The Holy See
back up
Search
riga

VISITA PASTORALE NEI PAESI BASSI

CELEBRAZIONE DELLA PAROLA CON IL LAICATO CATTOLICO

OMELIA DI GIOVANNI PAOLO II

Anversa
Venerdì, 17
maggio 1985

 

Geliefde broeders en zusters,

1.Jezus zond zijn leerlingen twee aan twee voor zich uit, met de opdracht tot de mensen te zeggen: « Het Rijk Gods is u nabij »[1]. « Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij »[2].

De groei van dit Godsrijk ie aan uw apostolaat als leken toevertrouwd.

Gos is de mensen nabij gekomen. « Het Woord is vlees geworden »[3]. Hij is onder ons komen wonen. Hij wil thuishoren in al wat mensen zijn en tot stand brengen. Al heeft de Heer een speciale zending toevertrouwd aan zijn leerlingen, aan de herders, Hij « wil zijn Rijk ook door de lekengelovigen uitbreiden, zijn Rijk namelijk van waarheid en leven, heiligheid en genade, gerechtigheid, liefde en vrede »[4].

2. Iedere dag smeken wij om dit Rijk, telkens wij in het gebed des Heren vragen: « Uw Rijk kome ». Dit is het eerste wat Jezus van zijn gezondenen verwacht: dat zij, naar zijn voorbeeld, de Vader bidden om de komst van zijn Rijk. Zo vragen wij dat Gods werk tot voltooiing mag komen, en niet allen het onze; dat het Rijk Gods mag komen, zoals de Vader het wil. Zo'n gebed geneest de mens van de illusie alleen zichzelf verantwoordelijk te achten voor dit Rijk.

Niemand kan de zorg om het Rijk Gods op eigen kracht torsen zonder erdoor verpletterd te worden. Jezus zegt ons: « Vraag het aan de Vader ». Wie op deze wijze bidt, sluit zich aan bij Gods initiatief. Het « Onze Vader » is het gebed bij uitstek van iedere geëngageerde christen.

3. Maar de Heer heelf mensen willen nodig hebben opdat zijn Rijk tot voltooiing zou komen, opdat de schepping God zou verheerlijken, opdat zijn geopenbaarde Waarheid gekend zou worden, opdat zijn liefde werkzaam zou zijn, in elke ontmoeting tussen mensen, in elke relatie, in elk gezin en in geheel het sociale leven. De Heer heeft mensen willen nodig hebben, opdat zijn Geest zou doordringen in de meest afgelegen gemeenschappen en zelfs in de hardste structuren, opdat de poorten wijd open zouden staan voor zijn heilswerk.

Daarin hebt u, geliefde broeders en zusters, een onvervangbare rol te spelen. Gij hebt de eigen roeping « het Rijk van God te zoeken door de tijdelijke aangelegenheden te behartigen ». Gij zijt « door God geroepen om, bij wijze van zuurdeeg als het ware van binnen uit, tot de heiliging van de wereld bij te dragen »[5]. Meer nog, sinds het concilie zij t gij u van deze roeping sterk bewust ge- worden, en daarover verheug ik mij. Het gaat niet om een actuele toegeving vanwege de herders die u meer nodig zouden hebben om- wille van hun gering aantal of omwille van de ernst van de problemen. Gij hebt deel aan de heilszending van de Kerk. Tot dit apostolaat zijt gij opgeroepen door uw doopsel en uw vormsel[6].

Als ledematen van het Lichaam van Christus, hebt gij deel aan Christus' priesterlijke taak, door uzelf, samen met Hem, als een geestelijke offerande aan de Vader aan te bieden. Gij deelt in zijn profetische taak door uw uitdrukkelijke geloofsbelijdenis en het getuigenis van uw leven, door het geloof bezield. Dit is uw manier om Christus aan anderen bekend te maken. Gij hebt deel aan zijn koninklijke taak opdat de wereld van zonde bevrijd, doordrenkt zou worden met de Geest van Christus. Christus is het, die als het ware door u, luistert naar de vreugde en het leed van zijn broeders; Christus is het die hen bemint, die hen bemoedigt en met ben op weg gaat.

Gij zijt getuigen en tevens levende werktuigen van de zending van de Kerk, naar de maat van Christus' gave. Gij verzekert immers de werkdadige aanwezigheid van de Kerk op die plaatsen en in die omstandigheden waar zij door u alleen het zout van de aarde en het licht van de wereld kan worden[7].

Gij zijt geroepen om aan het volk van de zaligsprekingen gestalte te geven. Gij zet er u voor in samen met vele andere mensen van goede wil. In een wereld die onaf is en gewond, geeft gij u blijvend rekenschap van de grenzen van uw handelen. Maar zo draagt gij bij tot de voorbereiding van de nieuwe aarde, door God beloofd. Uw engagement is een teken van hoop in de geschiedenis van de mensheid.

4. De terreinen waarop gij werkzaam zijt zijn verschillend en vullen elkaar aan. De kerkelijke gemeenschappen hebben u nodig opdat in een pastorale equipe alle diensten zouden verzekerd zijn die een verdiept geloof, een intens gebedsleven en een vèrstrekkende liefde mogelijk maken. In deze pastorale equipes werkt gij samen met uw herders in eerbied voor hun gewijde ambt. Ik bemoedig dan ook allen onder u die meewerken aan het onthaal, aan de liturgie, aan de voorbereiding van de sacramenten, aan de catechese bij jongeren en volwassenen. Ik bemoedig ook allen onder u die op weg gaan met hen die van de Kerk verwijderd leven, allen ook die meewerken aan de bijstand van zieken, bejaarden en immigranten, aan de missiewerken en aan de ontwikkeling van de derde wereld.

Het gaat hier om een echte medeverantwoordelijkheid vooral bij hen die betrokken zijn bij de werking van de pastorale raden op diocesaan en parochiaal vlak.

De parochies zijn de bevoorrechte plaatsen van uw inzet. De Heer brengt er mannen en vrouwen samen uit alle horizonten. Vooral tijdens de viering van de Eucharistie krijgt deze gemeenschap zichtbaar gestalte. In een parochie moet men kunnen vaststellen hoe de christenen in hun verscheidenheid « één van hart en één van geest » zijn. Dit concrete leven in gemeenschap is de eerste ruimte waar gij u kunt ter beschikking stellen.

Ik heb zojuist nadruk gelegd op uw rol in de Kerk. Maar ik denk ook aan uw rol in het hart van de wereld, zoals ik het zal zeggen aan uw franstalige broeders en zusters in Luik.

Voor de christen-leken komt het er inderdaad op aan zich zo in te zetten dat alle tijdelijke aangelegenheden doordrongen worden van morele waarden en van een evangelische geest: de cultuur, de kunst, de opvoeding, de gezondheid en de medische beroepen, de relaties binnen het arbeidsbestel, de sociale relaties, de economische transacties, de burgerlijke nationale verantwoordelijkheden en de internationale verhoudingen.

In dit verband komt een bevoorrechte plaats toe aan het gezin als gemeenschap van liefde. Om hun huwelijksliefde, de eerbied voor het leven en de opvoeding volgens Gods plan te kunnen behartigen, rekenen de gehuwden op hulp en steun. Het gaat er niet alleen om ethische waarden of om maatschappelijke inzet maar om de spiritualiteit zelf van huwelijk en gezin, dit wil zeggen, om een leven volgens de Geest. Dan breekt Gods aanwezigheid door in het gezin dat terecht « huiskerk » genoemd wordt.

5. Een aantal gelovige leken dragen grote verantwoordelijkheden in de maatschappij. Hun kwaliteiten en vorming komen velen ten goede. Zij gebruiken hun talenten ten volle. Maar het getuigenis van eenvoudige christenen is niet minder belangrijk. Hun stem moet sterker klinken in de kerkgemeenschap. Zij hebben dikwijls met een zeer beschikbaar hart het evangelie beluisterd en bewaard. Bij zulke getuigenissen jubelde Jezus het uit: « Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen »[8].

Het georganiseerde apostolaat zijn vormen, als getuigenis dat uitgaat van een leven, ge3nspireerd door geloof, hoop en liefde, in alle situaties, blijft het uitgangspunt en de voorwaarde van ieder lekenapostolaat, ook van het georganiseerde[9].

Het georganiseerde apostolaat heeft het voordeel het teken te zijn van de gemeenschap en van de eenheid van de Kerk in Christus. Deze apostolaatsvorm bevordert de onderlinge steun tussen alle leden en zal doeltreffender zijn in de steeds talrijker domeinen die een gemeenschappelijke inzet vereisen[10]. Zegt het Evangelie niet dat de Heer zijn leerlingen « twee aan twee » uitzond[11]?

Zo kan men bijeenkomsten beleggen voor doctrinele herbronning, levensherziening en gebed onder katholieken die ook werkzaam zijn in profane verenigingen van pluralistische, niet-confessionele aard. Dit alles, opdat zij in de schoot van die tijdelijke instellingen die het algemeen welzijn beogen, zouden handelen volgens hun christelijk ideaal samen met andere mensen van goede wil.

Maar de gelovigen hebben ook het recht en dikwijls de plicht, om in eigen structuren aan hun waarden gestalte te geven. Uw land kent heel veel christelijke organisaties en instellingen. Zij vervullen een soort brugfunctie. Door hen bewijzen de christenen dienst aan de hele maatschappij.

In tal van socio-culturele organisaties voor mannen en voor vrouwen en in de jeugdbewegingen komt men tot een integratie van het geloof in het leven. Daarnaast zijn er nog de christelijke onderwijsinstellingen en de uitgebreide caritatieve sector. Ook in onze tijd blijven al deze organisaties en instellingen zeer zinvol. Ze zijn noodzakelijk om het Evangelie een concrete gestalte te geven in de maatschappij. Precies daarom moeten ze steeds opnieuw naar hun bron terugkeren, naar de geest van het Evangelie. Alleen zo zullen ze ontsnappen aan de verleiding van de routine. Alleen zo zullen ze blijvend kunnen opkomen voor arme en kleine mensen. Het is van essentieel belang dat ieder instituut en iedere beweging zich, op elk niveau, regelmatig laat bevragen door het Evangelie.

6. Heel wat gelovige leken staan echter alleen, en soms eenzaam, in een pluralistisch milieu. Samen met andersdenkenden, die dikwijls hun vrienden zijn, werken ze aan de promotie van de menselijke waarden. Juist daardoor kunnen ze getuigen zijn van de Blijde Boodschap. Ze vinden kracht en inspiratie in de Eucharistie. Op het ritme van het liturgisch jaar krijgen ze er het Evangelie aangereikt. Ze kunnen steun vinden in hun gezin en vriendenkring. Maar misschien moet er nog iets anders gedaan worden. Zou het niet zinvol zijn meer werk te maken van de suggestie die de Belgische Bisschoppen deden in hun herderlijke brieven over Europa en over de crisis? In die documenten stelden ze voor « kernen van hoop » te vormen. Het gaat om kleine groepjes christenen die hun ervaringen uitwisselen. Ze confronteren hun leven met het Evangelie. Ze bemoedigen elkaar. Met een minimum aan organisatie kunnen deze vriendengroepen gevormd worden en een rol spelen in alle domeinen van het leven: in de economische en sociale milieu's, in de beroepsverenigingen, in de wereld van de sport, de onstspanning en de cultuur. Het zijn kleine, krachtige missionaire gemeenschappen die van het Evangelie werk willen maken.

7. Veel christelijke vrouwen nemen in deze plaatselijke Kerk een belangrijke verantwoordelijkheid op zich. Ze doen dit in het kader van bloeiende socio-culturele organisaties, in christelijke instellingen, in de gezinschatechese en op zoveel andere plaatsen. De inbreng van de vrouw is onontbeerlijk voor de volheid en de harmonie van het kerkelijk leven. Men bregrijpt dat vrouwen lijden onder bepaalde vormen van paternalisme en discriminatie. De christelijke gemeenschap moet de bijdrage en de verantwoordelijkheid van de vrouwen valoriseren en er hen dankbaar om zijn.

De christelijke gemeenschap ontvangt enorm veel door het enga- gement van de vrouw in de Kerk, maar ze ontvangt nog meer als ze een figuur van de Kerk in de vrouw weet te onderkennen. Doorheen haar eigen innerlijke belevingswereld en haar onvervangbaar charisma brengt de vrouw hààr getuigenis van geloof, hoop en liefde. Zij verrijkt terzelfdertijd de Kerk en de maatschappij. Zij brengt diepgang, echtheid, warmte, spontaneïteit aan, met nog tal van andere specifieke kwaliteiten. Hoe zou de komst van het Rijk Gods begonnen zijn zonder Maria, de moeder van Jezus? Was het niet Maria Magdalena die als eerste zag en begreep dat Jezus ver- rezen was? Bekleedde Maria geen centrale plaats tijdens het Pinkstergebeuren? De gelovige gemeenschap verwacht de verrijkende inbreng van de vrouw niet alleen in het gezin — waar haar rol tegenover haar man en kinderen primordiaal blijft — maar in alle domeinen van het leven: in de spiritualiteit, in het theologisch denken, in het gemeenschapsleven, in de missionaire roeping, in de overlegorganen en in de pastorale diensten.

8. In de maatschappij dienen de leken, mannen en vrouwen, voor alles boodschappers te zijn van Christus' zaligsprekingen. Jezus drukte zijn leerlingen op het hart: « Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis »[12]. Z Het eerste woord van de verrezen Christus was een vredeswens die in zijn Kerk een gangbare begroeting is geworden. Die boodschap moet Goed Nieuws worden voor de concrete mens. Die vredesgroet draagt goedheid in zich, zachtmoedigheid en de weigering van het geweld. « Ik zend u als lammeren tussen wolven »[13]. Deze geest van vrede veronderstelt ook de moed om aan het kwaad en de vervolging te weerstaan. Deze vredeshouding is vooral gericht op de genezing van allen die lijden in hun lichaam en gewond zijn in hun hart. Deze vredesboodschap roept ook op tot meer rechtvaardigheid. Het Rijk Gods, dat « rijk van gerechtigheid en vrede », zal op de allereerste plaats verkondigd worden aan de « evangelisch bevoorrechten ». Dit zijn de kleinen en de eenvoudigen, de marginalen, de vreemdelingen, de slachtoffers van de crisis en van het geweld, de zieken en de eenzamen. Allen verwachten een concrete en doeltreffende hulp. Vrede verkondigen is werken voor rechtvaardigheid, en dit betekent ook dat men opkomt voor structuren en wetten die de rechtvaardigheid bevorderen. In crisistijd zijn er inderdaad talrijke naamloze slachtoffers omwille van structuren die niet aan hun werkelijke noden aangepast zijn.

9. Goede vrienden, gij weet dat uw grote zending als leken een zekere ingesteldheid en voorbereiding, vereist. In het Evangelie zond Jezus zijn leerlingen uit « naar de plaatsen waarheen Hij zelf van plan was te gaan »[14]. De leerlingen wordt van Jezus, zoals de plaats van Jezus, voor Hem uit. Zij moeten het terrein in gereedheid brengen, en zelfs Jezus tonen. Ze moeten doorzichtige mensen zijn, zodat Jezus herkenbaar wordt in hen.

Om te arbeiden in zijn oogst, is het nodig dat gij eerst vertrouwelingen wordt van Jezus, zoals de leerlingen. Ge moet regelmatig met de Heer omgaan in het gebed[15]. Door het gebed komt gij op dezelfde golflengte als Jezus' Hart, groeit gij in kinderlijk vertrouwen tegenover de Vader en raakt gij doordrongen van de zaligsprekingen. De vrede van God komt in uw leven en die vrede straalt gij uit[16]. Een biddende leerling stelt zich in dienst van zijn Heer; hij klampt zich niet vast aan succes en nog minder aan tegenslag. Hij verheugt zich slechts omdat zijn naam staat opgetekend in de hemel[17].

Twee essentiële overtuigingen liggen aan de grondslag van uw optreden als leerling van de Heer. Vooreerst dat God ons het eerst heeft liefgehad, gehad, dat Hij niet ophoudt ons te beminnen, dat wij leven door Hem[18], door zijn genade, zoals een rank leeft van de wijnstok; want zonder Hem kunnen wij niets[19]. De tweede overtuiging is deze: wie zich zo openstelt voor Gods barmhartigheid ontvangt kracht en energie om Jezus na te volgen, om zich te wijden aan de opbouw van een wereld, zoals het Evangelie het ons vraagt: een wereld getekend door Jezus' liefde. Wie zo leeft kan het kruis niet ontlopen. Maar hij zal het dragen, gelovend in de Verrijzenis, in de zekerheid dat de Liefde het uiteindelijk zal halen. Christen-leken, Christus zendt u uit als zijn leerlingen[20]. Gevoed door het gebed en gesterkt door de overtuigingen, waarover ik zojuist sprak, dient gij u met geheel het Evangelie vertrouwd te maken en kunt gij drinken aan de bronnen van het geloof. In een geseculariseerde maatschappij is het belangrijk ruimten te scheppen waar leken hun geloof verdiepen.

Organisatie en overleg kunnen niet terzijde worden geschoven. Maar mensen hebben vandaag vooral nood aan modellen van evangelisch leven. Bij iedere samenkomst proberen gelovigen hun levenservaring uit te spreken, samen te oordelen vanuit het Evangelie en zo hun verantwoordelijkheid te bepalen tegenover de wereld, dichtbij en veraf. Samen « zien, oordelen en handelen », in de geest van Cardijn, blijft een merkwaardige pedagogie voor de opbouw van een wereld volgens het Evangelie.

Gij deelt in de zending van de Kerk. Het is de Kerk die de levende gedachtenis van Jezus bewaart, interpreteert en actualiseert. Het is in verbondenheid met de Kerk, onder de leiding van de Paus en de Bisschoppen, dat elke christen kan groeien in geloof. Zijn soms zoekend en aangevochten geloof wordt zodoende versterkt. Jammer genoeg is de Kerk nooit « zonder vlek of rimpel ». Maar het is aan de Kerk dat Jezus zijn Blijde Boodschap heeft toevertrouwd, alsook de normale wegen waarlangs zijn genade ons bereikt. De leek die in zijn leven wil getuigen van Jezus Christus moet de Kerk beminnen: ze is zijn Lichaam, zijn Volk onderweg. Hij zal de Kerk niet alleen liefhebben maar zich aansluiten bij het onderricht van haar leergezag en bij haar fundamentele pastorale richtlijnen. Zo handelt hij in solidariteit met de Kerk.

Wie van Jezus Christus wil getuigen zal zich openstellen voor de wereldkerk. De Kerk die in Vlaanderen is, maakt deel uit van de universele of katholieke Kerk. Uw Kerk is zeer edelmoedig geweest in het uitsturen van missionarissen over hel de aarde. Op haar beurt mag zij vandaag haar voordeel trekken uit de genade die in de Jonge Kerken aan het werk is. Zonder de wereldwijde missie te willen verwaarlozen, zullen de christenen hun zoekende of nietgelovige broeders met bijzondere zorg omgeven. Zoals Jezus' leerlingen, zulen de christenen zich inspannen om genezing te brengen bij de velen die op verborgen wijze door het leven gekwetst raakten. Ze moeten hen het geheim van Gods tedere liefde doen aanvoelen, dat in hun eigen leven vreugde en opbeuring brengt. Christenen zullen vrijmoedig spreken over wat het Evangelie hen heeft geopenbaard over de levensvragen die ze met hen bespreken. Daartoe is eerbied nodig en fijngevoeligheid alsook het vertrouwen dat God aan het werk is in ieder mensenhart.

Zoals ik het geschreven heb in de exhortatie over de verzoening en de boete[21], moeten we in delicate situaties getuigen van medelijden en barmhartigheid, en de personen in kwestie hun hoopvol perspectief nooit ontnemen. Terzelfdertijd moeten we getuigen van de Waarheid en coherent zijn, door duidelijk te kennen te geven dat er een onafwendbare contradictie blijft bestaan tussen het kwaad en hetgeen goed is, volgens de wet van God.

10. Een laatste woord, geliefde Broeders en Zusters, betreft de roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven. Ik dank u omdat gij zelf uw bezorgdheid dienaangàànde tot uiting hebt ge- bracht. De rol van de herders is even onmisbaar als die van de le- ken. De herders laten u toe uw eigen zending ten diepste te ver- vullen door uw christelijke ijver te voeden met het Evangelie en de sacramenten. Zij zijn het die een gemeenschap Kerk laten zijn. Wan- neer Jezus het feit betreurt dat er zo weinig arbeiders zijn voor de oogst, wanneer hij vraagt voor arbeiders te bidden, dan denkt Hij ongetwijfeld aan al zijn evangelische werkers maar in het bijzonder aan hen die zich totaal toewijden aan de zending. Indien uw gezinnen echt bidden voor deze intentie en hen die zich helemaal aan de Heer gewijd hebben met eerbied n zorg omringen, dan ben ik er zeker van dat uw kerkelijke gemeenschappen de roepingen tot het priesterschap en het kloosterleven zullen zien ontluiken, die ze absoluut nodig hebben.

Moge de Heer u sterken, elk volgens zijn eigen charisma. Mocht gij echte, vurige en blije getuigen zijn van Jezus Christus! En ik spreek opnieuw het vertrouwen uit dat de Kerk in u stelt. In naam van de Heer zegen ik u en uw families, en ik zend u om de Blijde Boodschap uit te dragen, om van de Waarheid getuigenis af te leggen, om gewonde harten te genezen, om vrede te brengen en om gemeenschappen van liefde te stichten. Ik zend u om Gods Rijk aan te kondigen en op te bouwen.


[1] Luc. 10, 9.

[2] Matth. 4, 17.

[3] Io. 1, 14.

[4] Lumen Gentium, 36.

[5] Lumen Gentium, 31.

[6] Cfr. ibid. 33.

[7] Cfr. Lumen Gentium, 33.

[8] Luc. 10, 21.

[9] Cfr. Apostolicam Actuositatem, 16-17.

[10] Cfr. ibid. 18.

[11] Luc. 10, 1.

[12] Luc. 10, 5.

[13] Ibid. 10, 3.

[14] Luc. 10, 1.

[15] Cfr. ibid. 10, 2.

[16] Cfr. ibid. 10, 5-6.

[17] Cfr. ibid. 10, 20.

[18] Cfr. 1 Io. 4, 9.

[19] Cfr. Io. 15, 5.

[20] Luc. 10, 1.

[21] Cfr. Ioannis Pauli PP. II Reconciliatio et Paenitentia, 34.

 

© Copyright 1985 - Libreria Editrice Vaticana

 

top