 |
Boodschap van Zijne Heiligheid Paus Johannes Paulus II voor de Veertigdagentijd
2005
Dierbare broeders en zusters!
1. Ieder jaar biedt de Veertigdagentijd ons een heilzame tijd voor het
versterken van gebed en boetvaardigheid, waardoor het hart meer bereid wordt de
goddelijke wil te aanvaarden. De Veertigdagentijd is een geestelijke weg die
voorbereidt op de viering van het grote mysterie van de dood en verrijzenis van
Christus, in het bijzonder door het aandachtig luisteren naar Gods woord en een
edelmoedige beoefening van de werken van naastenliefde.
Dit jaar, dierbare broeders en zusters, wil ik graag een zeer actueel onderwerp
onder uw aandacht brengen, dat ter sprake gebracht wordt in het volgende vers
uit Deuteronomium: “Gij zult de Heer beminnen … want Hij is uw leven en de lengte van uw dagen”
(Deut. 30,20). Dit zijn de woorden die Mozes tot het volk richt om hen uit te
nodigen het verbond met de Heer in het land van Moab voort te zetten, “dan zult
gij met uw nakomelingen het leven bezitten, door de Heer uw God te beminnen,
naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven” (Deut. 30,19-20). De trouw
aan dit verbond is voor Israël een garantie voor de toekomst: “Gij zult lang
wonen op de grond, die de Heer aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob,
onder ede heeft toegezegd” (Deut. 30,20).Volgens de Bijbel is het bereiken van
een hoge leeftijd een teken van Gods zegenende welwillendheid. Een lang leven is
een bijzondere gave van God.
Ik zou u willen vragen tijdens deze Veertigdagentijd over dit thema na te
denken, om het besef te verdiepen van de rol van oude mensen in de samenleving
en in de Kerk, en ons zo meer bereid te maken tot een liefdevolle aanvaarding
van oudere mensen. Dankzij de wetenschap en de geneeskunde leven in onze huidige
samenleving mensen steeds langer, waardoor het aantal oude mensen toeneemt. Dit
vereist speciale aandacht van de wereld voor de zogenaamde “derde leeftijd”,
opdat de betrokkenen al hun mogelijkheden tot ontplooiing kunnen brengen, ten
dienste van de gehele samenleving. De zorg voor ouderen, vooral als zij het
moeilijk hebben, is een bijzondere opdracht voor de gelovigen, zeker in de
kerkgemeenschappen van de westelijke samenleving, waar het probleem uiterst
actueel is.
2. Het menselijk leven is een kostbare gave, dat in iedere fase bemind en
verdedigd moet worden. Het gebod: “Gij zult niet doden” vereist eerbied voor en
bevordering van het menselijk leven, vanaf het ontstaan tot aan het natuurlijke
einde. Het is een gebod dat ook geldt als zich ziekten voordoen en het afnemen
van de krachten de zelfstandigheid van de mens sterk beďnvloedt. Als het ouder
worden, met de onontkoombare gevolgen van dien, in het licht van het geloof
rustig worden aanvaard, kan dit een buitengewoon waardevolle gelegenheid worden
om het mysterie van het kruis, dat het menselijk bestaan zijn volle zin geeft,
beter te doorgronden.
Vanuit dit gezichtspunt moeten ouderen begrepen en geholpen worden. Ik wil hier
mijn waardering uitspreken voor hen die zich wijden aan het voorzien in deze
behoeften en ik doe ook een beroep op alle mensen van goede wil de
Veertigdagentijd te gebruiken om hun eigen bijdrage te leveren. Dit zal ertoe
leiden dat veel ouderen zichzelf niet langer zien als een last voor de
samenleving, of zelfs voor hun eigen familie, hetgeen aanleiding geeft tot
eenzaamheid, die er de oorzaak van kan zijn dat men zich in zichzelf opsluit en
ontmoedigd raakt.
Het is noodzakelijk dat in de publieke opinie het besef wordt versterkt dat
ouderen een kostbare schat vormen. Daarom moeten economische hulp en wettelijke
regelingen die stimuleren dat ouderen niet worden uitgesloten van het sociale
leven bevorderd worden. We mogen overigens wel constateren dat de samenleving
gedurende de laatste tien jaar meer aandacht heeft besteed aan de behoeften van ouderen, en dat de geneeskunde palliatieve zorg en
therapieën heeft ontwikkeld die ook voor langdurig zieken heilzaam zijn
gebleken.
3. Het feit dat men in deze fase van het leven meer tijd heeft biedt ouderen de
mogelijkheid centrale vragen van het leven, die wellicht vroeger terzijde zijn
geschoven omwille van andere dringende zaken, te stellen. In de wetenschap dat
het einddoel, de uiteindelijke voltooiing, nadert, zal de oudere zich richten op
het wezenlijke en belang hechten aan zaken die blijvend zullen zijn.
Juist daarom kunnen ouderen hun rol in de samenleving vervullen. Als het waar is
dat de mens leeft van de erfenis van zijn voorgangers en dat zijn toekomst
afhangt van de wijze waarop de waarden van zijn cultuur aan hem zijn
overgedragen, dan kunnen de wijsheid en ervaring van ouderen zijn pad verlichten
op de weg van vooruitgang naar een steeds volmaaktere vorm van beschaving.
Wat is het belangrijk deze wederzijdse verrijking tussen verschillende
generaties opnieuw te ontdekken! De Veertigdagentijd, met zijn sterke oproep tot
bekering en solidariteit, doet ons dit jaar de nadruk leggen op deze bijzondere
thema’s, die ons allen aangaan. Wat zou er gebeuren als het Volk van God zou
toegeven aan de huidige mentaliteit die deze mensen, onze broeders en zusters,
als bijna nutteloos beschouwt, als ze beperkt zijn in hun mogelijkheden als
gevolg van leeftijd of ziekte? Hoe anders zou de samenleving zijn als deze, te
beginnen met de familie, zou proberen altijd open en gastvrij ten opzichte van
ouderen te zijn.
4. Dierbare broeders en zusters, laat ons tijdens de Veertigdagentijd, met de
hulp van Gods woord, erover nadenken hoe belangrijk het is dat iedere
samenleving degenen die ouder worden met liefdevol begrip aanvaardt. Daarnaast
moeten we met vertrouwen leren denken over het mysterie van de dood, zodat de
uiteindelijke ontmoeting met God plaats mag hebben in innerlijke vrede en met
het besef dat Hij “die mij weefde in de moederschoot” (vgl. psalm 139, 39b), en
die ons gewild heeft “naar Zijn beeld en gelijkenis” (vgl. Gen. 1,26) ons zal
ontvangen.
Maria, onze gids op de reis door de Veertigdagentijd, leidt alle gelovigen, in
het bijzonder de ouderen, tot een steeds dieper verstaan van Christus, die
gekruisigd en verrezen is, en die het uiteindelijke doel van ons bestaan is.
Moge zij, de trouwe dienstmaagd van haar goddelijke Zoon, samen met de heilige
Anna en de heilige Joachim, voor ieder van ons bidden “nu en in het uur van
onze dood”.
U allen mijn apostolische zegen!
Ten Vaticane, 8 september 2004
IOANNES PAULUS PP. II
Copyright © Libreria Editrice Vaticana
|