The Holy See
backup
Search
riga
IOANNES PAULUS PP. II

FIDES ET RATIO
Aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk over de Verhouding Van Geloof en Rede



Inleiding

“Ken Jezelf”

1. Zowel in het Oosten alsook in het Avondland kan men een weg traceren, die in de loop van de eeuwen de mensheid in toenemende mate tot de ontmoeting en het gesprek met de waarheid geleid heeft. Een weg die zich - anders kon het immers niet - binnen de horizon van het zelfbewustzijn van de menselijke persoon heeft ontvouwen; hoe meer de mens de werkelijkheid en de wereld leert kennen, des te beter leert hij zichzelf kennen in zijn onvergelijkelijkheid, terwijl bij hem steeds indringender de vraag naar de betekenis van de dingen en van zijn eigen bestaan opkomt. Alles wat zich als voorwerp van onze kennis voordoet, wordt aldus zelf een deel van ons leven. Op de architraaf van de tempel van Delphi was de vermanende oproep uitgehouwen: “Ken jezelf!” - als getuigenis van een fundamentele waarheid die als minste regel door iedere mens moet worden aangenomen die zich binnen de schepping juist als “mens” wil onderscheiden, doordat hij zichzelf kent. Overigens toont ons een eerste blik op de geschiedenis van de oudheid duidelijk dat in verscheidene streken van de aarde met heel verschillende culturen, op hetzelfde ogenblik dezelfde grondvragen opdoken, die de gang van het menselijke bestaan karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan en waar ga ik heen? Waarom is er het kwade? Wat zal er na dit leven zijn? Deze vragen bevinden zich in de heilige geschriften van Israël, maar ze duiken ook op in de Veda’s en ook in de Avesta; we vinden ze in de geschriften van Confucius en Lao-Tse alsook in de verkondiging van Tirthankara en bij Boeddha. Ze verschijnen ook in de gedichten van Homerus en in de tragedies van Euripides en Sophocles, alsook in de wijsgerige traktaten van Plato en Aristoteles. Het zijn vragen die hun gemeenschappelijke oorsprong hebben in de zoektocht naar zin, die de mens sedert de vroegste tijden in de ziel beroert: van het antwoord op deze vragen hangt inderdaad de richting af die het bestaan zal stempelen.

2. De Kerk is geen vreemdeling op deze zoektocht en kan dat ook helemaal niet zijn. Sinds de Paasdag waarop zij de laatste waarheid over het leven van de mens als geschenk heeft ontvangen, is zij tot pelgrim op de straten van de wereld geworden, om te verkondigen dat Jezus Christus “de Weg, de Waarheid en het Leven” is (Joh 14,6). Onder de verschillende diensten die zij de mensheid aan te bieden heeft, is er een die haar verantwoordelijkheid op heel bijzondere wijze doet blijken: de dienst aan de waarheid.1 Deze zending maakt enerzijds de gelovige gemeenschap tot deelhebster aan het gemeenschappelijke streven dat de mensheid volbrengt om de waarheid te bereiken2; anderzijds legt zij haar de verplichting op, zich te bekommeren om de verkondiging van de verworven zekerheden; dit echter in het besef dat iedere verworven waarheid steeds slechts een etappe is op de weg naar die volledige waarheid, die in de laatste openbaring van God zal worden onthuld: “Thans kijken wij in een spiegel en zien slechts raadselachtige omtrekken: dan echter zien wij van aangezicht tot aangezicht; thans ken ik onvolmaakt, dan echter zal ik door en door kennen”. (1Kor. 13,12).

3. De mens bezit veel mogelijkheden om de vooruitgang in de kennis van de waarheid te bevorderen en zo zijn bestaan steeds menselijker te maken. Daaronder blinkt de filosofie uit, die er onmiddellijk toe bijdraagt de vraag naar de zin van het leven te stellen en het antwoord daarop te ontwerpen; zo vormt zij een van de voornaamste opgaven van de mensheid. Naar haar Griekse afleiding betekent het woord filosofie “liefde voor de wijsheid”. Het ontstaan en de ontwikkeling van de wijsbegeerte valt inderdaad juist in de tijd toen de mens begonnen is, vragen te stellen over oorzaak en doel van de dingen. Ze laat op verschillende wijzen en in diverse vormen zien dat het streven naar de waarheid tot de natuur van de mens hoort. Het is een eigenschap die zijn verstand is aangeboren, naar de betekenis van de dingen te vragen, ook wanneer de in de loop der tijd gegeven antwoorden zich voegen in een perspectief dat duidelijk maakt dat de verschillende culturen waarin de mens leeft, elkaar aanvullen. Het feit dat de wijsbegeerte een sterke invloed had op de vorming en ontwikkeling van de culturen van het Avondland, mag ons niet blind maken voor de invloed die ze op de bestaansvoorstellingen waaruit de Oriënt leeft, heeft uitgeoefend. Ieder volk bezit immers zijn eigen oer-wijsheid die er als echte culturele rijkdom naar streeft, zich ook in puur wijsgerige vormen uit te drukken en tot rijpheid te komen. Hoezeer dat het geval is bewijst de omstandigheid dat een tot in onze dagen aanwezige grondvorm van wijsgerige kennis zelfs aanwijsbaar is in de postulaten die de verschillende nationale en internationale wetgevingen inspireren bij de regeling van het maatschappelijk leven.

4. Er moet echter beklemtoond worden dat hier achter één enkel begrip verschillende betekenissen schuilgaan. Daarom blijkt een verklarende uiteenzetting nodig. Aangespoord door het streven de laatste waarheid over het bestaan te ontdekken, probeert de mens die universele kennis te verwerven, die hem in staat stelt zichzelf beter te begrijpen en vooruit te komen in zijn zelfverwerkelijking. De fundamentele kennis komt voort uit de verbazing die bij hem opkomt door de beschouwing van de schepping; de mens wordt door verbazing gegrepen, zodra hij ontdekt dat hij deel is van de wereld en in betrekking met anderen staat, die op hem lijken en wier lot hij deelt. Hier begint de weg die hem dan zal leiden tot de ontdekking van steeds nieuwe horizonten van kennis. Zonder de verbazing zou de mens vervallen in de monotonie van de herhaling en zeer spoedig zou hij niet meer werkelijk als persoon kunnen bestaan.

Het aan de menselijke geest eigen vermogen tot speculatief denken leidt door zijn wijsgerige werk tot de ontwikkeling van een vorm van streng denken en aldus, door de logische consequentie van de uitspraken en de organische eenheid van hun inhoud, tot de opbouw van een systematische kennis. Dankzij dit proces werden in verschillende culturele omstandigheden en in verschillende perioden resultaten behaald die tot de uitwerking van echte denksystemen hebben geleid. Daardoor was men in de loop van de geschiedenis steeds weer blootgesteld aan de verleiding om één enkele stroming gelijk te stellen met het complete wijsgerige denken. Heel duidelijk treedt in deze gevallen echter een zekere “wijsgerige hoogmoed” op, die er aanspraak op maakt de uit zijn eigen perspectief voortkomende, onvolmaakte visie tot de alomvattende duiding van de werkelijkheid te maken. Feitelijk moet elk filosofisch systeem, ook als het zonder enige instrumentalisering in zijn volheid wordt erkend, voorrang geven aan het wijsgerige denken waaruit het voortkomt en dat het loyaal moet dienen.

Zo is het mogelijk om ondanks de veranderingen van de tijd en de vooruitgang van de kennis een kern van filosofische inzichten te erkennen, die in de geschiedenis van het denken steeds aanwezig zijn. Men denke, om een enkel voorbeeld te noemen, aan de beginselen van de non-contradictie, van de doelgerichtheid, van de oorzakelijkheid en ook aan de opvatting van de persoon als vrij en verstandelijk begaafd subject en aan zijn vermogen om God, de waarheid en het goede te kennen; verder denke men aan enkele morele principes die algemeen gedeeld worden. Deze en andere thema’s geven aan dat er afgezien van de onderscheiden denkrichtingen een geheel van kennis bestaat, waarin men zoiets als een geestelijk erfgoed van de mensheid kan zien; net alsof we ons voor een impliciete wijsbegeerte bevinden, op grond waarvan iedereen zich ervan bewust is, deze beginselen, zij het in onduidelijke, niet doordachte vorm, te bezitten. Deze kennis zou, juist omdat zij op enigerlei wijze door allen gedeeld wordt, een soort referentiepunt van de verschillende wijsgerige scholen moeten zijn. Wanneer de rede in staat is, de eerste en algemene beginselen van het zijn te vatten en te formuleren en daarop op juiste wijze consequente, logische en ethische, conclusies te ontwikkelen, dan mag zij een ‘rechte rede’ of, zoals de antieke denkers haar noemden, orthos logos, recta ratio heten.

5. De Kerk van haar kant moet de inzet van de rede om doelen te bereiken, die het menselijk bestaan steeds waardiger maken, wel erkennen. Want zij ziet in de wijsbegeerte de weg om fundamentele waarheden te leren kennen, die de existentie van de mens betreffen. Tegelijkertijd beschouwt zij de wijsbegeerte als onontbeerlijke hulp om het begrip van het geloof te verdiepen en om de waarheid van het evangelie aan allen die haar nog niet kennen, mee te delen.

Aansluitend aan soortgelijke initiatieven van mijn voorgangers wil ook ik daarom de blik richten op dit bijzondere werk van de rede. Daartoe noopt mij de waarneming, dat vooral in onze tijd het zoeken naar de laatste waarheid vaak vertroebeld blijkt. De moderne wijsbegeerte heeft zonder twijfel de grote verdienste dat zij de aandacht op de mens heeft geconcentreerd. Daaruit heeft een met steeds meer vragen belaste rede haar streven naar steeds meer en steeds diepere kennis verder ontwikkeld. Zo werden complexe denksystemen opgebouwd, die op de verschillende kennisterreinen vruchten hebben voortgebracht, omdat ze de ontplooiing van cultuur en geschiedenis bevorderden. De antropologie, de logica, de natuurwetenschappen, de geschiedenis, de taal..., in zekere zin het totaal van de kennis werd daarin betrokken. De positieve resultaten die behaald werden, mogen echter niet leiden tot een voorbijzien aan het feit dat dezelfde rede, bezig met eenzijdige onderzoeken naar de mens als subject, vergeten schijnt dat deze mens er ook altijd toe geroepen is, zich tot de waarheid te richten die boven hem uitstijgt. Zonder betrekking tot deze waarheid blijft ieder afhankelijk van eigen goeddunken en zijn status als persoon wordt tenslotte volgens pragmatische, ten diepste op empirische gegevens berustende criteria beoordeeld, in de valse overtuiging dat alles door de techniek beheerst moet worden. Zo kwam het dat de rede, in plaats van de menselijke oriëntatie op de waarheid zo goed mogelijk te verwoorden, onder de last van de vele kennis zich over zichzelf heeft gebogen en steeds minder in staat was, de blik omhoog te heffen om het avontuur aan te gaan, tot de waarheid van het zijn te komen. De moderne wijsbegeerte heeft de vraag naar het zijn verwaarloosd en haar zoeken geconcentreerd op de kennis van de mens. In plaats van gebruik te maken van de mogelijkheid die de mens heeft om de waarheid te kennen, gaf zij er de voorkeur aan de grenzen en condities daarvan te accentueren.

Daaruit zijn veel vormen van agnosticisme en relativisme ontstaan, die tenslotte ertoe leidden dat het wijsgerige zoeken terechtkwam in het drijfzand van een algemeen scepticisme. In de jongste tijd hebben verschillende leerstellingen aan belang gewonnen, die zelfs die waarheden trachten te ontkrachten, die de mens als zekerheid had verworven. Een gewettigde pluraliteit van stellingnames in het denken heeft plaatsgemaakt voor een indifferent pluralisme, dat stoelt op de opvatting dat alle stellingnames gelijkwaardig zijn. Dat is een van de meest verbreide symptomen van het huidige gebrek aan vertrouwen in de waarheid. Ook sommige oosterse levensovertuigingen maken dit voorbehoud. Daarin ontzegt men namelijk aan de waarheid haar exclusieve karakter. Daarbij gaat men uit van de opvatting dat de waarheid in verschillende, ja zelfs elkaar tegensprekende leerstellingen tegelijkertijd optreedt. Binnen dit raam is alles teruggebracht tot mening. Men heeft de indruk van een beweging die zich als een golf naar boven en naar beneden beweegt. Terwijl het wijsgerig denken er enerzijds in geslaagd is om op de weg te komen die het steeds dichter bij de menselijke existentie en haar uitdrukkingsvormen brengt, werkt het er anderzijds aan om existentiële, hermeneutische of linguïstische zienswijzen te ontwikkelen, die niet ingaan op de radicale vraag naar de waarheid van het leven als persoon, van het zijn en van God. Dientengevolge zijn bij moderne mensen, en dat niet alleen bij enkele filosofen, houdingen van een wijdverbreid wantrouwen tegenover het geweldige menselijke vermogen tot kennis ontstaan. Met valse bescheidenheid stelt men zich tevreden met voorlopige deelwaarheden, zonder zelfs nog maar te proberen om radicale vragen over de zin en de grondoorzaak van het menselijke, persoonlijke en maatschappelijke leven te stellen. De hoop om van de wijsbegeerte definitieve antwoorden op deze vragen te krijgen, is dus verdwenen.

6. Zeker van haar competentie als draagster van de Openbaring van Jezus Christus, wil de Kerk nu de noodzaak van het nadenken over de waarheid opnieuw bekrachtigen. Daarom heb ik besloten mij zowel tot de medebroeders in het bisschopsambt te wenden, met wie ik de zending deel “openlijk de waarheid” (2 Kor 4,2) te verkondigen, als tot de theologen en filosofen, wier taak het onderzoek naar de verschillende aspecten van de waarheid is, alsook tot alle mensen die op zoek zijn: ik wil hen laten delen in enige overwegingen met betrekking tot de weg die tot de ware wijsheid voert, opdat ieder die de liefde voor haar in het hart draagt, de juiste weg kan inslaan om haar te bereiken en om in haar rust te vinden in zijn inspanningen, en geestelijke vreugde.

De drang tot dit initiatief is voor mij vooral het door het Tweede Vaticaans Concilie geformuleerde inzicht, dat de bisschoppen “getuigen van de goddelijke en katholieke waarheid” zijn3. Getuigen van de waarheid is dus een taak die aan ons bisschoppen is opgedragen; daarvan kunnen wij niet afzien, zonder het ambt dat wij hebben ontvangen, te verwaarlozen. Door een nieuwe bekrachtiging van de geloofswaarheid kunnen we aan de mens van onze tijd weer echt vertrouwen geven in zijn kenvermogens en aan de wijsbegeerte een uitdaging bieden opdat zij haar volle waardigheid herkrijgen en ontplooien kan. Nog een ander motief noopte mij deze overwegingen te formuleren. In de encycliek Veritatis Splendor heb ik “enkele fundamentele waarheden van de katholieken leer in herinnering” gebracht, “die in de huidige context het risico lopen vervalst of ontkend te worden” 4. Met het voorliggende schrijven wil ik nu die gedachten verder ontwikkelen en daarbij de aandacht juist op het thema waarheid en op haar grondslag in relatie tot het geloof concentreren. Want men kan niet ontkennen, dat onze tijd met zijn snelle en ingrijpende veranderingen vooral de jonge generaties, aan wie de toekomst toebehoort en van wie zij afhangt, blootstelt aan het gevoel dat ze zonder echte referentiepunten zijn. De behoefte aan een fundament, waarop het bestaan van ieder afzonderlijk en van de samenleving kan worden gebouwd, wordt vooral dan indringend duidelijk, wanneer men moest vaststellen hoe versnipperd het aanbod is, dat het vergankelijke tot waarde verheft, waarbij de mogelijkheid om te komen tot de ware betekenis van het bestaan wordt weggemoffeld. Zo komt het dat velen hun leven voortslepen tot bijna aan de rand van de afgrond, zonder te weten waar ze eigenlijk heen gaan. Dat hangt ook samen met het feit dat degenen wier roeping het was om de vrucht van hun denken in culturele vormen uit te drukken, de blik van de waarheid hebben afgewend en aan onmiddellijk succes de voorkeur hebben gegeven boven de inspanning van het geduldige zoeken naar wat de moeite waard is om te leven. De wijsbegeerte, die de grote verantwoordelijkheid heeft om vorm te geven aan het denken en aan de cultuur door steeds te wijzen op het zoeken naar de waarheid, moet met alle kracht haar oorspronkelijke roeping herwinnen. Daarom heb ik niet alleen de behoefte gevoeld, maar het ook als mijn plicht beschouwd, mij over dit thema uit te spreken, opdat de mensheid op de drempel van het derde millennium van de christelijke tijdrekening zich duidelijker bewust wordt van de geweldige mogelijkheden die zij heeft ontvangen, en zich met nieuwe moed inzet voor de verwezenlijking van het heilsplan, waarin haar geschiedenis is ingebed.

 

Jezus, Die De Vader Openbaart

7. Aan al het denken van de Kerk ligt het besef ten grondslag, dat zij de draagster is van een boodschap die haar oorsprong in God zelf heeft (vgl. 2 Kor 4, 1-2). De kennis die zij de mens aanbiedt komt niet uit haar eigen denken voort, al was het nog zo verheven, maar uit het gelovig luisteren naar Gods woord (vgl. 1Thess 2,13). Aan het begin van ons leven als gelovigen staat een unieke ontmoeting, die het openbaar worden van een eeuwig verborgen, maar nu onthuld geheim (vgl.1Kor 2,7; Rom 16,25-26) markeert: “God heeft in zijn goedheid en wijsheid besloten, Zichzelf te openbaren en het geheim van zijn wil bekend te maken (vgl. Eph 1,9): dat de mensen door Christus, het vleesgeworden Woord, in de heilige Geest toegang hebben tot de Vader en deelachtig worden aan de goddelijke natuur” 5. Daarbij gaat het om een volledig onverschuldigd initiatief, dat van God uitgaat, om de mensheid te bereiken en te redden. Als bron van liefde wil God zich laten kennen en de kennis die de mens van Hem heeft, brengt alle andere ware kennis over de zin van zijn eigen bestaan tot de voltooiing, waartoe zijn verstand kan komen.

8. Met een bijna woordelijke overname van de door de dogmatische constitutie Dei Filius van het Eerste Vaticaans Concilie gepresenteerde leer en met inachtneming van de door het Concilie van Trente voorgelegde principes heeft de Constitutie Dei Verbum van Vaticanum II de tocht van het geloofsinzicht, intelligentia fidei, door de eeuwen voortgezet, terwijl het nadacht over de Openbaring in het licht van de bijbelse leer en van de hele traditie van de kerkvaders. De concilievaders van Vaticanum I hadden de nadruk gelegd op het bovennatuurlijke karakter van Gods Openbaring. De rationalistische kritiek die destijds op grond van wijdverbreide valse stellingen tegen het geloof naar voren werd gebracht, betrof de ontkenning van alle kennis die niet voortkwam uit de natuurlijke vermogens van het verstand. Deze situatie had het Concilie verplicht tot de nadrukkelijke vaststelling, dat er buiten de kennis van het menselijke verstand dat krachtens zijn natuur de Schepper kan ontdekken, een kennis bestaat, die eigen is aan het geloof. Deze kennis is de uitdrukking van een waarheid die stoelt op het feit van de zich openbarende God zelf, een waarheid die zeker is, omdat God noch bedriegt, noch bedriegen wil. 6

 

9. Het Eerste Vaticaans Concilie leert dus, dat de waarheid die verkregen is door wijsgerig denken en de waarheid van de Openbaring noch zich met elkaar vermengen, noch elkaar overbodig maken. “Er bestaat een tweevoudige orde van kennis, niet alleen onderscheiden in hun vertrekpunt, maar ook in hun object. Ten aanzien van de bron, omdat we in de ene kennen door het natuurlijke verstand, in de andere door het goddelijk geloof; ten aanzien van het object, omdat er naast die dingen die het natuurlijke verstand kan bereiken, geheimen voorgelegd worden die in God verborgen zijn en die, als ze niet door God geopenbaard waren, niet bekend zouden kunnen worden.” 7 Het geloof, dat stoelt op Gods getuigenis en dat de bovennatuurlijke hulp van de genade geniet, is inderdaad van een andere orde dan de wijsgerige kennis. Want deze steunt op de zintuiglijke waarneming, op de ervaring, en beweegt zich alleen in het licht van de rede. De wijsbegeerte en de wetenschappen dwalen rond door het gebied van het natuurlijke verstand, terwijl het geloof, door God verlicht en geleid, in de heilsboodschap de ‘volheid van de genade en waarheid’ (vgl. Joh 1,14) erkent, die God in de geschiedenis definitief door zijn Zoon Jezus Christus heeft geopenbaard (vgl. 1 Joh 5, 9; Joh 5, 31-32).

 

10. De Concilievaders van Vaticanum II hebben de blik vast op de openbarende Jezus gericht en daarbij het heilskarakter van Gods openbaring in de geschiedenis aangegeven: “Door deze openbaring spreekt dus de onzichtbare God (vgl. Kol 1,15; 1 Tim 1, 17) uit de overvloed van zijn liefde de mensen aan als zijn vrienden (vgl. Ex 33,11; Joh 15, 14-15) en gaat met hen om (vgl. Bar 3, 38), om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen. Deze bedeling van de openbaring geschiedt door daden en woorden, die innerlijk met elkaar verbonden zijn, zodat de werken, door God in de heilsgeschiedenis verricht, de leer en de werkelijkheden, die door de woorden worden betekend, tonen en bevestigen, en de woorden de werken verkondigen en het geheim dat daarin vervat ligt in het licht stellen. Door deze openbaring verschijnt ons in Christus, die tegelijk de middelaar en de volheid van de gehele openbaring is, de meest innerlijke waarheid”. 8

 

11. Zo is de openbaring ingebed in tijd en geschiedenis. Ja, de menswording van Jezus Christus geschiedt in de “volheid van de tijd” (Gal 4,4). Tweeduizend jaren na die gebeurtenis zie ik het als mijn plicht, nadrukkelijk naar voren te brengen, dat “in het christendom aan de tijd een fundamentele betekenis” toekomt. 9 Want in de tijd treedt het hele werk van de schepping en de verlossing aan het licht; bovenal wordt zichtbaar, dat wij door de menswording van de Zoon van God reeds nu de toekomstige voleinding van de tijd beleven en daarop vooruitlopen. (vgl. Hebr 1, 2).

De waarheid, die God aan de mens over Zichzelf en over zijn leven heeft gegeven, is daarom ingebed in tijd en geschiedenis. En ze is eens voor altijd in het mysterie van Jezus van Nazareth verkondigd. Dat zegt de constitutie Dei Verbum welsprekend: “Na echter vele malen en op velerlei wijze gesproken te hebben door de profeten, heeft God ‘nu op het einde der tijden tot ons gesproken door de Zoon’ (Hebr 1, 1-2). Want Hij heeft zijn Zoon gezonden, het eeuwige Woord namelijk dat alle mensen verlicht, opdat deze onder de mensen zou wonen en hun het meest innige van God zou doen kennen (vgl. Joh 1,1-18). Jezus Christus dus, het vlees geworden Woord, als ‘mens tot de mensen’ gezonden, ‘spreekt Gods eigen woorden’ (Joh 3, 34), en volbrengt het heilswerk dat de Vader Hem te doen gegeven heeft (vgl. Joh 5,36; 17,4). Hij dus die zegt: wie Mij ziet, ziet de Vader (vgl. Joh 14,9), vervult de openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning”. 10

De geschiedenis wordt zo voor het volk van God een weg die moet worden gegaan, zodat de geopenbaarde waarheid dankzij het onophoudelijke werken van de heilige Geest haar inhoud volledig tot uitdrukking kan brengen (vgl. Joh 14,9). Dat leert opnieuw de Constitutie Dei Verbum, wanneer ze vaststelt: “De Kerk streeft in de loop der eeuwen onafgebroken naar de volheid van de goddelijke waarheid, totdat in haar Gods woorden in vervulling gaan”. 11

 

12. De geschiedenis wordt aldus tot de plaats waar we Gods handelen voor de mensheid kunnen vaststellen. Hij bereikt ons in hetgeen voor ons het vertrouwdste is en gemakkelijk verifieerbaar, omdat het om onze dagelijkse omgeving gaat, zonder welke wij onszelf niet zouden kunnen begrijpen.

De menswording van God laat ons de eeuwige en definitieve synthese voltrokken zien worden, die de menselijke geest zich vanuit zichzelf niets eens had kunnen voorstellen: het eeuwige treedt binnen in de tijd, het geheel verbergt zich in een fragment, God neemt de gedaante van een mens aan. De in de openbaring van Christus tot uitdrukking gekomen waarheid is aldus niet meer opgesloten in een nauw begrensd territoriaal en cultureel gebied, maar opent zich voor iedere man en iedere vrouw, die haar als het absoluut ware Woord wil aannemen, om het bestaan zin te geven. Nu hebben alle mensen in Christus toegang tot de Vader; door zijn dood en zijn verrijzenis heeft Hij het goddelijk leven geschonken, dat de eerste Adam had afgewezen (vgl. Rom 5, 12-15). Met deze openbaring wordt de mens de laatste waarheid over zijn leven en over het lot der geschiedenis aangeboden: “Alleen in het mysterie van het mens geworden Woord licht het mysterie van de mens op” 12, stelt de constitutie Gaudium et spes vast. Buiten dit zicht blijft het geheim van de menselijke persoon een onoplosbaar raadsel. Waar anders dan in het licht, dat afstraalt van het lijden, de dood en de opstanding van Christus, zou de mens het antwoord kunnen zoeken op zulke dramatische kwesties als die van de pijn, het lijden van onschuldigen en de dood?

 

Het verstand vóór het mysterie

13. Men mag niettemin niet vergeten dat de openbaring tot vandaag toe iets mysterievols blijft. Zeker openbaarde Jezus door zijn leven het aanschijn van de Vader, want Hij is immers gekomen “om Gods geheimen te verkondigen” 13; maar de kennis die wij van dit aanschijn hebben, is steeds getekend door het fragmentarische en beperkte van ons begrijpen. Alleen het geloof staat het ons toe in de intimiteit van het mysterie binnen te gaan, op een wijze die het ons mogelijk maakt het samenhangend te vatten. Het concilie leert, dat “aan de zich openbarende God de gehoorzaamheid van het geloof betracht moet worden” 14. Met deze korte maar belangrijke uitspraak wordt gewezen op een fundamentele waarheid van het christendom. Daarin heet het vooral dat het geloof een gehoorzaam antwoord aan God is. Dat veronderstelt echter, dat Deze in zijn godheid, transcendentie en hoogste vrijheid erkend wordt. De God die zich laat kennen, is in het gezag van zijn absolute transcendentie ook de bron van de geloofwaardigheid van wat Hij openbaart. Door het geloof geeft de mens zijn instemming met dit goddelijk getuigenis. Dat wil zeggen dat hij geheel en al de waarheid erkent van hetgeen geopenbaard werd, omdat God zelf daarvoor garant staat. Deze aan de mens geschonken en door hem niet opeisbare waarheid voegt zich in het kader van de interpersoonlijke communicatie. Ze zet het verstand ertoe aan, zich voor haar open te stellen en haar diepere betekenis aan te nemen. Daarom is de akt, waarmee men zich aan God toevertrouwt, door de Kerk steeds beschouwd als een fundamenteel beslissingsmoment, waarin de hele persoon is betrokken. Rede en wil zetten tot het uiterste hun geestelijke natuur in, om aan het subject de voltrekking van een akt mogelijk te maken waarin de persoonlijke vrijheid in de volle zin beleefd wordt15. In het geloof is de vrijheid dus niet simpelweg aanwezig: ze is vereist. Ja, het geloof maakt het ieder mogelijk zijn vrijheid zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen. Met andere woorden: de vrijheid verwerkelijkt zich niet in beslissingen tegen God. Hoe zou immers de weigering om zich open te stellen voor dat wat de zelfverwerkelijking mogelijk maakt, als een geloofwaardige toepassing van de vrijheid gezien kunnen worden? In het geloof voltrekt de mens de meest betekenisvolle akt van zijn bestaan; hier is het dat de vrijheid de zekerheid van de waarheid bereikt en besluit in haar te leven.

Ook de in de openbaring aanwezige tekens komen het verstand, dat het geheim tracht te verstaan, te hulp. Ze dienen ertoe om grondiger naar de waarheid te zoeken en het de rede mogelijk te maken ook binnen het mysterie zelfstandig op verkenning te gaan. Ze geven enerzijds aan het verstand groter gewicht, omdat zij het mogelijk maken dat het verstand met de middelen die het ten dienste staan, waarop het terecht trots is, het geheim van binnenuit doorgrondt; anderzijds zijn de tekens voor het verstand een aansporing om verder te gaan dan hun aard van tekens, om de diepere betekenis die zij dragen, te begrijpen. In die tekens is dus reeds een verborgen waarheid aanwezig, waarnaar de rede wordt verwezen en waarvan zij niet kan afzien zonder dat zij de haar aangeboden tekens zelf vernietigt.

Er wordt ons in zekere zin gewezen op het sacramentele karakter van de openbaring en in het bijzonder op het teken van de eucharistie, waar de onlosmakelijke eenheid tussen de werkelijkheid en haar betekenis het mogelijk maakt, de diepte van het mysterie te bevatten. Christus is in de eucharistie waarlijk aanwezig en levend, Hij werkt en handelt door zijn Geest, maar zoals de H. Thomas juist gezegd heeft: “Je ziet niet, je begrijpt niet, maar het geloof bevestigt je voorbij de natuur. Wat daar verschijnt is een teken: het verbergt in het mysterie verheven werkelijkheden”. 16 Hem valt de filosoof Pascal bij: “Zoals Jezus Christus onder de mensen onherkend is gebleven, zo onderscheidt zijn waarheid zich uiterlijk niet van de algemene opinies. En zo blijft de eucharistie onder het gewone brood.” 17

De geloofskennis heft het mysterie dus niet op: ze maakt het alleen inzichtelijker en openbaart het als een voor het leven van de mens wezenlijk feit: “Christus de Heer (...) openbaart juist in de openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde, de mens zelf ten volle aan de mens en ontsluit voor hem zijn hoogste roeping” 18, namelijk deel te hebben aan het geheim van het drievuldige leven van God. 19

 

14. De leer van de beide Vaticaanse Concilies legt ook voor het filosofische kennen een horizon van echte vernieuwing open. De openbaring brengt binnen de geschiedenis een referentiepunt waarvan de mens niet kan afzien, als hij ertoe wil komen het geheim van zijn bestaan te begrijpen; anderzijds verwijst deze kennis voortdurend naar het mysterie van God, dat het verstand niet volledig kan doorgronden, maar alleen in geloof ontvangen en aannemen. Tussen deze beide momenten heeft de rede haar bijzondere plaats die het haar mogelijk maakt te onderzoeken en te begrijpen, zonder door iets anders ingeperkt te worden dan door haar eindigheid voor het oneindige mysterie van God.

De openbaring brengt dus binnen onze geschiedenis een universele en laatste waarheid, die het menselijk verstand ertoe uitdaagt, nooit te blijven staan; ja, ze spoort hem aan de ruimte van zijn kennis steeds uit te breiden, totdat hij beseft dat hij zonder verzuim alles wat in zijn macht stond heeft gedaan. Bij deze overdenking komt ons een van de spiritueelste en belangrijkste scheppende persoonlijkheden van de mensengeschiedenis te hulp, een referentiepunt voor zowel de wijsbegeerte alsook de theologie: de heilige Anselmus. In zijn Proslogion schrijft de bisschop van Kantelberg: “Terwijl ik dikwijls vol ijver mijn gedachten richtte op dit probleem, scheen het soms alsof ik datgene, waarnaar ik zocht, reeds kon vatten; een andere keer echter gleed het volledig weg uit mijn denken; tot ik tenslotte de hoop, het ooit te kunnen vinden, verloor en het zoeken naar iets dat zich onmogelijk liet vinden, wilde opgeven. Wanneer ik die gedachten echter uit mij wilde verdrijven, opdat zij mijn geest niet zouden bezighouden en mij zouden afhouden van andere problemen, waaruit ik enig gewin kon halen, dan kwamen zij op met steeds grotere opdringerigheid. (...) Maar wat ben ik armzalige, een van Eva’s zonen, ver van God, begonnen te ondernemen, en wat is mij gelukt? Waarheen ging mijn neiging en waar ben ik terechtgekomen? Waar streefde ik naar en wat verlang ik nog steeds? (...) O Heer, U bent niet alleen het grootste dat men kan denken (non solum es quo maius cogitari nequit), maar U bent groter dan alles wat men kan denken (quiddam maius quam cogitari possit) (...) Als U niet zo was, zou men zich iets groters dan U kunnen voorstellen, maar dat is onmogelijk.” 20

 

15. De waarheid van de christelijke openbaring, die wij in Jezus van Nazareth ontmoeten, maakt het iedereen mogelijk het ‘mysterie’ van het eigen leven aan te nemen, zij respecteert ten diepste de autonomie van het schepsel en zijn vrijheid, verplicht het echter in naam van de waarheid, zich open te stellen voor het transcendente. Hier bereikt de verhouding van vrijheid en waarheid haar hoogtepunt en begrijpt men volledig het woord van de Heer: “Dan zult u de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh 8,32).

De christelijke openbaring is de ware leidstér voor de mens tussen de druk van een immanentistische denkwijze en de beperkingen van een technocratische logica; zij is de uiterste mogelijkheid die God biedt om het oorspronkelijke plan van de liefde, dat met de schepping begonnen is, volledig terug te vinden. Aan de mens die verlangt naar kennis van het ware wordt, inzoverre hij nog in staat is de blik boven zichzelf en zijn eigen plannen uit te verheffen, de mogelijkheid gegeven de natuurlijke verhouding tot zijn leven te herwinnen doordat hij de weg van de waarheid gaat. De woorden uit het boek Deuteronomium kan men goed op deze situatie toepassen: “De geboden die Ik u vandaag geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal naar de hemel gaan om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ Ze zijn niet overzee en u hoeft niet te zeggen: ‘Wie zal de zee oversteken om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?” Nee, het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen.” (30, 11-14). Bij deze tekst sluit de heilige Augustinus, wijsgeer en theoloog, aan met de beroemde gedachte: “Noli foras ire, in te ipsum redi. In interiore homine habitat veritas“ [Ga niet naar buiten, keer tot jezelf terug. In het binnenste van de mens woont de waarheid]. 21

In het licht van deze beschouwingen komt een eerste conclusie naar boven: de waarheid, die de openbaring ons laat kennen, is niet de rijpe vrucht of het hoogtepunt van een door het verstand ontwikkeld denken. Ze verschijnt integendeel als iets onverschuldigds, wekt het denken op en verlangt om als uitdrukking van de liefde te worden aangenomen. Deze geopenbaarde waarheid is de in onze geschiedenis gelegde voorsmaak van die uiteindelijke en definitieve aanschouwing van God, die is voorbehouden aan hen die in Hem geloven of Hem met oprecht hart zoeken. Het laatste doel van het menselijke bestaan als persoon is dus studieobject van zowel de wijsbegeerte alsook de theologie. Beide tonen ons, zij het met verschillende middelen en inhouden, deze ‘weg ten leven’ (Ps 16,11), die tenslotte, zoals het geloof ons zegt, uitkomt in de volle en eeuwigdurende vreugde van de aanschouwing van de drie-ene God.

 

De Wijsheid Weet En Verstaat Alles (Vgl. Wijsh 9,11)

16. Hoe diep de samenhang is tussen geloofs- en verstandskennis, wordt reeds in de heilige Schrift met verbazend duidelijke aanwijzingen getoond. Vooral de wijsheidsboeken getuigen daarvan. Wat indruk maakt bij het zonder vooringenomenheid lezen van deze bladzijden, is het feit dat in deze teksten niet alleen het geloof van Israël vervat is, maar ook de rijkdom van reeds verdwenen beschavingen en culturen. Als volgens een bijzonder plan laten Egypte en Mesopotamië weer hun stem horen, en veel gemeenschappelijke trekken van de oud-oriëntaalse culturen worden op deze bladzijden, die zo rijk zijn aan innerlijke intuïties van een unieke diepte, weer ten leven geroepen.

Het is geen toeval dat de heilige schrijver de wijze mens, die hij zou willen beschrijven, presenteert als degene die de waarheid bemint en die naar haar zoekt: “Gelukkig de man die zich op de wijsheid toelegt en die eropuit is om inzicht te krijgen; die de wegen van de wijsheid in zijn hart overdenkt en haar geheimen probeert te ontdekken; die op weg gaat en haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar zij heengaat; die door haar ramen gluurt en aan haar deuren staat te luisteren; die dichtbij haar woning kampeert en zijn tentpin in haar muren slaat; die zijn tent vlak naast haar opzet en zijn intrek neemt op een plek waar het goed is. Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting en hij woont onder haar takken. Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar pracht vindt hij rust.” (Sir 14, 20-27)

Zoals men ziet is voor de geïnspireerde schrijver de hartenwens naar kennis een kenmerk dat alle mensen verenigt. Dankzij het denkvermogen is aan allen, gelovigen en niet-gelovigen, de mogelijkheid gegeven om “te putten uit het diepe water” van de kennis. (vgl. Spr 20,5). In het oude Israël was het kennen van de wereld en haar verschijnselen zeker niet het resultaat van abstractie, zoals dat geldt voor de Ionische wijsgeren of de Egyptische wijzen. Nog minder begreep de goede Israëliet zijn kennis op de wijze van de moderne wereld die meer en meer ertoe neigt om verschillende soorten van kennis te onderscheiden. Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar oorspronkelijke bijdrage laten vloeien in de grote zee van de kennisleer.

Wat voor soort bijdrage? De bijzonderheid die de bijbeltekst kenmerkt ligt in de overtuiging dat er tussen verstands- en geloofskennis een diepe, onscheidbare eenheid bestaat. De wereld en wat er daarin gebeurt, net als de geschiedenis en de wisselende wederwaardigheden van het volk zijn werkelijkheden, die met de middelen van het verstand beschouwd, ontleed en beoordeeld worden, zonder dat echter het geloof bij dit proces ooit afzijdig blijft. Het grijpt niet in om de autonomie van het verstand teniet te doen of zijn speelruimte te beperken, maar alleen om het voor de mens begrijpelijk te maken, dat de God van Israël in deze gebeurtenissen zichtbaar wordt en handelt. De wereld en de historische gebeurtenissen kunnen alleen grondig worden gekend wanneer men zich tegelijkertijd bekent tot het geloof in de in haar werkende God. Het geloof scherpt de inwendige blik doordat het de rede opent voor de ontdekking van de actieve aanwezigheid van de Voorzienigheid in de stroom der gebeurtenissen. Een zin uit het Boek der Spreuken is in deze samenhang veelbetekenend: “Het hart van de mens bedenkt zijn weg, maar de Heer leidt zijn schreden” (Spr 16,9). Men zou kunnen zeggen dat de mens met het licht van het verstand zijn weg kan kennen, maar hem dan alleen snel en zonder hindernissen ten einde gaan, wanneer hij met een juist gestemd hart zijn zoeken kadert in het raam van het geloof. Verstand en geloof laten zich daarom niet scheiden zonder dat het voor de mens onmogelijk wordt, zichzelf, de wereld en God op passende wijze te kennen.

 

17. Er is dus geen reden voor het bestaan van een soort concurrentiestrijd tussen verstand en geloof.: het een bevat het ander, en beide hebben hun eigen ruimte om zich te verwezenlijken. Opnieuw is het het Boek der Spreuken dat ons in deze richting wijst met de uitroep: “Het is Gods eer, een zaak te verhullen, maar de eer van de koning is het, een zaak uit te zoeken” (Spr 16,9). God en de mens zijn in hun respectieve werelden in een unieke relatie gesteld. In God heeft alles zijn oorsprong, in Hem bevindt zich de volheid van het mysterie, en dat maakt zijn eer uit; aan de mens is het, met zijn verstand te zoeken naar de waarheid, en daarin bestaat zijn adel. Een ander steentje voor dit mozaïek wordt door de Psalmist aangedragen, wanneer hij bidt: “Hoe moeilijk zijn voor mij, o God, uw gedachten, hoe geweldig is hun aantal! Wilde ik ze tellen, het zouden er meer zijn dan het zand. Zou ik aan het einde komen, dan zou ik nog steeds bij U zijn” (Ps 139, 17-18). Het streven naar kennis is zo groot en is verbonden met een dergelijke dynamische kracht, dat het hart van de mens ondanks de ervaring van onoverschrijdbare grenzen verlangt naar de oneindige rijkdom, die zich aan gene zijde bevindt, omdat het weet dat daar het bevredigende antwoord op elke nog onbeantwoorde vraag rust.

 

18. We kunnen dus zeggen, dat Israël in staat was, met zijn reflecties voor het verstand de weg naar het mysterie open te leggen. In Gods openbaring kon het de diepten peilen van alles wat het met het verstand tevergeefs trachtte te bereiken. Uitgaande van deze diepste vorm van kennis heeft het uitverkoren volk begrepen dat het verstand enkele grondregels in acht moet nemen om zijn eigen aard beter te verhelderen. De eerste is dat het kennen van de mens een weg is die geen stilstand kent; de tweede komt voort uit het besef dat men zich op deze weg niet mag begeven met de hoogmoed van degene die meent dat alles de vrucht is van persoonlijke verwerving; een derde regel steunt op de “vreze Gods”: het verstand moet Gods soevereine transcendentie en tegelijkertijd zijn zorgende liefde bij het besturen van de wereld erkennen.

Wanneer de mens van deze regels afwijkt loopt hij het gevaar van mislukking en komt hij tenslotte in de toestand van de “dwaas”. Voor de bijbel houdt dwaasheid een bedreiging van het leven in. Want de dwaas maakt zich wijs, dat hij veel dingen weet, maar is in werkelijkheid niet in staat, de blik te concentreren op de werkelijk belangrijke dingen. Dat belet hem, zijn verstand te ordenen (vgl. Spr 1,7) en tegenover zichzelf en zijn omgeving een juiste houding aan te nemen. Als hij dan zo ver gaat, te beweren: “Er is geen God” (vgl. Ps 14,1), onthult hij volkomen helder hoe ontoereikend zijn weten is en hoe ver hij af staat van de volle waarheid over de dingen, hun oorsprong en hun bestemming.

 

19. Hoofdstuk 13 van het Boek der Wijsheid bevat enkele belangrijke teksten die verder licht werpen op dit thema. Daarin spreekt de schrijver over God, die zich ook laat kennen door de natuur. In de Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen grotendeels samen met de wijsgerige studie. Nadat de heilige tekst heeft onderstreept dat de mens met zijn rede in staat is, “de opbouw van de wereld en het werken der elementen, (...) de kringloop van de jaren en de positie van de sterren, de natuur van de dieren en de wildheid van roofdieren” te begrijpen (Wijsh 7,17. 19-20), in één woord, dat hij in staat is te filosoferen, zet hij een zeer opmerkelijke stap naar voren. Terwijl de schrijver het Griekse wijsgerige denken oppakt, waarnaar hij in deze context klaarblijkelijk verwijst, verklaart hij, dat men juist door verstandig nadenken over de natuur weer bij de Schepper terug kan komen: “Want uit de grootheid en schoonheid van de schepselen ziet men door vergelijking hun Schepper” (Wijsh 13,5). Er wordt dus een eerste trede van de goddelijke openbaring erkend, die bestaat uit het wonderbaarlijke “boek van de natuur”; als de mens dit boek leest met de middelen die aan zijn verstand eigen zijn, dan kan hij tot kennis van de Schepper komen. Wanneer de mens met zijn verstand God, de Schepper van alles, niet kan kennen, dan ligt dat niet zozeer aan het ontbreken van een passend middel als wel aan de hindernis die hem op de weg gelegd is door zijn vrije wil en zijn zonden.

 

20. In dit licht wordt het verstand gewaardeerd, maar niet overgewaardeerd. Want alles wat het bereikt, kan wel waar zijn, maar krijgt pas zijn volle betekenis als zijn inhoud wordt geplaatst in het wijdere perspectief van het geloof: “De Heer leidt de schreden van ieder. Hoe zou de mens zijn weg kunnen begrijpen?” (Spr 20,24). Volgens het Oude Testament bevrijdt het geloof dus de rede omdat het haar mogelijk maakt haar kennisobject consequent te bereiken en het in die hoogste orde een plaats te geven waar alles zijn betekenis krijgt. In één woord: de mens komt door het verstand tot de waarheid, omdat hij tegelijk met het geloof de diepe zin van alles, en in het bijzonder de zin van zijn eigen bestaan ontdekt. Terecht vereenzelvigt daarom de schrijver de vrees voor God met het begin van de ware kennis: “De vrees voor de Heer is het begin van de kennis” (Spr 1,7; vgl. Sir 1,14).

 

 “Verwerf u wijsheid, verwerf u inzicht” (Spr 4,5)

21. Kennis berust volgens het Oude Testament niet alleen op zorgvuldige waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis, maar veronderstelt ook een voortdurende relatie met het geloof en met de inhoud van de openbaring. Hier liggen ook de uitdagingen, waarvoor het uitverkoren volk zich geplaatst zag en waarop het heeft geantwoord. Bij het nadenken over deze situatie waarin hij zich bevond, heeft de bijbelse mens ontdekt dat hij zichzelf alleen begrijpen kan voorzover hij ‘in relatie staat’: in relatie met zichzelf, met het volk, met de wereld, met God. Deze opening voor het mysterie, die tot hem kwam door de openbaring, was tenslotte voor hem de bron van een ware kennis die zijn verstand liet binnengaan in het rijk van het oneindige, waardoor hij tot dan toe ongedachte mogelijkheden tot inzicht kreeg. De inspanning van het onderzoek was voor de schrijver niet vrij van de moeite die de confrontatie met de grenzen van het verstand kost. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de woorden waarmee het Boek der Spreuken de toestand van uitputting beschrijft die optrad bij de poging, de geheimnisvolle plannen van God te begrijpen (vgl. Spr 30,1-6). De gelovige is echter ondanks de beproeving niet verslagen. De kracht om zijn weg naar de waarheid te vervolgen, put hij uit de zekerheid dat God hem als “onderzoeker” heeft geschapen. (vgl. Pr 1,13), die de opdracht heeft om ondanks de voortdurende beproeving van de twijfel, niets onbeproefd te laten. Doordat hij steunt op God blijft hij steeds en overal gericht op het schone, goede en ware.

 

22. De heilige Paulus helpt ons in het eerste hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen de overweging van de wijsheidsboeken in hun diepte beter te waarderen. De apostel ontwikkelt een wijsgerige redenering in de taal van het volk en brengt daarmee een diepe waarheid tot uitdrukking: door de schepping kunnen de ‘ogen van de rede’ tot kennis van God komen. Want door de schepselen geeft Hij het verstand de intuïtie van zijn ‘macht’ en zijn ‘godheid’ (vgl. Rom 1,20). Het menselijk verstand krijgt dus het vermogen toegekend dat welhaast boven zijn natuurlijke grenzen uit schijnt te stijgen: niet alleen dat het vanaf het moment waarop het er kritisch over kan denken, niet meer verbannen is naar de zintuiglijke kennis; ook door het redeneren over de zintuiglijke waarnemingen kan het doordringen tot de oorzaak, die aan het begin van elke zintuiglijk waarneembare werkelijkheid staat. In wijsgerige vaktaal zouden we kunnen zeggen, dat in de belangrijke tekst het metafysische vermogen van de mens wordt bevestigd. De apostel is ervan overtuigd dat in het oorspronkelijke scheppingsplan het vermogen van de mens voorzien was om de wereld van de zintuigen gemakkelijk te overstijgen om tot de oorsprong van alles te geraken: de Schepper. Als gevolg van de ongehoorzaamheid, waardoor de mens volledig en absoluut onafhankelijk wilde worden van zijn Schepper, is dit gemakkelijke opstijgen naar de Schepper-God verloren gegaan. Het boek Genesis beschrijft aanschouwelijk deze toestand van de mens, wanneer het vertelt dat God hem in de hof van Eden plaatste, in welks midden “de boom van de kennis van goed en kwaad” stond (Gen 2,17). Het symbool is duidelijk: de mens was niet in staat om uit zichzelf te onderscheiden en te beslissen wat goed en wat kwaad was, maar moest zich beroepen op een hoger beginsel. Verblinding door trots verleidde onze stamouders tot de bedrieglijke gedachte dat ze soeverein en onafhankelijk waren en dat ze zonder de van God komende kennis konden. In hun oer-ongehoorzaamheid trokken ze iedere man en vrouw mee en brachten het verstand wonden toe, die van dan af de weg naar de volle waarheid zouden belemmeren. Het menselijke vermogen om de waarheid te kennen werd sindsdien belemmerd door de afwijzing van Hem die bron en oorsprong van de waarheid is. Weer is het de apostel die uiteenzet, hoe door de zonde de gedachten van de mens ‘ijdel’ geworden zijn en hoe hun overwegingen misvormd en verkeerd georiënteerd gebleken zijn (vgl. Rom 1,21-22).

De ogen van de rede waren nu niet meer in staat helder te zien: het verstand werd steeds meer de gevangene van zichzelf. De komst van Christus was de heilsgebeurtenis, die het verstand uit zijn zwakheid verloste en bevrijdde van de boeien waarin het zichzelf had gevangen.

 

23. De verhouding van de christen tot de wijsbegeerte verlangt daarom een diepgaande onderscheiding. In het Nieuwe Testament, vooral in de brieven van de H. Paulus, komt één feit duidelijk aan het licht: de tegenstelling tussen de “wijsheid van deze wereld” en de in Jezus Christus geopenbaarde wijsheid van God. De diepgang van de geopenbaarde wijsheid verbreekt de cirkel van onze gewone denkschema’s, die geenszins in staat zijn, haar adequaat weer te geven.

Het begin van de eerste brief aan de Corinthiërs brengt dit dilemma radicaal naar voren. De gekruisigde Zoon van God is de historische gebeurtenis waarop iedere poging van het verstand stukloopt om met puur menselijke redenering een bevredigende verklaring te geven voor de zin van het bestaan. Het ware knooppunt dat de wijsbegeerte uitdaagt is de dood van Jezus Christus aan het kruis. Want hier is iedere poging, het heilsplan van de Vader te herleiden tot puur menselijke logica, tot mislukken gedoemd. “Waar is een wijze? Waar een schriftgeleerde? Waar een woordvoerder in deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt?” (1Kor 1,20), vraagt de apostel nadrukkelijk. Voor dat wat God wil verwezenlijken, is niet langer de wijsheid van de wijze mens voldoende, maar er is een bewuste stap naar het aanvaarden van iets volledig nieuws nodig: “God heeft het dwaze in de wereld uitgekozen om de wijzen te schande te maken (...) En het nederige in de wereld en het verachte heeft God uitgekozen: dat wat niets is, omdat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,27-28). De menselijke wijsheid weigert in haar zwakheid de voorwaarde voor haar kracht te zien; maar de H. Paulus aarzelt niet om te benadrukken: “Wanner ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2Kor 12, 10). De mens kan niet begrijpen, hoe de dood bron van leven en liefde zou kunnen zijn, maar God heeft juist dat voor de onthulling van het geheim van zijn heilsplan uitgekozen, wat het verstand beschouwt als ‘dwaasheid’ en ‘ergernis’. Met behulp van de taal van de wijsgeren van zijn tijd bereikt Paulus het hoogtepunt van zijn leer en van de paradox, die hij wil uitdrukken: “God heeft in de wereld dat wat niets is, uitgekozen om dat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,28). De apostel schroomt niet om de radicaalste taal die de wijsgeren in hun beschouwingen over God aanwendden, te gebruiken, om het wezen van de onverschuldigde liefde uit te drukken, die zich in het kruis van Jezus Christus heeft geopenbaard. De rede kan het geheim van de liefde dat het kruis omvat, niet elimineren; in plaats daarvan kan het kruis de rede het laatste antwoord geven, waarnaar zij zoekt. Niet de wijsheid van de woorden, maar het woord van de wijsheid biedt de H. Paulus als criterium van de waarheid en daarmee van het heil.

De wijsheid van het kruis overwint zo elke culturele grens, die men haar wil stellen, en verplicht tot het zich openstellen voor de universaliteit van de waarheid, waarvan zij de draagster is. Wat een uitdaging voor ons verstand, en wat een voordeel haalt het eruit, wanneer het zich eraan overgeeft. De wijsbegeerte die reeds uit zichzelf in staat is de onophoudelijke zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te erkennen, kan zich met de hulp van het geloof openstellen om de ‘dwaasheid’ van het kruis te aanvaarden als de echte kritiek op hen die zichzelf wijsmaken dat zij de waarheid bezitten, terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten van hun systeem. De verhouding van geloof en wijsbegeerte stoot in de verkondiging van de gekruisigde en opgestane Christus op de klip waarop ze schipbreuk kan lijden. Maar achter de klip kan ze uitmonden in de oneindige zee van de waarheid. Hier blijkt duidelijk de grens tussen verstand en geloof, maar ook wordt er de ruimte zichtbaar waar beide elkaar kunnen ontmoeten.

 

Op De Zoektocht Naar De Waarheid

24. De evangelist Lucas vertelt in de Handelingen van de Apostelen, dat Paulus op zijn missiereizen naar Athene kwam. De stad van de wijsgeren was vol beelden van verschillende afgoden. Eén altaar trok zijn aandacht, en hij nam het tegelijk als aanleiding om daarmee een gemeenschappelijke basis te leggen waarop hij kon beginnen met de verkondiging van het Kerygma. En zo sprak hij: “Atheners, aan alles zie ik dat u buitengewoon godsdienstig bent. Toen ik rondliep en uw heiligdommen bezichtigde, trof ik ook een altaar aan met het opschrift: Aan de onbekende god. Welnu, wat u zonder het te kennen vereert, dat kom ik u verkondigen” (Hand 17,22-23). Daarvan uitgaande spreekt de H. Paulus over God als Schepper, als degene die alles overstijgt en alles tot leven brengt. Dan vervolgt hij zijn toespraak aldus: “Uit één mens heeft Hij heel het mensenvolk gemaakt om overal op aarde te wonen. Hij heeft bepaalde tijden vastgesteld en hun woongebieden afgegrensd, met de bedoeling dat ze God zouden zoeken en Hem wellicht tastenderwijs zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder van ons” (Hand 17, 26-27).

De apostel brengt een waarheid naar voren die de Kerk steeds als een schat heeft gekoesterd: het streven en het zoeken naar God is diep in het mensenhart gezaaid. Daaraan herinnert nadrukkelijk ook de Goede-Vrijdagsliturgie, wanneer ze ons in het gebed voor alle niet-gelovenden laat zeggen: “Almachtige, eeuwige God, U hebt de mensen een zo diep verlangen naar U in het hart gestort, dat ze pas vrede hebben, wanneer ze U vinden”. 22 Er bestaat dus een weg die de mens kan gaan als hij wil; hij begint met het vermogen, zich boven het toevallige te verheffen, om naar het oneindige te koersen. De mens heeft op verschillende manieren, in verschillende tijden bewezen dat hij in staat is, aan dit diepste verlangen uitdrukking te geven. Literatuur, muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur en ieder ander blijk van zijn creatieve verstand zijn geworden tot kanalen waarin hij zijn verlangende zoeken (...) uitdrukt. Op een speciale manier heeft de wijsbegeerte zich dit streven eigen gemaakt, en met haar middelen en overeenkomstig haar wetenschappelijke mogelijkheden aan dit universele menselijke streven uitdrukking gegeven.

 

25. “Alle mensen verlangen te weten”; 23 voorwerp van dit verlangen is de waarheid. Zelfs het leven van alledag laat zien hoezeer iedereen erin geïnteresseerd is te ontdekken hoe, boven het alleen maar gehoorde woord uit, de dingen in waarheid zijn. De mens is het enige wezen in de hele zichtbare schepping dat niet alleen in staat is om te weten, maar ook weet heeft van dit weten; daarom stelt hij belang in de feitelijke waarheid van hetgeen voor hem zichtbaar is. De mens kan niet oprecht ongeïnteresseerd zijn in de waarheid van zijn kennis. Wanneer hij ontdekt dat zij vals is, verwerpt hij haar; wanneer hij daarentegen de waarheid ervan kan vaststellen, is hij tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus, wanneer hij schrijft: “Ik heb velen ontmoet, die anderen wilden bedriegen, maar niemand die bedrogen wilde worden”. 24 Terecht geldt de mens dán als volwassen, wanneer hij met eigen middelen kan onderscheiden tussen echt en vals, door zijn oordeel te vormen over de objectieve werkelijkheid van de dingen. Hier ligt de oorzaak van veel onderzoeken, vooral op het gebied van de natuurwetenschappen, die in de laatste eeuwen zulke belangrijke resultaten hebben opgeleverd en die daarmee een echte vooruitgang van de hele mensheid hebben bevorderd.

Niet minder belangrijk dan het onderzoek op theoretisch gebied is het praktische. Want door zijn morele handelen slaat de menselijke persoon, als hij handelt overeenkomstig zijn vrije en juist gestemde wil, de weg van de gelukzaligheid in en streeft hij naar volmaaktheid. Ook in dit geval gaat het om de waarheid. Deze overtuiging heb ik in de encycliek Veritatis Splendor onderstreept: “Moraal zonder vrijheid bestaat niet... Als er voor de mens het recht bestaat op zijn weg van zoeken naar waarheid gerespecteerd te worden, dan gaat daar nog aan vooraf de voor ieder zwaarwegende morele verplichting om de waarheid te zoeken en de eenmaal erkende waarheid vast te houden.” 25

Het is dus nodig dat de aanvaarde en in het eigen leven gevolgde waarden waar zijn, omdat alleen ware waarden de menselijke persoon door de verwerkelijking van zijn natuur kunnen voltooien. Deze waarheid van de waarden vindt de mens niet door zich in zichzelf op te sluiten, maar door zich open te stellen om ze ook aan te nemen in de dimensies die boven hem uitgaan. Dat is een wezenlijke voorwaarde, opdat eenieder zichzelf kan worden en kan groeien als een volwassen, rijpe persoon.

 

26. De waarheid presenteert zich bij de mens aanvankelijk in de vorm van een vraag: heeft het leven een zin? Waarheen leidt het? Op het eerste gezicht zou het bestaan van de mens als persoon volkomen zinloos kunnen lijken. Je hoeft er geen wijsgeren van het ongerijmde bij te halen, of de provocerende vragen in het boek Job, om aan de zin van het leven te twijfelen. De dagelijkse ervaring van eigen en andermans leed, het zien van zoveel feiten die in het licht van de waarheid onverklaarbaar lijken, volstaan om onontkoombaar een zo dramatische vraag als die naar de zin te stellen. 26 Daarbij komt dat de eerste absoluut zekere waarheid van ons bestaan, buiten het feit dát we bestaan, de onvermijdelijkheid van onze dood is. Gegeven dit verontrustende feit is het zoeken naar een volledig antwoord onontkoombaar. Ieder wil - en moet - de waarheid over zijn einde kennen. Hij wil weten, of de dood het definitieve einde van zijn bestaan is, óf of er nog iets is dat over de dood heen reikt; of hij mag hopen op een voortbestaan of niet. Niet zonder reden heeft het wijsgerige denken zijn beslissende oriëntering gekregen van de dood van Socrates, en is het meer dan tweeduizend jaar lang daardoor getekend. Het is dus absoluut geen toeval dat in het licht van het feit van de dood de filosofen zich steeds weer met dit probleem, samen met de vraag naar de zin van het leven en de onsterfelijkheid, hebben beziggehouden.

 

27. Niemand, de wijsgeer zo min als de gewone mens, kan deze vragen ontlopen. Van het antwoord daarop hangt een beslissende etappe van de zoektocht af: of het mogelijk is, te komen tot een universele en absolute waarheid of niet. Op zich blijkt iedere waarheid, ook deelwaarheid, als ze werkelijk waarheid is, universeel. Wat waar is, moet voor allen en voor altijd waar zijn. Buiten deze universaliteit zoekt de mens echter naar een absolutum dat aan heel zijn zoeken en speuren antwoord en zin kan geven: iets ultiems, dat de oorzaak van iedere zaak zal blijken. Met andere woorden: hij zoekt naar een definitieve verklaring, naar een hoogste waarde, waarboven er geen verdere vragen of verwijzingen zijn of kunnen zijn. Hypothesen kunnen de mens fascineren, maar ze bevredigen hem niet. Er komt voor allen een moment waarop ze, of ze het toegeven of niet, de behoefte hebben om hun bestaan te verankeren in een als definitief erkende waarheid, die een zekerheid brengt die niet meer onderworpen is aan de twijfel. De filosofen hebben in de loop der eeuwen geprobeerd zo’n waarheid te ontdekken en uit te drukken, door denksystemen en -scholen in het leven te roepen. Maar boven die wijsgerige systemen uit zijn er nog andere uitdrukkingsvormen, waarin de mens zijn ‘filosofie’ vorm probeert te geven: daarbij gaat het om persoonlijke overtuigingen of ervaringen, om familie- of culturele tradities of om levensprogramma’s, waar men zich toevertrouwt aan het gezag van een leraar. Uit elk van deze verschijnselen spreekt steeds de levendige wens om te komen tot de zekerheid van de waarheid en haar absolute waarde.

 

De verschillende gezichten van de waarheid van de mens

28. Het zoeken naar de waarheid is inderdaad niet altijd zo doorzichtig en consequent. De aangeboren beperktheid van het verstand en de onbestendigheid van het hart vertroebelen vaak de persoonlijke zoektocht en brengen haar van de weg af. Allerlei andere belangen kunnen de waarheid onderdrukken. Het komt voor dat de mens, zodra hij maar een glimp van de waarheid heeft gezien, spoorslags ervoor wegvlucht, omdat hij bang is voor haar eisen. Desondanks beïnvloedt de waarheid, ook als hij haar mijdt, altijd zijn bestaan. Want nooit zou hij zijn leven kunnen bouwen op twijfel, onzekerheid of leugen; zulk bestaan zou voortdurend bedreigd worden door angst en vrees. Men kan dus de mens definiëren als degene die naar de waarheid zoekt.

 

29. Het is ondenkbaar dat een zoeken dat zo diep geworteld is in de menselijke natuur volledig nutteloos en vergeefs zou kunnen zijn. Het vermogen om naar de waarheid te zoeken en vragen te stellen houdt namelijk reeds een eerste antwoord in. De mens zou helemaal niet beginnen iets te zoeken, waarvan hij toch niets wist of dat hij voor absoluut onbereikbaar hield.

Alleen het uitzicht, tot een antwoord te kunnen komen, kan voor hem aanleiding zijn de eerste stap te zetten. Feitelijk gebeurt precies dat normaliter in het wetenschappelijk onderzoek. Wanneer een wetenschapper, zijn intuïtie volgend, zich wijdt aan het zoeken naar de logische en verifieerbare verklaring van een bepaald verschijnsel, vertrouwt hij er vanaf het begin op, een antwoord te vinden, en geeft niet op bij mislukkingen. Hij houdt zijn oorspronkelijke ingeving niet voor nutteloos alleen omdat hij het doel niet bereikt heeft; veeleer zal hij, terecht, zeggen dat hij nog niet het adequate antwoord heeft gevonden. Datzelfde moet ook gezegd worden van het zoeken naar de waarheid op het gebied van de laatste vragen. Het verlangen naar de waarheid is zo diep geworteld in het mensenhart, dat daarvan afstand nemen het bestaan zou bedreigen. Het is tenslotte voldoende het dagelijks leven te bezien om vast te stellen dat ieder van ons de kwellende last van enkele existentiële vragen in zich draagt en tegelijk in zijn hart minstens het ontwerp van de bijbehorende antwoorden koestert. Het zijn antwoorden van welker waarheid men ook daarom overtuigd is, omdat men de ervaring heeft, dat zij zich in wezen niet onderscheiden van de antwoorden die vele anderen hebben gekregen. Zeker bezit niet iedere waarheid die verkregen wordt, dezelfde waarde. Door het totaal aan behaalde resultaten wordt echter het vermogen van de mens, fundamenteel tot de waarheid te komen, bevestigd.

 

30. Het is misschien nuttig om deze verschillende vormen van de waarheid in het vervolg kort te vermelden. Het talrijkste zijn die vormen die berusten op evidentie of die door proefneming bevestigd worden. Daarbij gaat het om de waarheidsorde van het dagelijks leven en van het wetenschappelijk onderzoek. Op een ander niveau moet men de waarheden van wijsgerige aard plaatsen waartoe de mens komt door de speculatieve kracht van zijn verstand. Tenslotte zijn er de religieuze waarheden, die in zekere mate ook geworteld zijn in de wijsbegeerte, en die de verschillende godsdiensten in hun tradities als antwoord geven op de laatste vragen. 27

Wat de wijsgerige waarheden betreft, moet men duidelijk stellen dat zij zich niet alleen beperken tot de soms kortstondige waarheden van de beroepsfilosofen. Zoals ik al gezegd heb, is iedere mens in zekere zin filosoof met zijn filosofische opvattingen, waarmee hij zijn leven inricht. Hij vormt zich op de een of andere manier een alomvattende visie en een antwoord op de vraag naar de zin van zijn bestaan: in dit licht duidt hij zijn persoonlijk lot en regelt zijn gedrag. Hier zou hij zich de vraag moeten stellen naar de verhouding van de wijsgerig-religieuze waarheden tot de in Jezus Christus geopenbaarde waarheid. Alvorens deze vraag te beantwoorden, moeten we nog een verder gegeven van de wijsbegeerte overwegen.

 

31. De mens is niet geschapen om alleen te leven. Hij wordt geboren en groeit op in een gezin, om later met zijn werk deel uit te maken van de samenleving. Vanaf zijn geboorte bevindt hij zich dus ingevoegd in verschillende tradities, waarvan hij niet alleen de taal en de culturele vorming ontvangt, maar ook een veelvoud aan waarheden, waaraan hij bijna instinctief gelooft. Persoonlijke groei en rijping maken echter, dat deze waarheden door de bijzondere inzet van het kritische denken in twijfel getrokken kunnen worden, en getest. Dat belet niet, dat na deze overgangsfase dezelfde waarheden op grond van de daarmee opgedane ervaringen of dankzij nadere overwegingen “herwonnen” worden. Desondanks zijn in het leven van de mens de simpelweg geloofde waarheden veel talrijker dan die welke hij door persoonlijk onderzoek verwerft. Wie zou wel in staat zijn, de ontelbare wetenschappelijke resultaten, waar het moderne leven op steunt, kritisch te onderzoeken? Wie zou persoonlijk de stroom aan informatie kunnen controleren, die dag in dag uit, uit alle delen van de wereld binnenkomt en die toch als fundamenteel waar wordt aangenomen?: Wie zou tenslotte de ervarings- en denkwegen opnieuw kunnen gaan waarop zich de schatten van de mensheid aan wijsheid en religiositeit hebben verzameld? De mens, een wezen dat naar de waarheid zoekt, is dus ook degene die leeft van het geloof.

 

32. In het geloof vertrouwt ieder zich toe aan de door andere personen verworven kennis. Daarin is een betekenisvolle spanning merkbaar: enerzijds schijnt de geloofskennis een onvolmaakte kennisvorm, die zich langzaamaan door het persoonlijk gewonnen inzicht moet vervolmaken; anderzijds blijkt het geloof vaak menselijk rijker dan pure evidentie, omdat het een relatie tussen personen inhoudt en niet slechts de persoonlijke kenvermogens, maar ook het diepergaande vermogen in het spel brengt, zich aan andere personen toe te vertrouwen, doordat men een vastere en innige verbinding met hen aangaat.

Onderstreept zij, dat de in deze tussenmenselijke betrekking gezochte waarheden niet primair van empirische of wijsgerige orde zijn. Gezocht wordt veeleer naar de eigenlijke waarheid van de persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk zichtbaar laat worden. De volmaaktheid van de mens ligt namelijk niet alleen in het zich eigen maken van de abstracte kennis van de waarheid, maar ook in een levende betrekking van zelfgave en trouw tegenover de ander. In deze vertrouwvolle zelfgave vindt de mens volledige zekerheid en veiligheid. tegelijkertijd is de kennis door het geloof, die steunt op het tussenmenselijke vertrouwen, toch niet zonder relatie met de waarheid: de gelovige mens vertrouwt zich toe aan de waarheid die de ander hem verkondigt.

Hoeveel voorbeelden zouden aangehaald kunnen worden om dit feit te illustreren! Maar mijn gedachten gaan onmiddellijk naar het getuigenis van de martelaren. De martelaar is inderdaad de betrouwbaarste getuige van de waarheid over het bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting met Jezus Christus de waarheid over zijn leven heeft gevonden; niets en niemand zal hem ooit van deze zekerheid kunnen beroven. Noch het lijden noch de gewelddadige dood zullen hem ertoe kunnen brengen, de instemming met de waarheid te herroepen, die hij in de ontmoeting met Christus heeft ontdekt. Daarom fascineert ons tot de dag van vandaag het getuigenis van de martelaren, het wekt instemming op, vindt gehoor en navolging. Dat is de reden waarom men op hun woord vertrouwt: men ontdekt in hen heel duidelijk een liefde, die geen lange redeneringen nodig heeft om te overtuigen, omdat zij tot ieder spreekt over hetgeen hij in zijn binnenste reeds als waar heeft beluisterd en sinds lang heeft gezocht. Tenslotte roept de martelaar bij ons een diep vertrouwen op, omdat hij zegt wat wij reeds ervaren, en openbaar maakt, wat ook wij, als we de kracht daartoe zouden vinden, graag zouden uitdrukken.

 

33. Zo zien we dat de delen van dit probleem verder in elkaar schuiven tot een geheel. De mens zoekt van nature naar de waarheid. Dit zoeken is niet alleen voor de toe-eigening van partiële, empirische of wetenschappelijke waarheden bestemd; de mens zoekt niet alleen voor elk van zijn beslissingen het ware goede. Zijn zoektocht streeft naar een waarheid aan gene zijde, die in staat moet zijn, de zin van het leven te verklaren; het gaat dus om een zoeken dat alleen in het absolute antwoord kan vinden. 28 Dankzij de vermogens die in het denken vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke waarheid te ontmoeten en haar te kennen. Deze levensbelangrijke en voor zijn bestaan essentiële waarheid wordt niet alleen langs rationele weg bereikt, maar ook doordat de mens zich vertrouwvol verlaat op andere personen, die de zekerheid en echtheid van de waarheid kunnen garanderen. Het vermogen en de beslissing om zichzelf en zijn leven aan een andere mens toe te vertrouwen, horen zeker tot de antropologisch belangrijkste en meest expressieve akten.

Men mag niet vergeten dat ook het verstand bij zijn zoeken is aangewezen op de ondersteuning door vertrouwvol gesprek en oprechte vriendschap. Een klimaat van verdenking en wantrouwen, dat soms om het speculatieve onderzoek hangt, veronachtzaamt de leer van de antieke wijsgeren, die de vriendschap als een van de voor het juiste filosoferen passendste kaders voorstelden.

Uit het tot nog toe gestelde komt naar voren, dat de mens zich bevindt op een naar menselijke maat eindeloze zoektocht: de zoektocht naar de waarheid en de zoektocht naar een persoon aan wie hij zich kan toevertrouwen. Het christelijk geloof komt hem daarin tegemoet, door hem de concrete mogelijkheid te bieden, het doel van dit zoeken verwerkelijkt te zien. Door bij de mens het stadium van het gewone geloven te overwinnen, leidt het hem binnen in de genade-orde, die hem laat delen in het geheim van Christus, waarin hem de ware en adequate kennis van de drie-ene God geschonken wordt. In Jezus Christus, die de waarheid is, erkent het geloof aldus de laatste oproep die aan de mensheid wordt gericht, opdat zij dat wat zij ervaart als streven en verlangen, tot vervulling kan brengen.

 

34. Deze ‘waarheid’, die God ons in Jezus Christus openbaart, is niet in tegenspraak met de waarheden waartoe men door het filosoferen komt. De beide kennis-orden leiden integendeel tot de waarheid in haar volheid. De eenheid van de waarheid is reeds een fundamenteel postulaat van het menselijk verstand, dat wordt uitgedrukt in het non-contradictie-beginsel. De openbaring biedt de zekerheid voor deze eenheid, door te laten zien dat de Schepper-God ook de God van de heilsgeschiedenis is. Een en dezelfde God, die de begrijpelijkheid en de redelijkheid van de natuurlijke orde der dingen, waarop de wetenschappers vertrouwvol steunen29 fundeert en garandeert, is identiek met God die zich als Vader van onze Heer Jezus Christus openbaart. Deze eenheid van natuurlijke en geopenbaarde waarheid vindt haar levende en personele vereenzelviging in Christus, waarop de apostel doelt: “De waarheid is in Christus” (vgl. Ef 4,21; Kol 1, 15-20). Hij is het eeuwige Woord, waarin alles geschapen is, en tegelijk is hij het vleesgeworden Woord, dat in zijn hele Persoon de Vader openbaart (vgl. Joh 1,14.18). 30 Dat wat het menselijk verstand zoekt, “zonder het te kennen” (Hand 17,23), kan alleen door Christus gevonden worden: want in Hem openbaart de “volle waarheid” zich (vgl. Joh 1, 14-16) van dat wezen dat in Hem en door Hem geschapen is en dat daarom in Hem zijn voltooiing vindt (vgl. Kol 1,17).

 

35. Tegen de achtergrond van deze algemene beschouwingen moeten we nu een rechtstreeks onderzoek doen naar de verhouding tussen geopenbaarde waarheid en wijsbegeerte. Deze verhouding nodigt ons uit tot een dubbele overweging, omdat de waarheid die uit de openbaring voortkomt, tegelijk een waarheid is, die in het licht van de rede moet worden begrepen. Eerst in deze dubbele betekenis is het namelijk mogelijk de juiste verhouding van de geopenbaarde waarheid tot het wijsgerige kennen precies te bepalen. We bezien dus allereerst de betrekkingen tussen geloof en wijsbegeerte in de loop van de geschiedenis. Daaruit zullen enkele beginselen vastgesteld kunnen worden, waaraan men als referentiepunten moet vasthouden, om de juiste verhouding tussen de beide kennis-orden vast de leggen.

 

Belangrijke Stappen In De Ontmoeting Van Geloof En Rede

36. Volgens het getuigenis van de Handelingen der Apostelen zag de christelijke verkondiging zich van meet af geconfronteerd met de toenmalige wijsgerige stromingen. Zo bericht het boek erover, dat de H. Paulus in Athene “met enkele epicureïsche en stoïcijnse wijsgeren” discussieerde (17,18). De exegetische analyse van die rede die de apostel op de Areopaag had gehouden, heeft herhaalde toespelingen op populaire overtuigingen van vooral stoïcijnse aard, aan het licht gebracht. Dat was zeker geen toeval. Om door de heidenen begrepen te worden konden de eerste christenen het in hun toespraken niet laten bij een verwijzing naar “Mozes en de profeten”; ze moesten ook wijzen op de natuurlijke Godskennis en op de stem van het morele geweten van iedere mens (vgl. Rom 1,19-21; 2,14-15; Hand 14,14-16). Omdat deze natuurlijke kennis echter in de heidense religie tot een afgodendienst was verworden (vgl. Rom 1,21-32), hield de apostel het voor verstandiger, zijn rede te vervlechten met het denken van de wijsgeren die van begin af tegen de mythen en mysterieculten noties hadden verwoord die meer respect toonden voor de goddelijke transcendentie.

De godsvoorstellingen van de mensen te reinigen van mythologische vormen, dat was inderdaad een van de grootste inspanningen die de wijsgeren van het klassieke denken zich getroost hebben. Zoals wij weten was ook de Griekse religie, niet anders dan de meeste kosmische religies, polytheïstisch. Daarbij ging zij zover, dat ze dingen en natuurverschijnselen vergoddelijkte. De pogingen van de mensen, om de oorsprong van de goden en, in hen, van het heelal te begrijpen, vonden hun eerste uitdrukking in de dichtkunst. De theogonieën zijn tot nu toe het eerste getuigenis van deze zoektocht van de mens. Het was de taak van de vaders der wijsbegeerte de samenhang tussen verstand en religie zichtbaar te maken. Omdat zij hun blik verwijdden tot algemene beginselen, stelden zij zich niet meer met de oude mythen tevreden; ze wilden aan hun geloof in de godheid een rationele basis geven.

Zo werd een weg ingeslagen die, uitgaande van de verschillende oude overleveringen, uitkwam op een ontwikkeling die overeenkwam met de eisen van de universele rede. Het doel dat deze ontwikkeling nastreefde was het kritische bewustzijn van datgene waaraan men geloofde. Het eerste positieve resultaat van deze weg was het concept van de ‘godheid’ (divinitas). Vormen van bijgeloof werden als zodanig herkend en de religie werd door de kracht van de rationele analyse tenminste gedeeltelijk gelouterd. Op deze basis begonnen de Kerkvaders een vruchtbare dialoog met de antieke wijsgeren en baanden zo de weg voor de verkondiging en het begrip van de God van Jezus Christus.

 

37. Wanneer men wijst op deze toenaderingsbeweging van de christenen naar de wijsbegeerte moet men ook de voorzichtige houding melden die andere elementen van de heidense cultuurwereld, zoals bijvoorbeeld de gnosis, bij hen opriepen. Als praktische wijsheid en levensschool kon de wijsbegeerte gemakkelijk met een kennis van hogere, esoterische aard, die slechts aan enkele volmaakten was voorbehouden, verwisseld worden. Zonder twijfel denkt de H. Paulus aan deze manier van esoterisch speculeren, wanneer hij de Kolossenzen waarschuwt: “Past op, dat niemand u verleidt met zijn wijsbegeerte en valse leer, die enkel steunen op menselijke overlevering en die zich beroepen op de natuurmachten van de wereld, niet op Christus” (2,8). De woorden van de apostel schijnen uiterst actueel, als we ze betrekken op de verschillende vormen van de esoteriek die tegenwoordig ook bij sommige gelovigen, die de benodigde kritische zin missen, om zich heen grijpen. Het voorbeeld van de H. Paulus volgend maakten andere schrijvers van de eerste eeuwen, in het bijzonder de H. Irenaeus en Tertullianus, van hun kant reeds een voorbehoud tegen een culturele opvatting die eiste dat de waarheid van de openbaring onderschikt werd gemaakt aan de interpretatie van de wijsgeren.

 

38. De ontmoeting van het christendom met de wijsbegeerte was daarom noch spontaan noch eenvoudig. De bezigheid van de wijsgeren en het bezoek van hun scholen scheen de eerste christenen eerder een storing dan een kans toe. Voor hen was de eerste, dringende opgave de verkondiging van de opgestane Heer in een persoonlijke ontmoeting, die de gesprekspartners zou brengen tot innerlijke omkering en tot een vraag om het doopsel. Dat wil echter niet zeggen dat zij de opgave om het geloofsbegrip en zijn motieven te verdiepen, veronachtzaamden. Integendeel: de kritiek van Celsus die de christenen ervan beticht, “onbeschaafde en lompe” 31 mensen te zijn, blijkt ongegrond en onwaar te zijn. De verklaring voor hun aanvankelijke onverschilligheid moeten we elders zoeken. In werkelijkheid bood de ontmoeting met het evangelie een dermate bevredigend antwoord op de tot dan toe onbeantwoorde vragen naar de zin van het leven, dat hun de omgang met de wijsgeren voorkwam als een verre en in zeker opzicht achterhaalde aangelegenheid.

Dat lijkt vandaag nog duidelijker, wanneer men denkt aan de bijdrage van het christendom aan de bevestiging van ieders recht op toegang tot de waarheid. Het christendom had na het neerhalen van de barrières van ras, maatschappelijke stand en geslacht, vanaf het begin de gelijkheid van alle mensen voor God verkondigd. De eerste consequentie van deze opvatting betrof het thema waarheid. Het elitaire karakter dat het waarheidszoeken bij de Ouden had, werd met beslistheid overwonnen: omdat de toegang tot de waarheid een goed is, dat het mogelijk maakt om bij God te komen, moeten allen in staat zijn deze weg te kunnen gaan. De wegen om de waarheid te bereiken zijn talrijk; toch kan, aangezien de christelijke waarheid heilswaarde bezit, elk van deze wegen alleen dan ingeslagen worden, als hij naar het laatste doel, dat wil zeggen naar de openbaring van Jezus Christus, leidt.

Als pionier van een positieve ontmoeting met het wijsgerige denken - zij het met voorzichtige onderscheiding - moet de H. Justinus genoemd worden: ofschoon hij zijn hoge achting voor de Griekse wijsbegeerte ook na zijn bekering bewaard had, stelde hij duidelijk en beslist, in het christendom “de enige zekere en nut brengende wijsbegeerte” te hebben gevonden32. Op vergelijkbare wijze noemde Clemens van Alexandrië het evangelie “de ware wijsbegeerte” 33 en interpreteerde hij de wijsbegeerte naar analogie van de wet van Mozes als voorbereidend onderwijs voor het christelijk geloof34 en een wegbereiding van het evangelie35. Want “naar deze wijsheid gaat het verlangen van de wijsbegeerte uit; zij is een streven van de ziel, zowel naar het vermogen tot het juiste denken alsook naar de zuiverheid van het leven; ze is de wijsheid vriendelijk en liefdevol gezind en doen alles om haar deelachtig te worden. Wijsgeren noemen wij dan hen, die verlangen koesteren naar de Wijsheid die alle dingen geschapen heeft en alles leert, dat wil zeggen: naar kennis van de Zoon van God”. 36 Hoofddoel van de Griekse wijsbegeerte is voor de Alexandrijn niet de voltooiing of de versterking van de christelijke waarheid; haar opgave is veeleer de verdediging van het geloof:: “In zichzelf volmaakt en zonder behoefte aan enige afwerking is de leer van de Verlosser, omdat zij goddelijke kracht en wijsheid is. Wanneer nu de Griekse wijsheid erbij komt, maakt zij de waarheid weliswaar niet effectiever, maar omdat zij de sofistische aanvallen ontkracht en de listige aanvallen tegen de waarheid afslaat, heeft men haar terecht haag en muur van de wijnberg genoemd.” 37

 

39. In de geschiedenis van deze ontwikkeling kan men toch de kritische overname van het wijsgerige denken door de christelijke denkers vaststellen. Onder de eerste voorbeelden die men kan ontmoeten is Origenes zeker uitnemend. Om te antwoorden op de door Celsus gedane aanvallen en hen te pareren, neemt Origenes de Platoonse wijsbegeerte over. Hij neemt tal van elementen uit het Platoonse denken over en werkt voor de eerste keer zoiets als een christelijke theologie uit. De naam theologie net als de voorstelling van haar als rationeel spreken over God was namelijk tot dan toe nog gebonden aan haar Griekse oorsprong. In de Aristotelische wijsbegeerte bijvoorbeeld betekent de uitdrukking het voornaamste deel en het eigenlijke hoogtepunt van het wijsgerig betoog. Wat voordiende duidde op een algemene leer over de goden, kreeg daarentegen in het licht van de christelijke openbaring een heel nieuwe betekenis, omdat theologie van nu af het nadenken van de gelovige aanduidde die de ware leer over God wil formuleren. In zijn ontwikkeling maakte dit nieuwe christelijke denken gebruik van de filosofie, maar was er alert op, zich er duidelijk van te onderscheiden. De geschiedenis leert dat het in de theologie overgenomen Platoonse denken zelf ingrijpende veranderingen heeft doorgemaakt, vooral waar het begrippen als onsterfelijkheid van de ziel, vergoddelijking van de mens en oorsprong van het kwaad betreft.

 

40. Bijzondere vermelding verdienen in dit kersteningswerk van het Platoonse en neo-Platoonse denken de Cappadociërs, Dionysius de Areopagiet en vooral de H. Augustinus. De grote geleerde van het Avondland was met verschillende wijsgerige scholen in contact gekomen, maar ze hadden hem allemaal teleurgesteld. Toen dan de waarheid van het christelijk geloof in zijn blikveld kwam, had hij de kracht om die radicale bekering te voltrekken waartoe hem de door hem regelmatig bezochte wijsgeren niet konden brengen. De reden daarvoor vertelt hij zelf: “Van dan af gaf ik echter de voorkeur aan de katholieke leer; ik ervoer immers, hoeveel bescheidener, zonder enig bedrieglijk oogmerk hier bevolen werd te geloven wat niet bewezen werd - of het nu wel te bewijzen was, maar niet voor ieder, of überhaupt niet te bewijzen was - terwijl de anderen een vermetele belofte van kennis deden en lachten over de gelovigheid, en later bevalen dat je verzonnen, ja absurde mythen moest geloven die nooit te bewijzen waren” 38. Dezelfde Platonici, aan wie hij bij voorkeur refereerde, maakte Augustinus het verwijt dat zij weliswaar het na te streven doel kenden, maar niets wilden weten van de weg die daarheen leidt: het vleesgeworden Woord. 39 Het lukte de bisschop van Hippo om de eerste grote synthese van het wijsgerige en theologische denken op te stellen, waarin de stromingen van het Griekse en Latijnse denken samenvloeiden. Ook bij hem werd de grote eenheid van kennis, waarvan het bijbelse denken uitgangspunt en basis vormde, door diepgravend speculatief denken bevestigd en gedragen. De door de H. Augustinus gemaakte synthese zou eeuwenlang de hoogste vorm van wijsgerig en theologisch denken blijven, die het Avondland kende. gesterkt door zijn persoonlijke levensgeschiedenis en steunend op een wonderlijke heiligheid van leven, was hij ook in staat in zijn werken een grote hoeveelheid materiaal in te brengen, dat, door terug te grijpen op de ervaring, toekomstige ontwikkelingen van verschillende wijsgerige denkrichtingen aankondigde.

 

41. De kerkvaders van het Oosten en van het Avondland hebben dus in verschillende vormen verbindingen gelegd met de wijsgerige scholen. Dat betekent niet dat ze de inhoud van hun boodschap vereenzelvigd hebben met de systemen waaraan zij refereerden. De vraag van Tertullianus: “Wat hebben Athene en Jeruzalem gemeen? Wat de Academie en de Kerk?” 40 is een duidelijke aanwijzing voor het kritische bewustzijn waarmee de christelijke denkers vanaf het begin omgingen met het probleem van de verhouding van geloof en wijsbegeerte; ze zagen het in zijn geheel, in zijn positieve aspecten evengoed als in zijn begrenzingen. Ze waren geen naïeve denkers. Juist omdat ze de inhoud van het geloof intensief beleefden, konden zij de diepste vormen van speculatief denken bereiken. Daarom is het onrechtvaardig en oppervlakkig om hun werk te vernauwen tot de loutere omzetting van de geloofsinhoud in wijsgerige categorieën. Ze hebben heel wat meer gepresteerd. Het lukte hun namelijk om volledig zichtbaar te laten worden wat zich nog onuitgesproken en propaedeutisch aankondigde in het denken van de grote antieke wijsgeren. 41 Ze hadden, als gezegd, de taak te laten zien hoe het van uitwendige boeien bevrijde verstand uit de doodlopende straat van de mythen kon raken om zich op passender wijze open te stellen voor het transcendente. Een gelouterd en oprecht verstand kon zich dus verheffen tot de hoogste niveaus van reflectie, en schiep daarmee een solide basis voor de waarneming van het zijn, het transcendente en het absolute.

Precies hierin schuilt het door de Kerkvaders volbrachte nieuwe. Ze erkenden volledig het voor het absolute openstaande verstand en plantten daarin de rijkdom uit de openbaring. Tot ontmoeting kwam het niet alleen op het niveau van culturen, waarvan de ene misschien gevallen was voor de betovering van de andere; ze vond plaats in het hart en was ontmoeting tussen het schepsel en zijn Schepper. Het verstand kon, doordat het uitging boven het doel dat het van nature onbewust nastreefde, in de Persoon van het vleesgeworden Woord komen tot het hoogste goed en de hoogste waarheid. De Kerkvaders ontzagen zich echter niet, tegenover de wijsgeren zowel de gemeenschappelijke elementen alsook de verschillen te erkennen, die deze met betrekking tot de openbaring lieten zien. Het besef van de overeenstemmingen vertroebelde in hen niet de erkenning van de verschillen.

 

42. In de scholastieke wijsbegeerte wordt onder impuls van de interpretatie van de intellectus fidei door Anselmus van Kantelberg (Canterbury) de rol van het filosofisch geschoolde verstand nog gewichtiger. Voor de heilige aartsbisschop van Kantelberg is de voorrang van het geloof niet in concurrentie met het zoeken dat aan het verstand eigen is. Dit is er namelijk niet toe geroepen, een oordeel over de geloofsinhoud te formuleren; het zou er, omdat het daarvoor ongeschikt is, ook helemaal niet toe in staat zijn. Veeleer is het zijn taak, een zin te vinden, redenen te ontdekken, die het allen mogelijk maken tot een zeker begrijpen van de geloofsinhoud te komen. De H. Anselmus onderstreept het feit dat de rede moet zoeken naar dat wat zij bemint: hoe meer ze bemint, des te meer verlangt zij naar kennis. Wie leeft voor de waarheid, streeft naar een vorm van kennis die steeds meer ontbrandt in liefde voor dat wat hij kent, ook wanneer hij moet toegeven dat hij nog niet alles heeft gedaan wat in zijn verlangen lag: Ad te videndum factus sum; et nondum feci propter quod factus sum” 42. Het streven naar waarheid drijft het verstand er dus toe om steeds verder te gaan; ja, het wordt stilaan overweldigd door het besef dat zijn vermogen steeds groter is dan wat het daadwerkelijk bereikt. Op dit punt echter kan het verstand ontdekken, waar de voltooiing van zijn tocht ligt: “Want ik meen, dat iemand die iets onbegrijpelijks onderzoekt, zich ermee tevreden moet stellen als hij met behulp van rationele overweging een heel zekere waarneming bereikt van de werkelijkheid daarvan, ook al kan zijn intellect niet doordringen tot de zijnswijze ervan (...) Want is er iets dat zo onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is als dat wat boven alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over het hoogste wezen heeft bediscussieerd, op grond van de nodige argumenten is vastgesteld, ofschoon men met de rede niet zó tot dat wezen kan doordringen dat men het ook met woorden kan verklaren, raakt daarom de grondslag van zijn zekerheid niet in het minst aan het wankelen. Want als een eerdere rationele beschouwing heeft geconcludeerd dat de wijze, waarop de hoogste wijsheid weet, wat zij geschapen heeft (...) onbegrijpelijk is (rationabiliter comprehendit incomprensibile esse), wie zal dan kunnen verklaren hoe zij zichzelf kent en zich noemt - zij, over wie de mens niets of bijna niets kan weten?” 43

De fundamentele eenheid van wijsgerige kennis en geloofskennis wordt nog eens bevestigd: het geloof verlangt dat zijn object met de hulp van het verstand begrepen wordt; het verstand erkent op het hoogtepunt van zijn zoektocht dat, wat het verstand aanbiedt, als noodzakelijk.

 

De blijvende nieuwheid van het denken van de H. Thomas van Aquino

43. Een heel bijzonder plaats op deze lange weg komt de H. Thomas toe, niet alleen om de inhoud van zijn leer, maar ook vanwege de betrekking die hij in de dialoog met het Arabische en Joodse denken van zijn tijd kon leggen. In een tijdperk waarin de christelijke denkers de schatten van de antieke, preciezer gezegd de aristotelische filosofie herontdekten, had hij de grote verdienste dat hij de harmonie die tussen rede en geloof bestaat, op de voorgrond heeft geplaatst. Het licht van het verstand en het licht van het geloof komen beide van God, luidt zijn redenering: ze kunnen elkaar dus niet tegenspreken. 44

Nog fundamenteler erkent Thomas dat de natuur, die object van de wijsbegeerte is, kan bijdragen tot het begrip van de goddelijke openbaring. Het geloof vreest derhalve het verstand niet, maar zoekt het en vertrouwt erop. Zoals de genade de natuur veronderstelt en haar voltooit, 45 zo veronderstelt en voltooit het geloof het verstand. Verlicht door het geloof wordt dit bevrijd van zijn broosheid en van zijn begrenzingen die het gevolg zijn van de ongehoorzaamheid der zonde en vindt het de nodige kracht om zich te verheffen tot de kennis van het mysterie van de drie-ene God. De Doctor Angelicus heeft, met hoeveel nadruk hij ook het bovennatuurlijke karakter van het geloof onderstreepte, de waarde van zijn rationaliteit niet vergeten: ja, hij kon in de diepte gaan en de zin van deze redelijkheid nader verklaren. Want het geloof is een soort “denkoefening”; het verstand wordt niet afgeschaft noch vernederd door haar instemming met de geloofsinhouden; tot de geloofsinhouden komt men in ieder geval door vrije beslissing en het eigen geweten. 46

Om deze reden is de H. Thomas terecht door de Kerk steeds als leermeester van het denken gepresenteerd en voorbeeld van de wijze waarop de theologie juist beoefend moet worden. In deze samenhang zou ik willen aanhalen, wat mijn voorganger, de Dienaar Gods Paus Paulus VI, naar aanleiding van de zevenhonderdste sterfdag van de H. Thomas heeft geschreven: “Thomas bezat ongetwijfeld in de hoogste mate de moed tot de waarheid, de vrijheid van geest, toen hij de nieuwe problemen tegemoet ging, de intellectuele rationaliteit van iemand die de versmelting van het christendom met de wereldse wijsbegeerte evenmin toeliet als hun afwijzing a priori. Hij ging daarom de geschiedenis van het christelijke denken in als een pionier op de nieuwe weg van de wijsbegeerte en van de universele cultuur. Het centrale punt, ja de kern van de oplossing die hij met zijn geniale profetische scherpzinnigheid voor het probleem van de nieuwe tegenstelling van rede en geloof vond, was de verzoening tussen de seculariteit van de wereld en de radicaliteit van het evangelie; daarmee onttrok hij zich aan de tegennatuurlijke neiging de wereld en haar waarden te loochenen, zonder echter de hoogste en onbuigzame aanspraken van de bovennatuurlijke orde te veronachtzamen.” 47

 

44. Tot de grote inzichten van de H. Thomas hoort ook zijn visie op de rol die de heilige Geest speelt bij het laten rijpen van menselijke kennis tot wijsheid. Reeds op de eerste bladzijden van zijn Summa Theologiae48 geeft de Aquinaat de voorrang van die wijsheid aan, die gave is van de heilige Geest en die binnenleidt in de kennis van de goddelijke werkelijkheden. Zijn theologie maakt het mogelijk, de eigen aard van de wijsheid in haar enge relatie met het geloof en met de Godskennis te begrijpen. De wijsheid kent krachtens haar natuurlijke verwantschap (connaturaliteit); zij veronderstelt het geloof en formuleert tenslotte haar juiste oordeel op basis van de waarheid van het geloof: “De wijsheid, die tot de gaven van de heilige Geest hoort, onderscheidt zich van die (schranderheid), die tot de deugden van het verstand hoort. Deze laatste verwerft men zich namelijk door de studie: die eerste daarentegen ‘komt van boven’, zoals de H. Jacobus het uitdrukt. Zo is ze ook anders dan het geloof. Want het geloof neemt de goddelijke waarheid zo aan, zoals ze is: de gave van de wijsheid echter maakt een oordeel mogelijk volgens de goddelijke waarheid.” 49

De voorrang die hij aan deze wijsheid toekent doet de Doctor Angelicus echter niet de aanwezigheid van twee andere, aanvullende wijsheidsvormen vergeten: de wijsgerige, die steunt op het vermogen van het verstand om binnen de aangeboren grenzen de werkelijkheid te onderzoeken, en de theologische die berust op de openbaring en die de geloofsinhouden onderzoekt, waardoor zij aan het mysterie van God zelf raakt.

Ten diepste ervan overtuigd dat “omne verum a quocumque dicatur a Spiritu Sancto est“,50 hield Sint Thomas onbaatzuchtig van de waarheid. Hij zocht haar overal, waar ze zich kon tonen, en maakte haar universaliteit zeer inzichtelijk. Het leergezag van de Kerk heeft in hem de hartstocht voor de waarheid erkend en gewaardeerd; zijn denken bereikte juist omdat het altijd binnen de horizon van de universele, objectieve en transcendente waarheid bleef, “toppen die de menselijke intelligentie nooit had kunnen denken”. 51 Hij mag dus met recht “Apostel van de waarheid” 52 genoemd worden. Omdat hij zonder voorbehoud zijn aandacht op de waarheid richtte, kon hij in zijn realisme haar objectiviteit erkennen. Zijn filosofie is waarlijk de filosofie van het ‘zijn’ en niet louter van de ‘schijn’.

 

Het drama van de scheiding van geloof en rede

45. Met de oprichting van de eerste universiteiten zag de theologie zich rechtstreeks geconfronteerd met andere vormen van onderzoek en wetenschappelijke kennis. De H. Albertus Magnus en de H. Thomas waren de eersten die, ofschoon zij vasthielden aan een organische verbinding tussen de wijsbegeerte en de godgeleerdheid, aan de wijsbegeerte en de wetenschappen de nodige autonomie toekenden, die ze nodig hebben om zich succesvol te wijden aan de verschillende onderzoeksgebieden. Vanaf de late Middeleeuwen verkeerde het legitieme onderscheid tussen de beide kennisvormen langzamerhand echter in een onzalige scheiding. Als gevolg van een overheersende geest van overdreven rationalisme bij enkele denkers werden de posities radicaler, tot men feitelijk bij een gescheiden en tegenover de geloofsinhouden absoluut autonome wijsbegeerte belandde. Tot de gevolgen van deze scheiding hoorde onder andere ook een groeiende argwaan jegens het verstand. Sommigen begonnen zich te bekennen tot een algemeen, sceptisch en agnostisch wantrouwen, ofwel om het geloof meer ruimte te gunnen ofwel echter om elke van zijn maar mogelijke betrekkingen met het verstand in diskrediet te brengen. Wat het patristische en middeleeuwse denken had bedacht en verwerkelijkt als diepe eenheid, die een kennis voortbracht die tot de hoogste vormen van speculatief denken in staat was, werd tenslotte vernietigd door die systemen die stonden voor een van het geloof gescheiden en in zijn plaats tredende verstandskennis.

 

46. De opvallendste radicaliseringen zijn bekend en vooral in de geschiedenis van het Avondland duidelijk zichtbaar. Het moderne wijsgerige denken heeft zich, zo kan men zonder overdrijving zeggen, voor een goed deel ontwikkeld in een geleidelijke afwending van de openbaring, tot het tenslotte uitkwam bij duidelijke tegenposities. In de vorige eeuw heeft deze beweging haar hoogtepunt bereikt. Enkele vertegenwoordigers van het idealisme hebben op de meest verschillende manieren geprobeerd het geloof en zijn inhouden, ja zelfs het mysterie van dood en opstanding van Jezus Christus in rationeel te vatten dialectische structuren om te vormen. Tegen dit denken keerden zich verschillende in filosofische termen uitgedrukte vormen van een atheïstisch humanisme, die het geloof presenteerden als schadelijk en vervreemdend voor de ontwikkeling van de volle rationaliteit. Zij ontzagen zich niet, zich als nieuwe religies te presenteren; daarmee was het uitgangspunt geschapen voor doelstellingen die op politiek-maatschappelijk vlak uitgroeiden tot totalitaire systemen en daarmee tot een trauma voor de mensheid.

Op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek groeide een positivistische denkwijze, die zich niet alleen verwijdert van iedere betrekking met de christelijke wereldbeschouwing maar die ook en vooral elke verwijzing naar een metafysische en morele visie heeft laten vallen. Het gevolg daarvan is dat bepaalde wetenschappers, die geen zedelijk referentiepunt hebben, het risico lopen dat niet langer de mens en het geheel van zijn leven in het middelpunt van hun interesse staat. Meer nog: enkelen van hen, die de mogelijkheden van technologische vooruitgang zien, schijnen niet alleen toe te geven aan een logica die op de markt is gebaseerd, maar ook aan de verleiding van quasi-goddelijke macht over de natuur en zelfs over de mens.

Als gevolg van de crisis van het rationalisme is tenslotte het nihilisme verschenen. Als filosofie van het niets slaagt het erin zijn fascinatie op onze tijdgenoten over te brengen. Zijn aanhangers stellen theorieën op, dat het zoeken doel in zichzelf is, zonder enige hoop of mogelijkheid, het doel van de waarheid ooit te bereiken. Volgens de nihilistische uitleg is het bestaan alleen maar een gelegenheid voor indrukken en ervaringen, waarin het vluchtige voorrang heeft. Het nihilisme staat aan het begin van die wijdverbreide geesteshouding, volgens welke men geen definitieve verplichting meer moet aangaan, omdat immers alles vergankelijk en voorlopig is.

 

47. Anderzijds mag men niet vergeten dat in de moderne cultuur de rol van de wijsbegeerte zelf veranderd is. Van wijsheid en universele kennis is zij geleidelijk ineengeschrompeld tot een van de vele gebieden van menselijke kennis; ze is zelfs in bepaald opzicht in een volledige bijrol gedrongen. Intussen zijn andere vormen van rationaliteit met steeds groter gewicht opgekomen en hebben daarbij benadrukt dat filosofische kennis bijzaak is. Deze vormen van rationaliteit zijn niet op de beschouwing van de waarheid en het zoeken naar het uiteindelijke doel en de zin van het leven gericht, maar, als ‘instrumentele rede’ actueel of potentieel op het dienen van utilitaristische doelen, het genot of de macht.

Hoe gevaarlijk het is deze weg te verabsoluteren, heb ik reeds in mijn eerste encycliek aangegeven, waar ik schreef: “De hedendaagse mens wordt kennelijk steeds meer bedreigd door wat hij zelf voortbrengt: door de resultaten van de arbeid van zijn hand en nog meer door die van zijn geestesarbeid en van zijn wilsbeschikkingen. Niet alleen leiden de vruchten van deze veelvormige activiteit tot ‘vervreemding’ doordat zij eenvoudigweg worden ontnomen aan wie ze heeft voortgebracht; maar al te snel en vaak onvoorzien keren de resultaten zich, tenminste ten dele, in een bepaalde loop van hun gevolgen tegen de mens zelf, al is het dan soms onrechtstreeks. Ze zijn feitelijk of mogelijkerwijs tegen hem gericht. Dit schijnt het belangrijkste hoofdstuk te zijn van het drama van het huidige menselijke bestaan in zijn breedste en meest universele dimensie. Het doet de mens in groeiende angst leven Hij vreest, dat wat hij voortbrengt zich wel eens radicaal tegen hem zou kunnen keren, niet alles natuurlijk, zelfs niet het meeste, maar precies dat waarin de mens een aanzienlijk deel van zijn creativiteit heeft geïnvesteerd.” 53

Als gevolg van deze culturele veranderingen hebben enkele filosofen het opgegeven de waarheid omwille van haarzelf te willen zoeken, en als hun enige doel genomen: het bereiken van subjectieve zekerheid of praktisch nut. Dat resulteerde in een verduistering van de echte waardigheid van het verstand, dat niet langer is toegerust, het ware te kennen en naar het absolute te zoeken.

 

48. Uit dit laatste deel van de filosofiegeschiedenis kan men dus constateren, dat er een voortgaande scheiding is tussen geloof en wijsgerige rede. Wel is het juist, dat bij aandachtige beschouwing ook in het wijsgerig denken van hen die bijgedragen hebben aan een vergroting van de afstand tussen geloof en rede, soms waardevolle aanzetten in hun denken zijn te zien die, als ze met juist gestemde geest en hart verdiept en ontwikkeld worden, kunnen helpen om de weg van de waarheid te ontdekken. Deze aanzetten zijn bijvoorbeeld te vinden in de grondige analyses over waarneming en ervaring, over persoonlijkheid en intersubjectiviteit, over vrijheid en waarden, over tijd en geschiedenis; ook het thema dood kan voor iedere denker een ernstige oproep zijn om in zichzelf de echte zin van zijn bestaan te zoeken. Dat neemt echter niet weg dat de hedendaagse verhouding van geloof en rede een subtiel onderzoek vereist omdat beide zonder de ander zijn verarmd en verzwakt. Toen het verstand zonder de bijdrage van de openbaring bleef, sloeg het zijwegen in, die het gevaar inhouden dat het zijn einddoel uit het oog verliest. Het geloof waaraan het verstand ontbreekt, heeft de nadruk gelegd op gevoel en ervaring en loopt daarmee het risico dat het geen universeel aanbod meer is. Het is een illusie te menen dat het geloof grotere overtuigingskracht bezit tegenover een zwakke rede: integendeel, het loopt het grote gevaar te verworden tot mythe respectievelijk bijgeloof. In dezelfde mate zal een verstand dat geen rijp geloof voor zich heeft, nooit aanleiding zien om de blik te richten op de nieuwheid en de radicaliteit van het zijn. Daarom doe ik deze sterke en indringende oproep en, naar ik vertrouw, op het juiste moment, dat het geloof en de wijsbegeerte de diepe eenheid herstellen die hen in staat stelt om in harmonie met hun natuur te staan, zonder hun wederzijdse autonomie afbreuk te doen. De parrhesia (vrijmoedigheid) van het geloof moet opgewassen zijn tegen de stoutmoedigheid van de rede.

 

Het Onderscheidingsvermogen Van Het Leergezag Als Dienst Aan De Waarheid

49. De Kerk heeft geen eigen wijsbegeerte, noch geeft zij aan een of andere bijzondere filosofie de voorkeur boven de andere54. De diepere reden voor deze terughoudendheid ligt in het feit dat de wijsbegeerte, ook wanneer ze in relatie treedt met de theologie, moet optreden volgens haar eigen regels en methoden; anders zou er niet de garantie zijn dat zij op de waarheid gericht blijft en naar de waarheid streeft met een door het verstand geleid proces. Een wijsbegeerte die niet in het licht van het verstand volgens eigen beginselen en de voor haar specifieke methoden te werk zou gaan, zou niet erg behulpzaam zijn. Ten diepste is de oorsprong van de autonomie die de filosofie geniet, te kennen aan het feit dat het verstand naar zijn wezen georiënteerd is op de waarheid en bovendien in zichzelf is toegerust met de voor het bereiken daarvan noodzakelijke middelen. Een wijsbegeerte die zich hiervan bewust is als van haar grondwet, moet ook de eisen en inzichten van de geopenbaarde waarheid respecteren.

Toch heeft de geschiedenis laten zien op welke dwaalwegen en in welke dwalingen vooral het moderne wijsgerige denken niet zelden is geraakt. Het is noch de taak, noch de bevoegdheid van het leergezag om in te grijpen, om de lacunes van een falend filosofisch betoog aan te vullen. Het is daarentegen zijn plicht om duidelijk en beslist te reageren, wanneer twijfelachtige filosofische opvattingen het juiste begrip van het geopenbaarde bedreigen, en wanneer valse en partijdige theorieën verspreid worden, die doordat ze de eenvoud en zuiverheid van het geloof van het Godsvolk in verwarring brengen, zeer ernstige dwalingen veroorzaken.

 

50. Het kerkelijk leergezag kan en moet daarom in het licht van het geloof met gezag zijn taak van kritische onderscheiding tegenover filosofieën en opvattingen uitoefenen, die niet overeenstemmen met de christelijke leer55. Het is vooral de opgave van het leergezag om aan te geven welke filosofische vooronderstellingen en conclusies onverenigbaar zijn met de geopenbaarde waarheid en tegelijkertijd de eisen te formuleren die aan de wijsbegeerte, vanuit het aspect van het geloof opgelegd worden. In de loop van de ontwikkeling van de wijsgerige kennis zijn bovendien verschillende denkscholen ontstaan. Ook dit pluralisme legt het leergezag de verantwoordelijkheid op om zijn oordeel uit te spreken over de verenigbaarheid respectievelijk de onverenigbaarheid van de basisprincipes, waarop deze scholen steunen, met de aanspraken van het woord van God en het theologisch onderzoek.

De Kerk heeft de plicht om te laten zien wat in een wijsgerig systeem onverenigbaar met haar geloof kan blijken. Want veel wijsgerige inhouden, zoals de thema’s God, mens, zijn vrijheid en zijn morele handelen, appelleren direct aan de Kerk, omdat zij raken aan de door haar behoede geopenbaarde waarheid. Wij bisschoppen hebben, wanneer we deze onderscheiding toepassen, de opdracht, “getuigen van de waarheid” te zijn, bij de uitoefening van een deemoedige maar onvermoeibare dienst, die iedere filosoof zou moeten erkennen, tot voordeel van de recta ratio, dat wil zeggen het verstand dat op de juiste wijze nadenkt over het ware.

 

51. Deze onderscheiding mag echter niet in eerste instantie negatief begrepen worden, alsof het leergezag de bedoeling had ieder mogelijke bemiddeling uit te sluiten of in te perken. Integendeel, zijn interventies zijn er vooral op gericht, het wijsgerige denken op te wekken, te bevorderen en te bemoedigen. De filosofen begrijpen overigens als eersten de noodzaak van zelfkritiek, van correctie van eventuele dwalingen en de noodzaak om de al te enge grenzen te overschrijden waarbinnen hun denken zich voltrekt. In het bijzonder moet in het oog gehouden worden dat de waarheid één is ofschoon haar formuleringen het stempel van de geschiedenis dragen en bovendien het werk zijn van een door de zonde aangetast en verzwakt menselijk verstand. Daarom kan geen historische vorm van wijsbegeerte er legitiem aanspraak op maken de totale waarheid te bevatten; dit geldt ook voor de volledige verklaring van de mens, de wereld en de betrekking van de mens met God.

In de huidige tijd is, gezien de verbreiding van de vaak uiterst gedetailleerd geconcipieerde wijsgerige systemen, methoden, begrippen en argumenten een kritische onderscheiding in het licht van het geloof des te dringender gevraagd: een zeker niet eenvoudige onderscheiding: want als reeds het kennen van de aangeboren en onvervreemdbare mogelijkheden van het verstand met hun inherente en historische grenzen moeilijk is, dan kan het soms nog problematischer blijken om in de afzonderlijke filosofische noties dat wat zij vanuit het standpunt van het geloof aan geldigs en vruchtbaars bieden, te onderscheiden van wat bij hen verkeerd of gevaarlijk is. De Kerk weet echter dat de “schatten van wijsheid en kennis” in Christus verborgen zijn (vgl. Kol 2,3); daarom grijpt zij in en spoort het wijsgerig onderzoek aan, zichzelf niet de weg te versperren die leidt tot de kennis van het mysterie.

 

52. Het leergezag van de Kerk heeft niet pas in de jongste tijd ingegrepen, om haar standpunt tegenover bepaalde wijsgerige doctrines bekend te maken. Als voorbeelden in de loop van de eeuwen mogen hier genoemd zijn: de verklaringen tegen de theorieën die de prae-existentie van de zielen aannamen56, alsook tegen verschillende vormen van afgoderij en bijgelovige esoteriek, die in astrologische opvattingen besloten liggen; 57 niet te vergeten de meer systematische teksten tegen enkele met het christelijk geloof onverenigbare opvattingen van het Latijnse averroïsme. 58

Wanneer het leergezag zich sinds het midden van de vorige eeuw vaker heeft doen horen, dan is dat daarom, omdat in die tijd nogal wat katholieken het als hun taak zagen, de verschillende stromingen van het moderne denken te confronteren met hun eigen filosofie. Hier werd het de plicht van het kerkelijk leergezag ervoor te waken dat deze filosofieën van hun kant niet afgleden op wegen die verkeerd en negatief waren. Zo werden tegelijkertijd veroordeeld: enerzijds het fideïsme59 en het radicale traditionalisme60 vanwege hun wantrouwen jegens de natuurlijke mogelijkheden van de rede; anderzijds het rationalisme61 en het ontologisme62, omdat zij aan het natuurlijke verstand iets toeschreven wat alleen in het licht van het geloof kenbaar is. De positieve inhouden van dit debat werden in de dogmatische constitutie Dei Filius geformaliseerd, waarmee voor het eerst een oecumenisch concilie, namelijk Vaticanum I, zich plechtig uitsprak ter zake van de betrekkingen tussen rede en geloof. De in die tekst vervatte leer karakteriseerde krachtig en positief het filosofische onderzoek van vele gelovigen en vormt ook vandaag nog een normatief referentiepunt voor een correct en consequent christelijk denken op dit gebied.

 

53. Meer dan met afzonderlijke wijsgerige opvattingen hebben de oordelen van het leergezag zich beziggehouden met de noodzaak van verstandelijke kennis en dus uiteindelijk wijsgerige kennis voor het geloofsinzicht. Het Eerste Vaticaans Concilie dat de leer die het gewone leergezag voortdurend aan de gelovigen had voorgehouden in een synthese plechtig en opnieuw bevestigde, onderstreepte hoe onscheidbaar en tegelijkertijd onafhankelijk van elkaar natuurlijke Godskennis en openbaring, verstand en geloof zijn. Het concilie ging uit van het door de openbaring zelf vooronderstelde basiscriterium van de natuurlijke kenbaarheid van het bestaan van God, de oorsprong en het doel van alle dingen, 63 en sloot met de reeds geciteerde plechtige afkondiging: “Er bestaat een tweevoudige orde van kennis, niet alleen onderscheiden in hun vertrekpunt, maar ook in hun object.” 64 Het onderscheid tussen geloofsgeheimen en wijsgerige ontdekkingen en de transcendentie en prioriteit van de eerste tegenover de laatste moesten dus tegenover iedere soort van rationalisme bekrachtigd worden; anderzijds was het nodig om tegenover de bekoringen van het fideïsme de eenheid van de waarheid te onderstrepen en daarmee ook de positieve bijdrage die de verstandelijke voor de geloofskennis kan en moet leveren: “Maar ook al staat het geloof boven het verstand, toch kan er nooit een echte divergentie zijn tussen geloof en verstand: want dezelfde God die de geheimen openbaart en het geloof meedeelt, heeft in de menselijke geest het licht van het verstand gelegd; God echter kan zichzelf niet verloochenen, noch (kan) het ware het ware weerspreken.” 65

 

54. Ook in onze eeuw is het leergezag herhaaldelijk op het thema teruggekomen en heeft gewaarschuwd voor de rationalistische bekoring. In dit scenario horen de interventies van Paus Pius X, die vaststelde, dat aan het modernisme filosofische overtuigingen van fenomenalistische, agnostische en immanentistische aard ten grondslag lagen. 66 Ook de betekenis die toekwam aan de katholieke afwijzing van de marxistische filosofie en het atheïstische communisme mag niet vergeten worden. 67

Later verhief Paus Pius XII zijn stem, toen hij in de encycliek Humani generis waarschuwde voor verkeerde verklaringen in samenhang met de opvattingen van evolutionisme, existentialisme en historicisme. Hij stelde duidelijk, dat deze opvattingen niet door theologen zijn bewerkt en voorgelegd, aangezien zij hun oorsprong hebben “buiten de schaapsstal van Christus”; 68 hij voegde er echter aan toe dat dergelijke dwalingen niet eenvoudigweg verworpen, maar kritisch onderzocht moeten worden: “Nu mogen echter de katholieke theologen en filosofen, op wie de zware taak rust, de goddelijke en menselijke waarheid te beschermen en haar in de harten van de mensen te planten, deze meer of minder van de rechte weg afdwalende opvattingen niet negeren of veronachtzamen. Ja, ze moeten deze opvattingen zelfs grondig kennen, zowel omdat ziektes niet adequaat genezen kunnen worden als zij van te voren niet goed gekend waren, alsook omdat soms zelfs in valse opinies een korreltje waarheid verborgen ligt, tenslotte ook omdat deze de geest uitdagen, bepaalde waarheden, zowel wijsgerige alsook theologische, preciezer te bespreken en te evalueren.” 69

Tenslotte moest ook de Congregatie voor de Geloofsleer in de vervulling van haar bijzondere opdracht in de dienst van het universele leergezag van de Paus70 ingrijpen, om nadrukkelijk te wijzen op het gevaar dat een onkritisch overnemen van opvattingen en methoden uit het marxisme door enkele bevrijdingstheologen met zich brengt. 71

Het leergezag heeft dus in het verleden herhaaldelijk en op verschillende manieren de kritische onderscheiding gehanteerd ten aanzien van het terrein van de wijsbegeerte. Alles wat mijn eerwaarde voorgangers daartoe gepresteerd hebben vormt een waardevolle bijdrage die niet in vergetelheid mag raken.

 

55. Wanneer we de huidige situatie in ogenschouw nemen, zien we dat de problemen van toen terugkeren, waarbij zich echter nieuwigheden voordoen. Het gaat niet alleen meer om kwesties die afzonderlijke personen of groepen betreffen, maar om opvattingen die in de samenleving zo wijd verbreid zijn, dat ze in zekere mate tot een gemeenschappelijke wijze van denken worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het radicale wantrouwen tegen de rede dat de jongste ontwikkelingen van veel wijsgerige studies vertonen. Van verschillende kanten is daaromtrent sprake van het ‘einde van de metafysica’: men wil dat de filosofie zich met bescheidener opgaven tevredenstelt, zich dus alleen aan de verklaring van het feitelijke wijdt of aan de studie van alleen maar bepaalde gebieden van de menselijke kennis of haar structuren.

In de theologie zelf duiken weer de bekoringen van vroeger op. In enkele hedendaagse theologieën baant zich bijvoorbeeld de laatste tijd een zeker rationalisme een weg, vooral wanneer meningen die men filosofisch goed gefundeerd acht, als normatief voor het theologisch onderzoek worden beschouwd. Dat gebeurt vooral dan, wanneer de theologie bij gebrek aan wijsgerige vakkennis zich onkritisch laat beïnvloeden door uitspraken die in de gangbare taal en cultuur wel ingang gevonden hebben, maar die zonder voldoende rationele grondslag zijn. 72

Ook komt een gevaarlijk terugvallen in het fideïsme voor, dat de betekenis van de verstandelijke kennis en het filosofisch debat voor het geloofsinzicht, ja voor de mogelijkheid om überhaupt in God te geloven, niet erkent. Een tegenwoordig wijdverbreid symptoom van deze fideïstische tendens is het ‘biblicisme’ dat ertoe neigt om de lezing en uitleg van de heilige Schrift tot enig criterium van de waarheid te maken. Zo komt men ertoe het woord van God alleen met de heilige Schrift te vereenzelvigen en aldus de kerkelijke leer te ondergraven, die het Tweede Vaticaans Concilie uitdrukkelijk bevestigd heeft. Nadat de constitutie Dei Verbum erop gewezen heeft dat het Woord van God zowel in de heilige Teksten alsook in de Overlevering aanwezig is73, gaat het met nadruk verder: “De Heilige Overlevering en de Heilige Schrift vormen de ene heilige Schat van Gods Woord die aan de Kerk is overgelaten. Vol aanhankelijkheid daaraan volhardt het hele heilige volk, verenigd met zijn herders, blijvend in de leer van de apostelen.” 74 De Heilige Schrift is dus niet het enige referentiepunt voor de Kerk. Want het “hoogste richtsnoer van haar geloof” 75 ontvangt zij uit de eenheid tussen de Heilige Overlevering, de Heilige Schrift en het Leergezag van de Kerk, die de heilige Geest zo heeft verbonden, dat geen van de drie zonder de andere kan bestaan. 76 Men mag voorts het gevaar niet onderschatten dat schuilt in de opzet om de waarheid van de heilige Schrift naar voren te brengen met gebruik van slechts één methode, en daarbij de noodzaak van exegese in ruimere zin te negeren, terwijl die toch de volle betekenis van de teksten laat vinden, samen met de hele Kerk. Allen die zich aan de bijbelstudie wijden moeten steeds voor ogen houden dat ook aan de verschillende hermeneutische methoden een filosofische opvatting ten grondslag ligt: die moet vóór haar toepassing op de heilige teksten grondig beproefd worden.

Andere vormen van latent fideïsme zijn evenzeer te herkennen aan het geringe respect dat men voor de speculatieve theologie heeft alsook aan de minachting voor de klassieke wijsbegeerte, uit welker begrippenarsenaal zowel het geloofsverstaan alsook de dogmatische formuleringen hun begrippen hebben geput. Paus Pius XII zaliger gedachtenis heeft gewaarschuwd voor een dergelijke verwaarlozing van de wijsgerige traditie en voor het opgeven van de overgeleverde terminologieën. 77

 

56. Er zijn tenslotte tekenen van een wijdverbreid wantrouwen jegens universele en absolute uitspraken, vooral bij hen die denken dat de waarheid geboren wordt uit overeenstemming en niet uit harmonie van de rede met de objectieve werkelijkheid. In een wereld die verdeeld is in zoveel specialismen is het zeer begrijpelijk dat men moeilijk volledige en ultieme betekenis van het leven kan erkennen, waarnaar de wijsbegeerte traditioneel gezocht heeft. Niettemin kan ik slechts, in het licht van het geloof dat in Jezus Christus deze laatste betekenis vindt, de christelijke en ook niet-christelijke filosofen aanmoedigen, vertrouwen te stellen in de capaciteiten van het menselijk verstand en zich bij hun filosoferen niet al te bescheiden doelen te stellen. De les van de geschiedenis van dit ten einde lopende millennium is, dat dàt de weg is die men moet inslaan: de hartstocht voor de uiteindelijke waarheid en de wens, haar te zoeken, verbonden met de moed om nieuwe wegen te ontdekken, mogen niet verloren gaan! Het is het geloof dat het verstand uitdaagt om uit elk mogelijk isolement te treden en voor alles wat mooi, goed en waar is, iets te riskeren. Zo wordt het geloof tot overtuigde en overtuigende advocaat van de rede.

 

De interesse van de Kerk voor de wijsbegeerte

57. Het leergezag doet echter meer dan enkel de dwalingen en afwijkingen van de wijsgerige doctrines laten zien. Met dezelfde zorg heeft het de grondbeginselen voor een echte vernieuwing van het wijsgerige denken onderstreept en ook concreet laten zien, welke wegen in te slaan. In deze zin zette Paus Leo XIII met zijn encycliek Aeterni Patris een stap van werkelijk historische draagwijdte voor het leven van de Kerk. Die tekst was tot vandaag het enige pauselijke document dat in zijn geheel aan de wijsbegeerte was gewijd. De grote paus nam de leer van Vaticanum I over de verhouding van geloof en rede op en ontwikkelde haar verder door te laten zien dat het wijsgerige denken een fundamentele bijdrage aan het geloof en aan de theologische wetenschap is. 78 Na meer dan een eeuw hebben veel van de inzichten in die tekst zowel uit praktisch als uit pedagogisch oogpunt niets aan betekenis ingeboet; dat geldt op de eerste plaats voor zijn vasthouden aan de onvergelijkelijke waarde van de wijsbegeerte van Sint Thomas. Het denken van de Doctor Angelicus opnieuw presenteren: dat scheen Paus Leo XIII de beste weg toe om weer zó om te gaan met de wijsbegeerte dat zij harmonieert met de eisen van het geloof. De paus schreef: “Juist wanneer St. Thomas zoals het hoort het geloof volledig scheidt van de rede, verenigt hij beide door de banden van wederzijdse vriendschap: hij staat beide hun rechten toe en beschermt hun waardigheid.” 79

 

58. De gelukkige gevolgen die die pauselijke oproep had, zijn bekend. De onderzoekingen naar het denken van de H. Thomas en andere scholastieke schrijvers kregen een nieuwe impuls. Historische studies bloeiden, resulterend in een herontdekking van de rijkdom van het middeleeuwse denken, dat tot dan toe goeddeels onbekend was geweest; en er kwamen nu nieuwe Thomistische scholen op. Door de toepassing van de historische methode maakte de kennis van het werk van de H. Thomas grote vooruitgang; talrijke geleerden brachten moedig de Thomistische overlevering in in de discussie over de toenmalige wijsgerige en theologische problemen. De invloedrijkste katholieke theologen van deze eeuw, aan wier denken en studies Vaticanum II veel te danken heeft, zijn kinderen van deze vernieuwing van de Thomistische wijsbegeerte. Zo stond de Kerk in de loop van de 20ste eeuw een sterke groep denkers ter beschikking, die gevormd waren in de school van de Doctor Angelicus.

 

59. De Thomistische en neo-Thomistische vernieuwing was echter niet het enige teken van een nieuwe opname van het wijsgerig denken in de christelijk geïnspireerde cultuur. Reeds vóór de oproep van Paus Leo en parallel daarmee waren talrijke katholieke filosofen opgetreden, die aangeknoopt hadden bij de jongere denkrichtingen en daarbij volgens hun eigen methode wijsgerige werken van grote invloed en blijvende waarde hadden voortgebracht. Daaronder enkele die syntheses hadden ontwikkeld van een zodanig profiel, dat zij in niets onderdeden voor de grote systemen van het idealisme; weer anderen legden de kennistheoretische grondslagen voor een nieuwe behandeling van het geloof in het licht van een hernieuwd verstaan van het morele geweten; nog anderen schiepen een wijsbegeerte die, uitgaande van de analyse van het binnenwereldse, de weg naar het transcendente opende; en tenslotte waren er ook die de eisen van het geloof trachtten te verenigen met het perspectief van de fenomenologische methode. Vanuit verschillende perspectieven heeft men dus voortdurend vormen van wijsgerige speculatie voortgebracht, die de geweldige traditie van het christelijk denken in de eenheid van geloof en rede levend wilden houden.

 

60. Vaticanum II presenteerde van zijn kant een zeer rijke en vruchtbare doctrine met betrekking tot de wijsbegeerte. ik kan bijzonder in het kader van deze encycliek niet vergeten, dat een heel hoofdstuk van de constitutie Gaudium et spes tegelijkertijd een samenvatting van bijbelse antropologie en daarmee ook een inspiratiebron voor de wijsbegeerte vormt. Op die bladzijden gaat het om de waarde van de naar Gods beeld geschapen menselijke persoon. Zijn waardigheid en heerschappij over de rest van de schepping worden uitgelegd en het transcendente vermogen van zijn rede verklaard. 80 Ook het probleem van het atheïsme komt in Gaudium et spes naar voren; daarbij worden de dwalingen van die wijsgerige opvatting, vooral tegenover de onvervreemdbare waardigheid van de persoon en zijn vrijheid, precies uitgelegd. 81 Diepe wijsgerige betekenis bezit zeker ook de formulering, die het hoogtepunt van deze passage vormt. Ik heb haar in mijn encycliek Redemptor hominis aangehaald; ze hoort tot de vaste referentiepunten van mijn leven: “Inderdaad, het mysterie van de mens wordt eerst echt verhelderd in het mysterie van het mensgeworden Woord. Adam immers, de eerste mens, was de voorafbeelding van Hem die komen zou, Christus de Heer. Als de nieuwe Adam doet Christus juist door de openbaring van het mysterie van de Vader en zijn liefde de mens ten volle zien wie hij is en onthult Hij hem de sublieme grootheid van zijn roeping.” 82

Het concilie heeft zich ook beziggehouden met de studie van de filosofie, waaraan de priesterkandidaten zich moeten wijden; het gaat om aanbevelingen die zich verder laten uitbreiden tot het christelijk onderricht in zijn totaliteit: “De wijsgerige wetenschappen moeten zo worden gegeven, dat de studenten vooral een handreiking krijgen tot een degelijke en samenhangende kennisneming van de mens, de wereld en van God. Daarbij ondervinden zij steun van het altijd weer geldende filosofische erfgoed, terwijl anderzijds rekening wordt gehouden met de wijsgerige onderzoekingen van de laatste tijden”. 83 Deze voorschriften zijn herhaald en ontwikkeld in een aantal andere documenten van het leergezag om een solide wijsgerige vorming te garanderen, vooral voor hen die zich voorbereiden op de theologische studies. Zelf heb ik verschillende malen het belang van deze wijsgerige vorming onderstreept voor hen die zich eens, in hun pastorale leven, zullen moeten bezighouden met de aspiraties van de hedendaagse wereld en de oorzaken van allerlei opstellingen moeten begrijpen, om daarop een passend antwoord te geven. 84

 

61. Als van tijd tot tijd een tussenkomst over dit thema nodig is gebleken - waarbij men ook de waarde van de inzichten van de Doctor Angelicus benadrukte en vasthield aan de bestudering van zijn denken - dan was dat omdat de voorschriften van het leergezag niet steeds zijn opgevolgd met de gewenste bereidheid. Op veel katholieke scholen kon men in de jaren die onmiddellijk volgden op het concilie dienaangaande een zeker verval constateren, dat aan een geringere waardering niet alleen van de scholastieke wijsbegeerte, maar meer algemeen van de studie der wijsbegeerte als zodanig, is toe te schrijven. Met verwondering en spijt moet ik vaststellen dat heel wat theologen deze onverschilligheid jegens de filosofiestudie delen.

Deze afwijzing heeft verschillende oorzaken. Op de eerste plaats denke men aan het wantrouwen tegen de rede, dat een groot deel van de hedendaagse wijsbegeerte aan de dag legt door het metafysisch onderzoek naar de laatste vragen van de mens grotendeels achterwege te laten, terwijl men de aandacht concentreert op detailkwesties en deelproblemen, soms zelfs ook puur formele. Daar komt bovendien nog het misverstand bij dat vooral met betrekking tot de ‘menswetenschappen’ is ontstaan. Vaticanum II heeft verschillende malen gewezen op de positieve waarde van het wetenschappelijk onderzoek voor een diepere kennis van het mysterie van de mens. 85 Het appèl aan de theologen om zich deze wetenschappen eigen te maken en ze, waar nodig, in hun onderzoek correct toe te passen, mag echter niet als een onuitgesproken machtiging geïnterpreteerd worden, de filosofie in de pastorale vorming en in de praeparatio fidei alleen maar in de marge te behandelen of zelfs te vervangen. Tenslotte mag men de herontdekte belangstelling voor de inculturatie van het geloof niet vergeten. Vooral het leven van de jonge Kerken heeft, samen met hoogontwikkelde denkvormen, een gamma van uitdrukkingen van volkswijsheid aan het licht gebracht: en dit vormt een echte culturele rijkdom aan tradities. Maar de studie van traditionele gebruiken moet hand in hand gaan met wijsgerig onderzoek, een onderzoek dat de positieve elementen van de volkswijsheid naar boven zal laten komen en de noodzakelijke band zal smeden met de verkondiging van het evangelie. 86

 

62. Ik wens duidelijk te herhalen dat de studie van de filosofie fundamenteel en onmisbaar is voor de structuur van de theologiestudies en voor de vorming van priesterkandidaten. Het is niet toevallig dat het curriculum van de theologiestudies wordt voorafgegaan door een tijd van speciale studie van de wijsbegeerte. Deze beslissing, bevestigd door het Vijfde Concilie van Lateranen87, wortelt in de ervaring die in de middeleeuwen rijpte, toen het belang van een constructieve harmonie tussen theologisch en filosofisch onderricht naar boven kwam. Deze ordening van de studie beïnvloedde, bevorderde en verwerkelijkte veel van de ontwikkeling van de moderne filosofie, zij het indirect. Een tekenend voorbeeld hiervan is de invloed van de Disputationes Metaphysicae van Francisco Suárez, die zelf op de Lutherse universiteiten van Duitsland hun weg vonden. Omgekeerd heeft de ontmanteling van deze methode geleid tot ernstige hiaten in zowel de priestervorming als het theologisch onderzoek. Men denke aan de onverschilligheid tegenover het moderne denken en de moderne cultuur, die ertoe geleid heeft dat men zich van iedere vorm van dialoog onthoudt of juist kritiekloos iedere filosofie aanneemt. Ik vertrouw er ten zeerste op dat deze moeilijkheden door een zinvolle filosofische en theologische vorming worden overwonnen, die in de Kerk nooit verloren mag gaan.

 

63. Vanwege genoemde redenen scheen het mij dringend geboden, met deze encycliek de sterke interesse van de Kerk in de wijsbegeerte te benadrukken; immers, het gaat om de nauwe banden die de theologische arbeid verbinden met de wijsgerige zoektocht naar de waarheid. Daaruit ontstaat voor het leergezag de verplichting om precies te onderscheiden en een wijsgerig denken te stimuleren dat niet vijandig staat tegenover het geloof. Het is mijn taak om enkele beginselen en referentiepunten te presenteren die ik noodzakelijk acht om weer een harmonieuze en effectieve relatie tussen wijsbegeerte en godgeleerdheid te kunnen opbouwen. In het licht van deze beginselen zal het mogelijk zijn om met grotere helderheid te testen, of de theologie een relatie tot de verschillende wijsgerige systemen of opvattingen die de hedendaagse wereld kent, moet onderhouden, en zo ja: wat voor een.

 

De Kennis Van Het Geloof En De Postulaten Van De Wijsgerige Rede

64. Het woord van God wordt gericht aan iedere mens, op elk moment en op iedere plaats ter wereld; en de mens is van nature wijsgeer. De theologie, als beschouwende, wetenschappelijke uitwerking van het verstaan van dit Woord in het licht van geloof, moet van haar kant in relatie treden, in sommige van haar procedures en in de uitvoering van haar specifieke taken, met de filosofieën die door de eeuwen heen zijn ontwikkeld. Ik heb niet de wens om theologen bepaalde methoden aan te bevelen, aangezien dat niet de bevoegdheid is van het leergezag, maar om enkele bijzondere taken van de theologie in herinnering te brengen, die, krachtens het wezen van het geopenbaarde Woord, niet zonder het wijsgerig onderzoek kunnen.

 

65. Theologie is opgebouwd als een wetenschap van het geloof in het licht van een tweevoudig methodologisch beginsel: de auditus fidei en de intellectus fidei. Met de eerste maakt de theologie zich de inhoud van de openbaring eigen, zoals die zich geleidelijk aan heeft ontvouwen in de Heilige Traditie, de Heilige Schrift en het levende Leergezag van de Kerk. 88 Met de tweede tracht de theologie door speculatief onderzoek te antwoorden op de specifieke vragen van het denken.

De filosofie draagt specifiek bij aan de theologie in de voorbereiding op een correcte auditus fidei met haar studie van de opbouw van kennis en persoonlijke communicatie, speciaal de verschillende vormen en functies van de taal. Niet minder belangrijk is de bijdrage van de filosofie aan een meer coherent begrip van de Traditie van de Kerk, de uitspraken van het Leergezag en de leer van de grote meesters van de theologie, die dikwijls begrippen en denkvormen overnemen van een bepaalde wijsgerige traditie. In dit geval wordt van de theoloog gevraagd om niet alleen de begrippen en termen die de Kerk gebruikt in haar denken en in de ontwikkeling van haar leer, uit te leggen, maar ook om de wijsgerige systemen ten diepste te kennen, die deze begrippen en termen hebben beïnvloed, om correcte en consistente interpretaties ervan te formuleren.

 

66. Wat de intellectus fidei betreft, moet vooral bedacht worden dat de goddelijke waarheid, “die ons in de door de leer der Kerk juist uitgelegde Heilige Schrift wordt gepresenteerd”, 89 een eigen, in haar logica zo consequente rationaliteit bezit, dat zij een echt weten vormt. De intellectus fidei legt deze waarheid uit doordat hij niet alleen de logische en begripsstructuur van de proposities opneemt, waarin de leer van de Kerk is gekaderd, maar ook en vooral door de heilsbetekenis van deze uitspraken voor het individu en voor de mensheid, in het licht te stellen. Van het geheel van deze uitspraken komt de gelovige tot kennis van de heilsgeschiedenis, die in de persoon van Jezus Christus en in zijn paasmysterie haar hoogtepunt heeft. Door zijn instemming uit het geloof heeft hij aan dit mysterie deel.

De dogmatische theologie moet van haar kant in staat zijn, de universele betekenis van het mysterie van de drie-ene God en van het heilsplan, zowel op vertellende manier alsook vooral in de vorm van de redenering te presenteren. Dat moet zij met andere woorden doen met behulp van uitdrukkingen en begrippen die geformuleerd zijn op kritische en algemeen te communiceren wijze. Want zonder de bijdrage van de wijsbegeerte zouden theologische inhouden, zoals bijvoorbeeld het spreken over God, de relaties tussen de personen binnen de Drie-eenheid, het scheppende werken van God in de wereld, de relatie tussen God en de mens, de identiteit van Christus, die ware God en ware mens is, niet aanschouwelijk te maken zijn. Datzelfde geldt voor verschillende themata van de moraaltheologie, waar heel duidelijk begrippen als bijvoorbeeld zedenwet, geweten, vrijheid, persoonlijke verantwoordelijkheid, schuld enzovoorts toegepast worden, die gedefinieerd worden in het kader van de filosofische ethiek.

Vandaar dat het verstand van de gelovige zich een natuurlijke, ware en consistente kennis van de geschapen dingen, van de wereld en van de mens moet verwerven, die ook voorwerp van de goddelijke openbaring zijn; meer nog: het verstand van de gelovige moet in staat zijn deze kennis uit te drukken in begrippen en in de vorm van de redenering. De speculatieve dogmatische theologie veronderstelt daarom impliciet een op de objectieve waarheid gefundeerde filosofie van de mens, van de wereld en, radicaler, van het zijn.

 

67. De fundamentele theologie zal zich vanwege het karakter van deze theologische discipline, welker opgave de rekenschap over het geloof is (vgl. 1Petr 3, 15), moeten bekommeren om het rechtvaardigen en het verklaren van de relatie tussen het geloof en het filosofische denken. Reeds Vaticanum I had de Paulijnse leer (vgl. Rom 1, 19-20) opnieuw naar voren gebracht en er de aandacht op gevestigd, dat er waarheden zijn die langs natuurlijke weg kenbaar zijn. Daarom zijn zij het ook langs filosofische weg. En de aanvaarding van de openbaring van God veronderstelt noodzakelijkerwijs kennis van deze waarheden. Bij het bestuderen van de openbaring en haar geloofwaardigheid, begeleid door de overeenkomstige geloofsakt, zal de fundamentele theologie moeten laten zien dat in het licht van de kennis door het geloof enkele waarheden aan het licht komen die het verstand reeds op zijn zelfstandige zoektocht bereikt. De openbaring verleent aan deze waarheden hun volste betekenis doordat zij ze stuurt naar de rijkdom van het geopenbaarde geheim waarin ze hun uiteindelijke doel vinden. Men denke bijvoorbeeld aan de natuurlijke Godskennis, aan de mogelijkheid van het onderscheiden van de goddelijke openbaring van andere verschijnselen of aan de erkenning van haar geloofwaardigheid, aan het vermogen van de menselijke taal om uitdrukkelijk en naar waarheid ook te spreken van datgene dat boven iedere menselijke ervaring uitgaat. Door al deze waarheden wordt de geest ertoe gebracht, het bestaan van een werkelijk op het geloof voorbereidende weg te erkennen die kan uitlopen op het aanvaarden van de openbaring zonder de eigen beginselen en hun autonomie ook maar in het geringste aan te tasten. 90

Op gelijke wijze zal de fundamentele theologie moeten laten zien dat er een innerlijke verenigbaarheid bestaat tussen het geloof en zijn fundamentele eis om zich te presenteren door een verstand dat in staat is in volle vrijheid zijn toestemming te geven. Zo zal het geloof “aan een verstand dat oprecht naar de waarheid zoekt” volledig de weg kunnen wijzen. Op deze wijze kan het geloof als geschenk van God, ook als het niet op het verstand steunt, zeker niet daarvan afzien; tegelijkertijd blijkt het voor het verstand nodig om van het geloof gebruik te maken om de horizonten te ontdekken die het alleen niet zou kunnen bereiken”. 91

 

68. De moraaltheologie heeft misschien in nog grotere mate de bijdrage van de wijsbegeerte nodig. Want in het nieuwe verbond is het menselijk leven veel minder door voorschriften geregeld dan in het oude verbond. Het leven in de Heilige Geest brengt hen die geloven tot een vrijheid en verantwoordelijkheid die uitgaan boven de wet zelf. Niettemin bieden het evangelie en de geschriften van de apostelen zowel algemene beginselen van een christelijke levenswijze alsook precieze leerstellingen en geboden. Om ze toe te passen op de bijzondere levensomstandigheden van het individu en van de samenleving, moet de christen in staat zijn zijn geweten en zijn denkkracht tot het uiterste in te zetten. Dat wil, met andere woorden, zeggen: de moraaltheologie moet zich bedienen van een juiste filosofische visie, zowel op de menselijke natuur en samenleving alsook op de algemene beginselen van een morele beslissing.

 

69. Men kan hier wellicht tegen inbrengen dat de theoloog in de huidige situatie zich niet zozeer van de wijsbegeerte als wel van de hulp van andere vormen van menselijke kennis zou moeten bedienen, zoals de geschiedenis en vooral de natuurwetenschappen, waarvan de jongste buitengewone ontwikkelingen door allen bewonderd worden. Anderen daarentegen huldigen, als gevolg van een toegenomen gevoeligheid voor de relatie tussen geloof en cultuur, de opvatting dat de theologie zich beter zou wenden tot de traditionele wijsheidsvormen in plaats van een filosofie van Griekse en Eurocentrische oorsprong. Weer anderen loochenen, uitgaande van een valse voorstelling van het pluralisme van de culturen, eenvoudigweg de universele waarden van het door de Kerk ontvangen wijsgerige erfgoed.

De hier geciteerde opvattingen, die we onder andere reeds in de leer van het Concilie tegenkomen, 92 zijn gedeeltelijk waar. De verwijzing naar de natuurwetenschappen is in veel gevallen nuttig, omdat zij een completere kennis van het onderzoeksobject mogelijk maakt; ze mag echter niet de noodzakelijke toepassing van een typisch wijsgerige, kritische en algemene geldigheid nastrevende reflectie doen vergeten, die, trouwens bevorderd wordt door een vruchtbare uitwisseling tussen de culturen. Wat ik met nadruk zou willen onderstrepen, is de plicht om niet bij het concrete, afzonderlijke geval te blijven staan, en daarmee de voornaamste taak te verwaarlozen, die erin bestaat het universele karakter van de geloofsinhoud te laten zien. Bovendien mag men niet vergeten dat de bijzondere bijdrage van het wijsgerige denken het mogelijk maakt om zowel in de verschillende levensopvattingen alsook in de culturen te leren kennen, “niet wat de mensen denken, maar wat de objectieve waarheid is”. 93 Niet de verschillende menselijke meningen maar alleen de waarheid kan de theologie behulpzaam zijn.

 

70. Het thema van de relatie met de culturen verdient een speciale, zij het noodgedwongen niet uitputtende, beschouwing vanwege de daaruit voortkomende implicaties zowel op filosofisch als op theologisch gebied. Het proces van de ontmoeting en confrontatie met de culturen is een ervaring die de Kerk vanaf het begin van de verkondiging van het evangelie heeft beleefd. Het gebod van Christus aan de leerlingen om overal heen te gaan, “tot aan de grenzen der aarde” (Hand 1, 8), om de door Hem geopenbaarde waarheid door te geven, bracht de christelijke gemeente er reeds zeer vroeg toe om de universaliteit van de verkondiging en de hindernissen die uit de diversiteit van de culturen ontstonden, te erkennen. Een passage uit de brief van de heilige Paulus aan de christenen van Efeze biedt een goede hulp om te begrijpen hoe de eerste gemeente met dit probleem is omgegaan. De apostel schrijft: “Nu echter zijn jullie, die eens veraf waren, door Christus Jezus, en wel door zijn bloed, dichtbij gekomen. Want Hij is onze vrede. Hij verenigde de beide delen (joden en heidenen), en haalde door zijn sterven de scheidingswand van de vijandschap omlaag” (2, 13-14).

Met deze tekst voor ogen breidt onze overweging zich uit naar de verandering die bij de heidenen is opgetreden, die eens tot het geloof zijn gekomen. In het licht van de volheid van het door Christus volbrachte heil vallen de scheidingsmuren tussen de verschillende culturen. De belofte van God wordt nu in Christus tot een aanbod voor allen: ze is niet meer tot de eigen aard van een volk, zijn taal en zijn gebruiken beperkt, maar wordt als een schat waar ieder vrij uit putten kan, tot allen uitgebreid. Van verschillende plaatsen en tradities zijn allen er in Christus toe geroepen, aan de eenheid van de familie van Gods kinderen deel te hebben. Christus staat beide volkeren toe, ‘een’ te worden. Zij die ‘veraf’ waren, zijn dankzij het nieuwe dat het passmysterie bewerkte, ‘dichtbij gekomen’. Jezus haalt de scheidingsmuren omlaag en voltrekt de vereniging op een unieke, verheven manier door de deelname aan zijn mysterie. Deze eenheid is zo diep, dat de Kerk met de H. Paulus kan zeggen: “Jullie zijn dus geen vreemden meer, zonder burgerrecht, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God” (Ef 2,19).

In zo’n eenvoudige zin wordt een geweldige waarheid beschreven: de ontmoeting van het geloof met de verschillende culturen heeft inderdaad een nieuwe werkelijkheid doen ontstaan. Wanneer de culturen hun wortels diep in de menselijke natuur hebben, getuigen zij van de typische openheid van de mens voor het universele en het transcendente. Daarom vormen zij verschillende wijzen van toenadering tot de waarheid; ze blijken zonder twijfel nuttig voor de mens die ze wijzen op waarden die zijn bestaan steeds menselijker kunnen maken. 94 Waar de culturen zich beroepen op de waarden van de antieke overleveringen, bevatten zij - weliswaar onuitgesproken, maar daarom niet minder reëel - een verwijzing naar Gods zelf-openbaring in de natuur, zoals we eerder bij de bespreking van de wijsheidsteksten en de leer van de H. Paulus hebben gezien.

 

71. Omdat de culturen in nauwe verbinding staan met de mensen en hun geschiedenis, delen ze dezelfde dynamische krachten die het menselijk leven laat zien. Dientengevolge kan men veranderingen en vooruitgang constateren die voortkomen uit de onderlinge ontmoetingen van mensen en de uitwisseling van hun levenswijzen. Culturen worden gevoed door het delen van waarden, en hun levenskracht en bloei danken zij aan het vermogen, open te blijven voor de opname van het nieuwe. Welke verklaring is er voor deze dynamische krachten? Iedere mens is vervlochten met een cultuur, is ervan afhankelijk en beïnvloedt haar. Hij is tegelijk kind en vader van de cultuur waarin hij is ingebed. In elk van zijn uitingen draagt hij iets wat hem boven de schepping uittilt: zijn voortdurende openheid voor het mysterie en zijn onuitputtelijk verlangen naar kennis. Dientengevolge draagt iedere cultuur het merkteken van een spanning die op voltooiing is gericht, en laat het doorschijnen. Je kunt dus zeggen dat de cultuur de mogelijkheid in zich draagt om de goddelijke openbaring aan te nemen.

De wijze waarop de christenen het geloof (be-)leven is ook doordrongen van de cultuur van hun omgeving en draagt er van haar kant toe bij, beetje bij beetje die cultuur te vormen. De christenen brengen in iedere cultuur de door God in de geschiedenis en in de cultuur van een volk geopenbaarde, onveranderlijke waarheid van God. Zo plant in de loop van de eeuwen de gebeurtenis zich steeds verder voort, getuigen waarvan de pelgrims waren op die Pinksterdag in Jeruzalem: “Zijn dat niet allemaal Gallileeërs, die hier spreken. Hoe kan ieder van ons hen dan in zijn moedertaal horen: Parthen, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, van Pontus en de provincie Asia, van Phrygië en Pamphylië, van Egypte en het gebied van Lybië naar Cyrene toe, ook de Romeinen die hier zijn, joden en proselieten, Kretenzers en Arabieren, we horen hen in onze talen Gods grote daden verkondigen” (Hand 2, 7-11). De verkondiging van het evangelie in de verschillende culturen vraagt van de afzonderlijke ontvangers vast te houden aan het geloof; ze belet de ontvangers echter niet, hun culturele eigenheid te bewaren. Dat brengt geen spanning, omdat het volk der gedoopten zich kenmerkt door een universaliteit die iedere cultuur kan opnemen, waardoor de verdere ontwikkeling van wat impliciet aanwezig is tot zijn volle ontplooiing in de waarheid wordt begunstigd.

Dit betekent dat geen enkele cultuur ooit beoordelingscriterium kan worden, veel minder nog laatste waarheidscriterium met betrekking tot Gods openbaring. Het evangelie staat niet in tegenstelling tot deze of gene cultuur, alsof het in de ontmoeting daarmee haar zou willen ontzeggen wat haar toebehoort en haar dwingen uiterlijke vormen aan te nemen die niet bij haar passen. Integendeel, de verkondiging die de gelovige uitdraagt in de wereld en in de culturen, is een echte vorm van bevrijding van elke door de zonde ingevoerde wanorde en tegelijk een oproep tot de volle waarheid. Bij deze ontmoeting wordt de culturen niets ontzegd: ze worden zelfs aangemoedigd zich open te stellen voor het nieuwe dat de waarheid van het evangelie bevat, om daaruit aansporingen te ontvangen voor nieuwe ontwikkelingen.

 

72. Bij de verkondiging van het evangelie ontmoette het christendom allereerst de Griekse wijsbegeerte; maar dit betekent helemaal niet dat andere benaderingen uitgesloten waren. In onze tegenwoordige tijd, waarin het evangelie geleidelijk in aanraking komt met culturen die zich tot nu toe buiten het verbreidingsgebied van het christendom bevonden, zijn er nieuwe inculturatie-taken. Voor onze generatie doen zich dezelfde problemen voor, als die waarmee de Kerk in de eerste eeuwen geconfronteerd werd.

Mijn gedachten gaan spontaan naar de landen van het Oosten, die zo rijk zijn aan zeer oude godsdienstige en wijsgerige tradities. Daaronder neemt India een bijzondere plaats in. Een geweldige geestelijke impuls leidt het Indiase denken ertoe, te zoeken naar een ervaring, die absolute waarde heeft doordat zij de geest bevrijdt van de kluisters van tijd en ruimte. De dynamiek van dit zoeken naar bevrijding verschaft het kader voor grote metafysische systemen.

De christen van vandaag, vooral die in India, heeft de opgave om uit dit rijke erfgoed de elementen te nemen die met zijn geloof verenigbaar zijn, zodat het tot een verrijking van het christelijke denken komt. Voor dit werk van onderscheiding, waartoe de concilieverklaring Nostra Aetate aanzet, moet hij een rij criteria hanteren. Het eerste is de universaliteit van de menselijke geest, wiens eerste behoeften in de verschillende culturen hetzelfde zijn. Het tweede, dat voortkomt uit het eerste, is aldus: wanneer de Kerk met grote culturen in contact treedt, waarmee zij voordien nog niet in aanraking was geweest, mag zij zich niet losmaken van wat zij zich eigen heeft gemaakt door de inculturatie in het Grieks-Latijnse denken. Afzien van een dergelijk erfgoed zou het plan van Gods Voorzienigheid doorkruisen, die zijn Kerk leidt langs de wegen van de tijd en de geschiedenis. Dit criterium geldt overigens voor de Kerk van ieder tijdperk, ook voor de Kerk van morgen, die zich verrijkt zal voelen door verworvenheden uit de huidige toenadering tot de oosterse culturen. Zij zal in dit erfgoed nieuwe aanwijzingen vinden om in een vruchtbare dialoog te treden met die culturen, die de mensheid op haar weg naar de toekomst tot bloeien kunnen brengen. Ten derde moet men ervoor waken, de gewettigde aanspraak van het Indiase denken op bijzonderheid en oorspronkelijkheid niet te verwisselen met het idee als zou een culturele traditie zich moeten inkapselen in haar anders-zijn en zich sterk maken in haar tegenstelling tot de andere tradities; dat zou het wezen van de mens tegenspreken.

 

73. In het licht van deze beschouwingen kan de relatie tussen theologie en wijsbegeerte het beste beschreven worden als een cirkel. De bron en het startpunt van de theologie moet altijd het woord van God zijn, geopenbaard in de geschiedenis, terwijl haar uiteindelijke doel het begrijpen van dat woord zal zijn, dat toeneemt met iedere nieuwe generatie. Omdat anderzijds het woord van God Waarheid is (vgl. Joh 17,17), kan het menselijke zoeken naar de waarheid - d.w.z. filosofie die zich aan haar eigen regels houdt - alleen maar helpen om Gods woord beter te verstaan. Het is niet zo maar een kwestie van theologische redenering die dit of dat begrip of element uit een filosofische structuur gebruikt; wat vooral van belang is, is dat de rede van de gelovige haar denkvermogen gebruikt in het zoeken naar de waarheid, in een beweging die gaat van het woord van God naar een beter begrip daarvan. Het is alsof de rede, die zich beweegt tussen de beide polen van Gods woord en een beter begrip daarvan, leiding geboden krijgt en gewaarschuwd wordt voor wegen die haar doen afdwalen van de geopenbaarde Waarheid en tenslotte van de pure, eenvoudige waarheid. Ze wordt daarentegen aangespoord om wegen te verkennen waarvan ze uit zichzelf niet eens zou kunnen vermoeden dat ze die kon inslaan. Deze cirkelvormige relatie met het woord van God verrijkt tenslotte de wijsbegeerte, omdat de rede nieuwe en onvermoede horizonten ontdekt.

 

74. De vruchtbaarheid van deze relatie wordt bevestigd door de ervaring van grote christelijke theologen, die zich ook onderscheidden als grote filosofen en ons geschriftren hebben nagelaten van zo hoge speculatieve waarde dat zij met recht op één lijn met de meesters van de antieke wijsbegeerte gesteld kunnen worden. Dit geldt niet alleen voor de kerkvaders, onder wie tenminste de H. Gregorius van Nazianze en de H.Augustinus vermelding verdienen, en de middeleeuwse leraren met de grote driester van St. Anselmus, St. Bonaventura en St. Thomas van Aquino. We zien dezelfde vruchtbare relatie tussen de wijsbegeerte en het woord van God in het moedige onderzoek dat recentere denkers hebben verricht, onder wie ik met vreugde vermeldt, in een westerse context, figuren als John Henry Newman, Antonio Rosmini, Jacques Maritain, Étienne Gilson en Edith Stein, en, in een oosterse context, eminente geleerden zoals Vladimir S.Solov’ev, Pavel A. Florensky, Petr Chaadev en Vladimir N. Lossky. Zeker zouden er andere namen genoemd kunnen worden: en bij het citeren van dezen heb ik niet de bedoeling om alle visies uit hun denken te onderschrijven, maar alleen om sprekende voorbeelden te geven van een wijsgerige methode van onderzoek die uit de confrontatie met de geloofsgegevens opmerkelijke voordelen heeft geput. Eén ding is zeker: aandacht voor de geestelijke tocht van deze meesters kan alleen meer gewicht geven aan zowel het zoeken naar de waarheid als aan de poging om de resultaten van dat zoeken ten dienste van de mensheid te stellen. Het is te hopen dat er nu en in de toekomst mensen zullen zijn die deze grootse wijsgerige en theologische traditie voortzetten voor het welzijn van de Kerk én van de mensheid

 

De verschillende posities van de wijsbegeerte

75. Zoals blijkt uit deze korte beschrijving van de geschiedenis van de relatie tussen geloof en wijsbegeerte, kun je verschillende filosofische posities ten opzichte van het christendom onderscheiden. In de eerste plaats is er een wijsbegeerte die volkomen onafhankelijk is van de Openbaring van het evangelie: dit is de positie die de wijsbegeerte innam toe zij gestalte kreeg in de geschiedenis vóór de geboorte van de Verlosser, en later in streken die nog niet waren aangeraakt door het Evangelie. We zien hier het legitieme streven van de wijsbegeerte om een autonome onderneming te zijn, die gehoorzaamt aan haar eigen wetten en alleen de krachten van de rede gebruikt. Dit streven moet, hoewel het ernstig belemmerd wordt door de aangeboren zwakheid van het menselijk verstand, gesteund en versterkt worden. Als een zoeken naar de waarheid binnen de natuurlijke orde staat de onderneming van de wijsbegeerte -althans impliciet - altijd open voor het bovennatuurlijke.

Bovendien; de aanspraak op een juiste autonomie van denken moet gerespecteerd worden, ook wanneer de theologische redenering gebruik maakt van wijsgerige begrippen en argumenten. Argumenteren volgens strenge rationele criteria garandeert dan ook dat de bereikte resultaten algemeen geldig zijn. Dit bevestigt ook het beginsel dat de genade de natuur niet vernietigt maar haar vervolmaakt: de instemming van het geloof, die rede en wil insluit, vernietigt de vrije wil van iedere gelovige die ten diepste verwelkomt wat geopenbaard is, niet, maar vervolmaakt die.

Het is duidelijk dat deze legitieme benadering afgewezen wordt door de theorie van de zogenaamde ‘afgescheiden’ filosofie die door sommige moderne filosofen wordt voorgestaan. Deze theorie eist voor de wijsbegeerte niet alleen een gewettigde autonomie op, maar een autarkie van denken die zoals blijkt, niet legitiem is. Door de waarheid die aangeboden wordt door de goddelijke openbaring af te wijzen, schaadt de wijsbegeerte slechts zichzelf, omdat ze voor zichzelf de toegang tot een diepere kennis van de waarheid verspert.

 

76. Een tweede positie die de wijsbegeerte inneemt wordt vaak aangeduid als christelijke filosofie. Op zichzelf is de term geoorloofd, maar hij mag niet verkeerd begrepen worden: hij bedoelt geenszins te suggereren dat er een officiële filosofie van de Kerk is, aangezien het geloof als zodanig geen filosofie is. De term tracht eerder een christelijke manier van filosoferen aan te duiden, een filosofisch speculeren dat vervat is in een dynamische vereniging met het geloof. Hij verwijst dus niet eenvoudigweg naar een filosofie die door christelijke wijsgeren is ontwikkeld die er in hun onderzoek naar streefden om niet in tegenspraak met het geloof te komen. De term christelijke wijsbegeerte omvat die belangrijke ontwikkelingen van het wijsgerige denken, die zich niet zouden hebben voorgedaan zonder de directe of onrechtstreekse bijdrage van het christelijk geloof,

Daarom heeft christelijke wijsbegeerte twee aspecten. Het eerste is subjectief, in de zin dat het geloof de rede zuivert. Als goddelijke deugd bevrijdt het geloof de rede van de aanmatiging, de typische bekoring van de wijsgeer. St. Paulus, de Kerkvaders en, dichter bij onze tijd, wijsgeren zoals Pascal en Kierkegaard hebben deze aanmatiging aan de kaak gesteld. Met de deemoed verwerft de filosoof ook de moed om kwesties aan te pakken die hij zonder de gegevens van de Openbaring moeilijk kan oplossen. Men denke bijvoorbeeld aan de problemen van het kwaad en het lijden, aan de identiteit van een persoonlijke God en aan de vraag naar de zin van het leven, of, directer, aan de radicale metafysische vraag: “Waarom is er iets?”

Daarnaast staat het objectieve aspect, dat de inhouden betreft: de openbaring laat helder en duidelijk enkele waarheden zien die door het verstand, ofschoon ze daarvoor natuurlijk niet ontoegankelijk zijn, misschien nooit ontdekt zouden zijn, als het aan zichzelf was overgelaten. Onder deze waarheden is de notie van een vrije en persoonlijke God die de Schepper is van de wereld, een waarheid die zo cruciaal is geweest voor de ontwikkeling van het wijsgerige denken, in het bijzonder voor de filosofie van het zijn. Er is ook de werkelijkheid van de zonde, zoals die in het licht van het geloof verschijnt, dat helpt om een adequate wijsgerige formulering van het probleem van het kwaad te vinden. De notie van de persoon als een geestelijk wezen is een andere specifieke bijdrage van het geloof: de christelijke boodschap van de waardigheid, de gelijkheid en de vrijheid van de mensen heeft zeker het moderne filosofische denken beïnvloed. Als voorbeeld dat dichter bij onze tijd staat, kan men de ontdekking van de betekenis voor de wijsbegeerte van de historische gebeurtenis vermelden, die zo centraal staat in de christelijke openbaring. Niet toevallig is zij het fundament van een wijsbegeerte van de geschiedenis geworden die zich presenteert als een nieuw hoofdstuk van de menselijke zoektocht naar de waarheid.

Tot de objectieve elementen van de christelijke filosofie hoort ook de behoefte om de rationaliteit van bepaalde door de heilige Schrift uitgesproken waarheden te onderzoeken, zoals de mogelijkheid van een bovennatuurlijke roeping van de mens en ook de erfzonde. Dat zijn opgaven die de rede ertoe uitdagen te erkennen dat er waarheid en rationaliteit zijn die ver buiten de kaders liggen waarbinnen ze normaliter zouden zijn begrensd. Deze thema’s breiden feitelijk het bereik van het rationele uit.

Bij het nadenken over deze inhouden zijn de filosofen geen theologen geworden; want ze hebben niet geprobeerd, de geloofswaarheden te begrijpen en te duiden vanuit de openbaring. Ze hebben steeds gewerkt op hun eigen terrein en met hun eigen puur rationele methode, maar hun onderzoek uitgebreid naar nieuwe aspecten van de waarheid. Men zou kunnen zeggen dat een goed deel van de moderne en hedendaagse wijsbegeerte niet zou bestaan zonder deze stimulus van het woord van God. Deze conclusie blijft belangrijk, ondanks het teleurstellende feit dat veel denkers in de laatste eeuwen de christelijke orthodoxie hebben verlaten.

 

77. Een andere belangrijke positie neemt de wijsbegeerte in, wanneer de theologie zelf haar hulp inroept. Theologie heeft immers altijd de bijdrage van de wijsbegeerte nodig gehad, ook nu. Als een werk van de kritische rede in het licht van het geloof veronderstelt en vereist de theologie bij al haar onderzoek een verstand dat gevormd en onderwezen is om met begrippen en argumenten te werken. Bovendien heeft de theologie de filosofie nodig als gesprekspartner, om de begrijpbaarheid en de universele waarheid van haar aanspraken te bevestigen. Het was niet toevallig dat de Kerkvaders en de middeleeuwse theologen niet-christelijke filosofieën overnamen. Dit historische feit bevestigt de waarde van de autonomie van de wijsbegeerte die bewaard blijft als de theologie haar hulp inroept; maar het laat ook zien welke diepe veranderingen de wijsbegeerte zelf moet ondergaan.

Het was om haar onmisbare en edele bijdrage dat de wijsbegeerte vanaf de patristische periode ancilla theologiae genoemd werd. Deze titel bedoelde niet een slaafse onderwerping van de filosofie aan te geven of een puur functionele rol ten opzichte van de theologie. Hij werd eerder gebruikt in de zin waarmee Aristoteles over de experimentele wetenschappen had gesproken als “dienaressen” van de prima philosophia”. De term kan tegenwoordig bezwaarlijk gebruikt worden, gegeven het beginsel van de autonomie waarnaar we verwezen hebben, maar hij heeft door de geschiedenis heen de noodzaak laten zien van de verbinding tussen de twee wetenschappen en de onmogelijkheid van hun scheiding.

Zouden theologen de hulp van de wijsbegeerte weigeren, dan zouden ze het risico lopen, onbewust filosofie te bedrijven en zich op te sluiten in denkstructuren die ongeschikt zijn voor het begrijpen van het geloof.. Als de filosoof van zijn kant elk contact met de theologie zou uitsluiten dan zou hij verplicht zijn zelfstandig de inhoud van het geloof meester te worden, zoals dat bij enkele moderne filosofen het geval is. Zowel in het ene als in het andere geval zou het gevaar van een vernietiging van de grondbeginselen van de autonomie zich voordoen, die elke wetenschap terecht gegarandeerd wil zien.

Wanneer de filosofie deze positie inneemt komt zij, net als de theologie, meer rechtstreeks onder het leergezag en zijn toetsing, vanwege de implicaties die zij heeft voor het begrip van de openbaring, zoals ik al heb uitgelegd. Want uit de geloofswaarheden komen bepaalde postulaten voort, die de wijsbegeerte moet respecteren zodra zij met de theologie in verbinding treedt.

 

78. In het licht van deze beschouwingen wordt het wel begrijpelijk, waarom het leergezag herhaaldelijk de verdiensten van het denken van St. Thomas heeft geprezen en hem als leider en voorbeeld voor de theologiestudie heeft voorgesteld. Dit was niet om in specifiek filosofische kwesties een standpunt in te nemen noch om instemming met bepaalde opvattingen te eisen. Het was en is ook thans de bedoeling van het leergezag, te laten zien dat de H. Thomas een authentiek voorbeeld voor allen die naar de waarheid zoeken, is. Want in zijn denken hebben de eisen van de rede en de kracht van het geloof de meest verheven synthese gevonden waartoe het menselijk denken ooit gekomen is, omdat hij in staat was de radicale nieuwheid die door de Openbaring was gebracht, te verdedigen zonder ooit de eigen weg van de rede te vernederen.

 

79. Door verder uit te werken wat het leergezag vóór mij heeft geleerd, wil ik in dit laatste deel enkele eisen aangeven die de theologie - en, nog fundamenteler, het woord van God zelf - vandaag stellen aan het wijsgerige denken en aan hedendaagse wijsgeren. Zoals ik al heb opgemerkt, moet de wijsbegeerte aan haar eigen wetten gehoorzamen en gebaseerd zijn op haar eigen beginselen; de waarheid echter kan slechts één zijn. De openbaring met haar inhouden zal nooit de rede bij haar ontdekkingen en in haar legitieme autonomie kunnen onderdrukken; omgekeerd zal echter het verstand in het besef dat het zich niet kan verheffen tot absolute en exclusieve waarde, nooit het vermogen om bevraagd te worden en vragen te stellen, mogen verliezen. Door de glans die afstraalt van het subsistente Zijn zelf biedt de geopenbaarde waarheid de volheid van het licht aan het zijn en zal zij dus de weg van het wijsgerig onderzoek verlichten. Om kort te gaan, de christelijke Openbaring wordt het ware ontmoetings- en vergelijkingspunt tussen het wijsgerige en het theologische denken in hun wederzijdse relatie. Men mag daarom hopen dat theologen en filosofen zich zullen laten leiden door het gezag van de waarheid alleen, zodat er een filosofie zal oprijzen die in harmonie is met het woord van God. Zulk een filosofie zal een plaats zijn waar het christelijk geloof en de menselijke culturen elkaar kunnen ontmoeten, een plaats van begrip tussen gelovigen en niet-gelovigen. Ze zal gelovigen helpen leiden tot de sterkere overtuiging dat de diepte en de authenticiteit van het geloof toenemen wanneer het zich met het denken verbindt en dat niet afwijst. Opnieuw zijn het de Vaders die ons dit leren: “Geloven is niets anders dan denken met instemming (...) Gelovigen zijn ook denkers: wie gelooft, denkt, en wie denkt, gelooft.(...) Als het geloof niet denkt, is het niets”. 95 En verder: “Als er geen instemming is, is er geen geloof, want zonder instemming gelooft men niet echt.” 96

 

De Onvermijdelijke Eisen Van Het Woord Van God

80. De Heilige Schrift bevat zowel in impliciete als in expliciete vorm een aantal elementen, die ons een mensbeeld en een visie op de wereld bieden van uitzonderlijke filosofische kracht. De christenen werden zich langzamerhand bewust van de rijkdom die in de heilige boeken vervat lag. Uit die pagina’s spreekt, dat de werkelijkheid die wij ervaren, niet het absolute is: ze is noch ongeschapen, noch brengt zij zichzelf voort. Slechts God is de Absolute. Uit de pagina’s van de bijbel spreekt bovendien een kijk op de mens als imago Dei, beeld van God, die precieze aanwijzingen over zijn zijn, zijn vrijheid en de onsterfelijkheid van zijn ziel bevat. Omdat de geschapen wereld zichzelf niet voldoende is, leidt iedere illusie van autonomie, die de essentiële afhankelijkheid uit het oog verliest, waarmee ieder schepsel, inclusief de mens, voor God staat, tot conflicten die de rationele zoektocht naar de harmonie en de zin van het menselijk bestaan te niet doen.

Ook het probleem van het zedelijk kwaad - de meest tragische vorm van het kwaad - wordt in de Bijbel behandeld, hetgeen ons leert dat dergelijk kwaad niet van een of ander gebrek in de materie afkomstig is, maar een wonde is die is toegebracht door de ongeordende uitoefening van de menselijke vrijheid. Tenslotte stelt het woord van God het probleem van de zin van het leven aan de orde en onthult zijn antwoord door de mens te wijzen op Jezus Christus, het mensgeworden Woord van God, die de volmaakte verwerkelijking is van het menselijk bestaan. Andere aspecten zouden door lezing van de heilige teksten verduidelijkt kunnen worden; in elk geval blijkt daaruit de afwijzing van iedere vorm van relativisme, materialisme en pantheïsme.

De fundamentele overtuiging van de ‘filosofie’ die in de bijbel wordt gevonden, is dat de wereld en het menselijk leven een betekenis hebben en uitzien naar hun vervulling, die komt in Jezus Christus. Het mysterie van de menswording zal altijd het centrale referentiepunt blijven om het raadsel van het menselijk bestaan, de geschapen wereld en God zelf te begrijpen. De uitdaging van dit mysterie drijft de wijsbegeerte naar haar grenzen, omdat de rede wordt opgeroepen, zich een logica eigen te maken die de muren neerhaalt waarachter ze zich dreigt te verschansen. Eerst hier echter bereikt de zin van het bestaan zijn hoogtepunt. Want de intiemste essentie van God en van de mens worden begrijpbaar: in het mysterie van het mensgeworden Woord worden de goddelijke en de menselijke natuur ieder in hun eigen autonomie bewaard, en tegelijk openbaart zich de unieke band, die ze onvermengd in wederkerige betrekking zet. 97

 

81. We moeten vaststellen dat een van de belangrijkste aspecten van onze huidige situatie de ‘zinscrisis’ is. De dikwijls wetenschappelijk gestempelde opvattingen over leven en wereld zijn zo talrijk geworden, dat we werkelijk beleven hoe het verschijnsel van de fragmentatie van de kennis om zich heen grijpt. Juist dát maakt het zoeken naar een zin moeilijk en vaak vruchteloos. Nog dramatischer is het dat veel mensen, in de maalstroom van gegevens en feiten waarin we leven en die het eigenlijke weefsel van het leven schijnen te vormen, zich afvragen of het nog wel zin heeft om over “zin” te praten. De meerderheid van de theorieën die als om strijd een antwoord geven, respectievelijk de verschillende manieren van zien en beoordelen met betrekking tot de wereld en het leven van de mens, maken deze twijfel alleen maar erger, zodat hij gemakkelijk kan uitlopen op een toestand van scepsis en onverschilligheid, of op verschillende vormen van nihilisme.

Als gevolg daarvan dringt dikwijls een tweeduidig denken de menselijke geest binnen, dat leidt tot een steeds diepere ‘introvertheid’ die is opgesloten binnen de grenzen van haar eigen immanentie zonder enige vorm van referentie aan het transcendente. Een wijsbegeerte die niet langer de vraag naar de zin van het leven stelt zou het ernstige risico lopen de rede te herleiden tot louter instrumentele functies, zonder werkelijke hartstocht voor de waarheid.

Om in harmonie te zijn met het woord van God moet de filosofie allereerst haar wijsheidsdimensie hervinden, als een zoektocht naar de uiterste en omvattende zin van het leven. Dit eerste vereiste draagt in feite ten zeerste bij aan het stimuleren van de wijsbegeerte om in het reine te komen met haar eigen natuur. Door dat te doen zal zij niet alleen de beslissende kritische factor zijn die de grondslagen en de grenzen van de verschillende gebieden van wetenschappelijke kennis bepaalt, maar zal ze ook haar plaats innemen als uiteindelijke raamwerk van de eenheid van de menselijke kennis en actie, en ze leiden naar een uiteindelijke bestemming en betekenis.

Deze wijsheidsdimensie is tegenwoordig te meer nodig, omdat de reusachtige uitbreiding van de technische capaciteit van de mens vraagt om een vernieuwd en aangescherpt gevoel voor de laatste waarden. Als deze technologie niet wordt geordend naar iets dat groter is dan een puur nuttigheidsdoel, dan zou ze spoedig inhumaan kunnen blijken en zelfs een potentiële vernietigster van het menselijk ras worden. 98

Het woord van God openbaart de uiteindelijke bestemming van de mens en verschaft een harmoniserende uitleg van alles wat hij doet in de wereld. Daarom nodigt het de wijsbegeerte uit om mee te doen in het zoeken naar een natuurlijke fundering van deze zin, die overeenkomt met de religieuze impuls die iedere mens als persoon eigen is. Een filosofie die de mogelijkheid van een uiteindelijke en omvattende betekenis ontkent zou niet alleen slecht berekend zijn op haar taak, maar vals.

 

82. Toch zou deze wijsheidsfunctie niet verricht kunnen worden door een wijsbegeerte die zelf geen ware en authentieke kennis was, d.w.z.. niet alleen gericht op bijzondere en ondergeschikte aspecten van de werkelijkheid - functionele, formele of utilitaire - maar op zijn totale en definitieve waarheid, op het zijn zelf van het kennisobject. Daarbij geldt een tweede vereiste: dat de wijsbegeerte het menselijke vermogen om de waarheid te kennen verifieert, om te komen tot een kennis die objectieve waarheid kan bereiken door middel van die adaequatio rei et intellectus waarnaar de scholastieke geleerden verwijzen. 99 Dit postulaat, eigen aan het geloof, werd uitdrukkelijk herbevestigd door Vaticanum II: “De rede is niet beperkt tot de verschijnselen alleen. Ze kan met ware zekerheid de geestelijke diepere structuren van de werkelijkheid zelf bereiken, ofschoon als gevolg van de zonde die zekerheid gedeeltelijk verduisterd en verzwakt is.” 100

Een radicaal fenomenalistische of relativistische filosofie zou ongeschikt zijn om te helpen bij de diepere verkenning van de rijkdom die in het woord van God te vinden is. De heilige Schrift neemt altijd aan dat het individu, ook al is het schuldig aan dubbelzinnigheid en leugenachtigheid, de heldere en eenvoudige waarheid kan bevatten. De Bijbel, en het Nieuwe Testament in het bijzonder, bevat teksten en verklaringen die een waarlijk ontologische draagwijdte hebben. De geïnspireerde schrijvers wilden ware verklaringen formuleren, d.w.z. die de objectieve werkelijkheid weer konden geven. Men kan niet zeggen dat de katholieke traditie dwaalde toen zij bepaalde teksten van St. Jan of St. Paulus begreep als uitspraken over het zijn van Christus zelf. Wanneer zij deze verklaringen tracht te begrijpen en uit te leggen, heeft de theologie daarom de bijdrage nodig van een filosofie die de mogelijkheid van een objectief ware, zij het altijd nog te vervolmaken kennis niet loochent. Dit geldt ook voor de oordelen van het zedelijk geweten, waarvan de heilige Schrift aanneemt dat ze objectief waar kunnen zijn. 101

 

83. De beide reeds genoemde postulaten brengen een derde mee: er moet een wijsbegeerte van echt metafysische draagwijdte zijn, dat wil zeggen: die in staat is boven de empirische gegevens uit te stijgen om bij haar zoeken naar de waarheid iets absoluuts te bereiken, iets ultiems en fundamenteels. Dit postulaat geldt gelijkelijk voor wijsheids- en analytische kennis; en in het bijzonder dient het om het zedelijk goede te kennen, dat zijn diepste grond heeft in het Hoogste Goed, God zelf. Ik wil hier niet spreken over metafysica in de zin van een speciale school of een bijzondere denkrichting. Ik wil alleen bevestigen dat de werkelijkheid en de waarheid boven het feitelijke en het empirische uitstijgen. Bovendien wil ik het vermogen van de mens erkennen, deze transcendente en metafysische dimensie werkelijk, zij het op onvolkomen en analoge wijze, te kennen. Zo begrepen mag de metafysica niet als alternatief voor de antropologie beschouwd worden, aangezien het juist de metafysica is die het mogelijk maakt om het begrip van de menselijke waardigheid een grondslag te geven. Op een speciale manier vormt de persoon een bevoorrechte plaat voor de ontmoeting met het zijn en dus met het metafysisch onderzoek.

Waar de mens ook maar een verwijzing naar het absolute en transcendente ontdekt, opent zich de metafysische dimensie van de werkelijkheid voor hem: in waarheid, in schoonheid, in zedelijke waarden, in andere personen, in het zijn zelf, in God. We treffen een grote uitdaging aan het einde van dit millennium, de overgang te voltrekken van fenomeen naar fundament, een even noodzakelijke als dringend stap. We kunnen onmogelijk halt houden bij de ervaring alleen; ook als deze de innerlijkheid van de mens en zijn spiritualiteit uitdrukt en verduidelijkt, moet het speculatieve denken het geestelijke midden en het dragende fundament bereiken. Een wijsgerig denken dat elke metafysische opening afwees, zou daarom volkomen ongeschikt zijn om bij het begrijpen van de openbaring als middelares te functioneren. Het woord van God refereert voortdurend aan wat uitstijgt boven de menselijke ervaring en zelfs diens denken; maar dit “mysterie” zou niet geopenbaard kunnen worden, en de theologie zou het niet op enigerlei wijze begrijpbaar kunnen maken102, als de menselijke kennis strikt beperkt was tot de wereld van de zintuiglijke waarneming. Aldus speelt de metafysica een essentiële bemiddelende rol bij het theologisch onderzoek. Een theologie zonder een metafysische horizon zou niet in staat zijn, om verder te gaan dan de analyse van de religieuze ervaring; bovendien zou zij het de intellectus fidei onmogelijk maken, de universele en transcendente waarde van de geopenbaarde waarheid omvattend uit te drukken.

Als ik zo sterk het metafysische element onderstreep, dan is dat omdat ik ervan overtuigd ben dat dit de te nemen weg is om de crisissituatie te overwinnen die tegenwoordig grote delen van de wijsbegeerte in haar greep heeft, en om aldus verschillende in onze samenleving wijdverbreide verkeerde gedragswijzen te corrigeren.

 

84. De betekenis van de metafysica wordt nog duidelijker wanneer we stilstaan bij de huidige ontwikkelingen in de hermeneutische wetenschappen en in de taalanalyse. De resultaten van dergelijke studies kunnen ten zeerste bijdragen aan het geloofsbegrip, aangezien zij de structuur van ons denken en spreken blootleggen en de betekenis die de taal heeft. Maar sommige wetenschappers die op deze gebieden werken neigen ertoe om stil te staan bij de vraag, hoe de werkelijkheid begrepen en verwoord wordt, zonder verder te gaan om te zien of de rede de essentie ervan kan ontdekken. We kunnen toch niet anders dan in een dergelijk denkraam de bevestiging zien van onze huidige vertrouwenscrisis ten aanzien van de macht van de rede? Als deze standpunten, op basis van aprioristische opvattingen, ertoe neigen de geloofsinhouden te verduisteren of hun algemene geldigheid te ontkennen, dan onderdrukken zij de rede niet alleen, maar zetten ze ook zichzelf buitenspel. Want het geloof veronderstelt duidelijk dat de taal van de mens in staat is om de goddelijke en transcendente werkelijkheid op universele wijze te verwoorden - analoog, dat is waar, maar daarom niet minder betekenisvol. 103 Ware dit niet zo, dan zou het woord van God, dat altijd een goddelijk woord is in menselijke taal, niet in staat zijn iets over God te zeggen. De interpretatie van dit woord kan ons niet slechts voortdurend verwijzen naar de ene interpretatie na de andere, zonder ons ooit te brengen tot een uitspraak die eenvoudigweg waar is; anders zou er geen openbaring van God zijn, maar alleen de uitdrukking van menselijke noties over God en over hetgeen God waarschijnlijk van ons denkt.

 

85. Ik ben me er wel van bewust dat deze eisen die het woord van God aan de wijsbegeerte stelt, moeilijk kunnen schijnen voor veel mensen die betrokken zijn bij het huidige filosofisch onderzoek. Daarom herneem ik wat de pausen sedert generaties onophoudelijk leren en wat ook het Tweede Vaticaans Concilie bekrachtigd heeft, en wil met alle duidelijkheid de overtuiging tot uitdrukking brengen, dat de mens in staat is, te komen tot een uniforme en organische visie op de wetenschap. Dit is een van de taken die het christelijke denken moet opnemen in het volgende millennium van het christelijke tijdvak. De fragmentarisering van de kennis, met haar versplinterde benadering van de waarheid en een daaruit volgende verbrokkeling van de zin, houdt de mens van vandaag ervan af, te komen tot een innerlijke eenheid. Hoe zou de Kerk hier niet bezorgd over kunnen zijn? Het is het evangelie dat aan de herders deze wijsheidstaak direct oplegt, en zij kunnen niet weglopen voor de plicht om dat te ondernemen.

Ik geloof dat die wijsgeren die vandaag een antwoord willen geven op de eisen die het woord van God aan het menselijk denken stelt, hun denken zouden moeten ontwikkelen op basis van deze postulaten en in organische continuïteit met de grootse traditie die, te beginnen bij de Ouden, via de Kerkvaders en de meesters van de Scholastiek loopt en die de fundamentele resultaten van het moderne en hedendaagse denken insluit. Als de filosofen hun plaats kunnen innemen in deze traditie en er hun inspiratie uit kunnen putten, zullen ze zeker de autonomie-eis van de wetenschap kunnen respecteren.

In de huidige situatie is het daarom zeer betekenisvol dat enkele filosofen de herontdekking bevorderen van de bepalende rol van deze traditie bij een juiste benadering van de kennis. Het beroep op de traditie is niet louter een herinnering aan het verleden; het vormt veeleer de erkenning van een culturele erfenis die aan de hele mensheid behoort. Er mag inderdaad gezegd worden dat wij behoren tot de traditie en dat het niet aan ons is om er naar eigen goeddunken over te beschikken. Juist door in de traditie geworteld te zijn, zullen we vandaag in staat zijn om voor de toekomst een oorspronkelijke, nieuwe en constructieve wijze van denken te ontwikkelen. Hetzelfde appèl geldt in hoge mate ook voor de theologie. Niet alleen omdat de theologie de levende Traditie van de Kerk als haar oorspronkelijke bron heeft104, maar ook omdat zij daardoor in staat moet zijn om zowel de diepe theologische overlevering die de voorbije tijden gestempeld heeft, alsook de ononderbroken wijsgerige traditie te herwinnen, die door haar authentieke wijsheid boven de grenzen van tijd en ruimte uit kan stijgen.

 

86. Dit beklemtonen van de noodzaak van een nauwe blijvende betrekking tussen de hedendaagse wijsbegeerte en de wijsbegeerte die is ontwikkeld in de christelijke traditie, is bedoeld om het gevaar af te wenden dat schuilt in sommige denkrichtingen die tegenwoordig sterk verbreid zijn. Ik denk dat het gepast is om -zij het kort- daarop in te gaan, teneinde hun dwalingen aan te stippen en de daaruit volgende risico’s voor het wijsgerige werk.

De eerste draagt de naam eclecticisme, waarmee de benadering bedoeld wordt van hen die bij hun onderzoek, onderwijs en argumentatie, zelfs in de theologie, ertoe neigen om gebruik te maken van losse ideeën die uit verschillende filosofieën stammen, zonder bekommernis om hun innerlijke samenhang, hun plaats binnen een systeem of hun historische context. Ze lopen daarom het gevaar, niet in staat te zijn om het waarheidsgehalte van een bepaalde doctrine te onderscheiden van elementen eruit die misschien vals zijn of niet ‘to the point’. Een extreme vorm van eclecticisme komt ook voor in het retorische misbruik van wijsgerige termen waaraan sommige theologen zich soms overgeven. Een dergelijke manipulatie draagt niet bij aan het zoeken naar de waarheid en oefent het verstand niet, theologisch noch wijsgerig, om zijn argumenten ernstig en wetenschappelijk te formuleren. De consequente en grondige studie van wijsgerige doctrines, hun specifieke terminologie en de context waarin ze ontstonden, helpt eraan mee om het gevaar van eclecticisme te overwinnen en maakt het mogelijk ze te integreren in de theologische argumentatie op een wijze die aangepast is aan de opdracht.

 

87. Eclecticisme is een methodische dwaling, maar kan ook opvattingen in zich bergen die typisch zijn voor het historicisme. Om een doctrine uit het verleden juist te verstaan is het nodig die te plaatsen in zijn eigen historische en culturele context. De grondstelling van het historicisme luidt daarentegen dat de waarheid van een filosofie bepaald wordt op basis van haar geschiktheid voor een bepaalde periode en een bepaald historisch doel. Daarom wordt, tenminste impliciet, de blijvende waarde van het ware ontkend. Wat waar was in een bepaalde periode, beweren historicisten, is misschien niet waar in een andere. Zo wordt voor hen de geschiedenis van het denken weinig meer dan een archeologische vindplaats, nuttig om opvattingen van vroeger te illustreren, maar voor het grootste deel achterhaald en zonder betekenis voor het heden. Men mag daarentegen niet vergeten dat, zelfs wanneer een formulering in zekere zin gebonden is aan tijd en cultuur, de waarheid of de valsheid ervan in elk geval kan worden vastgesteld en als zodanig geëvalueerd, ondanks de afstand in tijd en ruimte.

 

88. Een andere bedreiging waarmee rekening gehouden moet worden is het sciëntisme. Deze wijsgerige opvatting weigert de waarde van kennisvormen toe te geven, anders dan die van de positieve wetenschappen; en het verwijst godsdienstige, theologische, ethische en esthetische kennis naar het rijk van de pure fantasie. In het verleden maakte dezelfde gedachte opgang in het positivisme en neo-positivisme, die metafysische uitspraken betekenisloos achtten. De kritische kennisleer heeft deze opvatting in diskrediet gebracht, maar nu zien we haar herleven in de nieuwe vermomming van sciëntisme, dat waarden afdoet als louter producten van de emoties en dat kennis van het zijn verwerpt om de weg vrij te maken voor pure en eenvoudige feitelijkheid. Zo zou de wetenschap zich erop voorbereiden alle aspecten van het menselijk leven te beheersen door technologische vooruitgang. De niet te ontkennen triomf van het wetenschappelijk onderzoek en van de hedendaagse technologie hebben ertoe bijgedragen een sciëntistische visie te propageren die nu grenzeloos lijkt, gegeven zijn ingang in verschillende culturen en de radicale veranderingen die het heeft veroorzaakt.

Helaas, zo moet men vaststellen, verwijst het sciëntisme alles wat te maken heeft met de kwestie van de zin van het leven naar het rijk van het irrationele of imaginaire. Niet minder teleurstellend is de wijze waarop het de andere grote problemen van de wijsbegeerte benadert, die, als ze al niet genegeerd worden, onderworpen worden aan analyses die gebaseerd zijn op oppervlakkige analogieën, zonder enige rationele grondslag. Dit leidt tot de verarming van het menselijk denken, dat zich niet langer bezighoudt met de eschatologische problemen die de mens, als animal rationale, constant heeft opgeworpen vanaf het begin van de tijd. En aangezien zij geen ruimte laat voor kritiek die het ethische oordeel biedt, is de sciëntistische mentaliteit erin geslaagd velen te laten denken dat als iets technisch mogelijk is, het daarom ook moreel toelaatbaar is.

 

89. Niet minder gevaarlijk is het pragmatisme, een geesteshouding die bij het maken van haar keuzes, theoretische beschouwingen oordelen die op ethische principes zijn gevestigd, buitensluit. De praktische consequenties van deze wijze van denken zijn aanzienlijk. In het bijzonder is er een groeiende steun voor een opvatting van democratie die niet gefundeerd is op enige referentie aan onveranderlijke waarden: of een handeling toelaatbaar is of niet wordt beslist bij parlementaire meerderheid. 105 De consequenties hiervan zijn duidelijk: in de praktijk worden de grote morele beslissingen ondergeschikt aan beslissingen die een voor een genomen worden door institutionele organen. Bovendien wordt de antropologie zelf ernstig gecompromitteerd door een een-dimensio-nale visie op de mens, een visie die de grote ethische dilemma’s en de existentiële analyses van de betekenis van lijden en offer uitsluit.

 

90. De tot nog toe onderzochte visies leiden van hun kant tot een meer algemene opvatting die tegenwoordig voor veel filosofieën die de zin van het zijn hebben verworpen, de horizon schijnt te vormen. Ik bedoel de nihilistische interpretatie, die tegelijkertijd de verwerping is van alle grondslagen en de loochening van alle objectieve waarheid. Helemaal los van het feit dat het strijdig is met de eisen en de inhoud van het woord van God, is nihilisme de ontkenning van de humaniteit van de mens en van zijn identiteit. Want men mag niet over het hoofd zien, dat de veronachtzaming van het zijn onvermijdelijk leidt tot verlies van contact met de objectieve waarheid en daarmee met de eigenlijke basis van de menselijke waardigheid. Dit maakt het op zijn beurt mogelijk om van de mens de trekken van zijn gelijkenis met God van het gelaat te wissen, en hem zo te brengen tot ofwel een vernietigende zucht naar macht ofwel een eenzaamheid zonder hoop. Als de waarheid aan de mensen eenmaal ontzegd is, is het een illusie te trachten hen vrij te maken. Waarheid en vrijheid gaan ofwel samen hand in hand of gaan beide ellendig ten gronde. 106

 

91. Bij de bespreking van deze denkrichtingen was het niet mijn bedoeling om een compleet beeld te geven van de huidige staat van de wijsbegeerte die hoe dan ook moeilijk terug te brengen zou zijn tot één uniforme visie. En zeker wil ik benadrukken dat ons erfgoed aan kennis inderdaad is verrijkt op verschillende terreinen. We hoeven alleen maar de logica te vermelden, de taalfilosofie, de epistemologie, de filosofie van de natuur, de antropologie, diepgravender analyses van de affectieve dimensies van kennis en de existentiële benadering van de analyse van de vrijheid. Sinds de vorige eeuw heeft echter de bevestiging van het principe van de immanentie, het hart van de rationalistische argumentatie, een reactie uitgelokt die, met betrekking tot postulaten die men voor niet discutabel hield, voor een radicaal verlies hebben gezorgd. Op deze wijze zijn irrationele stromingen ontstaan, terwijl de kritiek de onvruchtbaarheid aantoonde van het postulaat van de absolute zelfbevestiging van de rede.

Onze tijd is door sommige denkers aangeduid als de tijd van de “postmoderniteit”. Vaak gebruikt in heel verschillende contexten, wijst de term op de opkomst van een complex van nieuwe factoren die, wijdverbreid en machtig als ze zijn, hebben laten zien dat ze belangrijke en blijvende veranderingen teweeg kunnen brengen. De term werd eerst gebruikt met een verwijzing naar esthetische, sociale en technologische verschijnselen. Toen werd hij overgeplant naar het wijsgerige veld, maar hij is wat tweeduidig gebleven, zowel omdat het oordeel over wat ‘postmodern’ wordt genoemd soms positief is en soms negatief, alsook omdat er nog geen overeenstemming is over de delicate kwestie van de scheiding van de verschillende historische tijdvakken. Eén ding is echter duidelijk: de denkstromingen die postmodern willen heten verdienen de nodige aandacht.

Volgens sommigen van hen is de tijd van zekerheden onherroepelijk voorbij, en moet de mens thans leren te leven binnen een horizon van totale afwezigheid van zin, waar alles voorlopig en vergankelijk is. In hun vernietigende kritiek op elke zekerheid negeren verschillende schrijvers de noodzakelijke onderscheidingen en trekken zij ook de geloofszekerheden in twijfel.

Dit nihilisme vindt een soort bevestiging in de verschrikkelijke ervaring van het kwaad die onze tijd heeft getekend. Tegenover de dramatiek van deze ervaring kon het rationalistische optimisme, dat in de geschiedenis de voortschrijdende overwinning van het verstand als bron van geluk en vrijheid zag, niet standhouden, zodat een van de ergste bedreigingen aan het einde van deze eeuw de bekoring van de wanhoop is.

Niettemin blijft het waar dat een zekere positivistische geesteshouding nog steeds de illusie voedt dat dankzij de wetenschappelijke en technische vooruitgang de mens als demiurg leeft, die uit zichzelf en volledig zijn lot in eigen hand neemt.

 

Actuele taken voor de theologie

92. Wat het begrip van de openbaring betreft heeft de theologie altijd op verschillende historische momenten moeten antwoorden op de vragen van verschillende culturen, om dan de inhoud van het geloof te bemiddelen voor die culturen op een samenhangende en begripsmatig heldere wijze. Ook vandaag heeft zij een dubbele opgave. Want enerzijds moet zij de verplichting nakomen, die Vaticanum II haar destijds oplegde: vernieuwing van haar methoden met het oog op een effectievere dienst aan de evangelisering. Zou men in dit verband niet denken aan de woorden van Paus Johannes XXIII bij de opening van het concilie? Hij zei toen: “Het is nodig dat men tegemoet komt aan de levende verwachting van hen die waarlijk de christelijke, katholieke en apostolische godsdienst liefhebben, en dat deze leer op een bredere en diepere wijze bekend wordt; het is nodig dat de mensen afzonderlijk beter onderwezen en gevormd worden; het is nodig dat de zekere en onveranderlijke leer, waaraan men zich getrouw dient te houden, verdiept en gepresenteerd wordt op een wijze die overeenkomt met de behoeften van onze tijd”. 107

Anderzijds moet de theologie de ogen richten op de laatste waarheid, die haar met de openbaring wordt toevertrouwd, zonder zich tevreden te stellen met een verblijf in tussenstadia. De theoloog doet er goed aan zich te herinneren, dat zijn arbeid “overeenkomt met de dynamiek die in het geloof zelf woont” en dat het eigenlijke object van zijn arbeid “de Waarheid, namelijk de levende God en zijn in Jezus Christus geopenbaarde heilsplan” is. 108

Deze taak, die in eerste instantie de theologie aangaat, daagt tegelijkertijd de wijsbegeerte uit. De veelheid van problemen die zich tegenwoordig opdringen, vraagt inderdaad om een gemeenschappelijke, zij het ook met verschillende methoden doorgevoerde arbeid, opdat de waarheid weer gekend en tot uitdrukking wordt gebracht. De Waarheid, die Christus is, legt zichzelf op als een universele autoriteit die zowel de theologie alsook de filosofie leidt, aanspoort en doet groeien (vgl. Ef 4,15).

Het mogelijk achten een universeel geldige waarheid te kennen is geenszins een aanmoediging tot intolerantie; integendeel, het is de essentiële voorwaarde voor een oprechte en authentieke dialoog tussen personen. Alleen op deze basis is het mogelijk om de scheidende onenigheden te overwinnen en gezamenlijk de weg in te slaan naar de hele, ongedeelde waarheid, terwijl we die paden volgen die alleen de Geest van de opgestane Heer kent. 109

Op dit punt wil ik de specifieke vorm aangeven die de roep om eenheid thans aanneemt, gegeven de actuele taak van de theologie.

 

93. Het hoofddoel dat de theologie nastreeft is begrip van de openbaring en de inhoud van het geloof te verschaffen. Het feitelijke middelpunt van haar reflectie zal daarom de beschouwing van het mysterie van de drie-ene God zijn. Daar heeft men toegang toe, wanneer men nadenkt over het mysterie van de incarnatie van Gods Zoon: zijn menswording en het consequent op zich nemen van lijden en dood, een mysterie dat zal uitmonden in zijn glorierijke opstanding en verheffing aan de rechterhand van Vader; vandaar zal Hij de Geest der waarheid uitzenden, om zijn Kerk te stichten en te bezielen. Tegen deze achtergrond zal de eerste opgave van de theologie zijn: het begrijpen van de kenosis van God, een waarlijk groot geheim voor de menselijke geest, voor wie het onhoudbaar schijnt dat lijden en dood de liefde kunnen uitdrukken die zich wegschenkt, zonder daarvoor iets terug te vragen. Vanuit dit perspectief is een zorgvuldige analyse van de teksten fundamenteel en dringend geboden; allereerst de schriftteksten, dan die teksten waarin de levende traditie van de Kerk zich uitdrukt. In samenhang hiermee doen zich tegenwoordig veel, slechts ten dele nieuwe problemen voor, waarvoor men geen toereikende oplossing zal kunnen vinden zonder de hulp van de filosofie.

 

94. Een eerste problematisch aspect vormt de verhouding tussen betekenis en waarheid. Zoals iedere andere tekst brengen de bronnen die de theologie interpreteert allereerst een betekenis over die opgepakt en uitgelegd moet worden. Nu presenteert die betekenis zich als de waarheid over God, die door God zelf middels de heilige tekst meegedeeld wordt. Zo belichaamt de menselijke taal de taal van God, die door de wonderbare “mede-nederdaling” die de logica van de menswording weerspiegelt, zijn waarheid meedeelt. 110 De theoloog moet zich dus bij de uitleg van de bronnen van de openbaring de vraag stellen, wat de diepe en onvervalste waarheid is, die de teksten willen meedelen, zij het binnen de grenzen van de taal.

Wat de bijbelse teksten en in het bijzonder de evangelies betreft, is hun waarheid zeker niet beperkt tot de vertelling van eenvoudige, historische gebeurtenissen of de onthulling van neutrale feiten, zoals het historicistische positivisme graag zou willen111. Integendeel, deze teksten berichten van gebeurtenissen waarvan de waarheid achter het gewone historische gebeuren ligt: ze ligt in hun betekenis in en voor de heilsgeschiedenis. Deze waarheid wordt volledig uitgewerkt in de voortdurende lezing door de Kerk van deze teksten door de eeuwen heen, een lezing die hun oorspronkelijk betekenis intact laat. Er bestaat daarom een dringende behoefte om de betrekking tussen feit en betekenis, een betrekking die de specifieke zin van de geschiedenis vormt, ook vanuit het wijsgerige standpunt te onderzoeken.

 

95. Het woord van God richt zich niet tot één apart volk of tot een specifieke periode in de geschiedenis. Zo ook formuleren dogmatische verklaringen, terwijl ze soms de cultuur van de periode waarin ze werden gedefinieerd weerspiegelen, een onveranderlijke en definitieve waarheid. Dit werpt de vraag op hoe iemand de absoluutheid en de universaliteit van de waarheid kan verzoenen met de onvermijdelijke historische en culturele afhankelijkheid van de formules die deze waarheid uitdrukken. De standpunten van het historicisme zijn, zoals ik eerder zei, onhoudbaar. Maar de toepassing van een hermeneutiek die openstaat voor de aanspraak van de metafysica kan laten zien hoe het mogelijk is om van de historische omstandigheden en toevalligheden waarin de teksten zich ontwikkelden naar de waarheid die zij uitdrukken over te gaan, een waarheid die boven die omstandigheden uitstijgt.

De mens is in staat om met behulp van zijn beperkte historische taal waarheden tot uitdrukking te brengen die boven het verschijnsel taal uitgaan. De waarheid kan nooit beperkt worden tot tijd en cultuur: ze wordt binnen de geschiedenis gekend maar ze stijgt boven de geschiedenis uit.

 

96. Dit te zien is een glimp van de oplossing van een ander probleem: dat van de blijvende geldigheid van de in de concilie-definities gebruikte begrippentaal. Reeds mijn eerwaarde voorganger Pius XII heeft dit probleem aangevat in zijn encycliek Humani generis. 112

Het is een ingewikkeld probleem om te overdenken, aangezien men ernstig rekening moet houden met de betekenis die woorden aannemen in verschillende tijden en culturen. Niettemin, de geschiedenis van het denken laat zien dat bepaalde grondbegrippen doorheen de ontwikkeling en de veelheid van culturen hun universele kenniswaarde houden en daarmee de waarheid van de zinnen waarin zij wordt verwoord, bewaren. 113 ware dit niet het geval, dan zouden de wijsbegeerte en de natuurwetenschappen niet met elkaar kunnen communiceren noch overgenomen worden door culturen die zijn verschillend van degene, waarin ze bedacht en uitgewerkt werden. Het hermeneutische probleem bestaat, zeker; maar is oplosbaar. Bovendien sluit de objectieve waarde van veel concepten niet uit dat hun betekenis vaak onvolmaakt is. Daarom kan wijsgerige speculatie zeer dienstig zijn. We mogen dan ook hopen dat de filosofie het zich tot een bijzondere zorg zal rekenen om het verstaan van de betrekking tussen begrippentaal te verdiepen, en wegen voor te stellen die zullen leiden tot een juist verstaan van die betrekking.

 

97. De juiste interpretatie van de bronnen is een belangrijke opgave voor de theologie; maar een nog delicatere en meer eisende taak is het verstaan van de geopenbaarde waarheid, respectievelijk het proces van de intellectus fidei. De intellectus fidei, zo heb ik aangegeven, vraagt de bijdrage van de filosofie van het zijn, die het vooral de dogmatische theologie mogelijk maakt, haar functies naar behoren uit te voeren. Het dogmatische pragmatisme van het begin van deze eeuw, volgens hetwelk de geloofswaarheden alleen maar gedragsregels waren, is reeds afgewezen en verworpen; 114 niettemin blijft steeds de bekoring bestaan, deze waarheden puur functioneel te verstaan. In dit geval zou men vervallen tot een ongeschikt en gereduceerd schema, dat de speculatieve helderheid mist. Een christologie bijvoorbeeld, die eenzijdig uitging ‘van onderen’ zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen, of een ecclesiologie die uitsluitend naar het voorbeeld van burgerlijke maatschappijen is opgebouwd, zouden het gevaar van een dergelijke reductie nauwelijks kunnen vermijden.

Als de intellectus fidei de hele rijkdom van de theologische traditie wil integreren, moet hij zich bedienen van de filosofie van het zijn. Deze filosofie van het zijn zal in staat moeten zijn het probleem van het zijn opnieuw aan te pakken - en dit in harmonie met de eisen en inzichten van de gehele filosofische traditie, inclusief de filosofie van recentere tijden, zonder te vervallen in het steriel herhalen van verouderde schemata. De filosofie van het zijn is binnen het kader van de christelijke metafysische overlevering een dynamische filosofie die de werkelijkheid beziet in haar ontologische, oorzakelijke en communicatieve structuren. Ze is sterk en bestendig omdat ze steunt op de zijnsakt zelf, die een volledige en omvattende openheid voor de werkelijkheid als geheel toelaat.; daarbij overschrijft zij elke grens, tot zij Hem bereikt die alles tot vervulling brengt. 115 In de theologie, die haar beginselen ontvangt uit de openbaring als nieuwe kennisbron, wordt dit perspectief bevestigd door de intieme relatie die bestaat tussen geloof en metafysische rationaliteit.

 

98. Deze overwegingen zijn ook van toepassing op de moraaltheologie. Het is zeker zo dringend nodig dat de wijsbegeerte wordt herontdekt voor het geloofsverstaan dat betrekking heeft op het handelen van de gelovigen. Ten aanzien van de uitdagingen op sociaal, economisch en wetenschappelijk gebied is het morele geweten van de mens gedesoriënteerd. In de encycliek Veritatis splendor heb ik geschreven, dat veel van de problemen van de hedendaagse wereld voortkomen uit een “crisis omtrent de waarheid”. “Nadat de idee van een voor het menselijk verstand kenbare universele waarheid over het goede verloren was gegaan, is onvermijdelijk ook het begrip van het geweten veranderd; het geweten wordt niet meer in zijn oorspronkelijke staat gezien, dat wil zeggen als een handeling van het inzicht van de persoon wiens taak het is, om de algemene kennis van het goede op een bepaalde situatie toe te passen en zo een oordeel te vellen over het juiste, hier en nu te kiezen gedrag; men kwam ertoe, aan het geweten van het individu het voorrecht te verlenen om de criteria voor goed en kwaad autonoom vast te leggen en dienovereenkomstig te handelen. Deze visie is niets anders dan een individualistische ethiek op grond waarvan ieder zich geconfronteerd ziet met zijn waarheid, die van de waarheid van de anderen verschillend is”. 116

In de hele encycliek heb ik de fundamentele rol die aan de waarheid toekomt op het gebied van de moraal, helder en duidelijk onderstreept. Wat het merendeel van de dringendste ethische problemen betreft verlangt deze waarheid van de kant van de moraaltheologie een attente reflectie, die kan wijzen op zijn wortels in het woord van God. Om deze opdracht te kunnen vervullen, moet de waarheid zich bedienen van een filosofische ethiek die gericht is op de waarheid van het goede; een ethiek dus, die noch subjectivistisch noch utilitaristisch is. De gewenste ethiek impliceert en veronderstelt een wijsgerige antropologie en een metafysica van het goede. Wanneer de moraaltheologie deze organische visie huldigt, die noodzakelijkerwijze verbonden is met de christelijke heiligheid en met de beoefening van de menselijke en bovennatuurlijke deugden, zal zij in staat zijn zeer passend en doelmatig de verschillende problemen aan te vatten, waarvoor zij competent is: de vrede, sociale rechtvaardigheid, gezin, de verdediging van het leven en het milieu.

 

99. Het theologische werk in de Kerk staat allereerst in dienst van de geloofsverkondigingen van de catechese. 117 Verkondiging of kerygma is een oproep tot bekering, door de bekendmaking van de waarheid van Christus, die haar hoogtepunt bereikt in zijn Paasmysterie; want alleen in Christus is het mogelijk om de volheid van de waarheid die redt, te kennen (vgl. Hand 4,12; 1Tm 2,4-6).

In dit verband is het goed te begrijpen waarom behalve aan de theologie ook aan de verwijzing naar de catechese groot belang toekomt, aangezien de catechese filosofische implicaties heeft die in het licht van het geloof verdiept moeten worden. De in de catechese doorgegeven leer draagt bij aan de vorming van de persoon. Als een manier van taal-communicatie moet de catechese de leer van de Kerk presenteren in haar volledigheid118, en ook het verband van die leer met het leven van de gelovigen. 119 Het resultaat is een unieke verbinding van leer en leven die op een andere manier niet te bereiken valt, aangezien dat wat in de catechese wordt meegedeeld niet een verzameling begripswaarheden is, maar het mysterie van de levende God. 120

Het wijsgerig onderzoek kan er veel toe bijdragen dat de betrekking tussen waarheid en leven, tussen gebeurtenis en doctrinaire waarheid, en bovenal tussen transcendente waarheid en menselijk begrijpbare taal wordt verhelderd. 121 De wisselwerking die ontstaat tussen de theologische vakken en de resultaten die door de verschillende wijsgerige stromingen zijn behaald, kan echt vruchtbaar blijken voor de communicatie en het diepere begrip van de waarheid.

 

Slot

100. Meer dan honderd jaar na de publicatie van de encycliek Aeterni Patris van Leo XIII, waarnaar ik op deze bladzijden vaak heb verwezen, heb ik de behoefte gevoeld om het thema van de relatie tussen geloof en wijsbegeerte opnieuw te behandelen op meer systematische wijze. Het belang van het wijsgerige denken in de ontwikkeling van de cultuur en zijn invloed op persoonlijke en sociale gedragspatronen kan iedereen waarnemen. Ook op de theologie en haar disciplines oefent de wijsbegeerte een machtige, zij het niet altijd meteen duidelijke, invloed uit. Om deze redenen heb ik het gepast en nodig geoordeeld de waarde van de filosofie voor het begrijpen van het geloof, alsook de grenzen die de filosofie tegenkomt wanneer zij de waarheden van de Openbaring negeert of verwerpt, te benadrukken. De Kerk blijft er ten diepste van overtuigd dat geloof en verstand “elkaar wederzijds steunen” 122; het een beïnvloedt het ander doordat ze elkaar een zuiverheid scheppende kritiek bieden en een stimulans om de zoektocht naar een beter verstaan voort te zetten.

 

101. Een overzicht van de geschiedenis van het denken, speciaal in het Westen, laat duidelijk zien dat de ontmoeting tussen wijsbegeerte en theologie en de uitwisseling van hun respectieve inzichten rijkelijk hebben bijgedragen aan de vooruitgang van de mensheid. Begiftigd als zij is met een openheid en oorspronkelijkheid die het haar mogelijk maakt om als geloofswetenschap te dienen, heeft de theologie zeker de rede uitgedaagd om open te blijven voor de radicale nieuwheid die in Gods openbaring gevonden wordt; en dit was zeker van voordeel voor de wijsbegeerte die beleefd heeft dat zich aldus nieuwe horizonten openden over verdere betekenissen, tot welker verdieping het verstand geroepen is.

In het licht van deze constatering beschouw ik het - zoals ik de opgave van de theologie, haar ware verhouding met de wijsbegeerte te herstellen, beklemtoond heb - als mijn plicht de noodzaak te onderstrepen dat omwille van het welzijn en de vooruitgang van het denken ook de wijsbegeerte haar betrekking met de theologie moet herwinnen. De filosofie zal in de theologie niet de opvatting van een enkele persoon, die, hoe diep en rijk ze ook mag zijn, altijd ook de eigen beperkte perspectieven vertoont die eigen zijn aan het individu vinden, maar de rijkdom van een gemeenschappelijke reflectie. Want de theologie steunt bij haar onderzoek naar de waarheid wezenlijk op het zegelmerk van de kerkelijkheid123 en op de traditie van het Godsvolk met haar veelheid aan kennis en culturen in de eenheid van het geloof.

 

102. Terwijl de Kerk aldus steeds weer terugkomt op de betekenis en de ware dimensies van het wijsgerige denken, bevordert zij tegelijkertijd zowel de verdediging van de menselijke waardigheid als ook de verkondiging van de boodschap die het evangelie bevat. Er is vandaag geen voorbereiding op de uitvoering van deze taken dringender noodzakelijk dan deze: mensen leiden naar de ontdekking van zowel hun vermogen om de waarheid te kennen124 als van hun verlangen naar de uiteindelijke en definitieve zin van het leven. In het licht van deze diepe behoeften, die God heeft geschreven in de menselijke natuur, komt ook de menselijke en vermenselijkende betekenis van Gods woord duidelijker naar boven. Door de bemiddeling van een wijsbegeerte die ook ware wijsheid is, zal de mens van vandaag gaan beseffen dat zijn menselijkheid des te meer bevestigd wordt, naarmate hij zich meer toevertrouwt aan het evangelie en zich openstelt voor God.

 

103. Wijsbegeerte is bovendien de spiegel die de cultuur van een volk weerkaatst. Een filosofie die zich, uitgedaagd door de theologische aanspraken, ontplooit in harmonie met het geloof, hoort tot die ‘evangelisering van de cultuur’ die Paulus VI tot een van de hoofddoelen van de evangelisering heeft verklaard. 125 Terwijl ik niet moe word op de urgentie van een nieuwe evangelisatie te wijzen, roep ik de filosofen op, de dimensies van het ware, goede en schone, waarheen het woord Gods leidt, te verdiepen. Dat wordt des te dringender als men kijkt naar de uitdagingen die het nieuwe millennium schijnt mee te brengen: ze betreffen vooral de streken en culturen van oude christelijke traditie. Deze aandacht voor de wijsbegeerte mag men beschouwen als een fundamentele en originele bijdrage op de weg van de nieuwe evangelisatie.

 

104. Het filosofische denken is vaak het enige terrein voor begrip en dialoog met hen die ons geloof niet delen. De filosofische beweging van de huidige tijd vraagt de aandachtige en competente inzet van gelovige filosofen, die in staat zijn de verwachtingen, openingen en probleemstellingen van dit ogenblik in de geschiedenis te vatten. Terwijl de christelijke filosofie in het licht van de rede en volgens haar wetten argumenteert, maar zich daarbij steeds laat leiden door het toenemende begrip dat het woord van God haar schenkt, kan zij een reflectie ontwikkelen die ook begrijpbaar en waarneembaar zal zijn voor degene die de volle waarheid, die de goddelijke openbaring verkondigt, nog niet begrijpt. Dit terrein van begrip en dialoog is tegenwoordig des te belangrijker, omdat de steeds urgentere problemen, waarmee de mensheid zich geconfronteerd ziet - men denke aan de problemen van milieu en vrede, of aan het samenleven van rassen en culturen - een mogelijke oplossing vinden in het duidelijke, eerlijke samenwerken van de christenen met de gelovigen van andere religies en met allen, aan wie de vernieuwing van de mensheid ter harte gaat, zelfs wanneer zij geen godsdienstig geloof delen. Dat heeft het Tweede Vaticaans Concilie uitgesproken: “De wens tot een dergelijke dialoog, alleen uit liefde voor de waarheid gevoerd en met alle nodige prudentie, sluit onzerzijds niemand uit, noch hen die de hoge waarden van de humaniteit koesteren, terwijl ze hun Bron nog niet erkennen, noch hen die tegenstanders van de Kerk zijn en haar op allerlei manieren vervolgen”. 126 Een wijsbegeerte waarin iets van de waarheid van Christus, het enige definitieve antwoord op de problemen van de mens, 127 aan het licht komt, zal een effectieve steun zijn voor die ware en tegelijkertijd wereldwijde ethiek, die de mensheid vandaag nodig heeft.

 

105. Ik voel de behoefte deze encycliek af te ronden met een laatste gedachte waarmee ik me vooral tot de theologen wend, opdat zij bijzondere aandacht schenken aan de wijsgerige implicaties van het woord van God en zeker in hun werk de hele speculatieve en praktische breedte van de wetenschap der theologie in beschouwing nemen. Ik wens hen te danken voor hun dienst aan de Kerk. De intieme band tussen theologische en wijsgerige wijsheid is een van de meest originele schatten bij de verdieping van de geopenbaarde waarheid. Daarom spoor ik hen aan de metafysische dimensie van de waarheid ten volle te herontdekken en te verwoorden, om zó tot een kritische en veeleisende dialoog te komen met zowel het hedendaagse filosofische denken als met de filosofische traditie in al haar aspecten, of deze nu wel of niet in harmonie is met het woord van God. Laten de theologen altijd zich de woorden herinneren van die grote meester van denken en spiritualiteit, St. Bonaventura, die in de inleiding tot zijn Itinerarium Mentis in Deum de lezer uitnodigt om ten volle te beseffen dat “lezen zonder berouw, kennis zonder vroomheid, onderzoek zonder de prikkel van de verwondering, schranderheid zonder het vermogen, zich aan vreugde over te geven, werkzaamheid gescheiden van godsdienstigheid, leren zonder liefde, intelligentie zonder deemoed, studie niet geschraagd door goddelijke genade, reflectie zonder de door God geïnspireerde wijsheid” - dat dat allemaal tekortschiet. 128

Mijn gedachten zijn ook bij hen die verantwoordelijk zijn voor de priestervorming, academisch of pastoraal. Laten zij ook bijzondere aandacht schenken aan de wijsgerige voorbereiding van hen die het evangelie zullen verkondigen aan de mensen van vandaag en, meer nog, van hen die zich zullen wijden aan theologische studie en onderwijs. Ze moeten zich ten volle inspannen om hun werk uit te voeren in het licht van de voorschriften die het Tweede Vaticaans Concilie heeft vastgelegd129 en van latere wetgeving, die duidelijk spreken over de dringende en bindende verplichting, waaraan allen gehouden zijn, om bij te dragen tot een echte, diepe communicatie van de geloofswaarheden. De zware verantwoordelijkheid om te zorgen voor een adequate voorbereiding van hen die belast zijn met het onderwijs in de theologie, zowel aan de seminaries als aan de kerkelijke faculteiten, mag niet veronachtzaamd worden. 130 Onderwijs op dit gebied veronderstelt natuurlijk een voldoende wetenschappelijke voorbereiding, een systematische behandeling van de grote erfenis van de christelijke traditie en de noodzakelijke onderscheiding in het licht van de actuele behoeften van Kerk en wereld.

 

106. Mijn appèl richt zich ook tot de filosofen, en tot alle docenten in de filosofie; ik vraag hen, in het licht van een blijvend geldige wijsgerige traditie, de moed te hebben de dimensies van echte wijsheid en ook metafysische waarheid van het wijsgerige denken te herwinnen. Ik vraag hen open te staan voor de indringende vragen die voortkomen uit het woord van God en dat zij de kracht hebben, hun rationele argumentatie bij de beantwoording van deze vragen toe te passen. Dat zij zich altijd richten op de waarheid en op het goede dat het ware bevat. Zo zullen zij die onvervalste ethiek kunnen formuleren, die de mensheid bijzonder in de tegenwoordige tijd zo dringend nodig heeft. De Kerk volgt het onderzoek van de filosofen met aandacht en sympathie; zij kunnen er dus zeker van zijn dat de Kerk de legitieme zelfstandigheid van hun wetenschap altijd zal hoogachten. In het bijzonder wil ik de gelovigen bemoedigen, die werkzaam zijn op het gebied van de wijsbegeerte: zij moeten de verschillende terreinen van de menselijke activiteit verlichten door een rede te gebruiken die, gesteund door het geloof, nog zekerder en scherpzinniger wordt.

Tenslotte zou ik ook nog een woord willen richten tot de natuurwetenschappers, die ons door hun onderzoeken een groeiende kennis verschaffen van het totale heelal en van de ongelooflijk rijke diversiteit van zijn levende en levenloze onderdelen met hun complexe atomaire en moleculaire structuren. De weg die zij hebben afgelegd is vooral in deze eeuw gestoten op doelen, die ons nog steeds verbazen. Wanneer ik mijn bewondering en bemoediging uitspreek voor deze moedige pioniers van het wetenschappelijk onderzoek, aan wie de mensheid in hoge mate haar huidige ontwikkeling te danken heeft, voel ik me tegelijkertijd ertoe verplicht, hen op te roepen met hun inspanningen door te gaan en daarbij steeds binnen die horizon van wijsheid te blijven, waarbinnen de natuurwetenschappelijke en technologische resultaten hand in hand gaan met de wijsgerige en zedelijke waarden. Deze waarden vormen de karakteristieke en onmisbare uitdrukking van de menselijke persoon. De wetenschapper is er zich zeer wel van bewust, dat “het zoeken naar de waarheid, ook wanneer zij een begrensde werkelijkheid van de wereld of van de mens betreft, nooit ten einde komt, maar steeds leidt naar iets dat uitgaat boven het onmiddellijke onderzoeksobject; het leidt tot vragen die de toegang tot het mysterie mogelijk maken.” 131

 

107. Aan allen vraag ik, zich intensief te bekommeren om de mens, die Christus in het geheim van zijn liefde gered heeft, en om zijn voortdurende zoeken naar waarheid en zin. Verschillende filosofische systemen hebben hem er door misleiding van overtuigd, dat hij zijn absoluut eigen heer is, die autonoom over zijn lot en over zijn toekomst kan beslissen, wanneer hij uitsluitend op zichzelf en zijn krachten vertrouwt. Dat zal nooit de grootheid van de mens kunnen uitmaken. Bepalend voor zijn verwerkelijking zal alleen de beslissing zijn, zich te voegen in de waarheid door in de schaduw van de wijsheid zijn woning op te zetten en daarin te blijven wonen. Pas binnen deze horizon van de waarheid zal hij begrijpen, hoe zijn vrijheid zich in de volle zin ontplooit en dat hij geroepen is tot liefde en kennis. Daarin ligt zijn hoogste zelfverwerkelijking.

 

108. Mijn laatste gedachte geldt haar die het gebed van de Kerk aanroept als Zetel van Wijsheid, en wier leven een echte parabel is die mijn overweging van deze bladzijden kan verlichten. Want er is een diepe harmonie te bespeuren tussen de roeping van de zalige Maagd Maria en de roeping van echte wijsbegeerte. Zoals de Maagd geroepen werd om zichzelf geheel aan te bieden als mens en als vrouw opdat Gods Woord vlees zou worden en een van ons, zo wordt ook de wijsbegeerte ertoe geroepen haar rationele en kritische arbeid te verrichten opdat de theologie, als het begrip van het geloof, vruchtbaar en creatief mag zijn. En juist zoals Maria, toe zij instemde met het woord van Gabriël, niets van haar ware vrijheid en menselijkheid verloor, zo ook verliest het wijsgerige denken niets van zijn autonomie, wanneer het luistert naar de oproepen van het evangelie. Dit was een waarheid die de heilige monniken van de christelijke oudheid goed begrepen toen zij Maria noemden: “geestelijke tafel van het geloof” 132. In haar zagen zij een lichtend beeld van de ware wijsbegeerte en ze waren overtuigd van de noodzaak om te philosophari in Maria.

Moge Maria, de Zetel der Wijsheid, een veilige haven zijn voor allen die hun leven wijden aan het zoeken naar de wijsheid. Moge hun reis naar de wijsheid, het veilig en uiteindelijke doel van alle ware kennis, vrij worden van iedere hindernis door de voorspraak van degene die, door het leven te schenken aan de Waarheid en die in haar hart te bewaren, haar voor altijd heeft gedeeld met de hele wereld.

Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, op 14 september, het feest van de Kruisverheffing, in het jaar 1998, het twintigste van mijn pontificaat.

 

 

Johannes Paulus PP II




1 In mijn eerste encycliek Redemptor hominis schreef ik: “Zo zijn wij deelachtig geworden aan deze profetische taak van Christus en krachtens diezelfde taak dienen wij samen met Hem de goddelijke waarheid in de Kerk. De verantwoordelijkheid voor deze waarheid betekent ook, dat wij haar liefhebben en zo nauwkeurig mogelijk trachten te begrijpen, om haar voor onszelf en de anderen beter toegankelijk te maken in haar volle heilskracht, haar schittering, in haar diepte en eenvoud tegelijk”; n.19: AAS 71 (1979), 306.

2 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in de wereld van vandaag Gaudium et spes, nr.16.

3 Dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen Gentium , nr. 25.

4 N.4, AAS 85 (1993), 1136.

5 Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, nr. 2.

6 Vgl. Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, III: DS 3008.

7 Ibid., Iv: DS 3015; ook geciteerd in Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes, n.59.

8 Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, nr.2.

9 Apostolische Brief Tertio Millennio Adveniente (10 november 1994), nr. 10: AAS 87 (1995), 11.

10 Nr. 4.

11 Nr. 8.

12 Nr. 22.

13 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, nr. 4.

14 Ibid., nr. 5.

15 Het Eerste Vaticaans Concilie, waarnaar het citaat hierboven verwijst, leert dat de geloofsgehoorzaamheid de inzet van het verstand en de wil vraagt: “Aangezien de mens volledig afhankelijk is van God als zijn Schepper en Heer, en de geschapen rede geheel onderworpen is aan de ongeschapen waarheid, zijn wij verplicht in het geloof aan de zich openbarende God de volle gehoorzaamheid van het verstand en van de wil te betonen.” (Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, III: DS 3008).

16 Sequentie op het Feest van het Allerheiligste Lichaam en Bloed van Christus.

17 Pensées, 789 (uitg.L.Brunschvicg).

18 Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in de Moderne Wereld Gaudium et spes, nr. 22.

19 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, nr.2.

20 Prologion, Prooemium en nr. 1, 15: PL 158, 223-224; 226; 235.

21 De vera religione, XXXIX, 72: CCL 32, 234.

22 “Ut te semper desiderando quaererent et inveniendo quiescerent”: Missale Romanum.

23 Aristoteles, Metaphysica, I, 1.

24 Belijdenissen, X, 23, 33: CCL 27, 173.

25 N. 34: AAS 85 (1993), 1161.

26 Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische Brief Salvifici doloris (11 februari 1984), nr. 9: AAS 76 (1984), 209-210.

27 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Verklaring over de Betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke Religies Nostra Aetate, nr. 2.

28 Dit is een thema dat ik al lang behandel en waarover ik bij verschillende gelegenheden gesproken heb. “‘Wat is de mens en waartoe dient hij? Wat is goed aan hem en wat slecht?’ (Sir.18,8)... Deze vragen draagt iedere mens in het diepst van zijn hart, zoals het dichterlijke genie van alle tijden en volkeren bewijst, dat als een profetie van de mensheid steeds weer de ernstige vraag stelt, die de mens pas werkelijk tot mens maakt. Ze zijn uitdrukking van de urgentie, een oorzaak van het bestaan te vinden, voor elk van zijn ogenblikken, voor de belangrijke en beslissende perioden evenzogoed als voor het leven van alledag. In deze vragen wordt de diepe rationaliteit van het menselijk bestaan bevestigd, want het verstand en de wil van de mens worden hier geactiveerd om in vrijheid naar een oplossing te zoeken die in staat is aan het leven een volle betekenis te geven. Deze vragen vormen dus de meest verheven uitdrukking van de menselijke natuur: dientengevolge is het antwoord erop de maatstaf voor de diepte waarmee hij zijn bestaan beheerst. In het bijzonder wanneer men bij het zoeken naar het laatste, alomvattende antwoord de oorzaak der dingen volledig wil onderzoeken, bereikt de menselijke rede haar top en opent zij zich voor het religieuze. Want de religiositeit vormt de meest verheven uiting van de menselijke persoon, omdat zij het hoogtepunt van zijn natuur als met rede begiftigd wezen is. Zij komt voort uit het diepe verlangen van de mens naar de waarheid en vormt de grondslag van zijn vrije en persoonlijke zoeken naar het goddelijke”: Algemene Audiëntie (19 oktober 1983), nrs. 1-2: Insegnamenti VI, 2 (1983), 814-815.

29 “(Galilei) heeft uitdrukkelijk verklaard, dat de beide waarheden, die van het geloof en die van de wetenschap, elkaar nooit kunnen tegenspreken, ‘aangezien de Heilige Schrift en de natuur gelijkelijk voortkomen uit het goddelijk Woord, de eerste gedicteerd door de heilige Geest, de tweede als trouwe uitvoerster van Gods beschikkingen’, zoals hij schreef in zijn brief aan P. Benedetto Castelli op 21 december 1613. Vaticanum II drukte zich niet anders uit; het neemt zelfs dezelfde uitdrukkingswijze over, wanneer het leert: “Het methodisch onderzoek zal, op alle kennisterreinen, als het de zedelijke normen in acht neemt, nooit echt tegengesteld zijn aan het geloof: de werkelijkheid van de wereld en van het geloof hebben hun oorsprong in dezelfde God” (Gaudium et spes, nr.36). Galilei voelt bij zijn wetenschappelijk onderzoek de aanwezigheid van de Schepper die hem aanspoort, zijn intuïties anticipeert en bijstaat, doordat Hij in de diepte van zijn geest werkt.” Johannes Paulus II, Toespraak tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen (10 november 1979): Insegnamenti, II, 2 (1979), 1111-1112.

30 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, 4.

31 Origenes, Contra Celsum, 3, 55: SC 136, 130.

32 Dialoog met Trypho, 8, 1: PG 6, 492.

33 Stromata I, 18, 90, 1: SC 30, 115.

34 Vgl. ibid., I,16, 80, 5: SC 30, 108.

35 Vgl. ibid., I, 5, 28, 1: SC 30, 65.

36 Ibid., VI, 7, 55, 1-2: PG 9, 277.

37 Ibid., I, 20, 100, 1: SC 30, 124.

38 Sint Augustinus, Belijdenissen, VI, 5, 7: CCL 27, 77-78.

39 Vgl. ibid., VII, 9, 13-14: CCL 27, 101-102.

40 De Praescriptione Haereticorum, VII, 9: SC 46, 98: “Quid ergo Atheis et Hierosolymis? Quid academiae et ecclesiae?”.

41 Vgl. Congregatie voor de Katholieke Opvoeding: Instructie over de studie van de Kerkvaders in de priesteropleiding (10 november 1989), nr.25: AAS 82 (1990), 617-618.

42 Sint Anselmus, Proslogion, 1: PL 158, 226. “Ik ben geschapen om U te zien; en ik heb nog niet gedaan waarvoor ik geschapen ben”.

43 Idem, Monologion, 64: PL 158, 210.

44 Vgl. Summa contra Gentiles, I, VII.

45 Vgl. Summa Theologiae, I, 1, 8 ad 2: “cum enim gratia non tollat naturam, sed perficiat“.

46 Vgl. Johannes Paulus II, Toespraak tot de deelnemers aan het Negende Internationale Thomistische Congres (29 september 1990): Insegnamenti, XIII, 2 (1990), 770-771.

47 Apostolische Brief Lumen Ecclesiae (20 november 1974), nr. 8: AAS 66 (1974), 680.

48 Vgl. I, 1, 6: “Praeterea, haec doctrina per studium acquiritur. Sapientia autem per infusionem habetur, unde inter septem dona Spiritus Sancti connumeratur“.

49 Ibid., II, II , 45, 1 ad 2; vgl. ook II, II, 45, 2.

50 Ibid., I-II, 109, 1 ad 1, dat een weerklank is van de bekende zin van de Ambrosiaster , In Prima Cor 12, 3: PL 17, 258: “Al het ware, wie het ook zegt, is van de heilige Geest”.

51 Leo XIII, Encycliek Aeterni Patris (4 augustus 1879): ASS 11 (1878-79), 109.

52 Paulus VI, Apostolische Brief Lumen Ecclesiae (20 november 1974), nr. 8: AAS 66 (1974), 683.

53 Encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), nr. 15: AAS 71 (1979), 286.

54 Vgl. Pius XII, Encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42 (1950), 566.

55 Vgl. Eerste Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus Pastor Aeternus: DS 3070; .Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk Lumen Gentium, n.25c.

56 Vgl. Synode van Constantinopel, DS 403.

57 Vgl. Concilie van Toledo I, DS 205; Concilie van Braga I, DS 459-460; Sixtus V, Bulle Coeli et terrae Creator (5 januari 1586): Bullarium Romanum 4/4, Rome 1747, 176-179; Urbanus VIII, Inscrutabilis iudiciorum (1 april 1631): Bullarium Romanum 6/1, Rome 1758, 268-270.

58 Vgl. Oecumenisch Concilie van Vienne, Decreet Fidei catholicae, DS 902; Vijfde Oecumenisch Concilie van Lateranen, bulle Apostoli regiminis, DS 1440.

59 Vgl. Theses a Ludovico Eugenio Bautain iussu sui Episcopi subscriptae (8 september 1840), DS 2751-2756; Theses a Ludovico Eugenio Bautain ex mandato S.Cong.Episcoporum et Religiosorum subscriptae (26 april 1844), DS 2765-2769.

60 Vgl. Heilige Congregatie van de Index, Decreet Theses contra Traditionalismum Augustini Bonnetty (11 juni 1855), DS 2811-2814.

61 Vgl. Pius IX, Breve Eximiam tuam (15 juni 1857), DS 2828-2831; Breve Gravissimas inter (11 december 1862), DS 2850-2861.

62 Vgl. Heilige Congregatie van het Heilig Officie, Decreet Errores ontologistarum (18 september 1861), DS 2841-2847.

63 Vgl. Eerste Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, II: DS 3004; canon 2, 1: DS 3026.

64 Ibid., IV: DS 3015, geciteerd in Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes, nr. 59.

65 Eerste Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, IV: DS 3017.

66 Vgl. encycliek Pascendi Dominici gregis (8 september 1907): ASS 40 (1907), 596-597.

67 Vgl. Pius XI, encycliek Divini Redemptoris (19 maart 1937): AAS 29 (1937), 65-106.

68 Encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42 (1950), 562-563.

69 Ibid., loc. cit., 563-564.

70 Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische Constitutie Pastor bonus (28 juni 1980), Art. 48-49: AAS 80 (1988), 873; Congregatie voor de Geloofsleer, instructie over de Kerkelijke Roeping van de Theoloog Donum Veritatis (24 mei 1990), nr. 18: AAS 82 (1990), 1558.

71 Vgl. Instructie over bepaalde aspecten van de “Theologie van de Bevrijding” Libertatis nuntius (6 augustus 1984), VII-X: AAS 76 (1984), 890-903.

72 Vaticanum II heeft in even duidelijke als gebiedende woorden deze dwaling reeds veroordeeld, waarbij het enerzijds zei: “Dit geloof echter (...) is volgens de belijdenis van de katholieke Kerk een bovennatuurlijke deugd, waardoor wij gesteund en geholpen door de genade van God geloven dat het door Hem geopenbaarde waar is, niet vanwege de door het natuurlijke licht van de rede doorgronde intrinsieke waarheid van de dingen, maar vanwege het gezag van de zich openbarende God zelf, die noch zichzelf misleiden, noch misleiden kan.” : Dogmatische Constitutie Dei Filius, III: DS 3008, en can. 3,2: DS 3032. Anderzijds verklaarde het Concilie dat de rede nooit “in staat is (deze mysteries) precies zo te doorgronden als de waarheden, die haar eigenlijke (kennis-)object vormen”: ibid., IV: DS 3016. Daaruit trok het de praktische conclusie: “daarom is het niet alleen aan alle gelovige Christenen verboden dergelijke meningen, waarvan men weet dat ze tegengesteld zijn aan de geloofsleer -vooral wanneer ze door de Kerk zijn verworpen-, als legitieme wetenschappelijke conclusies te verdedigen, maar sterker nog, zij zijn streng verplicht die als dwalingen te beschouwen, die de bedrieglijke schijn van waarheid uitstralen”: ibid., IV: DS 3018.

73 Vgl. nrs. 9-10.

74 Ibid., nr.10.

75 Ibid., nr.21.

76 Vgl. ibid., n.10.

77 Vgl. encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42 (1950), 565-567; 571-573.

78 Vgl. Encycliek Aeterni Patris (4 auggustus 1879): AAS 11 (1878-1879), 97-155.

79 Ibid., loc. cit., 109.

80 Vgl. nrs. 14-15.

81 Vgl. ibid., nrs. 20-21.

82 Ibid., nr.22; vgl. Johannes Paulus II, encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), nr. 8: AAS 71 (1979), 271-272.

83 Decreet over de Priesteropleiding Optatam totius, nr. 15.

84 Vgl. Apostolische Constitutie Sapientia Christiana (15 april 1979), art. 79-80: AAS 71 (1979), 495-496; Post-synodale Apostolische Exhortatie Pastores dabo vobis (25 maart 1992), nr.52: AAS 84 (1992), 750-751. Vgl. ook verschillende opmerkingen over de filosofie van St.Thomas: Toespraak tot het Internationale Pauselijke Atheneum “Angelicum” (19 november 1979): Insegnamenti II, 2 (1979), 1177-1189; toespraak tot de deelnemers aan het Achtste Internationale Thomistische Congres (13 september 1980): Insegnamenti III, 2 (1980), 604-615; toespraak tot de deelnemers aan het Internationale Congres van het Sint-Thomas-genootschap over de Leer van de Ziel bij Sint Thomas (4 januari 1986): Insegnamenti IX, 1 (1986), 18-24. Ook de Heilige Congregatie voor de Katholieke Opvoeding , Ratio Fundamentalis Institutionis Sacerdotalis (6 januari 1970), nrs. 70-75: AAS 62 (1970), 366-368; Decreet Sacra Theologia (20 januari 1972): AAS 64 (1972), 583-586.

85 Pastorale Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes, nrs. 57; 62.

86 Vgl. ibid., nr. 44.

87 Vgl. Vijfde Oecumenisch Concilie van Lateranen, Bulle Apostolici regiminis sollicitudo, achtste Zitting: Conciliorum Oecumenicorum Decreta 1991, 605-606.

88 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum nr. 10.

89 H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II, II, 5, 3 ad 2.

90 “Het onderzoek naar de voorwaarden waaronder de mens vanuit zichzelf de eerste fundamentele vragen stelt naar de zin van het leven, naar het doel dat hij eraan wil geven, en naar dat wat hem na de dood wacht, vormt voor de fundamentele theologie de noodzakelijke inleiding, opdat ook vandaag het geloof de rede bij haar oprechte zoeken naar de waarheid volledig de weg kan wijzen.” Johannes Paulus II, Brief aan de deelnemers aan het Internationale Congres voor Fundamentele Theologie bij de 125ste verjaardag van de publicatie van “Dei Filius” (30 september 1995), nr.4: L’Osservatore Romano, 3 oktober 1995, 8.

91 Ibid.

92 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes, nr.15; Decreet over de Missionaire Activiteit van de Kerk Ad gentes, nr.22.

93 H. Thomas van Aquino, De Caelo, 1, 22.

94 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes, nrs. 53-59.

95 H. Augustinus, De Praedestione Sanctorum, 2, 5: PL 44, 963.

96 Idem, De Fide, Spe et Caritate, 7: CCL 64, 61.

97 Vgl. Oecumenisch Concilie van Chalcedon, Symbolum, Definitio: DS 302.

98 Vgl. Johannes Paulus II, encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), nr. 15: AAS 71 (1979), 286-289.

99 Vgl. bijvoorbeeld H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I, 16, 1; H. Bonaventura, Coll. in Hex., 3, 8, .

100 Pastorale Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes, nr. 15.

101 Vgl. Johannes Paulus II, encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), nrs. 57-61: AAS 85 (1993), 1179-1182.

102 Vgl. Eerste Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over het katholieke Geloof Dei Filius, IV: DS 3016.

103 Vgl. Vierde Oecumenisch Concilie van Lateranen, De Errore Abbatis Joachim, II: DS 806.

104 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, nr. 24; Decreet over de Priesteropleiding Optatam totius, nr.16.

105 Vgl. Johannes Paulus II, encycliek Evangelium Vitae (25 maart 1995), nr.69: AAS 87 (1995), 481.

106 In dezelfde zin schreef ik in mijn eerste encycliek als commentaar op het woord uit het St.-Jansevangelie: “Jullie zullen de waarheid kennen, en de waarheid zal jullie vrijmaken” (8,32): “Deze woorden houden tegelijkertijd een fundamentele eis en een waarschuwing in: de eis van oprechtheid tegenover de waarheid als voorwaarde voor een authentieke vrijheid; en de waarschuwing alle schijn-vrijheid te vermijden, alle oppervlakkige en eenzijdige vrijheid, en alle vrijheid die niet de bodem raakt van de waarheid over mens en wereld. Ook vandaag, na tweeduizend jaar, is Christus Degene die de mens de vrijheid brengt die gegrondvest is op de waarheid; Hij die de mens bevrijdt van alles wat de vrijheid in zijn geest, zijn hart en zijn geweten beperkt, vermindert en als het ware tot in de wortels vernielt”: Encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), nr. 12: AAS 71 (1979), 280-281.

107 Toespraak bij de opening van het Concilie (11 oktober 1962): AAS 54 (1962), 792.

108 Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over de Kerkelijke Roeping van de Theoloog Donum veritatis (24 mei 1990), nrs.7-8: AAS 82 (1990), 1552-1553.

109 In de encycliek Dominum et Vivificantem, schreef ik als commentaar op Jn 16, 12-13: ‘Jezus presenteert de Vertrooster, de Geest van de waarheid, als Degene die zal “onderwijzen” en “in herinnering brengen”, als Degene die “getuigenis zal afleggen” van Hem. Nu zegt Hij: “Hij zal u leiden in de volle waarheid”. Dit “leiden in de volle waarheid”, dat verwijst naar wat de apostelen “nu niet kunnen verdragen”, is noodzakelijk verbonden met Christus’ ontlediging door zijn lijden en dood aan het kruis, dat toen Hij deze woorden sprak, juist op het punt stond te gebeuren. Later wordt het echter duidelijk dat dit “leiden in de volle waarheid” niet alleen verbonden is met het scandalum Crucis, maar ook met alles wat Christus ‘deed en leerde’ (Hand.1,1). Want het mysterium Christi als geheel genomen vraagt geloof, aangezien het het geloof is dat de mens binnenleidt in de werkelijkheid van het geopenbaarde mysterie. Het ‘leiden in de volle waarheid’ wordt daarom bereikt in en door het geloof: en dit is het werk van de Geest der waarheid en het resultaat van zijn activiteit in de mens. De heilige Geest moet hierbij de hoogste Leider van de mens zijn en het Licht van de menselijke geest’: nr. 6, AAS 78 (1986), 815-816.

110 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, nr.13.

111 Vgl. Pauselijke Bijbelcommissie, Instructie over de Historische Waarheid van de Evangelies : AAS 56 (1964), 713.

112 “Het is duidelijk dat de Kerk zich niet kan binden aan een willekeurig, voorbijgaand, wijsgerig systeem; maar wat door de katholieke theologen in overeenstemming in eeuwenlange arbeid is opgesteld, om enigszins tot een begrijpen en bevatten van het dogma te komen, berust niet op een zo bouwvallige fundering. Want het berust op beginselen en begrippen die afgeleid zijn uit de ware en juiste kennis van de geschapen dingen: in dit proces van afleiding van deze kennis gaf de goddelijke openbaring als een ster verlichting aan de menselijke geest, door de Kerk. Daarom is het niet verbazend dat enkele van deze begrippen door de oecumenische Concilies niet alleen gebruikt zijn, maar zelfs vastgelegd, zodat het verkeerd is om daarvan afstand te nemen”: encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42 (1950), 566-567; vgl. Internationale Theologische Commissie, Document Interpretationis Problema (oktober 1989): Enchiridion Vaticanum 11, 2717-2811.

113 “Wat de betekenis van de dogmatische formules betreft, deze blijft altijd waar en constant in de Kerk, zelfs wanneer zij wordt verwoord met grotere helderheid of verder ontwikkeld. De gelovigen moeten daarom allereerst de opvatting vermijden dat dogmatische formules (of bepaalde soorten ervan) de waarheid niet op bepaalde wijze zouden kunnen beduiden, maar alleen veranderlijke benaderingen ervan zouden kunnen bieden, die haar in zekere zin zouden deformeren of veranderen”: K. Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring ter Verdediging van de Katholieke Leer over de Kerk Mysterium Ecclesiae (24 juni 1973), 5: AAS 65 (1973), 403.

114 Vgl. Congregatie van het H. Officie, Decreet Lamentabili (3 juli 1907), nr.26: ASS 40 (1907), 473.

115 Vgl. Johannes Paulus II, Toespraak tot het Pauselijk Atheneum “Angelicum” (17 november 1979), nr. 6: Insegnamenti II, 2 (1979) 1183-1185.

116 Nr. 32: AAS 85 (1993), 1159-1160.

117 Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie Catechesi Tradendae (16 oktober 1979), nr. 30: AAS 71 (1979), 1302-1303; Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over de Kerkelijke Roeping van de Theoloog Donum Veritatis (24 mei 1990), nr.7: AAS 82 (1990), 1552-1553.

118 Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische Exhortatie Catechesi Tradendae (16 oktober 1979), nr. 30: AAS 71 (1979), 1302-1303.

119 Vgl. ibid., nr.22, loc.cit., 1295-1296.

120 Vgl. ibid., nr. 7, loc.cit., 1282.

121 Vgl. ibid. nr. 59, loc.cit., 1325.

122 Eerste Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof Dei Filius, IV: DS 3019.

123 “Niemand kan van de theologie als het ware een eenvoudige verzameling van zijn eigen persoonlijke ideeën maken, maar iedereen moet er zich van bewust zijn dat hij in hechte vereniging is met de zending van het onderricht van de waarheid, waarvoor de Kerk verantwoordelijk is”: Johannes Paulus II, encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), nr. 19: AAS 71 (1979), 308.

124 Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Verklaring over de Godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, nrs. 1-3.

125 Vgl. Apostolische Exhortatie Evangelii nuntiandi (8 december 1975), n. 20: AAS 68 (1976), 18-19.

126 Pastorale Constitutie over de Kerk in de Wereld van Vandaag Gaudium et spes, nr. 92.

127 Vgl. ibid., nr. 10.

128 Prologus, 4: Opera Omnia, Florence, 1891, Vol. V, 296.

129 Vgl. Decreet over de Priesteropleiding Optatam totius, nr. 15.

130 Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische Constitutie Sapientia Christiana (15 april 1979), art. 67-68: AAS 71 (1979), 491-492.

131 Johannes Paulus II, Toespraak tot de Universiteit van Krakow bij de 600ste verjaardag van de Jagiellonica Universiteit (8 juni 1997), nr. 4: L’Osservatore Romano, 9-10 juni 1997, 12.

132Hè noerá tès pisteoos tràpeza“: Pseudo-Epiphanius, Homilie ter ere van de heilige Maria, Moeder van God: PG 43, 493.




Copyright 1998 - Libreria Editrice Vaticana

 

top