijding hun taak vervullen, zonder de mens achter de patient uit het oog te verliezen. Ik denk ook aan de vele mannen en vrouwen, die dit liefdewerk in het verleden dikwijls belangeloos hebben verricht, in uw eigen land en in verre landen, als een getuigenis van Gods zorg voor de lijdende mens.

Met diep respect en grote waardering noem ik ook het werk van het Wereldzieken-apostolaat, dat zestig jaar geleden in uw land is opgericht, en het werk van de Memisa en de Zonnebloem.

Er wordt veel gedaan voor zieken en gehandicapten. Niemand kan immers het eigen leed allen verwerken. Dat zeggen uw bisschoppen ook in hun herderlijk schrijven « Over lijden en sterven van zieken ». Zij wijzen erop, dat, behalve een destkundige behandeling en verzorging, een zieke vooral behoefte heeft aan menselijk meeleven en meevoelen. Familieleden, evengoed als buren, vrienden en vrijwilligers, kunnen hierin een belangrijke rol spelen, aldus de bisschoppen. Zieken en gezonden horen bij elkaar.

Voor anderen blijft het altijd moeilijk zich in te leven in uw situatie. Ook al ondervindt u hartelijkheid en meeleven, toch moet u het lijden en de eenzaamheid zelf dragen.

6. Het is echter niet met woorden weer te geven, wat mensen voor elkaar kunnen betekenen, zelfs in hun leed. Met uw levenservaring, uw gebed en uw dankbaarheid kunt u anderen gelukkig maken en daarmee een diepe zin geven aan wat zij voor u doen. Vorig jaar heb ik een brief geschreven over de christelijke zin van het lijden. Daarin heb ik de diepe betekenis uiteengezet van uw leven als zieke.

Een mens, die leed heeft te dragen, mag zich in geloof verbonden weten met de Heer, die begaan is met de mens, die lijdt. Hij heeft nooit een direct antwoord gegeven op de zo begrijpelijke vraag:

« Waarom is er zoveel leed in onze wereld? ». Maar wel heeft Hij door zijn lijden, dood en verrijzenis het menselijk leed van binnenuit omgevormd en, als het ware, vervuld van zijn tegenwoordigheid.

Jezus vereenzelvigt zich zo met de mens, vooral met de lijdende mens en met allen, die trachten het leed te verzachten en mee te dragen, dat Hij eens zal zeggen: « Ik was ziek, Ik had dorst, Ik was vreemdeling, Ik was in de gevangenis »[9]. Ik zag geen uitkomst meer, 1k was eenzaam, Ik had angst.

Toch blijft het onze eerste menselijke opdracht elkaar voor leed te behoeden, en de naaste ervan te bevrijden. Speciaal voor ons, die ons geroepen weten de Heer na te volgen, die weldoende rondging. Daarom bidden wij ook in het gebed, dat Jezus ons geleerd heeft: « Verlos ons van het kwade ». Ja, verlos ons van het kwaad, dat oorzaak is van menselijk lijden; verlos ons van de zelfzucht, die zoveel mensen doet lijden; verlos ons ook van het leed, dat ons ongevraagd overkomt. Verlos ons van het lijden in zovele vormen: natuurrampen, honger, ziekte, eenzaamheid, oorlog, vervolging, discriminatie en verdachtmaking. Verlos ons van het kwaad, dat mensen geen deele hebben aan het goede van de aarde, waaraan zij wel deel zouden moeten hebben.

7. Vooral in u, broders en zusters in Christus, ziet de Kerk de bronnen en de dragers bij uitstek van haar verborgen, goddelijke kracht. Zij kijkt naar u, die deelt in het lijden van Christus, om te zien of u de hoop levend weet te houden, dat lijden betekenis heeft, als het in liefde wordt gedragen; of u, als christenen, vervuld van vreugde en getuigend van uw geloof, de weg kunt gaan van Maria, die wij vandaag eren als Onze Lieve Vrouw van Fatima. Zij is haar weg gegaan in eenvoud en in dienstbaarheid aan God en de mensen. De Kerk kijkt naar u om te zien, of u in uw leven weet te getuigen van dat, waar het op aankomt; of u weet te onderscheiden tussen wat vergankelijk is en wat eeuwigheidswaarde heeft, tussen het wezenlijke en het bijkomstige.

Wie door de Geest is bezield, kan luisteren, troosten, bemoedigen, verantwoordelijkheid dragen, vrede stichten en nieuwe hoop doen oplichten. De vruchten van de Geest zijn immers: liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid en ingetogenheid[10]. Waar die vruchten rijpen, breekt reeds iets van de eeuwige lente door! Moge de Heer uw hart hiervoor ontvankelijk maken[11].

De Geest van de Heer wil ook u troosten en sterken, zoals Hij eens de apostelen in sint Paulus vergezelde en bezielde in hun dienstwerk, dat moeilijk was en tegengewerkt werd.

De Heer zegt: « Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij »[12].

Opent de deuren van uw hart voor de Heer, want ook u moet getuigen zijn van zijn aanwezigheid en van zijn vertroosting.

De Maagd Maria moge u vergezellen en u bijstaan met haar moederlijke beschermig.


[1] 2 Cor. 1, 3.

[2] 2 Cor. 1, 3-5.

[3] Ibid. 1, 7. 

[4] Cfr. Io. 15, 26-27; 16, 1-6.

[5] Cfr. Luc. 9, 23; Matth. 11, 28.

[6] Cfr. Luc. 2, 51-52.

[7] Ibid. 1, 38.

[8] Cfr. 2 Cor. 7, 4.

[9] Matth. 25, 35-36.

[10] Cfr. Gal. 5, 22.

[11] Cfr. Act. 16, 14.

[12] Apoc. 3, 20.

 

© Copyright 1985 - Libreria Editrice Vaticana

 

top