|
INTERNATIONALE THEOLOGISCHE COMMISSIE
De interpretatie van het dogma*
(1989)
Presentatie
1. Altijd al is voor de mens de interpretatie van zijn wezen, van zijn eigen
geschiedenis en van de wereld een belangrijk probleem geweest, In onze tijd
worden wij geconfronteerd met een nieuwe dimensie van de interpretatie : de
hermeneutische cirkel. Als concrete mensen hebben wij in feite nooit toegang tot
een objectiviteit in de strikte zin van het woord. De realiteit bestaat altijd
binnen een bepaalde historische en culturele context Dit vraagstuk over de
betrekkingen tussen het subject en het object wordt bestudeerd in de
hermeneutiek. In een soms positivistische, soms antropocentrische benadering
dreigt de hermeneutiek over te hellen ofwel naar een miskenning van de
menselijke subjectiviteit ofwel naar een uitgesproken subjectivisme. Sommige
stromingen binnen de hedendaagse theologie die zich geroepen zien de
hermeneutische beweging te volgen, concentreren hun aandacht op het probleem van
de betekenis van de dogma’s, terwijl zij de vraag naar hun
onveranderlijke waarheid grotendeels buiten beschouwing laten. Dat is het geval
bij de bevrijdingstheologie en bij de radicale feministische theologie. Zij
behandelen dé interpretatie van het dogma vanuit sociaal-economische en
culturele gezichtspunten. De sociale vooruitgang en de emancipatie van de vrouw
worden dan de criteria die moeten beslissen over de betekenis van de dogma’s.
Het belang en de actualiteit van het hermeneutische probleem hebben de
Internationale Theologische Commissie bewogen tot een nadere bestudering. Zij
beoogde de centrale gegevens van de interpretatie van de dogma’s te laten zien,
zoals de katholieke theologie deze verstaat.
2. Zoals al het geval was bij bepaalde onderwerpen die de Internationale
Theologische Commissie in vorige quinquennia onderzocht heeft, werd de vraag
naar de interpretatie van het dogma aan de Commissie gesteld door verschillende
instanties aan het begin van het vierde quinquennium. Professor Kasper, destijds
verbonden aan de universiteit van Tübingen, werd aangewezen als voorzitter van
de subcommissie die nader de vraag diende te bestuderen en de beraadslagingen
van een volgende plenaire vergadering moest voorbereiden. Met instemming van
Kardinaal Ratzinger, voorzitter van de Internationale Theologische Commissie,
heeft professor Kasper daarna deze subcommissie samengesteld, waarvan ieder lid
een inleiding over een nader onderdeel van de kwestie diende uit te werken. Zelf
werkte hij het gedeelte uit dat de titel droeg: „Wat is een dogma? Historische
en systematische overwegingen”, en leidde bovendien de verschillende redacties
van het ontwerp, dat het document geworden is dat wij nu publiceren. De andere
voorbereidende teksten van de subcommissie behandelden de volgende onderwerpen :
„De interpretatie van de dogma’s volgens het kerkelijk leergezag vanaf Trente
tot Vaticanum II” (Prof. Ambaum) ; „Het probleem van de interpretatie van het
dogma” (Prof. Colombo); „Het dogma in de traditie en de communio van de Kerk”
(Prof. Corbon) ; „Nieuwtestamentisch-exegetische thesen over de juiste
interpretatie van dogma’s” (Prof. Gnilka) ; „De moderne hermeneutiek, haar
filosofische draagwijdte en haar theologische uitwerkingen” (Prof. Léonard) ;
„De actuele problematiek bij de legitieme interpretatie van het dogma” (Prof.
Nagy) ; „De uitleg van het geloof in de theologie van de bevrijding” (Prof. de
Noronha Galvao) ; „De eenheid en de pluraliteit van het geloof” (Prof. Peter) ;
„Dogma en geestelijk leven” (Prof. Schönborn) ; „Dogma en inculturatie” (Prof.
Wilfred).
Tijdens de plenaire zitting van 1988 hebben de leden van de subcommissie hun
eigen teksten gepresenteerd en vonden gedachtenwisselingen plaats gedurende een
hele week. Uitgaande van de debatten en de schriftelijke aanbevelingen heeft
professor Kasper - bijgestaan door de subcommissie - een ontwerp van de tekst
uitgewerkt dat verschillende keren herzien is en tenslotte met meerderheid van
stemmen in forma specifica werd goedgekeurd door de Commissie bij haar
plenaire vergadering van oktober 1989.
3. In een eerste gedeelte legt de tekst de nadruk op het belang van de
geschiedenis, d.w.z. van de traditie, om het dogma te verstaan. In de westerse
wereld van onze tijd is men gekomen tot een nieuwe evaluatie van het heden,
zodat men het verleden als een vervreemding ging beschouwen. Een bepaalde
hermeneutiek tracht de afstand die ons scheidt van het verleden te overbruggen ;
zij kent verschillende richtingen, vaak met een reducerende strekking. Het is
nodig deze te boven te komen om een metafysieke hermeneutiek te bereiken die
steunt op het feit dat de waarheid zichtbaar wordt in en door het menselijk
verstand. Wat is dan de verhouding tussen waarheid en geschiedenis? Ondanks alle
bindingen van ons denken veronderstellen wij dat er een absolute waarheid
bestaat. Er bestaan universele waarheden die altijd hun waarde behouden.
Ten aanzien van het theologische probleem van des interpretatie is bekend
dat de Kerk uitgaat van de veronderstelling dat de geopenbaarde en door haar
onderwezen waarheid universeel geldig en onveranderlijk in haar substantie is.
Toch ontstaan er moeilijkheden wanneer men de dogma’s moet overdragen aan mensen
die onder invloed van andere culturen leven, b.v. de Afrikaanse of Aziatische
cultuur. Hoe moet men dan het geloof „interpreteren”? Sommigen geven radicale
antwoorden: men dient het geloof te interpreteren in het kader van het marxisme
; ook wordt een bepaald idee van emancipatie wel gehanteerd als sleutel voor het
lezen van de bijbel.
Het tweede gedeelte van het document laat zien hoe de Kerk onder inwerking van
de heilige Geest getuigt over de openbaring. De geschiedenis van het dogma
belicht het ononderbroken proces van de overdracht van het geloof. De tekst
herinnert vervolgens aan de verklaringen van het leergezag met betrekking tot de
interpretatie van de dogma’s (Trente, Vaticanum I, Pius X, Pius XII, Paulus VI)
en gaat uitvoeriger in op de leer van Vaticanum II. Ook wordt de aandacht
gevestigd op het belang van de theologische kwalificaties. Er bestaat ook de
praktijk van het leergezag dat, ten overstaan van nieuwe ontwikkelingen,
bepaalde vroegere stellingnames interpreteert (b.v. met betrekking tot de
godsdienstvrijheid).
Bij de behandeling van een systematische bezinning op het dogma zoals dit in de
paradosis leeft, legt het document uit hoe de Traditie een diepere betekenis
geeft aan woorden en denkbeelden van de menselijke taal, wanneer zij zich
daarvan bedient om het geloof tot uitdrukking te brengen. In de loop vah de
geschiedenis voegt de Kerk niets nieuws aan het Evangelie toe, maar zij
verkondigt Christus op nieuwe wijze. De plaats van de dogma’s in de
evangelisatie en ook hun theologische betekenis dienen in deze zin opgevat te
worden.
Het gebruik en de interpretatie van de heilige Schrift worden onderzocht in een
derde gedeelte van de tekst onder de titel : „Criteria voor de interpretatie”.
Het document onderstreept de eenheid van de heilige Schrift, de Traditie en de
Communio van de Kerk om een interpretatie van de dogma’s in het hart van de Kerk
te waarborgen. De noodzaak van een actuele interpretatie staat buiten kijf. Het
is van belang daarbij de leidende principes te ontdekken. Het document legt
nadruk op de blijvende waarde van dogmatische formuleringen, waarbij het
suggesties geeft voor de vernieuwing van hun interpretatie. De criteria van J.H.
Newman om de ontwikkeling van de dogma’s te beoordelen, kunnen daarbij hulp
bieden. Op dit punt herinnert het document terecht aan de taak van het kerkelijk
leergezag, waaraan de authentieke interpretatie van het Woord van God is
toevertrouwd. Het is immers de bedoeling van elke geldige interpretatie dat de
mensen het eeuwig leven bezittor.
Mgr. Philippe Delhaye
Emeritus secretaris-generaal van de Internationale Theologische Commissie
A. INVENTARISATIE
I. De algemeen-filosofische probleemstelling
1. Het fundamentele probleem van de interpretatie. Het probleem van de
interpretatie heeft de mens vanouds beziggehouden. Als mensen is ons ten doel
gesteld de wereld waarin wij ons bevinden, te verstaan en daarbij ook onszelf te
verstaan. Bij deze vraag naar de waarheid van de werkelijkheid beginnen wij
nooit bij het punt nul. De werkelijkheid die doorgrond dient te worden, treffen
wij immers concreet aan in de uitleg door het symboolsysteem van elke cultuur
dat vooral waarneembaar wordt in de taal. Het menselijk begrijpen heeft daarom
betrekking op de beschiedenis en op de gemeenschap. Daarom behoort bij een
interpretatie ook altijd, dat men zich de bestaande getuigenissen van de
traditie eigen maakt.
De samenhang tussen interpretatie en traditie laat blijken dat men zich dient te
bevrijden van een naïef realisme. In ons kenproces worden wij nooit
geconfronteerd met de naakte werkelijkheid, de werkelijkheid binnen de culturele
levenscontext van de mens. Altijd gaat het ook om de interpretatie daarvan door
middel van de traditie en de wijze waarop wij ons deze traditie tegenwoordig
eigen maken.
Het fundamentele probleem van de interpretatie kan men daarom als volgt
formuleren : Hoe kunnen wij de hermeneutische cirkel tussen subject en object
serieus nemen, zonder in een relativisme te vervallen’waarin er slechts
interpretaties van interpretaties kunnen bestaan, die op hun beurt telkens weer
tot nieuwe interpretaties aanleiding geven? Bestaat er - niet buiten, maar juist
binnen het historische proces van interpreteren - een waarheid op zich? Maakt de
waarheid er m.a.w. aanspraak op absoluut te zijn? Bestaan er misschien
uitspraken die in alle culturen en historische situaties beaamd, resp. ontkend
dienen te worden?
2. De dubbele actualiteit van het probleem. Tegenwoordig wordt het
probleem van de interpretatie toegespitst geformuleerd. Op grond van de
culturele veranderingen is de afstand tussen de getuigenissen van de traditie en
onze hedendaagse culturele situatie groter geworden. Dat heeft vooral in de
westerse wereld veelal geleid tot een gewijzigde houding ten opzichte van de
overgeleverde waarheden, waarden en opvattingen, tot een eenzijdige revaluatie
van het moderne tegenover het overgeleverde en tot een eenzijdige waardering
voor het nieuwe als criterium van het denken en doen. In de hedendaagse
filosofie is bovendien vooral door Marx, Nietzsche en Freud een hermeneutiek van
verdachtmaking overheersend geworden. Zij beschouwt de traditie niet meer als
medium dat de oorspronkelijke werkelijkheid naar de tegenwoordige tijd toe
brengt, maar voelt haar aan als een vervreemding en onderdrukking. Zonder
telkens nieuwe kracht te putten uit de traditie levert de mens zich evenwel uit
aan het nihilisme. De huidige wereldwijde crisis van de traditie vormt daarom
een van de meest fundamentele geestelijke uitdagingen.
Behalve de crisis van de traditie is tegenwoordig een universele ontmoeting van
de verschillende culturen en hun telkens eigen tradities tot stand gekomen. Het
probleem van de interpretatie heeft daarom nu niet slechts het karakter van een
overdracht van het verleden naar het heden, maar tevens houdt het de opdracht in
een brug te slaan tussen de telkens eigen culturele tradities. Zo’n hermeneutiek
die de culturen te boven gaat, is in onze tijd tot een uitgesproken voorwaarde
geworden, opdat de mensheid in vrede en vrijheid kan overleven.
3. Drie genres van de hermeneutiek. Men kan verschillende genres binnen
de hermeneutiek onderscheiden.
De positivistisch ingestelde hermeneutiek heeft vooral aandacht voor de
objectieve pool. Zij heeft een grote bijdrage geleverd tot een betere kennis van
de werkelijkheid. Zij vat de menselijke kennis echter eenzijdig op als een
functie van de natuurlijke, biologische, psychologische, historische en
sociaal-economische voorwaarden en miskent dus de betekenis van de menselijke
subjectiviteit in het kenproces.
De antropologisch ingestelde hermeneutiek compenseert dit gebrek. Voor deze
richting is echter eenzijdig de subjectieve pool van belang. Zo herleidt zij de
kennis van de werkelijkheid tot de kennis van haar belang voor de menselijke
subjectiviteit. De vraag naar de waarheid van de werkelijkheid wordt dus
gereduceerd tot de vraag naar haar zin voor de mens.
De culturele hermeneutiek verstaat de werkelijkheid door middel van haar
objectieve culturele vormgeving in menselijke instellingen, zeden en gebruiken,
vooral in de taal alsook in het subjectieve zelf- en wereld-verstaan dat door de
betreffende cultuur en haar waardensysteem beïnvloed is. Ondanks de waarde van
dit uitgangspunt blijft de vraag open naar de trans-culturele waarden en naar de
waarheid van het humanum dat de mensen met elkaar verbindt boven alle culturele
verschillen uit.
In tegenstelling tot de hierboven behandelde min of meer reductionistische
vormen vraagt de metafysieke hermeneutiek naar de waarheid van de werkelijkheid
zelf. Zij gaat ervan uit dat dé waarheid zich openbaart in de menselijke rede en
door middel van de menselijke rede. Dan wordt in het licht van de menselijke
rede de waarheid van de werkelijkheid zelf zichtbaar. Omdat de werkelijkheid
echter steeds groter en dieper is dan alle historische en cultureel bepaalde
voorstellingen en begrippen die wij van haar hebben, ontstaat de noodzaak
telkens weer een nieuwe kritische en verdiepende interpretatie van de culturele
traditie te geven.
De fundamentele taak waarvoor wij staan, houdt dus in dat wij in contact en
confrontatie met de moderne hermeneutiek, de menswetenschappen en de culturele
wetenschappen trachten te komen tot een scheppende vernieuwing van de metafysiek
en van haar vraag naar de waarheid van de werkelijkheid. Het fundamentele
probleem dat daarbij an de orde komt, is de verhouding van waarheid en
geschiedenis.
4. De fundamentele vraag: waarheid in de geschiedenis. Bij de verhouding
tussen de waarheid en de geschiedenis is al gebleken dat er in principe geen
menselijke kennis vanaf het punt nul bestaat. Elke vorm van menselijke kennis of
taal is getekend door de structuur van de vooronderstelling of voorafgaande
oordelen. Bij de historisch bepaalde kennis en taal of bij het historisch
bepaalde handelen grijpt de mens echter ook vooruit naar iets laters,
definitiefs en absoluuts. In al ons zoeken en onderzoeken van de waarheid
veronderstellen wij altijd al dat er waarheid is en er ook bepaalde fundamentele
waarheden bestaan (b.v. het contradictie-principe). De waarheid wordt altijd al
van meet af aan zichtbaar, resp. zij verschijnt in objectieve evidentie in onze
rede als zij in contact komt met de werkelijkheid. Zulke be-doelingen en
voorwaarden werden al in de antieke Stoa aangeduid als dogma’s. Inzoverre kan
men - in een nog zeer algemene zin - spreken over een dogmatische basisstructuur
bij de mens.
Omdat onze kennis, ons denken en streven altijd maatschappelijk getekend zijn
door de eigen cultuur en vooral door de taal, heeft deze dogmatische
basisstructuur niet slechts betekenis voor het individu, maar ook voor de
menselijke samenleving. Geen enkele samenleving kan op de duur blijven
voortbestaan zonder gemeenschappelijke basisovertuigingen en basiswaarden die de
cultuur beïnvloeden en ondersteunen. De eenheid en het wederzijdse doorgronden
en ook de vreedzame samenleving veronderstellen bovendien, dat er ondanks alle
diepgaande verschillen tussen de culturen een aan alle mensen gemeenschappelijk
humanum bestaat en zo ook een aan alle mensen gemeenschappelijke waarheid. Deze
overtuiging komt tegenwoordig vooral tot uitdrukking in de algemene en aan elke
mens toekomende mensenrechten.
Deze waarheid is universeel in ruimte en tijd en daarom bezit zij algemene
gelding. Toch komt zij als zodanig pas tot bewustzijn binnen bepaalde
historische situaties en conflicten, vooral in de ontmoeting van de culturen.
Deze toevallige cognitieve voorwaarden en de context voor de ontdekking ervan
dienen echter onderscheiden te worden van de onvoorwaardelijke gelding van de
gekende waarheid zelf. De waarheid zelf kan volgens haar wezen slechts de éne en
daarom algemene waarheid zijn. Wat ooit als waarheid is erkend, moet daarom
blijvend geldend als waar erkend worden. Bij deze historische en tevens
universeel open aard van de menselijke rede kan de Kerk aansluiten bij haar
verkondiging van het éne historisch geopenbaarde Evangelie dat bestemd is voor
alle volkeren en tijden. Zij kan deze rede zuiveren en haar tot de diepste
vervulling brengen.
II. De huidige theologische probleemstelling
1. Een onderdeel van de problematiek van evangelisering en herevangelisering.
De katholieke theologie gaat uit van de geloofsovertuiging dat de traditie (=
paradosis) van de Kerk en de daarin overgeleverde dogma’s van de Kerk treffend
de waarheid bevatten dk God in het Oude en Nieuwe Testament heeft geopenbaard.
Bovendien aanvaardt zij dat de geopenbaarde waarheid die in de traditie van de
Kerk is overgeleverd, universeel geldig en naar haar wezen onveranderlijk is.
Met betrekking tot de dogma’s werd deze overtuiging al in de Reformatie van de
16e eeuw ter discussie gesteld. In een veel toegespitster vorm en onder heel
andere voorwaarden kwam die overtuiging helemaal ineen crisis terecht door de
Verlichting in de moderne tijd en door het recente vrijheidsdenken. In de
moderne tijd stond het dogmatische denken vaak zonder meer onder de verdenking
van een dogmatisme en werd daarmee afgewezen. In de moderne geseculariseerde
cultuur lijkt - in tegenstelling tot de in het Westen vrij algemeen geldende
christelijke cultuur uit vorige eeuwen - het overgeleverde dogmatische
taalgebruik van de Kerk ook voor vele christenen niet meer direct begrijpelijk
of zelfs voor misverstanden vatbaar. Sommigen beschouwen het zelfs als een
hinderpaal voor een levende overdracht van het geloof.
Dit probleem krijgt nog een toespitsing, als de Kerk met haar dogma’s die -
zuiver historisch beschouwd - in de context van de Grieks-Romeins-westerse
cultuur zijn ontstaan, binnentreedt in de verschillende culturen van Afrika en
Azië en daar wortel tracht te slaan. Daarvoor is méér nodig dan een getrouwe
vertaling van de dogma’s. Om tot een echte inculturatie te komen, dient de
oorspronkelijke zin van het dogma binnen een andere culturele context opnieuw
inzichtelijk te worden. Het probleem van de interpretatie van het dogma is
tegenwoordig dan ook tot een universeel probleem van de evangelisering en van de
herevangelisering geworden.
2. Onvolwaardige pogingen tot een oplossing in de hermeneutische theologie.
De modernistische theologie uit het begin van onze eeuw wilde komen tot een
positiebepaling ten opzichte van dit probleem. De pogingen tot een oplossing
bleven echter onbevredigend, o.a. vanweze het gebrekkig openbaringsbegrip en de
pragmatische opvatting over het dogma.
De huidige hermeneutisch georiënteerde theologie probeert de kloof tussen de
dogmatische overlevering en het moderne denken eveneens te overbruggen. Daartoe
stelt zij de vraag naar de zin of de betekenis van het dogma voor ons in onze
tijd. Daardoor wordt echter de afzonderlijke dogmatische formulering uit het
verband van de traditie gerukt en raakt zij geïsoleerd van het geloof dat in de
Kerk geleefd wordt. Het dogma krijgt zo een bijna zelfstandige plaats. Bovendien
gaat daarbij de vraag naar de waarheid van het dogma verloren, omdat men bovenal
belangstelling koestert voor de vraag naar de praktische, existentiële of
sociale betekenis van het dogma.
Dit bezwaar blijft ook bestaan, als het dogma slechts conventioneel wordt
gezien, d.w.z. als men het beschouwt als een functie die weliswaar noodzakelijk
is voor de eenheid, maar toch in principe een voorlopig en tijdelijk taalspel
van de Kerk is. Dan heeft men geen oog meer voor het dogma als een uitspraak die
de waarheid van de openbaring verplichtend overdraagt.
3. Rechtmatigheid en grenzen van de nieuwere benaderingen in het kader van
theorie en praxis. De theologie van de bevrijding ziet het probleem van de
hermeneutiek van het dogma tegen de achtergrond van de armoede en de ellende,
van de situatie van sociale en politieke onderdrukking zoals zij in vele delen
van de derde wereld heersen. Hier gaat het om de vraag naar de verhouding van
theorie en praxis. Daarmee wordt een belangrijk aspect van het bijbelse begrip
van de waarheid uitgedrukt, volgens welke de waarheid gedaan dient te worden
(vgl. Joh. 3,21). Evident bestaat er een theologie van integrale bevrijding die
overeenstemt met het Evangelie en die kerkelijk legitiem is. Zij gaat uit van de
prioriteit van de geestelijke zending van de Kerk, maar bedenkt ook haar sociale
voorwaarden en gevolgen (vgl. Internationale Theologische Commissie, 1976, in :
Commissio Theologica Internationalis, Documenta 1969-1985, Libreria
Editrice Vaticana, Città del Vaticano 1988, 161-203).
In de radicale theologie van de bevrijding wordt daarentegen de economische,
sociale en politieke bevrijding tot een overheersende voorwaarde. Men vat de
verhouding van theorie en praxis op in een ideologisch-marxistische zin. Hier
verdwijnt de boodschap van de genade en van het eschatologisch doel van het
leven en van de wereld. Het geloof en de dogmatische geloofsformuleringen worden
niet beschouwd volgens hun eigen waarheidsgehalte ; zij worden geïnterpreteerd
vanuit de sociaal-economische werkelijkheid die binnen deze benadering
allesbepalend is, en zij dienen nog slechts als motor voor de revolutionaire
politieke bevrijding.
Ook bestaan er tegenwoordig nog andere hermeneutische benaderingen, die ondanks
alle verschillen toch gemeenschappelijk hebben, dat zij het hermeneutische
centrum van de waarheid van het zijn, resp. van de openbaring als oorsprong van
zin, verleggen naar een op zich wel rechtmatig, maar toch particulier element
dat dan tot centrum en criterium van het geheel gemaakt wordt. Dat geldt bij
voorbeeld ook voor de radicale feministische theologie. Daarin zijn namelijk
niet meer de getuigenissen van de openbaring de grondslag en de norm voor de
aandacht voor de waardigheid van de vrouw. Het is legitiem en belangrijk op deze
laatste te wijzen. In een radicale feministische theologie wordt daarentegen
veeleer een bepaalde visie van emancipatie tot de uitsluitende en uiteindelijk
geldende hermeneutische sleutel voor de interpretatie van de heilige Schrift en
de traditie.
De vraag naar de interpretatie van het dogma plaatst ons voor de fundamentele
vragen van de theologie. Op de achtergrond staat uiteindelijk de vraag naar de
theologische visie op de waarheid en de werkelijkheid. Ook in theologische zin
wordt deze vraag toegespitst op de verhouding tussen de universele en blijvend
geldige waarheid enerzijds en de historiciteit van de dogma’s anderzijds.
Concreet gaat het daarbij om de vraag hoe de Kerk haar verplichtende geloofsleer
tegenwoordig zó kan overdragen, dat uit de herinnering aan de traditie hoop
ontstaat voor de tegenwoordige tijd en voor de toekomst. Ten aanzien van de
verschillende sociaal-culturele situaties waarin de Kerk tegenwoordig leeft,
gaat het bovendien om de vraag naar de eenheid en de pluraliteit bij de
dogmatische uitleg van de waarheid en de werkelijkheid van de openbaring.
B. THEOLOGISCHE GRONDSLAGEN
I. Bijbelse grondslagen
1. Traditie en interpretatie in de Schrift. De in de heilige Schrift
vervatte openbaring kwam tot stand door woord en daad in de geschiedenis van God
met de mensen. Het Oude Testament is een proces van voortdurende
herinterpretatie en van aanhoudende relecture. Het krijgt pas in Jezus Christus
zijn eschatologisch-definitieve interpretatie. Voorbereid in het Oude Testament
krijgt de openbaring immers haar vervulling in de volheid van de tijd, d.w.z. in
Jezus Christus (vgl. Heb. 1,1-3 ; Gal. 4,4 ; Ef. 1,10 ;
Mar. 1,15). Als mensgeworden Woord van God is Jezus de exegeet van de Vader
(vgl. Joh. 1,14.18), de waarheid in persoon (vgl. Joh. 14,6), Hij
is in zijn hele bestaan door woorden en tekenen, vooral door zijn dood,
verrijzenis en verheffing en door de zending van de Geest der waarheid (vgl.
Joh. 14,17) de volheid van genade en waarheid (vgl. Joh. 1,14) (vgl. DV
4).
De waarheid die in Jezus Christus eens voor altijd openbaar is, kan alleen in
het geloof dat een geschenk van de heilige Geest is, gekend en aanvaard worden.
Dit geloof is, zoals de Schrift zegt, de persoonlijke overgave van de mens aan
de Zich openbarende God (vgl. DV 5). Het geloof houdt in dat men instemt
met de woorden en daden van de openbaring en ze belijdt. Dat geldt vooral voor
Jezus Christus en het door Hem geschonken nieuwe leven. Het is daarom een
handeling (fides qua) en tevens een inhoud (fides quae creditur). Het is „een
vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van
onzichtbare dingen” (Heb. 11,1).
In de Kerk wordt het eens voor altijd door de apostelen overgeleverde geloof als
depositum fidei (vgl. 1 Tim. 6,20 ; 2 Tim. 1,14) getrouw bewaard.
Zij is het door de heilige Geest vervulde lichaam van Christus en heeft van
Jezus Christus de belofte ontvangen, dat de heilige Geest haar zal brengen tot
de volle waarheid (vgl. Joh. 16,13). Zo is aan de Kerk als het volk van God
onderweg het „Evangelie van de waarheid’’ toevertrouwd (vgl. Ef. 1,13).
Zij dient door haar leven, haar belijdenis en haar liturgische vieringen voor de
wereld getuigenis af te leggen van het geloof. Zij kan zelf als „pijler en
grondslag van de waarheid” aangeduid worden (1 Tim. 3,15). Nu kennen wij
uiteraard de waarheid nog slechts als in een spiegel en in contouren, maar
eschatologisch zullen wij God zien van aangezicht tot aangezicht zoals Hij is (1
Kor. 13,12 ; 1 Joh. 3,2). Zo staat onze kennis van de waarheid ook in
de polariteit tussen het „reeds” en „nog niet”.
2. Perspectieven van de hermeneutiek in de Schrift. De manier van uitleg
volgt uit het wezen van de bijbelse boodschap zelf. De waarheid van de
openbaring die door de heilige Schrift wordt overgeleverd, is Gods historische
waarheid van trouw (emeth). Uiteindelijk is zij de zelfmededeling van de Vader
door Jezus Christus, opdat zij in de heilige Geest bestendig aanwezig zou zijn.
Zij wordt door woorden alsook door daden en door het hele leven van de Kerk
uitgedragen. Voor een christen is daarbij Jezus Christus het ene Woord te
midden van de vele woorden. Vanuit Hem en naar Hem toe moeten alle uitspraken
van het Oude en Nieuwe Testament gezien worden in hun innerlijke eenheid. Daarom
dienen christenen het Oude Testament vanuit zijn nieuwtestamentische vervulling
uit te leggen en het Nieuwe Testament op zijn beurt te zien vanuit de
oudtestamentische belofte.
Zowel het Oude als het Nieuwe Testament moeten uitgelegd en geactualiseerd
worden in de heilige Geest die in de Kerk tegenwoordig is. Jeder dient zijn
genadegave volgens „de bijzondere genade die ieder van ons is geschonken” tot
opbouw van het lichaam van Christus, de Kerk, bij te dragen (Rom. 12,4-8
; 1 Kor. 12,4 e.v.). Daarom waarschuwt al 2 Petr. 1,20 voor een
eigenmachtige uitteg van de Schrift.
De geopenbaarde waarheid wil haar stempel zetten op het leven van de mensen die
haar aanvaarden. Volgens Paulus moet de indicatief van het zijn in Christus en
in de Geest uitgroeien tot een imperatief om nu ook volgens het nieuwe leven te
handelen. Het is daarom van belang in de waarheid te blijven en er niet slechts
een steeds betere kennis van te verkrijgen, maar haar ook telkens dieper in het
leven te betrekken en ernaar te handel (Joh. 3,21). De waarheid blijkt dan
absoluut betrouwbaar te zijn als het dragend fundament voor het menselijk
bestaan. Vooral zijn de liturgie en ook het gebed belangrijke hermeneutische
milieus voor de kennis en overdracht van de waarheid.
3. Bijbelse belijdenisformules. Wat zojuist gezegd werd, geldt niet op de
laatste plaats voor de homologieën, belijdenis- en geloofsformules, die men al
in de vroegste lagen van het Nieuwe Testament aantreft. Zij belijden o.a. Jezus
ais de Christus (Mat. 16,16 par.), als de Kyrios (Rom. 10,9 ; 1
Kor. 12,3 ; Fil. 2,11) en als de Zoon van God (Mat. 16,16 ; 14,33 ;
Joh. 1,34.49 ; 1 Joh. 4,15 ; 5,5 e.a.). Zij getuigen van het
geloof in de dood en verrijzenis van Jezus (1 Kor. 15,3-5 ; 1 Tess.
4,14 ; Rom. 8,34 ; 14,9 e.a.), zijn zending en geboorte (Gal.
4,4), zijn overgave (Rom. 4,25 ; 8,32 ; Gal. 2,20 e.a.) en zijn
wederkomst (1 Tess. 1,10 ; Fil. 3,20 e.v.). In hymnen wordt Jezus’
godheid, zijn menswording en zijn verheffing geprezen (Fil. 2,6-11;
Kol. 1,15-20; 1 Tim. 3,16 ; Joh. 1,1-18). Daarin komt tot
uitdrukking dat het geloof van de nieuwtestamentische gemeenten niet berust op
het particulier getuigenis van enkelingen, maar op de gezamenlijke, voor allen
verplichtende en openbare belijdenis.
Deze belijdenis treffen we in het Nieuwe Testament uiteraard niet in een
monotone uniformiteit aan. De ene waarheid komt veeleer in een grote pluriforme
rijkdom tot uitdrukking. In het Nieuwe Testament .bestaan ook al formules die
getuigen van een voortschrijdend inzicht in de waarheid. Daarbij kunnen de
beleden waarheden elkaar eerder aanvullen en verdiepen, echter nooit
tegenspreken. Altijd gaat het om het ene heilsmysterie van God in Jezus
Christus, dat in veelvuldige vormen en onder verschillende aspecten tot
uitdrukking komt.
II. Uitspraken en praktijk van het kerkelijk leergezag
1. Magisteiële uitspaken over de interptretatie van het dogma. De
historische weg van Nicea (325) naar Consiantinopel I (381), van Efeze (431)
naar Chdcedon (451), Consiantinopel II (553) en de volgende oud-kerkelijke
concilies toont dat de dogmageschiedenis een proces van voortdurende en levende
uitleg van de traditie is. Het Tweede Concilie van Nicea. (787) vatte de
eensluidende leer van de vaders samen, volgens welke het Evangelie in de door de
heilige Geest gedragen traditie (paradosis) van de catholica Ecclesia wordt
doorgegeven (vgl. DS 600 ; 602 ; 609).
Het Concilie van Trente (1545-1563) verdedigde deze leef. Het waarschuwde voor
een particuliere uitleg van de Schrift en voegde eraan toe dat het aan de Kerk
toekomt over de ware zin van de Schrift en haar interpretatie te oordelen (vgl
DS 1501 ; 1507). Het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) herhaalde de leer van
Trente (vgl. DS 3007). Het erkende bovendien een ontwikkeling van het dogma,
voorzover deze in dezelfde zin en im dezelfde inhoud plaatsvindt (eodem sensu
eademcjue sententia). Zo leerde het concilie dat bij de dogma’s de zin die
eenmaal door de Kerk is vastgelegd, blijvend vastgehouden dient te worden.
Daarom veroordeelde het concilie iedereen die: daarvan afwijkt onder de schijn
en in naam van een hoger mzicht, een zogenaamde diepere interpretatie van
dogmatische formuleringen of van een vooruitgang in de wetenschap (vgl. DS 3020
; 3043). Deze eigenschap van de geloofsuitspraken dat zij nooit ongedaan gemaakt
kunnen worden; en niet-hervormbaar zijn, wordt bedoeld met; de door de heilige
Geest geleide onfeilbaarheid van de Kerk en vooral van:de paus in zaken van
geloof en zeden (vgl. DS 3074). Dat steunt op het feit dat de Kerk in de heilige
Geest deelt in de waarachtigheid en waarheid van God (qui nec falli nec fallere
potest) (vgl DS 3008).
Tegenover het zuiver symbolische en pragmatische: begrip van het dogina bij de
modernisten heeft het kerkelijk leergezag deze leer verdedigd (vgl. DS
3401-3408; 3420-3426 ; 3458-3466; 3483), Paus Piua XII waarschuwde in de
encycliek „Humani generis” (1950) nogmaals tegen een dogmatisch relativisme, dat
afwijkt van de traditionele kericelijke manier van spreken om de geloosinhoud te
verwoorden in een historisch wisselende terminologie (vgl. DS 3881-3883).
Eveneens waarschuwde paus Paulus VI in de encycliek „Mysterium fidei” (1965) dat
men aan de exacte en vastgelegde uitdrukkingswijze moest vasthouden.
2. De leer van het Tweede Vaticaans Concilie. Het Tweede Vaticaans
Concilie heeft db voorafgaande leer van de Kerk in een omvattende samenhang
gebracht en daarbij ook de historische dimensie vaa het dogma tot haar gelding
laten komen. Het leerde dat het volk van God aandeel heeft in het profetische
ambt van Christus (vgl. LG 12) en dat er onder de bijstand van de heilige
Geest in de Kerk een vooruitgang in het begrip van de apostolische overlevering
optreedt (vgl. DV 8). Het concilie hield eraan vast dat binnen de allen
gemeenschappelijke zending en verantwoordelijkheid er een authentiek leergezag
is dat alleen aan de bisschoppen toekomt (vgl. DV 8 ; 10); ook bevestigde
het opnieuw de leer over de onfeilbaarheid van de Kerk (LG 25). Het
concilie ziet de bisschoppen echter op de eerste plaats als verkondigers van het
Evangelie en brengt hun dienst als leraren in verband met de dienst der
verkondiging (vgl. LG 25 ; CD 12-15). Dit accent op het pastorale
karakter van het leergezag richtte de aandacht op het verschil tussen de
onveranderlijke geloofsgegevens, resp. de geloofswaarheden en de manier waarop
zij in taal worden uitgedrukt. Dat betekent dat de leer van de Kerk - uiteraard
in dezelfde zin en dezelfde inhoud - overgedragen dient te worden in een levende
wijze die ook voldoet aan de vereisten van de tijd (vgl. GS 62 ;
Johannes XXIII, in : AAS 54 [1962], 792).
De verklaring „Mysterium ecclesiae” (1973) sloot bij dit onderscheid aan en
heeft dit verder uitgewerkt. Ze wijst erop dat het niet misverstaan mag worden
als dogmatisch relativisme. Dogma’s zijn weliswaar in die zin historisch dat hun
betekenis „ten dele afhankelijk is van de zeggingskracht van de taal die
in een bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden wordt gebruikt”. Latere
uitspraken bewaren en bevestigen de vroegere, verhelderen ze echter ook en maken
ze - meestal in confrontatie met nieuwe vraagstukken of met dwalingen - levend
en vruchtbaar binnen de Kerk. Dat betekent echter niet dat men de onfeilbaarheid
mag reduceren tot een principieel blijven in de waarheid. De dogmatische
formuleringen duiden de waarheid niet slechts onbepaald, niet-veranderlijk en
slechts approximatief aan en al helemaal niet veranderen of verdraaien zij deze.
Wat beoogd wordt is de waarheid vast te houden in een bepaalde gestalte.
Doorslaggevend is daarbij de historische zin van de dogmatische formuleringen
(vgl. Nr. 5). Onlangs heeft Paus Johannes Paulus II in de apostolische brief
„Ecclesia Dei” (1988) het op deze wijze verstaan van een levende traditie
nogmaals bekrachtigd. De verhouding tussen de formulering en de inhoud van het
dogma dient echter nog verder verhelderd te worden (vgl. daarvoor C III, 3).
3. Theologische kwalificaties. Uit het levend karakter van de traditie
volgt een grote pluriformiteit aan magisteriële uitspraken met verschillend
belang en met een verschillende graad van verplichting. Voor een juiste
inschaling en interpretatie is in de theologie de leer over de theologische
kwalificaties ontwikkeld. Ten dele werd zij ook door het leergezag overgenomen.
Helaas is zij de laatste tijd enigszins,in vergetelheid geraakt. Zij is echter
dienstig voor de interpretatie van het dogma en zou daarom vernieuwd en verder
ontwikkeld dienen te worden.
Volgens de leer van de Kerk geldt dat men slechts datgene, maar ook al datgene
„met goddelijk en katholiek geloof moet geloven, wat in het geschreven of
overgeleverde Woord van God vervat is en door de Kerk in een plechtige
beslissing of door het gewone en algemene leergezag als door God geopenbaard,
wordt voorgelegd om te geloven” (DS 3011). Daartoe behoren zowel
geloofswaarheden (in engere zin van het woord) alsook de zedelijke waarheden die
in de openbaring hun neerslag hebben gevonden (vgl. DS 1501 ; 3074 : fides et
mores ; LG 25 : fides credanda et moribus applicanda).
Natuurlijke waarheden en natuurlijke zedenleer kunnen middellijk tot de
verplichtende leer van de Kerk behoren, als zij in een noodzakelijke innerlijke
samenhang met geloofswaarheden staan (vgl. LG 25 : tantum patet quantum
divinae Revelationis patet depositum, sancte custodiendum et fideliter
exponendum ; [Deze onfeilbaarheid strekt zich zo ver uit als nodig
is om het pand van de goddelijke openbaring heilig te bewaren en getrouw
uit te leggen]). Het Tweede Vaticaans Concilie onderscheidt evenwel duidelijk
tussen de geloofsleer en de principes van de natuurlijke zedelijke ordening,
doordat het bij de eerstgenoemde spreekt over „verkondigen” en „authentiek
onderwijzen”, maar bij de laatstgenoemde over „gezagvol verklaren” en
„bevestigen” (DH 14).
Omdat het geloof een levend geheel is, kan de instemming van de gelovigen niet
beperkt blijven tot de formeel gedefinieerde openbarings-waarheden. Ook andere
magisteriële uitspraken die geen bindende definitie vormen en die van de paus,
van zijn Congregatie voor het geloof of van de bisschoppen afkomstig zijn,
dienen met gradaties in godsdienstige gehoorzaamheid (religiosum obsequium)
aanvaard te worden. Zulke uitspraken behoren tot het authentiek leergezag, als
daarin de bedoeling tot uitdrukking komt om te onderrichten, een intentie die
„uit de aard van de documenten, ofwel uit het herhaalde voordragen van dezelfde
leer, ofwel uit de manier van spreken” vooral zichtbaar wordt (LG 25 ;
vgl. DS 3044 e.v.). De nauwkeurige betekenis van deze uitspraak van het concilie
moet nog verder theologisch verhelderd worden. Het zou vooral wenselijk zijn dat
het kerkelijk leergezag telkens zelf de verschillende vormen en graden van
verplichting bij zijn uitspraken aangeeft om te voorkomen dat zijn gezag door
onnodig gebruik zijn kracht verliest.
4. De praktijk van het leergezag. In de praktijk zocht het kerkelijk lee
gezag aansluiting bij het pastoraal karakter van zijn taak. Deze taak authentiek
te getuigen van de waarheid van Jezus Christus staat binnen het omvattender
kader van de zielzorg. Het gaat overeenkomstig zijn pastorale wezen met
voorzichtigheid en terughoudendheid in op nieuw opgekomen maatschappelijke,
politieke en kerkelijke ontwikkelingen en problemen.
In de afgelopen eeuwen kan men van de kant van het kerkelijk leergezag een
interpretatie van reeds bestaande uitspraken ten aanzien van nieuwe
ontwikkelingen steeds dan vaststellen, wanneer de verschillende factoren en
stromingen die in een complexe situatie meespelen, voldoende onderkend en
geanalyseerd zijn. Dat blijkt uit de positie die het ingenomen heeft ten
opzichte van sociale vraagstukken, in de verhouding tot de resultaten van de
moderne natuurwetenschappen, tegenover de mensenrechten, vooral tegenover de
godsdienstvrijheid, tegenover de historischkiitische methode, de oecumenische
beweging, de waardering van de oosterse Kerken, sommige fundamentele
overtuigingen van de reformatoren, e.a.
In een veelzijdig gestructureerde samenleving en binnen een Kerk die een
gedifferentieerde gestalte aanneemt, vervult het leergezag zijn pastorale dienst
in toenemende mate in overleg. Binnen deze situatie kan het erfgoed van de
geloofsoverdracht slechts dan vruchtbaar worden doorgegeven, als het leergezag
evenals de overige dragers van pastorale en theologische verantwoordelijkheid
bereid zijn tot een samenwerking en overleg, vooral bij de voorbereiding van
definitieve positiebepalingen van het leergezag. Ten overstaan van het
wetenschappelijk en technisch onderzoek uit de meest recente tijd lijkt het
dienistig niet te snel bepaalde dingen vast te leggen en de voorkeur te geven
aan richtingwijzende en genuanceerde beslissingen.
III. Fundamentele systematisch-theologische bezinning
1. Het dogma binnen de traditie van de Kerk. De fundamentele uitspraak
van het christelijk geloof bestaat in de belijdenis dat de Logos, die Zich
anticiperend en fragmentarisch manifesteert in de hele werkelijkheid, in het
Oude Testament op concrete wijze beloofd werd en in Jezus Christus in zijn hele
volheid in een historisch-concrete gestalte verschenen is (vgl. Joh. 1,3
e.v. ; 14). In de volheid van de tijd woont de godheid in heel haar volheid
lijfelijk in Jezus Christus (vgl. Kol. 2,9). In Hem zijn alle schatten
van wijsheid en kennis geborgen (vgl. Kol. 2,3). Hij is in zijn persoon
de weg, de waarheid en het leven (vgl. Joh. 14,6).
De tegenwoordigheid van de Eeuwige in een concreet historische gestalte behoort
daarom tot de wezenlijke structuur van het christelijk heilsmysterie. In Hem
wordt de onbepaalde openheid van de mens van Godswege concreet bepaald. Deze
concrete, onmiskenbare keuze en beslistheid moet ook richtingwijzend zijn voor
de belijdenis van Jezus Christus: Het christendom is daarom als het ware in zijn
structuur dogmatisch getekend.
De waarheid van God zou in Jezus Christus niet eschatologisch-definitief in de
geschiedenis zijn binnengetreden, als zij niet in de heilige Geest - die ons
telkens weer opnieuw Jezus in herinnering brengt en ons in de hele waarheid
binnenleidt (vgl. Joh. 14,26 ; 16,13) - door de gemeenschap van gelovigen
definitief was aanvaard en openlijk zou worden beleden. In Maria en in haar
onbeperkt en voor de hele mensheid plaatsbekledend uitgesproken ja-woord op Gods
heilswil ziet de Kerk het grote model voor haar eigen ja-woord in het geloof. De
Kerk is in de heilige Geest het Lichaam van Christus waarin en waardoor de
veelvormige wijsheid van God - die in Jezus Christus is verschenen - aan heel de
wereld wordt verkondigd (vgl. Ef. 3,10 e.v. ; Rom. 16,25 e.v. ;
Kol. 1,26 e.v.). In haar traditie (paradosis) schenkt de Vader Zich door de
Logos in de heilige Geest op veelvuldige wijze door woord en daad, door haar
liturgie en haar gebed en door haar hele leven blijvend aan de mensen (vgl.
DV 8). De dogmatische uitspraken zijn slechts één element binnen deze veel
meer omvattende paradosis, d.w.z. het voortdurend doorgeven van leer en leven.
Wij „bezitten” de werkelijkheid en waarheid van Christus slechts door de
traditie van het kerkelijk getuigenis dat door de heilige Geest wordt bezield.
Zonder de Kerk „bezitten” wij geen Christus, geen Evangelie en geen bijbel. Een
ondogmatisch christendom dat zou afzien van de kerkelijke traditie, zou een
vierkante cirkel zijn.
De overgeleverde leer van de Kerk sluit aan bij de openheid, enu universaliteit
die in de menselijke taal, haar beelden en begrippen vervat liggen. Zij geeft
daaraan hun definitieve bestemming, doordat zij deze tevens zuivert en
verandert. Zo komt met de werkelijkheid van de nieuwe schepping een nieuwe taal
overeen waarin alle volkeren elkaar kunnen en, moeten, verstaan en de
eschatologische eenheid van de nieuwe mensheid wordt voorbereid. Dit vindt
plaats, doordat de leer en het leven die overgeleverd zijn, vlees worden in de
symbolen en talen van alle volkeren en hun schatten, gezuiverd en veranderd
worden opgenomen in de oikonomia van het ene heilsmysterie (vgl. Ef.
3,9). In dit historisch proces voegt de Kerk niets nieuws (non nova) toe aan het
Evangelie, maar zij verkondigt de nieuwheid van Christus op een steeds nieuwe
wijze (noviter). Zij haalt telkens weer iets nieuws naar boven dat met het oude
overeenstemt (vgl. DH 1).
De continuïteit binnen dit proces van de levende traditie bestaat uiteindelijk
hierin dat de Kerk het subject van het geloof is, dat ruimte en tijd omvat.
Daarom moet de telkens levende Kerk haar hele voorafgaande geschiedenis van het
geloof in haar door de heilige Geest gedragen gedachtenis bewaren. Op
profetische wijze dient zij die voorafgaande geschiedenis tevens levend en
vruchtbaar te maken ten behoeve van de tegenwoordige tijd en van de toekomst.
2. De leer van de Kerk (dogma’s in ruimere zin). Binnen het
geheet van de kerkelijke traditie verstaat men onder dogma in ruimere zin het
verplichtende en lerarende getuigenis van de Kerk over de in het Oude Testament
beloofde, door Jezus Christus definitief en in haar volheid geopenbaarde en in
de heilige Geest blijvend in de Kerk aanwezige heilswaarheid van God. Dit
onderrichtende element behoort in het Nieuwe Testament blijkbaar van meet af aan
tot de verkondiging van het geloof. Jezus zelf trad op als leraar (rabbi) en
werd als zodanig aangesproken. Hij onderwees zelf en zond zijn leerlingen uit om
te onderwijzen (vgl. Mat. 28,20). De vroege gemeenten hadden eigen
leraren (vgl. Rom. 12,7 ; 1 Kor. 12,28 ; Ef. 4,11). Vooral
met het doopsel schijnt al vroeg een bepaalde vorm van onderricht verbonden te
zijn (Rom. 6,17). In de latere apostolische geschriften treedt het belang
van de leer nog duidelijker naar voren (vgl 1 Tim. 1,10; 2 Tim.
4,2 e.v. ; Tit. 1,9 e.a.).
In de leerstellige uitleg vaa de waarheid van de openbaring wordt getuigenis
afgelegd over Gods Woord in en door een woord van mensen. Daarom deelt hij zowel
in het eschatologische en definitieve karakter van de waarheid die in Jezus
Christus is verschenen, als in de historiciteit en bepetfetheid van elke
menselijke. taal. De leer van de Kerk kan slechts; binnen het geloof juist
begrepen en uitgelegd worden. Daaruit volgt.
— Dogma’s dienen als een verbum rememorativum geïnterpreteerd te worden. Zij
dienen als anamnese en herinnerende interpretatie van de magnalia Dei gezien te
worden, waarover de getuigenissen van de openbaring berichten. Daarom moeten zij
op de Schrift en de traditie betrokken worden en vandaar uit uitgelegd worden.
Zij dienen binnen de grote context van het Oude en Nieuwe Verbond
geïnterpreteerd te worden conform de analogie van het geloof (vgl. DV
12).
— Dogma’s dienen als een verbum demonstrativum gezien te worden. Zij spreken
niet slechts over heilsdaden uit het verleden, maar zij willen het heil hier en
nu werkzaam verkondigen en tegenwoordig stellen. Zij willen licht en leven zijn.
Daarom dienen zij als heilswaarheid geïnterpreteerd te worden en aan de
mensen van elke tijd levend, aansprekelijk en op uitnodigende wijze voorgehouden
te worden.
— Dogma’s dienen als een verbum prognosticum geïnterpreteerd te worden. Als
getuigenissen over de eschatologische waarheid en werkelijkheid van het heil
zijn dogma’s eschatologisch-anticiperende uitspraken. Zij dienen hoop te wekken
en moeten daarom met het oog op het laatste doel en de voltooiing van de mens en
de wereld geïnterpreteerd (vgl. DS 3016) en als doxologie opgevat worden.
3. Dogma’s in engere zin. Het leerstellig getuigenis over de waarheid van
de openbaring kan in verschillende vorm, met verschillende nadruk en graad van
verplichting plaatsvinden (vgl. LG 25). Het dogma in engere zin (een pas
in de loop van de nieuwe tijd volledig ontwikkelde betekenis) is een leerstuk
waarin de Kerk een waarheid van de openbaring op definitieve en
universeel-kerkelijk verplichtende wijze zo verkondigt dat de loochening ervan
als ketterij verworpen en met anathema (uitsluiting) wordt gesanctioneerd. Bij
het dogma in engere zin komen dus een leerstellig en een juridisch, resp.
disciplinair element bij elkaar. Zulke leerstellingen van heilig recht hebben
onmiskenbaar een bijbelse grondslag, vooral in de opdracht tot binden en
ontbinden die door Jezus Christus aan de Kerk werd toevertrouwd en die ook in de
hemel, d.w.z. bij God geldigheid heeft (vgl. Mat. 16,19 ; 18,18). Ook het
anathenia (de uitsluiting) heeft reeds een grondslag in het Nieuwe Testament
(vgl 1 Kor. 16,22 ; Gal. 1,8 e.v. ; vgl. ook 1 Kor. 5, 2-5
; 2 Joh. 10 e.a.).
Deze leerstellige en juridische toespitsing op een enkele formule stemt overeen
met de concreetheid en beslistheid van het christelijk geloof. Toch ligt er ook
het gevaar van een dogmatisch positivisme in besloten alsook dat van een
dogmatisch minimalisme. Om beide gevaren uit te bannen is een dubbele integratie
van de dogma’s noodzakelijk.
— De integratie van alle dogma’s in het geheel van de kerkelijke leer en van het
kerkelijk leven. De Kerk geeft immers „in haar leer, leven en eredienst alles
wat zij zelf is, alles wat zij gelooft en geeft dit door aan alle geslachten” (DV
8). Daarom moeten de dogma’s in de grote context van de leer en het leven
van de Kerk worden geïnterpreteerd.
— De integratie van de afzonderlijke dogma’s in het geheel van alle dogma’s. Zij
kunnen alleen vanuit hun innerlijke samenhang (nexus mysteriorum) (DS 3016) en
vanuit hun omvattende structuur verstaan worden. Daarbij dient men vooral op de
ordening of de „hiërarchie van de waarheden” in de katholieke leer te letten.
Deze volgt uit de verschillende mate waarin een waarheid samenhangt met het
christologische fundament van het christelijk geloof (vgl. UR11).
Ofschoon zonder enige twijfel alle geopenbaarde waarheden met hetzelfde
goddelijk geloof moeten worden aanvaard, verschilt hun betekenis en belang
naargelang zij betrokken zijn op het mysterie van Christus.
4. De theologale betekenis van de dogma’s. De hele openbaring is
uiteindelijk zelfopenbaring en zelfmededeling van God de Vader door de Zoon in
de heilige Geest, opdat wij gemeenschap zouden hebben met Hem (vgl. DV
2). God is daarom het ene en alomvattende voorwerp van het geloof en van de
theologie (Thomas van Aquino). Daarom geldt : „actus credentis non terminatur ad
enuntiabile sed ad rem” (S.Th. II/II, 1,2 ad 2 ; „de geloofsact van de
gelovige vindt zijn eindpunt niet in de zin van de uitspraak, maar in de
werkelijkheid (erdoor aangeduid)”. Daarom geldt ook voor het artikel van het
geloof volgens middeleeuwse traditie : „articulus fidei est perceptio divinae
veritatis tendens in ipsam” (S.Th. II/II, 1,6 s.c.; „een geloofsartikel
is een zekere kennis van de goddelijke waarheid, die naar die waarheid
streeft”). Dat betekent: het artikel van het geloof is een werkelijke en ware
kennis van Gods waarheid ; het is een leerstellige gestalte voor de overdracht,
die de waarheid bevat waarvan de Kerk getuigenis aflegt. Maar juist omdat een
geloofsartikel waar is, wijst het boven zichzelf uit en gaat over naar het
mysterie van Gods waarheid. De interpretatie van het dogma is daarom — evenals
iedere poging het te doorgronden — een weg die loopt van het uiterlijke woord
naar zijn innerlijke betekenis en uiteindelijk naar het ene en eeuwige Woord van
God. De interpretatie van het dogma verloopt daarom ook niet slechts van het éne
woord en van één bepaalde formulering naar een ander ; zij gaat veeleer van de
woorden, beelden en begrippen naar het wezen van de inhoud zelf die daarin
vervat is. Uiteindelijk is daardoor elk geloofsinzicht een vooruitlopen op de
eeuwige aanschouwing van God van aangezicht tot aangezicht. Uit deze theologale
betekenis van de dogma’s volgt.
— Dogma’s dient men evenals elke menselijke uitspraak over God analoog te
verstaan, d.w.z. er bestaat ondanks iedere overeenkomst een groter verschil :
(DS 806). De analogie voorkomt dat men dogma’s en het geloof als objecten en
dingen ziet en dat men dus uiteindelijk het mysterie prijsgeeft. Tevens voorkomt
de analogie een overdreven negatieve theologie, waarin de dogma’s nog slechts
beschouwd worden als loutere formules voor een uiteindelijk ongrijpbaar
blijvende transcendentie. Dan miskent men de historische concreetheid van het
christelijk heilsmysterie.
— Het analoge karakter van de dogma’s dient onderscheiden te wórden van een
verkeerd opgevat symbolisch zicht op het dogma. Dan ziet men het dogma als een
latere objectivering, zij het van een meer oorspronkelijke existentiële
religieuze ervaring, zij het van een bepaalde maatschappelijke of kerkelijke
praxis. Dogma’s dienen veeleer beschouwd te worden als een verplichtende
leerstellige gestalte van Gods heilswaarheid die ons werd toevertrouwd. Zij zijn
de leerstellige gestalte waarvan de inhoud het woord en de waarheid van God zelf
is. Zij dienen daarom primair theologisch uitgelegd te worden.
— De theologische uitleg van de dogma’s is volgens de leer van de vaders geen
puur intellectueel proces, maar wordt ten diepste geestelijk, d.w.z. door de
Geest van de waarheid bezield en geleid, hetgeen niet zonder zuivering van de
ogen van het hart mogelijk is. Zo’n uitleg veronderstelt het licht van het
geloof dat door God geschonken wordt en eeir door de heilige Geest bewolkte
deelneming aan en geestelijke ervaring met de werkelijkheid van het geloof. In
deze diepere betekenis is de interpretatie van het dogma vooral een probleem op
het vlak van de theorie en de praxis. Zijt is immers onlosmakelijk verbonden met
het leven binnen en uit der gemeenschap met Jezus Christus in de Kerk.
C. CRITERIA VOOR DE INTERPRETATIE
I. Dogma en heilige Schrift
1. De principiële betekenis van de heilige Schrift. De geschriften van
het Oude en Nieuwe Testament zijn onder inspiratie van de heilige Geest
geschreven, opdat zij dienstig zouden zijn ter onderrichting, wederlegging,
verbetering en opvoeding in een rechtschapen leven (vgl.. 2 Tim. 3,16).
Deze geschriften werden samengevat in de canon. De Kerk heeft met haar leergezag
in deze canon het apostolische geloofsgetuigenis de authentieke en betrouwbare
uitdrukking van bet kerkelijk geloof uit de begintijd erkend en zich altijd
daartoe bekend (vgl. DS 1502-1504; 3006 ; 3029). „De Kerk heeft de goddelijke
geschriften steeds zo vereerd als ook het lichaam: van de Heer. Want zij neemt,
vooral in de heilige liturgie; voortdurend van de tafel van het woord van God en
van het lichaam van Christus het brood des levens en biedt dit aan de
gelovigen aan”. Daarom dient elke kerkelijke verkondiging „door de heilige
Schrift... gevoed en beheerst” te worden (DV 21). De bestudering van de
heilige Schrift moet als het ware de ziel van de theologie en van elke
verkondiging zijn (vgl. DV 24 ; OT 16). Het getuigenis van de
heilige Schrift moet daarom ook uitgangspunt en grondslag: voor de uitleg van;
het dogma zijn.
2. De crisis en de positieve resultaten van de moderne exsegese. Het
conflict tussen de exegese en de dogmatiek is een modern verschijnsel. In de
geest van de Verlichting werden cle methoden en inzichten van de historische
kritiek ook ontwikkeld om gebruikt te worden voor de emandpatie uit het
kerkelijk-dogmatisch gezag. Deze kritiek ging steeds verder. Weldra vormden niet
alleen de Schrift en het dogma partij in dit conflict, maar ook de tekst van de
Schrift zelf werd kritisch „onderzocht” en er werd kritiek uitgeoefend op de
„dogmatische inkleuring” in de Schrift zelf. De verdere ontwikkeling van de
historische kritiek door de sociaal-politieke en psychologische kritiek
onderzocht de tekst op sociaal-politieke tegenstellingen of op verdrongen
psychische gevoelens. Gemeenschappelijk aan al deze verschillende stromingen van
kritiek is dat het dogma van de Kerk en ook de Schrift zelf onder de
verdachtmaking gesteld worden, een oorspronkelijke werkelijkheid te verbergen,
die pas door kritische bevraging kan worden ontsloten.
Men mag uiteraard de positieve bedoeling en het resultaat van de „verlichte”
kritiek op de traditie niet over het hoofd zien. De historische bijbelkritiek
kon namelijk duidelijk: maken, dat de Schrift zelf van de Kerk is ; zij heeft
haar plaats binnen de kerkelijke traditie en de fixering van haar canonieke
grenzen een kerkelijk proces van oordeelsvoring. Zo wees de exegese de weg terug
naar ket dogma en naar de traditie.
De historische kritiek kon vooral niet voorbijgaan aan ket feit dat Jezus zelf
klaarblijkelijk belemaal niet „ondogmatisch” was. Zelfs bij toepassing van de
strengste historische kritiek blijft er een zinnigerwijze niet loockenbare
historiscke kern van de aardse Jezus bestaan. Tot deze kern behoren de
aanspraken die Jezus in zijn optreden en woorden liet gelden ten aanzien van
zijn zending zijn persoon, en zijn relatie tot God, d.w.z. tot zijn ,,Abba”.
Deze aanspraten impliceren de latere, al in ket Nieuwe Testament beginnende
dogmatische ontwikkeling en zij vormen de kern van alle dogmatische uitspraken.
De oorspronkelijke vorm van het dogma is daarom de belijdenis die voor het
Nieuwe Testament centraal is : Jezus Christus is de Zoon van God (Mat.
16,16).
3. De leer van het Tweede Vaticaans Concilie over de interpretatie van de Schrift. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft de positieve bedoeling van de moderne
historiscke kritiek opgenomen. Het leert dat het bij de uitleg van de heilige
Sckrift erom gaat zorgvuldig te onderzoeken ,,wat de gewijde schrijvers
werkelijk hebben bedoeld uit de drukken en wat God door hun woorden heeft willen
bekendmaken”. Om dit te zien moet men de historische situatie alsook de denk-,
spreek- en vertelvormen van de toenmalige tijd kennen. De historisch-kritische
uitleg moet uiteraard dienstbaar zijn en in een theologische en kerkelijke
uitleg opgenomen kunnen worden. „Omdat de heilige Schrift ook in dezelfde Geest
moet worden gelezen en verklaard waarin zij is geschreven”, is het even
onontbeerlijk dat men ,,met niet minder ijver... op de inhoud en de eenkeid van
de gehele Schrift” let (DV 12).
De theologische schrifuitleg moet uitgaan van Jezus Christus als centrum van de
Schrift. Hij is de enige exegeet van de Vader (exegesato : Joh. 1,18).
Van meet af aan verleent Hij aan zijn leerlingen aandeel in deze schriftuitleg,
doordat Hij ken betrekt in zijn manier van leven, kun zijn woorden toevertrouwt
en hen toerust met zijn volmacht en zijn Geest die hen in de hele waarkeid zal
binnenleiden (vgl. Joh. 16,13). In de kracht van deze Geest kebben zij en
hun leerlingen het getuigenis van Jezus opgeschreven en doorgegeven. De uitleg
van ket getuigenis over Jezus is daarom onlosmakelijk verbonden met de
werkzaamheid van zijn Geest in de continuïteit van zijn getuigen (apostolische
successie) en in de geloofszin van het volk van God.
Bij het dogma van de Kerk gaat het dus om de juiste uitleg van de Schrift. Bij
zo’n dogmatisch verplichtende uitleg van de Schrift staat het leergezag niet
boven het Woord van God, veeleer is het eraan dientsbaar (vgl. DV 10).
Het leergezag oordeelt namelijk niet over het Woord van God, maar over de
juistkeid van de interpretatie ervan. Een latere tijd kan niet terugganaan
ackter datgene wat in ket dogma onder bijstand van de heilige Geest als sleutel
ter lezing van de Schrift werd geformuleerd. Dat sluit niet uit dat in een
latere tijd nieuwe gezichtspunten naar voren kunnen komen en dus ook nieuwe
formuleringen gezocht zullen worden. Niet op de laatste plaats wordt het oordeel
van de Kerk in geloofszaken altijd opnieuw toegespitst door de voorbereidende
werkzaamheden van de exegeten en door hun zorgvuldig onderzoek naar de bedoeling
van de heilige Schrift (DV 12).
4. De gerichtheid van de heilige Schrift op Christus als criterium.
Ondanks al het nieuwe van de nieuwe tijd, ondanks de radicaliteit van de
geestelijke, maatschappelijke en culturele omwenteling ten gevolge van de
Verlichting dient men er toch aan vast te houden, dat Christus de definitieve
openbaring van God is en dat geen enkel nieuw heilshistorisch tijdperk dat van
Jezus Christus kan vervangen. Er valt geen ander Evangelie te verwachten. De
tijd tot de wederkomst van Christus blijft constitutief gebonden aan het
heilshistorische moment van destijds (het „eens voor altijd”: ephapax), waarop
Jezus Christus en de over Hem getuigende traditie van de Schrift en van de
kerkelijke overlevering gestalte kregen. Zijn actuele, zij het ook verborgen
heerschappij, is de maatstaf en het oordeel waaraan ook nu vandaag waarheid en
leugen gescheiden worden. Met het oog op Hem komt ook de scheiding tot stand
tussen datgene waarin het de nieuwe methodes van schriftuitleg „werkelijk om
Christus gaat” („Christum treibet”) en datgene wat Hem miskent of zelfs
vertekent.
Veel van datgene wat de historisch-kritische methode of nieuwe methoden
(godsdienstgeschiedenis, structuralisme, semiotiek, sociale geschiedenis,
dieptepsychologie) aan nieuwe visies opleveren, kan ertoe bijdragen dat de
gestalte van Christus duidelijker naar voren komt voor onze hedendaagse tijd.
Toch blijven deze methoden slechts zolang vruchtbaar, als zij worden toegepast
in de gehoorzaamheid van het geloof en geen zelfstandige rol gaan vervullen. De
communio Ecclesia (gemeenschap van de Kerk) blijft het milieu waarin de
schriftuitleg behoed wordt tegen een funeste aanpassing aan de heersende
stromingen van de tijd.
II. Het dogma in de traditie en in de gemeenschap van de Kerk
1. De samenhang van Schrift, traditie en communio van de Kerk. Het éne
Evangelie dat als vervulling van de beloften van het Oude Testament door Jezus
Christus in volheid eens voor altijd is geopenbaard, is blijvend de bron voor
alle heilswaarheid en zedenleer (vgl. DS 1501). Het werd door de apostelen en
hun leerlingen onder bijstand van de heilige Geest door mondelinge prediking,
door voorbeeld en onderrichtingen doorgegeven alsook onder inspiratie van
dezelfde heilige Geest opgeschreven (vgl. DV 7). Zo vormen Schrift en
Traditie samen het éne apostolische erfgoed (Depositum fidei) dat de Kerk
getrouw dient te bewaren (vgl. 1 Tim. 6,20 ; 2 Tim. 1,14). Het
Evangelie is aan de Kerk echter niet slechts in de vorm van aan het papier
toevertrouwde levenloze letters overgeleverd, maar het is door de heilige Geest
in de harten van de gelovigen geschreven (vgl. 2 Kor. 3,3). Daarom is het
door de heilige Geest blijvend in de communio van de Kerk, in haar leer, haar
leven en vooral in haar liturgie aanwezig (vgl. DV 8).
De heilige Schrift, de overlevering en de gemeenschap van de Kerk mag men daarom
niet van elkaar losmaken ; zij vormen één innerlijke eenheid (vgl. DV 9
e.v.; vgl. B I,1 ; C I,2). De diepste reden voor deze eenheid ligt in het feit
dat de Vader zijn Woord en zijn Geest tezamen zendt en overdraagt. De Geest
brengt de heilsgebeurtenissen tot stand, Hij roept en inspireert de profeten die
deze gebeurtenissen voorspellen en uitleggen en Hij verzamelt een volk dat ze in
geloof belijdt en getuigenis ervan aflegt. In de volheid van de tijd bewerkt Hij
de menswording van het eeuwige Woord van God (vgl. Mat. 1,20 ; Luc.
1,35) en door het doopsel bouwt Hij het lichaam van Christus, de Kerk. op (vgl.
1 Kor. 12,13). Hij herinnert haar telkens opnieuw aan het woord, het werk
en de persoon van Jezus Christus en leidt haar binnen in de hele waarheid (vgl.
Joh. 14,26 ; 15,26 ; 16,13 e.v.).
Door de werkzaamheid van de Geest wordt het uiterlijke Woord „geest en leven” in
de gelovigen. Zij zijn door de zalving door God zelf onderricht (vgl. 1 Joh.
2,20.27 ; Joh. 6,45). De Geest verwekt en voedt de sensus fidelium,
d.w.z. die innerlijke fijngevoeligheid waardoor Gods volk onder leiding van het
leergezag bij de verkondiging niet het woord van mensen, maar Gods woord
verneemt, beaamt en standvastig onderhoudt (vgl. LG 12 ; vgl. ook 35).
2. De ene Traditie en de vele tradities. De Traditie (paradosis) is
uiteindelijk de gave van God de Vader zelf door Jezus Christus in de heilige
Geest ten behoeve van een voortdurend nieuwe tegenwoordigheid ervan in de
gemeenschap van de Kerk. De levende overlevering krijgt in de Kerk van meet af
aan velerlei gestalten door afzonderlijke overleveringen (traditiones). Haar
onuitputtelijke rijkdom komt tot uitdrukking in een veelheid van leerformules,
liederen, symbolen, riten, disciplines en instellingen. De traditie toont haar
vruchtbaarheid ook door het feit dat zij in de afzonderlijke plaatselijke kerken
„incultureert” naargelang de aanwezige culturele situatie. Deze veelvormige
tradities zijn orthodox in de mate dat zij getuigenis afleggen van de éne
apostolische traditie en haar doorgeven.
De onderscheiding van de geesten maakt deel uit van dat grotere geheel waarin de
heilige Geest binnenleidt in de hele waarheid (vgl. 1 Kor. 12,10 ; 1
Tess. 5,21 ; 1 Joh. 4,1). Het is stelregel om de van de Heer
ontvangen traditie (vgl. 1 Kor. 11,23) te onderscheiden van de
overleveringen van de mensen (vgl. Mar. 7,8 ; Kol. 2,8). Ook al
kan de apostolische traditie in de Kerk geen wezenlijk bederf ondergaan dank zij
de voortdurende bijstand van de heilige Geest die de Kerk voor ontrouw en afval
bewaart, toch kunnen in de Kerk die als de heilige Kerk tevens de Kerk van
zondaren is, menselijke tradities binnendringen die de apostolische traditie
beknotten of afzonderlijke aspecten buiten alle proporties vergroten, zodat zij
het centrum overschaduwen. Daarom heeft de Kerk ook met betrekking tot haar
tradities steeds behoefte aan zuivering, boete en vernieuwing (vgl. LG
8). De criteria voor zo’n onderscheiding van de geesten volgen uit het wezen van
de Kerk zelf.
— Omdat de éne Geest in de hele geschiedenis van het heil, in de Schrift, in de
traditie en in het hele leven van de Kerk door alle eeuwen heen werkzaam is,
vormt de innerlijke samenhang van de traditie een fundamenteel criterium. Zij
komt voort uit het centrum van de openbaring in Jezus Christus. Jezus Christus
zelf is daarom het punt van eenheid in de overfevering en in haar veelvuldige
gestalten. Hij is hét criterium voor de onderscheiding en voor de interpretatie.
Vanuit dit centrum dienen Schrift en traditie alsook de afzonderlijke tradities
in hun complementaire functie beschouwd en geïnterpreteerd te worden.
— Omdat het geloof eens voor altijd werd overgeleverd (vgl. Jud. 3), is
de Kerk blijvend gebonden aan het apostolische erfgoed. De apostoliciteit is
daarom een wezenlijk criterium. De Kerk moet zich steeds weer vernieuwen door
een levende herinnering aan liaar oorsprong en in het licht van deze oorsprong
ook de dogma’s interpreteren.
— Het éne apostolische geloof dat aan de Kerk als zodanig is toevertruwd, krijgt
gestalte in veelvuldige overleveringen van de plaatselijke Klerken. Een
wezenlijk criterium is de katholiciteit, d.w.z. de overeenstemming binnen de
communio van de Kerk. Een overeenstemming in een geloofsleer die gedurende lange
tijd onweersproken bleef, is een kenmerk voor de apostoliciteit van deze leer.
— De samenhang van de traditie met de communio van de Kerk wordt vooral bij de
viering van de liturgie gemanifesteerd en geactualiseerd. Daarom is de lex
orandi tevens de lex credendi (vgl. DS 246). De liturgie is de levende en
omvattende locus theologicus (theologische vindplaats) van het geloof, niet
slechts in de uiterlijke zin dat liturgische en leerstellige uitspraken elkaar
dienen aan te vullen. De liturgie actualiseert juist het „misterie van het geloof”. De gemeenschap bij het eucharistische lichaam van
Christus dient tot opbouw en groei van het ecclesiale lichaam van de Heer, de
gemeenschap van de Kerk (vgl. 1 Kor. 10,17).
3. De interpretatie van het dogma binnen de communio van de Kerk. De Kerk
is als het ware het sacrament, d.w.z. het milieu, het teken en instrument van de
overlevering (paradosis). Zij verkondigt het Evangelie van het heilswerk van God
(martyria), zij geeft de geloofsbelijdenis aan de dopelingen (vgl. Rom.
6,17), zij belijdt haar geloof bij het breken van het brood en bij het gebed
(vgl. Hand. 2,42) (leiturgia) en zij dient Jezus Christus in de armen,
vervolgden, gevangenen, zieken en stervenden (vgl. Mat. 25) (diakonia).
De dogma’s brengen dezelfde gelovige overtuiging op leerstellige wijze tot
uitdrukking. Zij mogen daarom niet van de context van het kerkelijk leven
geïsoleerd en als zuiver begrippelijke formuleringen geïnterpreteerd worden. De
betekenis van de dogma’s en de interpretatie ervan is veeleer soteriologisch
gericht : zij dienen de gemeenschap van de Kerk te beschermen tegen dwaling, zij
dienen de wonden van de dwaling te genezen en moeten dienstbaar zijn aan de
groei in een levend geloof.
De dienst aan de paradosis en haar interpretatie is toevertrouwd aan de Kerk als
geheel. Binnen de Kerk behoort het tot de verantwoordelijkheid van de
bisschoppen als opvolgers van de apostelen (vgl. LG 19) de overlevering
van het gelooof authentiek te interpreteren (vgl. DV 10). Zij kunnen in
gemeenschap met de bisschop van Rome aan wie de dienst aan de eenheid in
bijzondere wijze is toevertrouwd, op collegiale manier dogma’s definiëren en
authentiek interpreteren. Dit kan plaatsvinden zowel door de gemeenschap van de
bisschoppen samen met de paus als door de paus alléén als hoofd van het college
van bisschoppen (vgl. LG 25).
Binnen de Kerk komt aan getuigen en leraren die in gemeenschap met de
bisschoppen staan, de taak toe het dogma te interpreteren. Van bijzonder belang
is het eensluidend getuigenis van de kerkvaders (unanimis consensus patrum)
(vgl. DS 1507 ; 3007), het getuigenis van de martelaren ter wille van het geloof
en van andere door de Kerk erkende (gecanoniseerde) heiligen, vooral van heilige
kerkleraren.
4. Ten dienste van de consensus fidelium. Een wezenlijk criterium voor de
onderscheiding van de geesten is de opbouw van de eenheid in het lichaam van
Christus (vgl. 1 Kor. 12, 5-11). Daarom blijkt de werkzaamheid van de
heilige Geest in de Kerk ook uit de wederzijdse receptie (aanvaarding). De
heilige Schrift en de traditie tonen hun betekenis vooral, als zij in de
liturgie gerealiseerd en geactualiseerd worden. Zij zijn ten volle opgenomen
door de gemeenschap van de Kerk, als zij binnen de „mysteries van het geloof”
gevierd worden.
De interpretatie van het dogma is een vorm van dienstbaarheid aan de consensus
fidelium (overeenstemming van de gelovigen), doordat het volk van God „van de
bisschoppen tot aan de laatste gelovige leek” (Augustinus) zijn algemene
overeenstemming in zaken van geloof en zeden tot uitdrukking brengt (vgl. LG
12). De dogma’s en de interpretatie van het dogma dienen deze consensus fidelium
te versterken bij de belijdenis van datgene wat wij van meet af aan gehoord
hebben (vgl. 1 Joh. 2, 7.24).
III. Het dogma en de hedendaagse interpretatie
1. De noodzaak van een hedendaagse interpretatie. De levende traditie van
Gods volk dat door de geschiedenis pelgrimeert, is niet op een bepaald
punt in de geschiedenis afgesloten. Ze dringt binnen in de tegenwoordige tijd en
gaat door naar de toekomst. De definitie van een dogma is daarom nooit slechts
het eindpunt van een ontwikkeling, maar altijd ook een nieuw begin. Door de
dogmatisering wordt een waarheid van het geloof definitief opgenomen in de
voortschrijdende paradosis. Op de definitie volgt de receptie, d.w.z. de levende
toeëigening van een dogma in het hele leven van de Kerk en het diepere
doordringen in de waarheid die erdoor geleerd wordt. Het dogma dient immers geen
levenloos stukje herinnering uit vervlogen tijden te zijn, maar het dient
vruchtbaar te worden in het leven van de Kerk. Daarom mag een dogma niet slechts
in zijn negatief afbakenende betekenis gezien worden. Het moet uitgelegd worden
overeenkomstig zijn positieve betekenis volgens welke het de waarheid onthult.
Bij zo’n hedendaagse interpretatie van het dogma dient men rekening te houden
met twee op het eerste gezicht tegenstrijdige principes : de blijvende
geldigheid van de waarheid en de actualiteit van de waarheid. Men mag noch de
traditie verwaarlozen of verraden, noch onder de schijn van trouw nog slechts
een verstarde traditie overleveren. Het is onze taak uit de herinnering van de
traditie hoop te laten ontstaan voor de tegenwoordige tijd en voor de toekomst.
Voor de tegenwoordige tijd kan een leer slechts van belang zijn, voorzover zij
waar is. De blijvende geldigheid van de waarheid en de hedendaagse actualiteit
zijn dus van elkaar afhankelijk. Alleen de waarheid maakt vrij (vgl. Joh.
8,32).
2. De voornaamste principes van de hedendaagse interpretatie. Omdat de
hedendaagse interpretatie van het dogma deel uitmaakt van de voortschrijdende
traditie- en dogmageschiedenis, wordt zij geleid en bepaald door dezelfde
principes die gelden voor de hele geschiedenis.
Dat betekent vooral dat zo’n actualiserende interpretatie geen zuiver
intellectueel, maar ook niet enkel een existentieel of sociologisch proces is.
Zij bestaat ook niet slechts uit een nauwkeurige definitie van afzonderlijke
begrippen, uit logische conclusies of uit loutere herformuleringen of nieuwe
verwoordingen. Zij wordt begonnen, gedragen en geleid door de werkzaamheid van
de heilige Geest binnen de Kerk en in de harten van de afzonderlijke christenen.
Zij vindt plaats in het licht van het geloof en zij wordt geleid door de
charisma’s en door het getuigenis van de heiligen, die Gods Geest aan de Kerk in
een bepaald tijdperk schenkt. In dit kader hoort ook het profetisch getuigenis
van geestelijke bewegingen en het uit geestelijke ervaring voortkomende
innerlijke inzicht van leken die vervuld zijn van Gods Geest (vgl. DV 8).
Evenals de hele paradosis van de Kerk vindt ook de actualiserende interpretatie
van het dogma plaats binnen en door het gehele leven van de Kerk. Dat gebeurt in
de verkondiging en de catechese, in de viering van de liturgie, in het
gebedsleven, in de diakonie, in het alledaagse getuigenis van de christenen en
ook in de juridisch-dïsciplinaire ordening van de Kerk. Het profetische
getuigenis van afzonderlijke christenen of groepen moet gemeten worden aan het
criterium, of en in welke mate het in gemeenschap staat met het leven van de
hele Kerk, resp. daardoor in een eventueel langduriger, soms pijnlijk proces
opgenomen en aanvaard kan worden.
Het geloof en het inzicht in het geloof zijn ook ten volle menselijke
handelingen die alle vermogens van de mens, zijn hart, ziel, verstand en kracht
aanspreken (vgl. Mar. 12,30 par.). Het geloof dient voor alle mensen
antwoord (apologie) te geven op de vraag naar de redelijkheid van de hoop
(logos) (vgl. 1 Petr. 3,15). Daarom zijn voor de hedendaagse
interpretatie van het dogma ook de werkzaamheid van de theologie, het historisch
onderzoek van de bronnen en de dialoog met de mens- en cultuur-wetenschappen, de
hermeneutiek en de linguïstiek alsook de filosofie van groot belang. Zij kunnen
het getuigenis van de Kerk stimuleren en voorbereidend werkzaam zijn om het voor
de Kerk te vergemakkelijken dit getuigenis voor het forum van de rede te
vertolken. Daarbij staan zij uiteraard op de grondslag en onder de norm van de
verkondiging, de leer en het leven van de Kerk.
3. De blijvende geldigheid van dogmatische formuleringen. De vraag naar
de eigentijdse interpretatie wordt toegespitst op het probleem van de blijvende
geldigheid van dogmatische formuleringen (vgl. Internationale Theologische
Commissie, 1972, in : Commissio Theologica Internationalis, Documenta
1969-1985, Libreria Editrice Vaticana, Città del Vaticano 1988, 36). Evident
moet men de blijvend geldige inhoud van de dogma’s onderscheiden van de wijze
van hun formulering. Het Christus-mysterie gaat de mogelijkheden van
formuleringen in elk historisch tijdperk te boven en is daardoor onttrokken aan
iedere afsluitende systematisering (vgl. Ef. 3,8-10) (vgl. a.w.,
32). In contact met de verschillende culturen en met de veranderende tekenen van
de tijd laat de heilige Geest het éne Christusmysterie telkens weer in zijn
nieuwheid tegenwoordig komen.
Toch kan men de inhoud en de vorm van de formulering niet nauwkeurig van elkaar
losmaken. Het symboolsysteem van de taal is niet slechts een uiterlijke
bekleding, maar in zekere zin de incarnatie van een waarheid. Dat geldt tegen de
achtergrond van de incarnatie van het eeuwige Woord vooral voor de
geloofsverkondiging van de Kerk. Zij neemt een essentieel concrete,
formuleerbare vorm aan, die als reëel-symbolische uitdrukking van de
geloofsinhoud bevat en actualiseert wat zij aanduidt. Haar beelden en begrippen
kan men daarom niet willekeurig door andere vervangen.
De bestudering van de dogmageschiedenis maakt duidelijk dat de Kerk in de
dogma’s niet gewoonweg een al bestaande stelsel van begrippen heeft opgenomen.
Zij heeft veeleer bestaande begrippen die meestal stamden uit de voorname
omgangstaal, onderworpen aan een proces van zuivering, omvorming en vernieuwing.
Zo heeft zij gezorgd voor een taal die aangepast is aan de boodschap. Men kan
hier bij voorbeeld denken aan het verschil tussen wezen (resp. natuur) en
hypostase en aan de ontwikkeling van het persoonsbegrip dat als zodanig niet in
de Griekse filosofie voorkwam, maar het resultaat was van de reflectie op de
werkelijkheid van het christelijke heilsmysterie en de bijbelse taal.
De dogmatische taal van de Kerk is daarom ten dele weliswaar in uitwisseling met
bepaalde filosofische systemen ontstaan, maar beslist niet gebonden aan een
bepaald filosofisch systeem. In een proces van verwoording van het geloof heeft
de Kerk haar eigen taal geschapen en daarin de realiteiten vertolkt die voorheen
niet verwoordbaar waren en die nu juist door deze vertolking tot de paradosis
van de Kerk en daardoor ook tot het historische erfgoed van de mensheid behoren.
Als gemeenschap van het geloof is de Kerk een gemeenschap in het woord van de
belijdenis. Daarm behoort tot de eenheid van de Kerk in diachroon en synchroon
opzicht ook de eenheid in de fundamentele woorden van het geloof. Men kan ze
niet achter zich laten, omdat men anders de daarin vertolkte „inhoud” uit het
oog verliest. Wel dient men deze woorden in een veelheid van
verkondigingsmogelijkheden telkens opnieuw terug te halen en te proberen ze
breder en nader uit te leggen. Vooral de inculturatie van het christendom in
andere culturen kan daartoe een aanleiding en een verplichting zijn. Toch blijft
de waarheid van de openbaring altijd dezelfde, „niet alleen in haar inhoudelijke
substantie, maar ook in haar fundamentele taalkundige formuleringen” (a.w.,
37).
4. Criteria voor de hedendaagse interpretatie. Voor dit proces van de
paradosis die doorgaat tot in onze tijd, gelden alle criteria die al in de
voorafgaande hoofdstukken ontwikkeld zijn. Fundamenteel is vooral dat de
„christologische spil” bewaard wordt, zodat Jezus Christus het uitgangspunt, het
centrum en de maatstaf voor iedere interpretatie blijft. Om dit te garanderen,
is vooral het criterium van de oorsprong, resp. van de apostoliciteit en het
criterium van de gemeenschap (koinonia), resp. van de katholiciteit van belang
(vgl. boven C II,2).
Voor de eigentijdse interpretatie speelt naast de beide reeds behandelde
criteria ook het „antropologische criterium” een belangrijke rol. Daarmee wordt
vanzelfsprekend niet bedoeld dat de mens, bepaalde behoeften, belangen of zelfs
modeverschijnselen de maatstaf voor het geloof en voor de interpretatie van het
dogma kunnen zijn. Dat is al om die reden uitgesloten, omdat de mens
uiteindelijk voor zichzelf een onopgehelderde vraag is, waarop alleen God het
volledige antwoord is (vgl. GS 21). Pas in Jezus Christus wordt het
mysterie helder ; in Hem, de nieuwe mens, heeft God aan de mens ten volle de
mens geopenbaard en hem zijn zeer hoge roeping laten zien (vgl. GS 22).
Daarom is de mens geen maatstaf, maar wel de bestemming voor de uitleg van het
geloof en ook van de dogma’s. Hij is de weg van de Kerk, ook bij de uitleg van
haar dogma’s (vgl. Johannes Paulus II, Redemptor hominis 14).
Het Eerste Vaticaans Concilie leerde al dat een dieper inzicht in de
geloofsmysteries mogelijk is, doordat men ze in analogie met de
natuurlijke kennis beschouwt en ze in relatie brengt met het laatste doel van de
mens (vgl. DS 3016). Het Tweede Vaticaans Concilie spreekt over de „tekenen van
de tijd”, die enerzijds moeten worden geïnterpreteerd vanuit het geloof,
anderzijs ook tot een verdiept inzicht in het overgeleverde geloof kunnen leiden
(vgl. GS 3 e.v.; 10 e.v.; 40 ; 42 e.v.; 44 ; 62 e.a.). Zo wil de Kerk in
het licht van Christus het mysterie van de mens verhelderen en een bijdrage
leveren om een oplossing te vinden voor de meest dringende vragen van de tijd
(vgl. GS 10).
5. Zeven criteria volgens J.H. Newman. Een criteriologie voor de
ontwikkeling van het dogma, die uitgaat bpven de voorafgaande behandeling en
haar aanvult, werd ontwikkeld dpor J.H. Newman. Ze is met enige verandering ook
van toepassing op de interpretatie van het dogma die op de ontwikkeling van het
dogma voortbouwt en haar actualiseert. Newman noemt zeven principes, resp.
criteria.
— Behoud van het genre, d.w.z. van de principiële gestalte, van de proporties en
relaties tussen de delen en aspecten van het geheel. Als de omvattende structuur
blijft bestaan, kan het genre bewaard blijven, ook al veranderen afzonderlijke
begrippen. De omvattende structuur kan echter ook aangetast worden, als de
begrippen hetzelfde blijven, maar binnen een volledig andere context of binnen
een ander coördinatensysteem worden opgenomen.
— Continuïteit van de principes. De verschillende leeruitspraken
vertegenwoordigen telkens dieper, liggende principes, ook al worden die vaak pas
achteraf zichtbaar. Eenzelfde leer kan verschillend geïnterpreteerd worden en
tot tegengestelde conclusies leiden, als men haar losmaakt van het principe dat
haar draagt. De continuïteit van de principes is dus een criterium voor de
onderscheiding tussen enn juiste en een verkeerde ontwikkeling.
— Assimilatievermogen. Een levenskrachtig idee bewijst zijn levenskracht door
het feit dat het in staat is de werkelijkheid te doordringen, andere ideeën te
integreren, het denken te stimuleren en zich te laten ontvouwen zonder zijn
innerlijke eenheid te verliezen. Deze integrerende kracht is een criterium voor
een legitieme ontwikkeling.
— Logische samenhang. De ontwikkeling van het dogma is veel te omvattend om haar
slechts op te vatten als een logisch-consequente uitleg en deductie uit
bestaande premissen. Achteraf moet zij echter logisch consistent blijken te
zijn. Omgekeerd kan men een ontwikkeling beoordelen aan haar consequenties en
aan haar vruchten kan men zien of ze legitiem of illegitiem geweest is.
— Anticipatie op de toekomst. Tendensen die pas later ten volle tot ontwikkeling
komen en hun uitwerking tonen, kunnen soms en ook onduidelijk al tamelijk vroeg
bemerkbaar zijn. Zulke anticipaties zijn een teken dat de latere ontwikkeling
met de oorspronkelijke idee overeenstemt.
— Conserverende uitwerking ten aanzien van het verleden. Een ontwikkeling is
corruptief, als zij de oorspronkelijke leer of vroegere ontwikkelingen
tegenspreekt. Een ware ontwikkeling bewaart en conserveert de voorafgaande
ontwikkelingen en formuleringen.
— Aanhoudende levenskracht. Corruptie leidt tot verval en kan niet lang
standhouden. Aanhoudende levenskracht is daarentegen een criterium voor een
getrouwe ontwikkeling.
6. De betekenis van het leergezag voor de eigentijdse interpretatie. De
in het voorafgaande opgestelde criteria zouden onvolledig zijn, als wij niet
afsluitend zouden herinneren aan de functie van het kerkelijk leergezag, waaraan
de authentieke interpretatie van het geschreven en overgeleverde Woord van God
is toevertrouwd en dat zijn gezagvolle zending uitoefent in naam van Jezus
Christus en onder de bijstand van de heilige Geest (vgl. DV 10). Zijn
taak is niet slechts zogezegd als opperste notaris het proces van interpretatie
in de Kerk afsluitend te legitimeren. Het leergezag dient dit proces ook te
stimuleren, te begeleiden, te sturen en aan dit proces - in de mate dat het tot
een positieve afsluiting komt - door de ambtelijke bevestiging een objectieve en
algemeen-verplichtende autoriteit te verlenen. Zo geeft het aan de afzonderlijke
christen een oriëntatie en zekerheid te midden van het verwarrende pluralisme
van stemmen en te midden van een nooit aflatend theologisch dispuut. Dit kan in
zeer veelzijdige wijze en met verschillende graden van verplichting
plaatsvinden, te beginnen met de alledaagse verkondiging, de vermaning en
bemoediging tot aan de authentieke of zelfs onfeilbare leerstellige
formuleringen.
„Als de diristelijke leer in een ernstig twijfelachtige wijze of zelfs op een
manier wordt voorgehouden die helemaal niet verenigbaar is met het kerkelijk
geloof, heeft de Kerk het recht de dwaling als zodanig aan te duiden ; zij heeft
dan de plicht de dwaling uit te sluiten en haar zelfs formeel te verwerpen als
laatste middel om het geloof van Gods volk te beschermen”. „Een christendom dat
eenvoudig niet meer zou kunnen zeggen wat het is en wat het niet is of waar zijn
grenzen lopen, zou niets meer te zeggen hebben”. De apostolische functie van het
anathema is ook tegenwoordig het recht van het kerkelijk ambt en het kan tot
zijn plicht worden (Internationale Theologische Commissie, 1972, Commentaar,
in : Die Einheit des Glaubens und der theologische Pluralismus,
Einsiedeln 1973, p. 48 ; 50 e.v.).
Elke interpretatie van het dogma moet dienstbaar zijn aan het ene doel: uit de
letter van het dogma dient „geest en leven” voort te komen in de Kerk en bij de
afzonderlijke gelovige. Zo dient uit de herinnering aan de traditio van de Kerk
in elke tijd opnieuw hoop te ontkiemen. Te midden van de veelheid van
menselijke, culturele, raciale, economische en politieke situaties dient de
eenheid en de katholiciteit van het geloof als teken en instrument voor de
eenheid en de vrede in de wereld versterkt en bevorderd te worden. Het gaat erom
dat de mensen door de kennis van de ene ware God en zijn Zoon Jezus Christus het
eeuwig leven bezitten (Joh. 17,3).
* Dit document van de Internationale Theologische Commissie werd onder leiding
van Mgr. Water Kasper, destijds professor aan de universiteit Tübingen en
momenteel bisschop van het diocees Rottenfeurg-Stuttgart, door een subcommissie
voorbereid. Daartoe behoorden de professoren Ambaum, Colombo, Corbon, Gnilka,
Léonard, Nagy, de Noronha Galvao, Peter, Schönborn en Wilfred. De tekst werd
besproken tijdens de plenaire vergadering van 3 tot 8 oktober 1988 en tijdens de
plenaire vergadering van oktober 1989 met grote meerderheid in forma
specifica goedgekeurd. Volgens de statuten van de Internationale
Theologische Commissie wordt deze tekst hier met instemming van Kardinaal Joseph
Ratzinger, de voorzatter van de commissie, gepubliceerd. Deze vertaling is
gemaakt op basis van de Duitse originele tekst.
|