The Holy See
backup
Search
riga
IOANNES PAULUS PP. II

EVANGELIUM VITAE
Aan de bisschoppen, priesters en diakens, religieuzen, leken en alle mensen van goede wil over de waarde en onaantastbaarheid van het menselijk leven



Inleiding

1. HET EVANGELIE VAN HET LEVEN staat in het hart van de boodschap van Jezus. Dagelijks door de Kerk met liefde ontvangen, moet zij met moedige trouw verkondigd worden als het goede nieuws aan de mensen van ieder tijdperk en elke cultuur.

Bij de dageraad van de verlossing is er de geboorte van een Kind, die wordt aangekondigd als een blijde mededeling: “Ik verkondig u een grote vreugde die bestemd is voor heel het volk: heden is u in de stad van David een redder geboren, Christus de Heer”(Lc 2,10-11). Reden voor die “grote vreugde”is zeker de geboorte van de Verlosser; maar met Kerstmis is ook de volledige betekenis van iedere menselijke geboorte geopenbaard, en de vreugde om de Messias blijkt aldus de grondslag en de voltooiing van de vreugde om ieder kindje dat geboren wordt (vgl. Joh 16,21).

Wanneer Hij de kern van zijn verlossende zending presenteert, zegt Jezus: “Ik ben gekomen opdat zij het leven hebben, leven in overvloed”(Joh 10,10). In waarheid duidt Hij op dat “nieuwe”en “eeuwige”leven dat bestaat in de gemeenschap met de Vader, waartoe iedere mens om niet wordt geroepen in de Zoon door de werking van de heiligmakende Geest. Maar juist in dat “leven”krijgen alle aspecten en alle ogenblikken van het leven van de mens hun volle betekenis.

 

De onvergelijkelijke waarde van de menselijke persoon

2. De mens wordt uitgenodigd tot een volheid van leven die de dimensies van zijn aardse bestaan ver achter zich laat, omdat het bestaat in de deelname aan het leven van God zelf.  

De verhevenheid van die bovennatuurlijke roeping maakt de grootheid en de kostbaarheid van het menselijk leven zichtbaar, ook in zijn tijdelijk-aardse fase. Want het leven in de tijd is de basisvoorwaarde, het beginmoment en wezenlijk deel van het ene proces van het menselijk bestaan als geheel. Een proces dat, onverwacht en onverdiend, verlicht wordt door de belofte en vernieuwd door de gave van het goddelijk leven, dat zijn volle vervulling zal bereiken in de eeuwigheid (vgl.1 Joh 3,1-2). Tegelijkertijd onderstreept juist die bovennatuurlijke roeping de betrekkelijkheid van het aardse leven van man en vrouw. Het is immers helemaal niet de “laatste”maar de “voorlaatste”werkelijkheid; het is dus een heilige werkelijkheid die aan ons is toevertrouwd opdat wij haar hoeden met verantwoordelijkheidsbesef en haar tot volmaaktheid brengen in de liefde en in de gave van onszelf aan God en aan onze broeders.  

De Kerk weet dat dit Evangelie van het leven, dat haar door de Heer werd toevertrouwd 1, een diepe en overtuigende weerklank vindt in het hart van iedere gelovige, maar ook niet-gelovige mens omdat het aan zijn verwachtingen die het toch oneindig overtreft, op verrassende wijze beantwoordt. Zelfs in moeilijkheden en onzekerheden kan iedere mens die oprecht openstaat voor de waarheid en het goede, met het licht van het verstand en niet zonder de verborgen invloed van de genade, komen tot de erkenning, in de natuurlijke wet die in zijn hart geschreven is (vgl.Rom 2,14-15), van de heilige waarde van het menselijk leven vanaf het eerste begin tot aan zijn einde, en tot de aanvaarding van het recht van iedere mens, dat dit belangrijkste goed van hem in de hoogste mate gerespecteerd wordt. Op de erkenning van dat recht berust de menselijke samenleving en de politieke gemeenschap.  

Dat recht moeten vooral degenen die in Christus geloven verdedigen en bevorderen, zich bewust van de wonderlijke waarheid waaraan Vaticanum II herinnert: “Met de menswording heeft de Zoon van God zich in zekere zin verenigd met iedere mens”2. In die heilsgebeurtenis openbaart zich in feite niet alleen de grenzeloze liefde van God die “zozeer de wereld heeft liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven”(Joh 3,16) maar ook de onvergelijkelijke waarde van iedere menselijke persoon.  

En terwijl Kerk voortdurend het mysterie van de Verlossing onderzoekt, neemt zij die waarde met steeds nieuwe verbazing waar 3 en weet zij zich geroepen om aan de mensen van alle tijden die “blijde boodschap”, bron van onoverwinnelijke hoop en van echte vreugde voor elk tijdperk van de geschiedenis, te verkondigen. Het Evangelie van de liefde van God voor de mens, het Evangelie van de waardigheid van de persoon en het Evangelie van het leven zijn één ondeelbare Blijde Boodschap.

De mens zelf, de levende mens, vormt daarom de eerste en fundamentele weg van de Kerk 4.

 

De nieuwe bedreigingen van het menselijk leven

3. Iedere mens wordt, op grond van het geheim van het Woord van God dat is mens geworden (vgl.Joh 1,14), toevertrouwd aan de moederlijke zorg van de Kerk. Daarom moet elke bedreiging van de waardigheid en van het leven van de mens wel een reactie oproepen in het hart van de Kerk, moet die haar wel raken in de kern van haar eigen geloof in de verlossende Menswording van de Zoon van God, moet zij die wel betrekken in haar zending om het Evangelie van het leven te verkondigen in de hele wereld en aan ieder schepsel (vgl.Mc 16,15).

Vandaag wordt die verkondiging bijzonder dringend in het licht van de schokkende toename en verscherping van de bedreigingen van het leven van mensen en volken, vooral wanneer dat zwak en weerloos is. Bij de oude, smartelijke plagen van ellende, honger, inheemse ziekten, geweld en oorlogen voegen zich andere, van onbekende aard en van verontrustende omvang.

Reeds het Tweede Vaticaans Concilie heeft, op een bladzijde die dramatisch actueel is, met kracht de veelvuldige misdrijven en aanslagen tegen het menselijk leven aangeklagd. Dertig jaar later maak ik de woorden van de concilievaders tot de mijne, en nogmaals en met eenzelfde krachtige aanklacht verhef ik, in naam van de hele Kerk, in de zekerheid dat ik het authentieke gevoelen verwoord van ieder zuiver geweten, mijn stem: “Al wat verder tegen het leven zelf ingaat, zoals alle soorten van moord, uitroeiing, abortus, euthanasie en vrijwillige zelfmoord, al wat de integriteit van de menselijke persoon aantast, zoals verminking, lichamelijke en geestelijke foltering, pogingen om de mens psychisch in zijn macht te krijgen; al wat een belediging is voor de menselijke waardigheid, zoals onmenselijke levensvoorwaarden, willekeurige arrestaties, deportaties, slavernij, prostitutie, handel in meisjes en minderjarigen; schandelijke arbeidsvoorwaarden, waarbij de arbeiders als louter winst-werktuigen worden behandeld en niet als vrije en verantwoordelijke personen: dit alles en andere dergelijke dingen zijn onmiskenbaar schandelijk. Ze zijn een aantasting van de menselijke beschaving en zij werpen meer een smet op hen die zich zo gedragen dan op hen die het onrecht hebben te verdragen. En ze zijn volledig in tegenspraak met de eer van de Schepper”5.  

4. Helaas, dat verontrustende panorama, verre van beperkt te worden, is zich veeleer aan het uitbreiden: met de nieuwe duidelijke vooruitzichten van wetenschappelijke en technologische vooruitgang ontstaan nieuwe vormen van aanslagen op de waardigheid van het menselijk wezen, terwijl een nieuwe culturele situatie zich aftekent en tot stand komt, die aan de misdrijven tegen het leven een ongehoord en zo mogelijk nog schandelijker aanzien geeft en nieuwe ernstige zorgen wekt: brede lagen van de publieke opinie rechtvaardigen sommige misdrijven tegen het leven in naam van de rechten van de individuele vrijheid en maken, op grond van een dergelijke vooronderstelling, niet alleen aanspraak op strafuitsluiting daarvoor, maar zelfs op goedkeuring van de overheid om die misdrijven in absolute vrijheid te begaan en zelfs nog met gratis hulp van de openbare gezondheidszorg.  

Nu bewerkt dat alles een diepe verandering in de wijze waarop het leven en de intermenselijke betrekkingen bezien worden. Het feit dat de wetgeving in veel landen, in afwijking van de fundamentele beginselen van haar Grondwet ermee heeft ingestemd dergelijke praktijken tegen het leven niet te straffen of ze zelfs volledige rechtmatigheid toe te kennen is tegelijk een zorgwekkend symptoom en belangrijke oorzaak van een ernstige moreel verval; beslissingen die eens eenstemmig beoordeeld werden als misdadig en afgewezen door het algemene morele besef, worden stilaan maatschappelijk respectabel. Zelfs de geneeskunde die krachtens haar roeping toegewijd is aan de verdediging van en de zorg voor het menselijk leven, leent zich er op enkele terreinen steeds meer toe om die handelingen tegen de persoon uit te voeren en misvormt aldus haar gelaat, spreekt zichzelf tegen en haalt de waardigheid van hen die haar beoefenen omlaag. In zo”n culturele en juridische situatie staan ook de grote demografische, sociale of familie-problemen, die drukken op talloze volken van de wereld en die een verantwoordelijke en actieve aandacht vragen van de nationale en de internationale gemeenschappen, bloot aan valse en misleidende oplossingen, in tegenspraak met de waarheid en met het welzijn van de personen en van de naties.  

Het resultaat dat men bereikt is dramatisch: niet alleen is het verschijnsel van het uit de weg ruimen van zoveel menselijke wezens in wording of op de weg naar de dood ernstig en verontrustend, maar niet minder is dat het feit dat zelfs het geweten, a.h.w. verduisterd door zo wijdverbreide conditioneringen, steeds meer moeite heeft om te onderscheiden tussen goed en kwaad wat betreft de fundamentele waarde van het menselijk leven.

 

In gemeenschap met alle bisschoppen van de wereld

5. Aan het probleem van de bedreigingen van het menselijk leven in onze tijd was het Buitengewoon Consistorie van de kardinalen gewijd, dat plaatsvond in Rome van 4 tot 7 april 1991. Na een uitvoerige en diepgaande bespreking van het probleem en van de uitdagingen waarvoor de hele mensenfamilie geplaatst is en vooral de christelijke gemeenschap, hebben de kardinalen mij eenstemmig gevraagd om met het gezag van de Opvolger van Petrus de waarde van het menselijk leven en zijn onaantastbaarheid opnieuw te bevestigen, met verwijzing naar de actuele omstandigheden en naar de aanslagen die het vandaag bedreigen.  

Toen ik dit verzoek kreeg heb ik met Pinksteren 1991 een persoonlijke brief gestuurd aan iedere mede-broeder met het verzoek dat hij, in de geest van de bisschoppelijke collegialiteit, mij zijn medewerking zou aanbieden met het oog op de opstelling van een speciaal document 6. Ik ben alle bisschoppen ten diepste dankbaar die hebben geantwoord en mij kostbare informatie, suggesties en voorstellen hebben bezorgd. Zij hebben ook zo getuigd van hun eensgezinde en overtuigde deelname aan de leerstellige en pastorale zending van de Kerk m.b.t. het Evangelie van het leven.

In dezelfde brief heb ik, enkele dagen na de viering van het eeuwfeest van de encycliek Rerum Novarum, de aandacht van allen gevestigd op die bijzondere analogie: “Zoals het een eeuw geleden de arbeidersklasse was die onderdrukt werd in haar fundamentele rechten, en de Kerk met grote moed er de verdediging van op zich nam, door de onaantastbare rechten van de persoon van de werker af te kondigen, zo voelt de Kerk nu, nu een andere categorie personen onderdrukt wordt in haar fundamentele recht op het leven, de plicht om met onvermindere moed stem te geven aan wie geen stem hebben. Haar roepen is altijd dat van het evangelie voor de verdediging van de armen van de wereld, die bedreigd, ondergewaardeerd en onderdrukt worden in hun mensenrechten”7.  

Het fundamentele recht op leven wordt vandaag bij een grote menigte zwakke en weerloze menselijke wezens, in het bijzonder bij ongeboren kinderen, met voeten getreden. Als de Kerk aan het einde van de vorige eeuw niet kon zwijgen over het toen heersende onrecht, dan nog minder nu, nu bij het sociale onrecht van het verleden, dat helaas nog niet overwonnen is, in zoveel delen van de wereld zich vormen van onrecht en onderdrukking voegen die nog veel ernstiger zijn, die misschien verwisseld worden met elementen van de vooruitgang met het oog op de vorming van een nieuwe wereldorde.  

De voorliggende encycliek, vrucht van de samenwerking van het Episcopaat van ieder land in de wereld, wil dus een precieze en krachtige herbevestiging zijn van de waarde van het menselijk leven en van zijn onschendbaarheid, en tegelijk een hartstochtelijk appel gericht aan allen en aan iedereen, in naam van God: respecteer, verdedig, bemin en dien het leven, ieder menselijk leven! Alleen op die weg zul je gerechtigheid, ontwikkeling, echte vrijheid, vrede en geluk vinden!

Mogen deze woorden alle zonen en dochters van de Kerk bereiken. Mogen zij alle personen van goede wil bereiken, die bezorgd zijn voor het welzijn van iedere man en vrouw en om het lot van de hele samenleving!  

6. In diepe verbondenheid met iedere broeder en zuster in het geloof en bezield door een oprechte vriendschap met allen, wil ik het Evangelie van het leven heroverwegen en verkondigen, als schittering van de waarheid die de gewetens verlicht, als helder licht dat de verduisterde blik geneest, als onuitputtelijke bron van standvastigheid en moed om de steeds nieuwe uitdagingen tegemoet te treden die wij tegenkomen op onze weg.  

En terwijl ik terugdenk aan de rijke ervaring die we opdeden tijdens het Jaar van het Gezin, kijk ik, a.h.w. in gedachten de brief aanvullend die ik “aan iedere concrete familie van welke streek ter wereld ook”8 gericht had, met nieuw vertrouwen naar alle huisgemeenschappen en wens ik dat op ieder niveau de taak van allen hernomen of versterkt wordt om het gezin te steunen, opdat ook vandaag - zij het ook midden in talrijke moeilijkheden en ernstige dreigingen - het gezin altijd, volgens het plan van God, behouden blijft als “heiligdom van het leven”9.  

Aan alle leden van de Kerk, volk van het leven en voor het leven, richt ik een zeer dringende uitnodiging om samen aan deze onze wereld nieuwe tekenen van hoop te geven, terwijl wij bewerken dat de gerechtigheid en solidariteit groeien en een nieuwe cultuur van het menselijk leven doorbreekt voor de opbouw van een authentieke beschaving van de waarheid en van de liefde.

 

Hoofdstuk I

Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij

De huidige bedreigingen van het menselijk leven

 

 “Kaïn hief zijn hand op tegen zijn broer Abel en doodde hem”(Gn 4,8): aan de wortel van het geweld tegen het leven.

7. “God heeft de dood niet gemaakt en Hij vindt geen vreugde in de ondergang van hen die leven, maar alles heeft Hij voor het zijn geschapen(...) Ja, God heeft de mens geschapen voor een onvergankelijk leven; en Hij heeft hem gemaakt tot een beeld van zijn eigen eeuwigheid. Maar de dood is in de wereld gekomen door de afgunst van de duivel; en hij wordt ondergaan door diens aanhangers”(W 1,13-14;2,23-24).

Het Evangelie van het leven, dat in het begin opklonk met de schepping van de mens naar het beeld van God voor een vol en volmaakt leven (vgl.Gn 2,7;W 9,2-3), wordt tegengesproken door de verscheurende ervaring van de dood die in de wereld komt en die de schaduw van zinledigheid over het hele bestaan van de mens werpt.  

De dood komt in de wereld vanwege de afgunst van de duivel (vgl.Gn 3,1&4-5) en vanwege de zonde van de voorouders (vgl.Gn 2,17;3,17-19). En hij komt er binnen op een gewelddadige wijze, door middel van de moord op Abel door zijn broer Kaïn: “Toen zij buiten waren, viel Kaïn zijn broer aan en vermoordde hem”(Gn 4,8).  

Die eerste moord wordt voorgesteld met een uitzonderlijke welsprekendheid op een bladzijde van het boek Genesis die universele betekenis heeft: een bladzijde die elke dag weer wordt geschreven, zonder pauze en in een ontmoedigende herhaling, in het boek van de geschiedenis der volkeren.

Wij willen samen die bijbelse bladzijde herlezen die, ondanks haar ouderdom en uiterste eenvoud, zeer leerzaam blijkt.  

“Abel werd schaapherder en Kaïn landbouwer. Na verloop van tijd bracht Kaïn een offer aan Jahwe van de vruchten van de grond. Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht.

Een wilde woede greep Kaïn aan, en zijn gezicht werd grimmig. Nu zei Jahwe tot Kaïn: “Waarom zijt gij woedend en waarom staat uw gezicht zo grimmig? Als gij het goede doet is er opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?” 

Daarop zei Kaïn tot zijn broer Abel: “Laten we gaan wandelen”. En toen zij buiten waren, hief Kaïn de hand op tegen zijn broer en doodde hem.  

Nu zei Jahwe tot Kaïn: “Waar is uw broer Abel?”Hij antwoordde: “Ik weet het niet. Ben ik soms mijn broeders hoeder?”Toen zei Hij: “Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij! Daarom zult ge vervloekt zijn, verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om uit uw hand het bloed van uw broer te ontvangen! De grond die gij bewerkt zal niets meer opbrengen; een zwerver en een vagebond zult ge zijn op de aarde!” 

Toen zei Kaïn tot Jahwe: “Die straf is te zwaar om te dragen. Gij verdrijft mij van de bebouwde grond, en ik zal ver van U moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en iedereen die mij ontmoet kan mij doden”.  

Maar Jahwe antwoordde hem: “Neen! Wie het ook is die Kaïn doodt, hij zal het zevenvoudig boeten!”En Jahwe gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem doden zou. Daarna trok Kaïn weg uit Jahwe”s nabijheid en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.(Gn 4,2-16).  

8. Kaïn is “zeer kwaad”en heeft een “grimmig”gezicht, omdat “de Heer genadig neerzag op Abel en zijn offer”(Gn 4,4). De bijbeltekst onthult niet de reden waarom God het offer van Abel verkiest boven dat van Kaïn; hij geeft echter duidelijk aan dat Hij, ook al kiest Hij de gave van Abel, het gesprek met Kaïn niet afbreekt. Hij waarschuwt hem, herinnert hem aan zijn vrijheid tegenover het kwaad: de mens is geenszins voorbestemd tot het kwaad. Zeker: hij wordt, zoals reeds Adam, beproefd door de verderflijke macht van de zonde die, als een wild dier, naast de deur van zijn hart staat, klaar om zich op zijn prooi te storten. Maar Kaïn blijft vrij tegenover de zonde. Hij kan en moet die beheersen: “Zijn hevige begeerte is op u gericht, maar u moet die meester blijven!”(Gn 4,7).

Na de waarschuwing van de Heer hebben de afgunst en de woede de overhand en zo stort Kaïn zich op zijn broer en doodt hem. In de Katechismus van de Katholieke Kerk lezen we: “In het verhaal van de moord van Kaïn op zijn broer Abel toont de Schrift hoe, vanaf het begin van de geschiedenis van het mensdom, ten gevolge van de erfzonde, woede en begeerlijkheid in de mens aanwezig zijn. De mens is de vijand geworden van zijn naaste”10.  

De ene broer doodt de andere. Zoals bij de eerste broedermoord wordt bij elke moord de “geestelijke”verwantschap geschonden, die de mensen verenigt in één grote familie11, aangezien allen deelhebben aan hetzelfde wezenlijke goed: de gelijke persoonlijke waardigheid. Dikwijls wordt ook de verwantschap “van het vlees en het bloed”geschonden, bijvoorbeeld wanneer de bedreigingen van het leven opkomen in de relatie tussen ouders en kinderen, zoals gebeurt bij abortus, of wanneer binnen de grotere context van gezin of familie, euthanasie aangemoedigd wordt of uitgevoerd.

Aan de wortel van elk geweld tegen de naaste ligt een toegeven aan de “logica”van de boze, dat wil zeggen van hem die “moordenaar van begin af aan geweest is”(Joh 8,44), zoals de apostel Johannes zegt: “Dat is dus de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten beminnen. Niet zoals Kaïn, die uit de boze was en die zijn broer doodde”(1Joh 3,11-12). Zo is de broedermoord vanaf de dageraad van de geschiedenis het trieste getuigenis van de manier waarop het kwaad voortgaat met indrukwekkende snelheid: bij de opstand van de mens tegen God in het aards paradijs voegt zich de dodelijke strijd van de ene mens tegen de andere.  

Na de misdaad komt God tussenbeide om de vermoorde te wreken. Tegenover God, die hem ondervraagt over het lot van Abel, omzeilt Kaïn, liever dan zich verlegen te tonen en om vergeving te vragen, de vraag hooghartig: “Ik weet het niet. Moet ik soms op mijn broer passen?”(Joh 4,9). “Ik weet het niet”: Kaïn probeert met een leugen zijn misdaad te verbergen. Zo is het vaak gebeurd en gebeurt het nog wanneer de meest uiteenlopende ideologieën ertoe dienen om de gruwelijkste misdaden tegen de persoon te rechtvaardigen en te maskeren. “Moet ik soms op mijn broer passen?”: Kaïn wil niet denken aan zijn broer en weigert die verantwoordelijkheid, die iedere mens heeft jegens de ander, te dragen. Onwillekeurig komt men te denken aan de huidige tendensen om de verantwoordelijkheid van de mens voor zijn naaste af te schuiven: symptomen daarvan zijn onder andere het afnemen van de solidariteit met de zwakste leden van de maatschappij - zoals de ouderen, de zieken, de immigranten en de kinderen - en de onverschilligheid die dikwijls te zien is in de betrekkingen tussen de volken, ook wanneer fundamentele waarden op het spel staan zoals het overleven, de vrijheid en de vrede.  

9. Maar God laat de misdaad niet ongestraft: vanaf de grond waarop het is vergoten vraagt het bloed van de vermoorde dat Hij gerechtigheid laat wedervaren (vgl.Gn 37,26; Js 26,21; Ez 24,7-8). Van die tekst heeft de Kerk de naam afgeleid van “zonden die ten hemel schreien”waarin zij vóór alles de moord met voorbedachten rade 12 heeft opgenomen. Voor de joden, zoals voor veel volken in de oudheid, is het bloed de zetel van het leven, ja zelfs: “het bloed is het leven”(Dt 12,23) en het leven, in het bijzonder dat van de mens, behoort alleen aan God toe: daarom staat wie een mens naar het leven staat, in zekere zin God zelf naar het leven.  

Kaïn wordt vervloekt door God en ook door de aarde, die hem haar vruchten weigert (vgl.Gn 4,11-12). En hij wordt gestraft: hij zal wonen in de steppe en in de woestijn. Het moordgeweld verandert het leefmilieu van de mens ten diepste. Het land van de “tuin van Eden”(Gn 2,15), een plaats van overvloed, van zuivere betrekkingen onderling en van vriendschap met God, wordt “land van Nod”(Gn 4,16) plaats van “ellende”, van eenzaamheid en verwijdering van God. Kaïn zal “rondzwerven en voortvluchtig zijn op de aarde”(Gn 4,14): onzekerheid en onbestendigheid zullen hem altijd vergezellen.  

God echter, altijd barmhartig ook wanneer Hij straft, “gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette, hem doden zou”(Gn 4,15). Hij gaf hem dus een teken, niet met de bedoeling om hem te veroordelen tot vervloeking door de andere mensen, maar om hem te beschermen en te verdedigen tegen degenen die hem misschien wilden doden om de dood van Abel te wreken. Zelfs de moordenaar verliest niet zijn persoonlijke waardigheid en God zelf stelt zich daarvoor garant. En precies hier blijkt het paradoxale geheim van de barmhartige rechtvaardigheid van God, zoals de H. Ambrosius schreef: “Nadat op het moment waarop de zonde was binnengeslopen, een broedermoord was gepleegd, dwz de grootste misdaad, moest onmiddellijk de wet van de goddelijke barmhartigheid uitgebreid worden; want als de straf onmiddellijk de schuldige getroffen had, dan zouden de mensen bij het straffen helemaal geen toegevendheid of mildheid hebben betracht maar zouden zij de schuldigen onmiddellijk ter bestraffing hebben uitgeleverd. (...) God stuurde Kaïn weg van zijn aanschijn en verbande de van zijn ouders afvallige naar een andere woonplaats, omdat hij van de menselijke mildheid was overgegaan naar beestachtige wildheid. God wilde echter de moord niet straffen met een moord, aangezien hij liever het berouw van de zondaar wil dan zijn dood”13.

 

 “Wat heb je gedaan?”(Gn 4,10): de verduistering van de waarde van het leven

10. De Heer zegt tot Kaïn: “Wat heb je gedaan? Hoor, het bloed van je broer roept uit de grond tot Mij!”(Gn 4,10). De stem van het bloed, vergoten door de mensen, houdt niet op te roepen, van geslacht op geslacht, en neemt daarbij verschillende en steeds nieuwe accenten en tonen op.

De vraag van de Heer: “Wat heb je gedaan?”waaraan Kaïn niet kan ontkomen, wordt ook gericht tot de mens van vandaag, opdat hij zich bewust wordt van de omvang en de ernst van de aanslagen op het leven waarmee de geschiedenis van de mensheid voortdurend getekend wordt; opdat hij op zoek gaat naar de talrijke oorzaken die die bedreigingen tot gevolg hebben en bevorderen; opdat hij uiterst ernstig nadenkt over de gevolgen die diezelfde aanslagen hebben voor het bestaan van mensen en volken.  

Sommige bedreigingen komen voort uit de natuur zelf, maar worden verergerd door de schuldige nalatigheid en onachtzaamheid van de mensen die daar niet zelden een oplossing voor zouden kunnen vinden; andere op hun beurt zijn het gevolg van situaties van geweld, haat en tegengestelde belangen, die mensen ertoe brengen om andere mensen met moord, oorlog, bloedbaden en volkerenmoord te bejegenen.  

En moeten we ook niet denken aan het geweld dat zich richt tegen het leven van miljoenen menselijke wezens, speciaal kinderen, die gedwongen zijn tot ellende, ondervoeding en honger, vanwege een onbillijke verdeling van de rijkdommen tussen de volken en de sociale klassen? En wat te zeggen van het geweld dat, nog voordat er oorlogen uitbreken, de schandalige wapenhandel aankleeft die de vele gewapende conflicten bevordert die onze wereld doordrenken met bloed. Wat te zeggen van het verspreiden van de dood door roekeloze verstoring van het ecologisch evenwicht in de wereld, door de misdadige verspreiding van drugs of door de propaganda voor bepaalde soorten seksueel gedrag die, naast hun morele onaanvaardbaarheid, ook grote risico”s voor het leven in zich dragen? Het is onmogelijk om een volledige catalogus te maken van het wijde spectrum van bedreigingen van het menselijk leven, zo talrijk zijn de vormen, expliciet of verborgen, waarin zij vandaag de dag verschijnen!  

11. Hier zullen we echter bijzondere aandacht richten op een andere categorie van aanvallen, die het leven in zijn vroegste en laatste stadia betreffen en die in vergelijking met het verleden nieuwe kenmerken hebben en die buitengewoon ernstige vragen oproepen. Niet alleen verliezen die aanvallen in de publieke opinie geleidelijk hun “misdadig karakter”; paradoxaal genoeg nemen zij het karakter van “rechten”aan, zodat men zelfs de Staat vraagt om daaraan wettelijke erkenning te geven en ze beschikbaar te stellen door middel van kosteloze diensten van medisch personeel. Zulke aanvallen treffen het menselijk leven in uiterst bedenkelijke situaties, wanneer het volkomen weerloos is. Ernstiger nog is het feit dat die aanvallen goeddeels uitgevoerd worden juist in het hart van en met behulp van het gezin dat toch van nature bestemd is om “heiligdom van het leven”te zijn.  

Hoe heeft een dergelijke situatie kunnen ontstaan? Veel verschillende factoren moeten daarbij in ogenschouw worden genomen. Op de achtergrond staat de diepe cultuurcrisis, die scepsis kweekt over de eigenlijke grondslagen van kennis en moraal, en die het steeds moeilijker maakt om duidelijk de betekenis te onderkennen van wat de mens is, van zijn rechten en van zijn plichten. Dan zijn er allerlei existentile en intermenselijke moeilijkheden, die erger zijn geworden door de ingewikkeldheid van een samenleving waarin enkelingen, echtparen en gezinnen vaak alleen gelaten worden met hun problemen. Er zijn situaties van acute armoede, angst of frustratie waarin de strijd om de overleving, het lijden van ondraaglijke pijn, direct geweld, speciaal tegen vrouwen, van de keuze om het leven te verdedigen en te bevorderen soms zelfs heldhaftigheid eisen.  

Dit alles verklaart, tenminste ten dele, dat de waarde van het leven vandaag aan een soort “verduistering”kan lijden, ofschoon het geweten niet ophoudt het als een heilige en onaantastbare waarde te bestempelen, zoals duidelijk blijkt uit het feit dat men de neiging heeft om bepaalde misdaden tegen het leven in zijn vroege of laatste stadia te verhullen door het gebruik van medische termen die de aandacht afleiden van het feit dat wat op het spel staat het recht op leven is van een concrete menselijke persoon.  

12. Maar al kan het klimaat van wijdverbreide morele onzekerheid in zekere zin verklaard worden door vele ernstige aspecten van de huidige sociale problemen, al kunnen deze soms de subjectieve verantwoordelijkheid van de enkeling afzwakken, toch is het niet minder waar dat wij tegenover een zelfs nog grotere werkelijkheid staan, die omschreven kan worden als een reële structuur van de zonde, gekenmerkt door de opkomst van een anti-solidariteitscultuur die in veel gevallen de vorm aanneemt van een echte “cultuur van de dood”. Deze wordt actief bevorderd door machtige culturele, economische en politieke stromingen die een maatschappij-opvatting huldigen die die alleen maar op prestaties gericht is.  

Wanneer men vanuit dit gezichtspunt naar de situatie kijkt, dan is het in zekere zin mogelijk om te spreken van een oorlog van de machtigen tegen de zwakken: een leven dat meer aanvaarding, liefde en zorg zou vragen wordt als nutteloos beschouwd of voor een ondraaglijke last gehouden, en wordt daarom hoe dan ook verworpen. Een mens die, vanwege ziekte, handicap of enkel door zijn aanwezigheid de welvaart of levenswijze van hen die meer bevoordeeld zijn ter discussie stelt, wordt steeds vaker gezien als een vijand tegen wie men zich moet verweren of die uit de weg geruimd moet worden. Zo wordt een “samenzwering tegen het leven”ontketend. Deze samenzwering betreft niet alleen enkelingen in hun persoonlijke, gezins- of groepsrelaties, maar gaat veel verder, tot zelfs - op internationaal vlak - aantasting en vernieling van de betrekkingen tussen volken en staten toe.  

13. Om de verbreiding van abortus te vergemakkelijken werden en worden enorme geldbedragen geïnvesteerd in de produktie van farmaceutische preparaten die het mogelijk maken de foetus te doden in de moederschoot, zonder een beroep te hoeven doen op medische assistentie. Op dit punt lijkt het wetenschappelijk onderzoek zelf bijna uitsluitend bezorgd te zijn om de ontwikkeling van produkten die, steeds eenvoudiger en doelmatiger, het leven doden en die tegelijkertijd in staat zijn om abortus ver te houden van iedere vorm van sociale controle of verantwoordelijkheid.

Men beweert dikwijls dat contraceptie, mits veilig en beschikbaar voor allen, het doelmatigste middel tegen abortus is. De katholieke Kerk wordt er dan van beschuldigd, abortus feitelijk te bevorderen omdat zij hardnekkig blijft leren dat contraceptie moreel ongeoorloofd is. Wanneer men het aandachtig beschouwt is dit verwijt duidelijk zonder grond. Misschien gebruiken veel mensen contraceptie ook met de intentie om vervolgens de bekoring van de abortus te vermijden. Maar de negatieve waarden die verbonden zijn met de “contraceptieve mentaliteit”- die sterk verschilt van verantwoordelijk ouderschap, beleefd in respect voor de volle waarheid van de huwelijksdaad - zijn zo dat ze feitelijk deze bekoring versterken wanneer een ongewenst leven ontvangen wordt. De pro-abortus-cultuur is dan ook vooral daar sterk waar de leer van de Kerk over contraceptie wordt verworpen. Zeker: uit moreel oogpunt zijn contraceptie en abortus specifiek verschillende soorten kwaad: de eerste weerspreekt de volle waarheid van de geslachtsdaad als de juiste uitdrukking van huwelijksliefde, terwijl de tweede het leven van een menselijk wezen vernietigt: de eerste staat tegenover de deugd van kuisheid in het huwelijk, de tweede staat tegenover de deugd van rechtvaardigheid en schendt rechtstreeks het goddelijke gebod “Gij zult niet doden”.  

Maar ondanks hun verschillen in aard en moreel gewicht staan contraceptie en abortus vaak in nauwe verbinding, als vruchten van dezelfde boom. Het is waar dat in veel gevallen contraceptie en zelfs abortus worden gepraktiseerd onder druk van existentiële problemen, die niettemin nooit kunnen ontheffen van de inspanning om Gods wet volledig te gehoorzamen. Maar in heel veel andere gevallen zijn dergelijke praktijken geworteld in een genotzuchtige mentaliteit die niet bereid is om verantwoordelijkheid te aanvaarden inzake seksualiteit, en zij veronderstellen een egocentrische opvatting van de vrijheid die voortplanting beschouwt als een hindernis voor zelfontplooiing. Het leven dat zou kunnen vortkomen uit een seksuele ontmoeting wordt zo een vijand die tegen elke prijs vermeden moet worden, en abortus wordt het enig mogelijke beslissende antwoord op falende contraceptie.  

De nauwe verbinding die er, in mentaliteit, bestaat tussen de praktijk van contraceptie en die van abortus wordt steeds duidelijker. Dat bewijzen op alarmerende wijze ook de toepassing van chemische preparaten, het aanbrengen van instrumenten in de baarmoeder en de toediening van vaccins die even gemakkelijk verspreid worden als voorbehoedmiddelen en die in werkelijkheid abortusopwekkend werken in de vroegste stadia van de ontwikkeling van het leven van het nieuwe menselijk wezen.  

14. De verschillende technieken van kunstmatige voortplanting die op het eerste gezicht ten dienste staan van het leven en die regelmatig gebruikt worden met deze bedoeling, zetten in feite de deur open naar nieuwe bedreigingen van het leven. Afgezien van hun morele onaanvaardbaarheid, omdat ze de voortplanting scheiden van de integraal menselijke contekst van de huwelijksdaad 14, hebben deze technieken een hoog mislukkingspercentage: deze mislukking betreft niet zo zeer de bevruchting, als wel de aansluitende ontwikkeling van het embryo, dat wordt blootgesteld aan het gevaar, meestal binnen een zeer korte tijd te sterven. Bovendien onstaan vaak meer embryo”s dan nodig is voor inplanting in de moederschoot, en deze zgn. “overtollige embryo”s”worden dan vernietigd of gebruikt voor onderzoek dat, onder het voorwendsel van wetenschappelijke of medische vooruitgang, in feite het menselijk leven terugbrengt tot het niveau van louter “biologisch materiaal”waar men vrij over kan beschikken.  

Prenatale diagnose waartegen geen morele bezwaren bestaan wanneer ze wordt uitgevoerd om de medische behandeling vast te stellen die het kind in de moederschoot wellicht nodig heeft, wordt al te vaak een gelegenheid om een abortus voor te stellen en uit te voeren. De zogenaamde rechtmatigheid van eugenetische abortus ontstaat in de publieke opinie vanuit een mentaliteit - waarvan men ten onrechte meent dat ze overeenkomt met de eisen van “therapeutisch ingrijpen”- die het leven alleen aanvaardt onder bepaalde voorwaarden en het afwijst wanneer het begrensd, gehandicapt of ziek is.

Volgens deze zelfde logica is men ertoe gekomen om de meest elementaire zorg, zelfs voeding, te ontzeggen aan baby”s die geboren worden met ernstige handicaps of ziekten. Het huidige draaiboek is bovendien nog alarmerender aan het worden vanwege de voorstellen, hier en daar naar voren gebracht, om zelfs kinderdoding te rechtvaardigen, met dezelfde argumenten die men gebruikt om het recht op abortus te verdedigen. Op deze wijze keren we terug naar een staat van barbarij waarvan men hoopte dat die voor altijd overwonnen was.  

15. Dreigingen die niet minder ernstig zijn hangen boven de ongeneeslijk zieken en de stervenden. In een sociale en culturele situatie die het moeilijker maakt om het lijden onder ogen te zien en te aanvaarden, wordt de bekoring des te groter om het probleem van het lijden op te lossen door het bij de wortel uit te roeien, door de dood te vervroegen naar een moment dat geschikter wordt geacht.

Verschillende overwegingen dragen gewoonlijk bij tot zo”n beslissing, die allemaal uitmonden in dezelfde verschrikkelijke uitkomst. In de zieke persoon kan het gevoel van angst, ernstig onbehagen en zelfs wanhoop, voortkomend uit een intens en langdurig lijden, een beslissende factor zijn. Zo”n situatie kan het toch al broze evenwicht van iemands persoonlijke en gezinsleven bedreigen, met als gevolg dat enerzijds de zieke, ondanks de hulp van steeds effectiever medische en sociale bijstand, het gevaar loopt zich verpletterd te voelen door eigen broosheid; en anderzijds kunnen zij die de zieke nabij zijn bewogen worden door een begrijpelijk, zij het verkeerd begrepen medelijden. Dit wordt allemaal verergerd door een cultureel klimaat dat geen enkele betekenis of waarde in het lijden vindt, maar dat het lijden liever ziet als het ultieme kwaad, dat koste wat kost uitgeroeid dient te worden. Dit gebeurt vooral wanneer men geen godsdienstige visie heeft die zou kunnen helpen om het geheim van het lijden positief te duiden.  

Op een algemener niveau bestaat er in de huidige cultuur een soort Prometheus-houding die mensen ertoe brengt te denken dat zij leven en dood kunnen controleren door de beslissingen daaromtrent in eigen hand te nemen. Wat er werkelijk gebeurt in dit geval is dat de enkeling verslagen en verpletterd wordt door een dood zonder enig zicht op een zin en zonder enige hoop. We zien een rampzalig getuigenis van dit alles in de verspreiding van euthanasie - verhuld en heimelijk, of openlijk en zelfs wettelijk toegepast. Ze wordt gerechtvaardigd met een zogenaamd medelijden t.a.v. het lijden van de patiënt, en daarenboven ook met het nuttigheidsargument, nl om improduktieve uitgaven te vermijden die te zwaar drukken op de maatschappij. Zo stelt men voor om misvormde baby”s, geestelijk en lichamelijk ernstig gehandicapten, invaliden, ouderen - vooral wanneer zij niet voor zichzelf kunnen zorgen - en terminale zieken te elimineren. Evenmin mogen we zwijgen tegenover andere, steelsere maar niet minder ernstige en reële vormen van euthanasie. Deze zouden bijv. kunnen voorkomen wanneer organen, om er meer beschikbaar te hebben voor transplantaties, verwijderd worden zonder de objectieve en gepaste criteria voor de vaststelling van de dood van de donor te eerbiedigen.  

16. Een ander actueel verschijnsel, vaak aangevoerd om bedreigingen van en aanvallen op het leven te rechtvaardigen, is de bevolkingsgroei. Die is in de verschillende delen van de wereld telkens anders. In de rijke en ontwikkelde landen is er een verontrustende daling of val van het geboortencijfer. De arme landen op hun beurt hebben over het algemeen een snelle bevolkingsgroei, moeilijk te dragen in een situatie van geringe economische en sociale ontwikkeling, of zelfs ernstige onderontwikkeling. Tegenover de overbevolking in de arme landen wordt, i.p.v. vormen van wereldwijde hulp op internationaal niveau - serieuze gezins- en sociale politiek, programma”s voor culturele ontwikkeling en voor een eerlijke produktie en verdeling van hulpbronnen - nog steeds anti-geboorten-politiek opgezet.  

Contraceptie, sterilisatie en abortus vormen zeker een deel van de oorzaken waarom er in sommige gevallen een scherpe daling van het geboortencijfer is. De bekoring om dezelfde methoden en aanvallen tegen het leven ook aan te wenden in situaties van “bevolkingsexplosie”, kan voor de hand liggen.  

De oude farao, geobsedeerd door de aanwezigheid en de toename van de kinderen van Israël onderwierp hen aan elke soort van onderdrukking en beval dat ieder mannelijk kind dat uit joodse vrouwen geboren werd, moest worden gedood (vgl.Ex 1,7-22). Vandaag treden heel wat machtigen der aarde op dezelfde manier op. Zij zijn ook geobsedeerd door de huidige bevolkingsgroei, en bang dat de volken die het rijkst aan kinderen en het armste zijn, een bedreiging vormen voor het welzijn en de vrede van hun eigen landen. Als gevolg daarvan geven zij, liever dan dat ze deze ernstige problemen onder ogen willen zien en oplossen met respect voor de waardigheid van de enkeling en de gezinnen en voor het onaantastbare recht op leven van iedere persoon, er de voorkeur aan om een massief programma van geboortencontrole te propageren en op te leggen. Zelfs de economische hulp die ze wel zouden willen geven wordt op onrechtvaardige wijze afhankelijk gemaakt van de aanvaarding van een anti-geboortenpolitiek.

17. De mensheid biedt ons vandaag een werkelijk alarmerend schouwspel, als we niet alleen denken aan de verschillende gebieden waar de aanvallen op het leven losbreken maar ook aan hun ongehoorde getalsverhouding en het feit dat zij overal machtige steun ontvangen: door een brede consensus in de maatschappij, door wijdverbreide wettelijke erkenning en door de betrokkenheid van een deel van het personeel in de gezondheidszorg.  

Zoals ik met nadruk heb gesteld in Denver bij gelegenheid van de Achtste Wereldjongerendag “zijn mettertijd de bedreigingen van het leven niet minder geworden. Ze nemen grote omvang aan. Het zijn niet alleen bedreigingen die van buiten komen, van de krachten van de natuur of van de “Kaïns”die de “Abels”doden; nee, het zijn wetenschappelijk en systematisch geplande bedreigingen. De twintigste eeuw zal gelden als een tijdperk van massieve aanvallen op het leven, een eindeloze serie oorlogen en een ononderbroken slachting van onschuldig menselijk leven. 15 Valse profeten en valse leraren hebben het grootst mogelijke succes. Los van bedoelingen die verschillend kunnen zijn en soms zelfs overtuigend kunnen schijnen, vooral wanneer ze gepresenteerd worden in de naam van solidariteit, staan we werkelijk tegenover een objectieve “samenzwering tegen het leven”, waarbij zelfs internationale instellingen betrokken zijn, actief in het aanmoedigen en uitvoeren van echte campagnes om contraceptie, sterilisatie en abortus overal beschikbaar te krijgen. Ook kan niet ontkend worden dat de massamedia vaak betrokken zijn bij deze samenzwering, doordat zij vertrouwen wekken in die cultuur die de invoering van contraceptie, sterilisatie, abortus en zelfs euthanasie voorstelt als een teken van vooruitgang en als een overwinning van de vrijheid, terwijl ze de opstelling die zonder voorbehoud vóór het leven is, afschildert als vijand van vrijheid en vooruitgang.

 

 “Ben ik mijn broeders hoeder?”(Gn 4,9): een pervers idee van vrijheid

18. Het beschreven panorama moet niet alleen begrepen worden in termen van de doodsverschijnselen die het kenmerken, maar ook in de verscheidenheid van oorzaken die het bepalen. De vraag van de Heer: “Wat heb je gedaan?”(Gn 4,10) schijnt a.h.w. een uitnodiging te zijn aan Kaïn om voorbij het materile karakter van zijn moorddadig handelen te gaan, om het te ervaren in heel de ernst van de motieven die eraan ten grondslag liggen en van de consequenties die eruit voortvloeien.

Beslissingen die tegen het leven ingaan komen soms voort uit moeilijke of zelfs tragische situaties en diep lijden, eenzaamheid, een volkomen ontbreken van economische vooruitzichten en angst voor de toekomst. Zulke omstandigheden kunnen zelfs in aanzienlijke mate de subjectieve verantwoordelijkheid en de daaruit voortvloeiende schuldigheid van hen die deze keuzes - die op zichzelf slecht zijn - maken, verminderen. Maar vandaag gaat het probleem veel verder dan de noodzakelijke erkenning van deze persoonlijke situaties. Het is een probleem dat ook bestaat op cultureel, sociaal en politiek vlak, waar het zijn subversiefste en verwarrendste kant laat zien in de steeds toenemende tendens om bovengenoemde misdaden tegen het leven te zien als legitieme uitdrukkingen van individuele vrijheid, die erkend en beschermd moeten worden als echte en eigenlijke rechten.  

Aldus bereikt een lang historisch proces een keerpunt met tragische gevolgen. Het proces dat eens leidde tot de ontdekking van de idee van “mensenrechten”- rechten die eigen zijn aan iedere persoon en die voorafgaan aan iedere grondwet en wetgeving van de staat - raakt vandaag in een verrassende tegenspraak. Juist in een tijd nu de onschendbare rechten van de persoon plechtig worden afgekondigd en de waarde van het leven publiekelijk bevestigd, wordt het recht op leven ontkend of vertrapt, vooral op de meest betekenisvolle momenten van het bestaan: het moment van de geboorte en dat van de dood.  

Enerzijds laten de verschillende verklaringen van mensenrechten en de vele initiatieven die erdoor geïnspireerd zijn, zien dat er op wereldniveau een groeiende morele gevoeligheid is, alerter op de erkenning van de waarde en de waardigheid van ieder individu als menselijk wezen, zonder enig onderscheid naar ras, nationaliteit, godsdienst, politieke mening of sociale klasse.  

Anderzijds worden deze nobele verklaringen helaas tegengesproken door een tragische ontkenning ervan in de praktijk. Zo”n ontkenning is te meer verontrustend, ja zelfs schandaliger, juist omdat ze zich afspeelt in een samenleving die de invoering en de bescherming van mensenrechten tot eerste doel maakt en daar trots op is. Hoe kan men deze herhaalde bevestigingen van het principe rijmen met de voortdurende toename en wijdverbreide rechtvaardiging van aanvallen op het menselijk leven? Hoe kunnen we deze verklaringen rijmen met de weigering om hen op te nemen die zwak en behoeftig zijn, of ouder, of hen die juist in de moederschoot ontvangen zijn? Deze aanvallen richten zich rechtstreeks tegen het respect voor het leven en ze zijn een directe bedreiging voor de hele cultuur van de mensenrechten. Het is een bedreiging die tenslotte de betekenis zelf van het democratisch samenleven in gevaar kan brengen: in plaats van gemeenschappen van “mensen die samenleven”worden onze steden tot gemeenschappen van mensen die uitgestoten raken, gemarginaliseerd, ontworteld en onderdrukt. Als we dan kijken naar het verdere wereldwijde perspectief dan moeten we wel vaststellen dat zelfs de plechtige bevestiging van de rechten van enkelingen en volken die in hoge internationale zittingen wordt uitgesproken, een puur nutteloze oefening in retoriek is, als we de zelfzuchtigheid van de rijke landen niet ontmaskeren die de arme landen de toegang tot ontwikkeling ontzeggen of die zulke toegang afhankelijk maken van absurde voortplantingsverboden, en die zo een tegenstelling maken tussen ontwikkeling en de mens zelf. Moeten we niet juist de economische modellen ter discussie stellen die staten vaak ook hanteren voor internationale druk en conditionering, en die onrechtvaardige en gewelddadige situaties doen ontstaan en verergeren, waarin het leven van hele volken wordt neergehaald en vertrapt?  

19. Waar liggen de wortels van deze opmerkelijke tegenspraak?  

We kunnen ze vinden in algemene beoordelingen van culturele en morele aard, te beginnen met de mentaliteit die de idee van subjectiviteit tot het uiterste doorvoert en zelfs vervormt, en die als subject van rechten alleen de persoon erkent die volledige of tenminste beginnende autonomie geniet en die de toestand van totale afhankelijkheid van anderen achter zich laat. Maar hoe kunnen we deze benadering rijmen met de verheffing van de mens als een wezen dat “niet gebruikt mag worden”? De theorie van de mensenrechten stoelt juist op de overweging dat de menselijke persoon, i.t.t. dieren en dingen, niet onderworpen kan worden aan overheersing door anderen. We moeten ook de mentaliteit noemen die ertoe neigt om persoonlijke waardigheid gelijk te stellen met het vermogen tot verbale en expliciete, of tenminste waarneembare, communicatie. Het is duidelijk dat op basis van deze vooronderstellingen er geen plaats in de wereld is voor iemand die, zoals de ongeborenen of de stervenden, een zwak element is in de sociale structuur, of voor iemand die op genade en ongenade is overgeleverd aan anderen en radicaal afhankelijk van hen, en die alleen kan communiceren d.m.v. de stomme taal van een diep gedeelde affectie. In dit geval wordt macht de maatstaf voor keuze en actie in intermenselijke betrekkingen en in het sociale leven. Maar dit is het exacte tegendeel van wat de rechtsstaat historisch verzekerde als gemeenschap waarin het “recht van de sterken”is vervangen door de “sterkte van het recht”.

Op een ander vlak liggen de wortels van de tegenstelling tussen de plechtige bevestiging van mensenrechten en hun tragische ontkenning in een opvatting van vrijheid die de enkeling op een absolute wijze verheft, en die geen plaats geeft aan solidariteit en openheid jegens anderen en aan dienst aan hen. Als het waar is dat het uit de weg ruimen van het leven dat nog niet geboren is of dat in zijn laatste stadia verkeert soms door een verkeerd gevoel van altruïsme en menselijk medelijden gekenmerkt wordt, kan men niet ontkennen dat een dergelijke cultuur van de dood in haar geheel genomen een volledig individualistische opvatting van vrijheid verraadt dat uitloopt op de vrijheid van “de sterksten”tegen de zwakken die gedoemd zijn zich te onderwerpen.  

Juist in deze zin kan Kaïns antwoord op de vraag van de Heer “Waar is Abel, je broer?”geïnterpreteerd worden: “Ik weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder?”(Gn 4,9). Ja, iedere mens is zijns “broeders hoeder”, omdat God ons aan elkaar toevertrouwt. En het is ook met het oog op dit toevertrouwen, dat God aan iedereen vrijheid geeft, een vrijheid die een wezenlijke relationele dimensie bezit. Zij is een groot geschenk van de Schepper, gegeven als zij is ten dienste van de persoon en van zijn vervulling door de gave van zichzelf en door de openheid jegens anderen; maar wanneer de vrijheid absoluut gemaakt wordt op een individualistische manier, dan verliest ze haar oorspronkelijke inhoud, en weerspreekt zij haar eigenlijke betekenis en waardigheid.

Er is een nog dieper aspect dat onderstreept moet worden: vrijheid ontkent en vernietigt zichzelf, en wordt een factor die tot de vernietiging van anderen leidt, wanneer zij niet langer haar essentiële band met de waarheid erkent en eerbiedigt. Wanneer de vrijheid, omdat zij zichzelf wil ontworstelen aan alle vormen van traditie en gezag, zelfs de meest vanzelfsprekende evidentie van een obj

ectieve en universele waarheid uitsluit, de grondslag van het persoonlijke en sociale leven, dan neemt de persoon tenslotte de waarheid over goed en kwaad niet meer als het enige en onbetwistbare uitgangspunt voor zijn eigen keuzes, maar alleen zijn subjectieve en veranderlijke mening of, vlakweg, zijn zelfzuchtige belangen en grillen.  

20. Deze opvatting van vrijheid leidt tot een ernstige misvorming van het leven in de maatschappij. Als de ontwikkeling van het eigen ik begrepen wordt in termen van absolute autonomie, komen mensen onvermijdelijk tot de afwijzing van elkaar. Ieder ander wordt beschouwd als vijand tegen wie men zich moet verdedigen. Zo wordt de samenleving tot een massa individuen die naast elkaar staan, maar zonder enige onderlinge band. Iedereen wil zichzelf onafhankelijk van de ander laten gelden en neigt er in feite toe zijn eigen belangen te laten prevaleren. Toch moet er, met het oog op de analoge belangen van andere mensen enigerlei compromis gevonden worden, als men een samenleving wil waarin de maximaal mogelijke vrijheid gegarandeerd wordt voor iedere enkeling. Aldus raakt iedere verwijzing naar gemeenschappelijke waarden en naar een waarheid die voor iedereen absoluut bindend is, zoek, en het sociale leven waagt zich in het drijfzand van een compleet relativisme. Op dat punt is alles bespreekbaar en alles onderhandelbaar: zelfs het eerste van de grondrechten, het recht op leven.  

Dit gebeurt dan ook inderdaad op politiek en regeringsniveau: het oorspronkelijke, onvervreemdbare recht op leven wordt ter discussie gesteld of ontkend op basis van een parlementaire uitspraak of van de wil van een deel van het volk - zelfs als het de meerderheid is. Dit is het sinistere resultaat van een relativisme dat zonder oppositie regeert: het “recht”houdt op recht te zijn, omdat het niet meer stevig stoelt op de onaantastbare waardigheid van de persoon, maar onderworpen is aan de wil van het sterkste deel. Op deze wijze gaat de democratie, in weerwil van haar eigen beginselen, op weg naar een wezenlijk totalitarisme. De staat is niet langer het “gemeenschappelijke huis”waar allen samen kunnen leven op basis van beginselen van fundamentele gelijkheid, maar wordt omgevormd tot een tirannieke staat die zich het recht aanmatigt om te beschikken over het leven van de zwaksten en meest weerlozen, van het ongeboren kind tot de oudere, in naam van een algemeen belang dat feitelijk niets anders is dan het belang van enkelen. Uiterlijk wordt het respect voor de wettigheid zeer strikt gehandhaafd, tenminste wanneer de wetten die abortus en euthanasie toestaan het resultaat zijn van een stemming overeenkomstig hetgeen algemeen beschouwd wordt als de regels van de democratie. Wat we hier zien is in werkelijkheid slechts de tragische karikatuur van wettigheid: het democratisch ideaal, dat alleen werkelijk zo is wanneer het de waardigheid van iedere menselijke persoon erkent en beschermt, wordt verraden in haar eigen grondslagen: “Hoe is het nog mogelijk om te spreken van de waardigheid van iedere menselijke persoon wanneer het doden van de zwaksten en onschuldigsten wordt toegestaan? In de naam van welk recht wordt de meest onrechtvaardige van alle discriminaties bedreven: sommige enkelingen verklaart men het waard om verdedigd te worden en andere wordt die waardigheid ontzegd?”16. Wanneer dit gebeurt, is het proces dat leidt tot de ineenstorting van een echt menselijk samenleven en tot het uiteenvallen van de staat zelf al begonnen.

Het recht op abortus, kinderdoding en euthanasie opeisen, en dat recht erkennen bij wet, betekent dat men aan de menselijke vrijheid een perverse en kwade betekenis geeft: die van een absolute macht over anderen en tegen anderen. Maar dit is de dood van de ware vrijheid: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: ieder die zonde bedrijft is slaaf van de zonde”(Joh 8,34).

 

 “Ik zal ver van U moeten blijven”(Gn 4,14): de verduistering van de zin voor God en voor de mens

21. Bij het zoeken naar de diepste wortels van de strijd tussen de “cultuur van het leven”en de “cultuur van de dood”kunnen we ons niet beperken tot de perverse idee van vrijheid als boven vermeld. We moeten gaan naar het hart van de tragedie die de moderne mens ervaart: de verduistering van de zin voor God en voor de mens, typisch voor een sociaal en cultureel klimaat dat beheerst wordt door secularisme dat met zijn alom aanwezige tentakels er soms in slaagt om christelijke gemeenschappen zelf op de proef te stellen. Degenen die zich laten beïnvloeden door dit klimaat vallen gemakkelijk in een droevige vicieuze cirkel: wanneer de zin voor God weg is, is er ook de neiging om de zin voor de mens te verliezen, voor zijn waardigheid en zijn leven; op haar beurt verwekt de systematische schending van de zedelijke wet, vooral in de ernstige kwestie van het respect voor het menselijk leven en zijn waardigheid, een soort voortschrijdende verduistering van het vermogen om Gods levende en reddende aanwezigheid waar te nemen.

Opnieuw kunnen het verhaal van de moord op Abel door zijn broer volgen. Na de vervloeking die God over hem uitspreekt, keert Kaïn zich aldus tot de Heer: “Die straf is te zwaar om te dragen. Gij verdrijft mij vandaag van deze grond; en ik zal ver van U moeten blijven; ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en ieder die mij ontmoet kan mij doden”(Gn 4,13-14). Kaïn is ervan overtuigd dat zijn zonde niet vergeven zal worden door de Heer en dat zijn onontkoombaar lot zal zijn “ver te moeten blijven”van Hem. Als Kaïn in staat is te belijden dat zijn schuld “groter is dan hij kan dragen”, dan is dat omdat hij zich ervan bewust is in de tegenwoordigheid van God te zijn en vóór Gods rechtvaardige oordeel. Het is inderdaad alleen voor God dat de mens zijn zonde kan toegeven er de volle zwaarte van kan inzien. Dat was de ervaring van David die, nadat “hij kwaad had bedreven in de ogen van de Heer”, en terechtgewezen was door de profeet Nathan, uitriep: “Ik ben mij bewust dat ik schuld heb: steeds ziet wat ik begaan heb mij aan; tegen U, U alleen was mijn zonde; Gij doorziet het kwaad dat ik deed”(Ps 51,5-6).  

22. Daarom wordt, als de zin voor God verdwenen is, ook de zin voor de mens bedreigd en vergiftigd, zoals het Tweede Vaticaans Concilie bondig verklaart: “Zonder de Schepper verdwijnt het schepsel in het niets (...) maar de godvergetenheid hult de schepping in duisternis”17. De mens is niet langer in staat zichzelf te zien als “geheimnisvol anders”dan andere aardse schepsels; hij beschouwt zichzelf louter als één van de vele levende wezens, als een organisme dat, op zijn best, een zeer hoge graad van perfectie heeft bereikt. Opgesloten binnen de enge horizon van zijn fysieke staat wordt hij in zekere zin teruggebracht tot “een ding”, en begrijpt hij niet meer het “transcendente”karakter van zijn “bestaan als mens”. Hij beschouwt het leven niet langer als een schitterende gave van God, iets “heiligs”dat aan zijn verantwoordelijkheid is toevertrouwd en zo ook aan zijn liefde en zorg en “verering”. Het leven zelf wordt louter een “ding”dat de mens opeist als zijn exclusieve eigendom, helemaal onderworpen aan zijn controle en manipulatie.  

Zo is de mens, m.b.t. het leven bij de geboorte of bij de dood, niet langer in staat om de vraag naar de meest ware zin van zijn eigen bestaan te stellen doordat hij in echte vrijheid deze cruciale momenten van zijn eigen “zijn”aanneemt. Hij is alleen maar bekommerd om het “maken”en, terwijl hij alle mogelijke technologieën gebruikt, houdt hij zich bezig met het programmeren, controleren en beheersen van geboorte en dood. Geboorte en dood worden van oorspronkelijke ervaringen die “geleefd”moeten worden, tot dingen die men meent zomaar te kunnen “bezitten”of “af te wijzen”.

Bovendien: als eenmaal de verwijzing naar God buitengesloten is, is het niet verwonderlijk dat de betekenis van al het andere diep verstoord wordt. De natuur zelf wordt van “mater”(moeder) nu tot “materie”, blootgesteld aan alle mogelijke manipulatie. Dit is de richting waarin een bepaalde technische en wetenschappelijke denkwijze die in de cultuur van vandaag overheerst, schijnt te leiden, wanneer zij het idee zelf verwerpt van een waarheid van het geschapene die erkend moet worden, of van een plan van God met het leven, dat gerespecteerd moet worden. Iets dergelijks gebeurt wanneer de bezorgdheid over de gevolgen van zo”n “vrijheid zonder wet”sommige mensen brengt tot de tegenoverliggende positie van een “wet zonder vrijheid”, zoals bijvoorbeeld in ideologieën die het onrechtmatig vinden om op enigerlei wijze in de natuur in te grijpen: daarmee “vergoddelijken”ze haar a.h.w., een voorstelling die opnieuw de afhankelijkheid van het plan van de Schepper minacht. Zo is het duidelijk dat het verlies van het contact met Gods wijze plan de diepste wortel is van de verwarring van de moderne mens, zowel wanneer dit verlies leidt tot een vrijheid zonder regels als wanneer het de mens achterlaat in “angst”voor zijn vrijheid.  

Door te leven “alsof God niet bestond”verliest de mens niet alleen het zicht op het mysterie van God, maar ook op dat van de wereld en dat van zijn eigen wezen.  

23. De verduistering van de zin voor God en voor de mens leidt onvermijdelijk tot een praktisch materialisme dat individualisme, nuttigheidsdenken en genotzucht kweekt. Ook hier zien we de blijvende geldigheid van de woorden van de Apostel: “En omdat zij het niet de moeite waard hebben geacht God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun nietswaardige gezindheid en ongepast gedrag”(Rom 1,28). De waarden van het zijn worden zo vervangen door die van het hebben. Het enige doel dat telt is het nastreven van zijn eigen materiële welzijn. De zogenaamde “kwaliteit van leven”wordt allereerst of uitsluitend beschouwd als economische doelmatigheid, mateloos consumentisme, lichamelijke schoonheid en plezier, waarbij de diepere dimensies van het bestaan - intermenselijk, geestelijk en religieus - worden veronachtzaamd.  

Binnen een dergelijke context wordt lijden, een onontkoombare last van het menselijk bestaan maar ook een factor van mogelijke persoonlijke groei, “gecensureerd”, verworpen als nutteloos, zelfs bestreden als een kwaad, dat altijd hoe dan ook vermeden moet worden. Wanneer het niet vermeden kan worden en het vooruitzicht van tenminste toekomstig welzijn verdwijnt, dan schijnt het leven alle betekenis te hebben verloren en groeit de bekoring in de mens om het recht op te eisen, het te stoppen.

In ditzelfde culturele klimaat wordt het lichaam niet langer gezien als een typisch persoonlijke werkelijkheid, een teken en een plaats van betrekkingen met anderen, met God en met de wereld. Het wordt teruggebracht tot pure stoffelijkheid: het is enkel een complex van organen, functies en krachten, alleen te gebruiken naar de maatstaven van plezier en doelmatigheid. Dan wordt ook de seksualiteit van haar persoonlijkheid beroofd en geëxploiteerd: van teken, plaats en taal van de liefde, dwz. van de gave van zichzelf en het ontvangen van de ander, in heel de rijkdom van de ander als een persoon, wordt zij meer en meer de gelegenheid en het middel voor zelfbevestiging en zelfzuchtige bevrediging van persoonlijke verlangens en instincten. Zo wordt de oorspronkelijke betekenis van de menselijke seksualiteit misvormd en vervalst en de twee betekenissen die inherent zijn aan de aard zelf van de huwelijksdaad, nl vereniging en voortplanting, kunstmatig gescheiden: op deze wijze wordt de huwelijkseenheid verraden en haar vruchtbaarheid onderworpen aan de willekeur van man en vrouw. Voortplanting wordt dan de “vijand”die vermeden moet worden bij seksuele activiteit: als zij wordt toegelaten, dan alleen omdat zij een wens of sterker nog de eigen wil uitdrukt om een kind te hebben “tegen elke prijs”, en niet omdat zij de volledige aanvaarding van de ander beduidt en daarom een openheid voor de rijkdom van het leven die het kind vertegenwoordigt.  

In het materialistische perspectief dat tot hier toe beschreven is, verarmen intermenselijke betrekkingen ernstig. De eersten die er schade van hebben, zijn vrouwen, kinderen, zieken of lijdenden en ouderen. De maatstaf van de persoonlijke waardigheid - die eerbied, edelmoedigheid en dienst vraagt - wordt vervangen door het criterium van doelmatigheid, functionaliteit en nut: de ander wordt gewaardeerd, niet om wat hij “is”, maar om wat hij “heeft, doet en presteert”. Dit is de suprematie van de sterken over de zwakken.  

24. Juist in het hart van het zedelijk geweten vindt de verduistering van de zin voor God en voor de mens met al haar verschillende en dodelijke gevolgen voor het leven, plaats. Het is bovenal een zaak van het individuele geweten, dat in zijn eigenheid en uniciteit alleen is met God 18. Maar het is ook in zekere zin een zaak van het “morele geweten”van de samenleving: die is op een bepaalde wijze ook verantwoordelijk. Niet alleen omdat ze gedrag dat tegengesteld is aan het leven duldt of koestert, maar ook omdat ze de “cultuur van de dood”aanmoedigt, doordat ze echte “structuren van zonde”schept en in stand houdt, die tegen het leven ingaan. Het morele geweten, zowel individueel als sociaal, is tegenwoordig als gevolg van de doordringende invloed van de media, blootgesteld aan een uiterst ernstig en dodelijk gevaar: dat van verwarring tussen goed en kwaad, juist m.b.t. het fundamentele recht op leven. Een groot deel van de huidige samenleving ziet er triest uit, zoals die mensheid, die Paulus beschrijft in zijn brief aan de Romeinen. Die is samengesteld “uit mensen die door hun slechtheid de waarheid onderdrukken”(1,18): nadat zij God hebben ontkend en geloven dat zij de aardse stad kunnen bouwen zonder Hem, “liep hun denken op niets uit”, zodat “hun geest die het inzicht verwierp werd verduisterd”(1,21); “terwijl zij beweerden dat ze wijs waren, werden zij dwazen”(1,22): ze voerden werken uit, die de dood verdienden, en “zij doen die niet alleen, maar juichen ze ook toe bij anderen”(1,32). Wanneer het geweten, dit lichtende oog van de ziel (vgl.Mt 6,22-23), “het kwade goed en het goede kwaad”(Js 5,20) noemt, dan is het al op de weg van alarmerende corruptie en donkerste morele blindheid. En toch, alle opzet en alle inspanning om stilte op te leggen, kunnen de stem van de Heer niet smoren, die weerklinkt in het geweten van iedere mens afzonderlijk. Een nieuwe tocht van liefde, openheid en dienst aan het menselijk leven kan altijd juist vanuit dit intieme heiligdom van het geweten beginnen.

 

 “Gij zijt genaderd tot het vergoten bloed”(vgl. Heb 12,22.24): tekens van hoop en uitnodiging tot inzet

25. “De stem van het bloed van uw broeder roept tot Mij vanaf de grond”(Gn 4,10). Het is niet alleen de stem van het bloed van Abel, de eerste onschuldige mens die vermoord zou worden, dat roept tot God, de Bron en Verdediger van het leven. Het bloed van ieder ander menselijk wezen dat is gedood sinds Abel, is ook een stem die wordt verheven tot de Heer. Op een absoluut unieke wijze, zoals de schrijver van de brief aan de Hebreeën ons in herinnering brengt, roept de stem van het bloed van Christus, voor wie Abel in zijn onschuld een profetische figuur is, tot God: “Gij zijt genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God (...) tot de middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed iets beters afroept dan het bloed van Abel”(12,22.24).

Het is het vergoten bloed. Een symbool en een profetisch teken daarvan was het bloed geweest van de offers van het Oude Verbond, waardoor God zijn wil verkondigde om zijn eigen leven te delen met de mensen door hen te reinigen en te wijden (vgl.Ex 14,8; Lv 17,11). Nu wordt dit alles vervuld en bewaarheid in Christus. Het is zìjn vergoten bloed dat verlost, reinigt en redt; het is het bloed van de Middelaar van het Nieuwe Verbond “vergoten voor velen tot vergeving van de zonden”(Mt 26,28).

Dit bloed dat uit de doorboorde zijde van Christus aan het kruis vloeit (vgl.Joh 19,34) “spreekt welluidender”dan het bloed van Abel; inderdaad, het verkondigt en verlangt een radicalere “gerechtigheid”, en bovenal smeekt het genade af 19, het is een voorspraak voor de broeders bij de Vader (vgl.Heb 7,25), en het is de bron van volmaakte verlossing en de gave van nieuw leven.

Het bloed van Christus, laat zien, terwijl het de grootheid van de liefde van de Vader openbaart, hoe kostbaar de mens is in Gods ogen en hoe onschatbaar de waarde van zijn leven. De apostel Petrus herinnert ons hieraan: “Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat hij van uw vaderen had geërfd. Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder vlek of gebrek”(1Pe 1,18-19). Juist door de beschouwing van het kostbare bloed van Christus, het teken van zijn zichzelf wegschenkende liefde (vgl.Joh 13,1), leert de gelovige de bijna goddelijke waardigheid van ieder menselijk wezen kennen en waarderen, en kan hij met steeds nieuwe en dankbare verbazing uitroepen: “Hoe kostbaar moet de mens zijn in de ogen van de Schepper als hij “een zo verheven Verlosser verdiend heeft”(Exultet van de Paasvigilie), als “God zijn enige Zoon gaf”, opdat de mens “niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven zou hebben”(vgl.Joh 3,16)!”20.  

Bovendien openbaart het bloed van Christus aan de mens dat zijn grootheid, en daarmee zijn roeping, bestaat in de oprechte zelfgave. Juist omdat het vergoten wordt als de gave van het leven, is het bloed van Jezus niet langer een teken van dood, van onherroepelijke scheiding van de broeders, maar het instrument van een verbondenheid die rijkdom van leven is voor allen. Wie in het sacrament van de Eucharistie dit bloed drinkt en in Jezus vertoeft (vgl.Joh 6,56) wordt meegetrokken in de dynamiek van zijn leven en zijn gave van het leven, om de oorspronkelijke roeping tot de liefde die iedereen heeft tot haar volheid te brengen (vgl.Gn 1,17; 2,18-24).  

Uit dit bloed van Christus putten allen de kracht om zich in te spannen voor het leven. Precies dit bloed is de krachtigste bron van hoop, ja, het is de grondslag van de absolute zekerheid dat in het plan van God het leven de overwinning zal behalen. “De dood zal niet meer zijn”, roept de krachtige stem die komt van de troon van God in het hemelse Jeruzalem (Apk 21,4). En Sint Paulus verzekert ons dat de tegenwoordige overwinning op de zonde teken is en voorsmaak van de uiteindelijke overwinning op de dood, wanneer “het woord van de Schrift in vervulling zal gaan: “De dood is verslonden, de zege is behaald. O dood, waar is uw overwinning? O dood, waar is uw angel?”(1Kor 15,54-55).  

26. Tekenen die wijzen op deze overwinning ontbreken dan ook niet in onze maatschappijen en culturen, al worden die ook sterk getekend door de “cultuur van de dood”. Daarom zou het een eenzijdig beeld geven, dat zou kunnen leiden tot vruchteloze ontmoediging, als de veroordeling van de bedreigingen van het leven niet vergezeld ging van de voorstelling van de positieve tekenen die in de huidige situatie van de mensheid aan het werk zijn.  

Helaas is het vaak moeilijk om deze positieve tekenen te zien en te herkennen, misschien ook omdat ze niet voldoende aandacht in de media krijgen. Maar hoeveel initiatieven die hulp en steun bieden aan mensen die zwak en weerloos zijn, zijn ontstaan en ontstaan telkens in de christelijke gemeenschap en in de burgermaatschappij, op plaatselijk, nationaal en internationaal vlak, door de inspanningen van enkelingen, groepen, bewegingen en organisaties van velerlei aard!  

Er zijn nog steeds veel echtparen die, met een edelmoedig verantwoordelijkheidsbesef, bereid zijn om kinderen op te nemen als het “kostbaarste huwelijksgeschenk”21. Ook zijn er veel gezinnen die, naast hun dagelijkse dienst aan het leven, bereid zijn om verlaten kinderen op te nemen, kinderen en jongeren in moeilijkheden, gehandicapten, ouderen die alleen achtergebleven zijn. Veel centra voor hulp aan het leven of vergelijkbare instellingen, worden gedragen door enkelingen en groepen, die met bewonderenswaardige toewijding en opofferingsgezindheid, morele en materiële steun bieden aan moeders die in moeilijkheden zijn, en in de verleiding om haar toevlucht te nemen tot abortus. Steeds vaker verschijnen op veel plaatsen groepen vrijwilligers die bereid zijn gastvrijheid te bieden aan personen zonder familie, die zich in bijzonder verdrietige omstandigheden bevinden, of die de steun van hun omgeving nodig hebben om hen te helpen verwoestende gewoonten te overwinnen en de betekenis van het leven opnieuw te ontdekken.  

Dankzij de grote inzet van onderzoekers en artsen gaat de geneeskunde door met haar inspanningen om steeds effectiever geneeswijzen te ontdekken: behandelingen die vroeger ondenkbaar waren, maar die nu een grote belofte inhouden voor de toekomst, worden vandaag ontwikkeld voor de ongeborenen, de lijdenden en voor hen die in een acuut of terminaal ziektestadium verkeren. Allerlei bedrijven en organisaties mobiliseren hun krachten om de weldaden van de meest ontwikkelde geneeskunde naar landen te brengen die het meest getroffen worden door armoede en inheemse ziekten. Op soortgelijke wijze organiseren nationale en internationale verenigingen van artsen zich om snel hulp te brengen aan volken die getroffen zijn door natuurrampen, epidemieën of oorlogen. Zelfs al is een rechtvaardige internationale verdeling van medische hulpgoederen nog lang geen werkelijkheid, toch moeten we in de stappen die tot nu toe gezet zijn, een teken zien van de groeiende solidariteit tussen de volken, een prijzenswaardige menselijke en morele gevoeligheid en een grotere eerbied voor het leven!  

27. T.a.v. wetten die abortus toestaan en t.a.v. pogingen, die hier en daar succesvol zijn geweest, om euthanasie te legaliseren, zijn in de hele wereld bewegingen en initiatieven om het maatschappelijk bewustzijn te activeren voor de verdediging van het leven ontstaan. Wanneer zulke bewegingen, in overeenstemming met hun beginselen, resoluut optreden maar zonder tot geweld over te gaan, bevorderen zij een breder en dieper besef van de waarde van het leven: ze roepen op tot een vastbeslotener inzet om het te verdedigen en brengen die in praktijk.  

Bovendien moeten we al die dagelijkse gestes van ontvankelijkheid, van opoffering en onbaatzuchtige zorg noemen, die talloze mensen vol liefde doen in gezinnen, ziekenhuizen, weeshuizen, bejaardencentra en in andere centra of gemeenschappen die het leven verdedigen. De Kerk, die zich laat leiden door het voorbeeld van Jezus “de barmhartige Samaritaan”(vgl.Lc 10,29-37) en die door zijn kracht wordt gesteund, heeft altijd in de frontlinie gestaan bij het bieden van liefdadige hulp: zovele van haar zonen en dochters, vooral religieuzen, in traditionele en steeds nieuwe vormen, wijdden en wijden hun leven toe aan God, door het te geven uit leven voor hun naaste, vooral de zwakke en behoeftige.  

Deze daden versterken de grondslagen van de “beschaving van liefde en leven”, waarzonder het leven van enkelingen en van de samenleving zelf zijn meest authentiek menselijke hoedanigheid verliest. Zelfs als zij onopgemerkt en verborgen blijven voor de meeste mensen, verzekert het geloof ons dat de Vader, “die in het verborgene ziet”(Mt 6,4), niet alleen deze acties zal belonen, maar ze reeds hier en nu blijvende vruchten laat voortbrengen voor het welzijn van allen.  

Tot de tekens van hoop moeten we ook rekenen: de verbreiding, op veel niveaus van de publieke opinie, van een nieuwe gevoeligheid die steeds meer tegen de oorlog gericht is als middel om conflicten tussen de volken op te lossen, en die zich steeds meer richt op het vinden van doelmatige maar “geweldloze”middelen om de gewapende aanvaller te weerstaan. In hetzelfde perspectief is duidelijk een groeiende publieke weerstand tegen de doodstraf te zien, zelfs wanneer zulke straf beschouwd wordt als een middel van “wettige verdediging”van de kant van de samenleving. De moderne maatschappij heeft in feite de middelen om de misdaad effectief te stoppen door de misdadigers onschadelijk te maken, zonder hun definitief de kans te ontnemen tot inkeer te komen.

Ook een welkom signaal is de groeiende aandacht voor de kwaliteit van het leven en voor de ecologie, vooral in de meer ontwikkelde samenlevingen, waar de verwachtingen van de mensen zich niet langer zozeer concentreren op problemen van overleven als wel op het zoeken naar een wereldwijde verbetering van de levensomstandigheden. Bijzonder opmerkelijk is het feit dat er opnieuw aandacht komt voor een ethische bezinning op kwesties die het leven raken: de opkomst en steeds verder verbreide ontwikkeling van bioethica bevordert meer bezinning en dialoog - tussen gelovigen en niet-gelovigen, alsook tussen de aanhangers van verschillende godsdiensten - over fundamentele ethische problemen, die het menselijk leven betreffen.  

28. Deze horizon van licht en schaduw moet er ons allen volledig bewust van maken dat we tegenover een geweldige en dramatische botsing staan tussen kwaad en goed, dood en leven, de “cultuur van de dood”en de “cultuur van het leven”.  

Wij bevinden ons niet alleen “tegenover”, maar noodzakelijkerwijs “midden in”dit conflict: we zijn er allemaal bij betrokken en hebben er allemaal deel aan, met de onontkoombare verantwoordelijkheid van een onvoorwaardelijke keuze voor het leven.  

Ook voor ons klinkt de uitnodiging van Mozes luid en duidelijk: “Zie, ik houd u leven en geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk(...); leven en dood houd ik u voor, zegen en vervloeking; kies daarom het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten”(Dt 30,15.19). Deze uitnodiging geldt ook voor ons, aangezien wij dagelijks opgeroepen worden te kiezen tussen de “cultuur van het leven”en de “cultuur van de dood”. Maar de oproep van Deuteronomium gaat nog dieper, want hij dwingt ons een keuze te maken die eigenlijk godsdienstig en zedelijk is. Het gaat erom aan ons eigen bestaan een fundamentele oriëntatie te geven en te leven in trouw aan en overeenstemming met de wet van de Heer: “Als gij gehoorzaamt aan de geboden van de Heer uw God, die ik u heden geef, door de Heer uw God te beminnen, door zijn wegen te gaan, en door zijn geboden te onderhouden, zijn voorschriften en bepalingen, dan zult gij leven(...); kies daarom het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten, door de Heer uw God te beminnen, zijn stem te gehoorzamen en aan Hem gehecht te blijven, want dat betekent voor u leven en lengte van dagen”(30,16.19-20).  

De onvoorwaardelijke keuze voor het leven bereikt haar volle godsdienstige en zedelijke betekenis wanneer zij voortvloeit uit, gevormd is in en gevoed wordt door het geloof in Christus. Niets helpt ons zozeer om het conflict tussen dood en leven, waarin we verwikkeld zijn, positief tegemoet te treden, als het geloof in de Zoon van God, die mens werd en onder ons woonde “opdat zij het leven mogen hebben, leven in overvloed”(Joh 10,10): het is een zaak van geloof in de Verrezen Heer, die de dood heeft overwonnen; geloof in het bloed van Christus “dat krachtiger roept dan het bloed van Abel”(Heb 12,24).  

Met het licht en de kracht van dit geloof wordt de Kerk zich daarom, wanneer zij de uitdagingen van de huidige situatie tegemoet treedt, meer bewust van de genade en de verantwoordelijkheid die tot haar komen van haar Heer, om het Evangelie van het leven te verkondigen, te vieren en te dienen.

 

Hoofdstuk II

Ik ben gekomen opdat zij leven zouden hebben

De christelijke boodschap betreffende het leven

 “Het leven heeft zich geopenbaard, en wij hebben het gezien”(1 Joh 1,2): met onze blik gericht op Christus, “het Woord van leven”

29. Geconfronteerd met de talloze ernstige bedreigingen van het leven die de moderne wereld kent, zou men zich overweldigd kunnen voelen door pure machteloosheid: het goede kan nooit machtig genoeg zijn om over het kwaad te zegevieren!

Op zulke momenten wordt het Volk van God, en daarin elke gelovige, opgeroepen om nederig en moedig zijn geloof in Jezus Christus te belijden, “het Woord des levens”(1 Joh 1,1). Het Evangelie van het leven is niet enkel een overweging, hoe nieuw en diep ook, over het menselijk leven; evenmin is het louter een gebod, gericht op bewustwording en belangrijke gedragsverandering in de samenleving. Nog minder is het een bedrieglijke belofte van een betere toekomst. Het Evangelie van het leven is een concrete en personele werkelijkheid, want het bestaat in de verkondiging van de persoon zelf van Jezus. Jezus maakt zich bekend aan de apostel Thomas, en in hem aan iedere mens, met de woorden: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”(Joh 14,6). Op deze wijze ook sprak Hij over zichzelf tot Martha, de zuster van Lazarus: “Ik ben de Verrijzenis en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; wie leeft en gelooft in Mij, zal nooit sterven”(Joh 11,25-26). Jezus is de Zoon die van alle eeuwigheid het leven ontvangt van de Vader (vgl.Joh 5,26) en die onder de mensen is gekomen om hen deelgenoot te maken van deze gave: “Ik ben gekomen opdat zij het leven zouden hebben, leven in overvloed”(Joh 10,10).  

Door de woorden, de handelingen en de persoon zelf van Jezus ontvangt de mens de mogelijkheid om de hele waarheid te “kennen”m.b.t. de waarde van het menselijk leven; uit deze “bron”ontvangt hij in het bijzonder het vermogen om deze waarheid volmaakt te “doen”(vgl.Joh 3,21), dwz. om de verantwoordelijkheid tot het beminnen, dienen, verdedigen en bevorderen van het menselijk leven te aanvaarden en helemaal te vervullen.  

In Christus wordt het Evangelie van het leven definitief verkondigd en volledig gegeven, dit is het Evangelie dat, reeds aanwezig in de Openbaring van het Oude Testament, en inderdaad geschreven in het hart van iedere man en vrouw, heeft weerklonken in ieder geweten “vanaf het begin”, vanaf de tijd van de schepping zelf, op zo”n manier dat, ondanks de negatieve gevolgen van de zonden, het ook door de menselijke rede gekend kan worden in zijn wezenlijke trekken. Zoals het Tweede Vaticaans Concilie leert: Christus “vervult de openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning, door woorden en werken, door tekenen en wonderen, vooral echter door zijn dood en glorievolle opstanding uit de doden en tenslotte door de zending van de Geest der waarheid: de openbaring namelijk, dat God met ons is om ons te bevrijden uit de duisternis van zonde en dood en ons op te wekken tot het eeuwige leven”22.  

30. En dus willen we met onze blik gericht op de Heer Jezus van Hem nog eens “de woorden van God”(Joh 3,34) horen, en opnieuw mediteren over het Evangelie van het leven. De diepste en oorspronkelijke betekenis van deze meditatie over wat de openbaring ons zegt over het menselijk leven werd door de apostel Johannes in de openingswoorden van zijn Eerste Brief geschreven: “Dat wat van het begin af bestond, dat wat wij gehoord en met eigen ogen gezien hebben, dat wat wij hebben aanschouwd en wat onze handen hebben aangeraakt, daarover spreken wij, over het Woord dat leven is. Want het leven is verschenen, het eeuwige leven dat bij de Vader was, heeft zich aan ons geopenbaard, wij hebben het gezien, wij getuigen ervan en maken het ook aan u bekend, opdat gij gemeenschap moogt hebben met ons”. (1,1-3).  

In Jezus, het “Woord van leven”, wordt Gods eeuwige leven dus verkondigd en meegedeeld. Dankzij deze verkondiging en gave verwerft ons lichamelijke en geestelijke leven ook in zijn aardse fase zijn volle waarde en betekenis, want Gods eeuwige leven is in feite het doel waarheen de mens, terwijl hij in deze wereld leeft, gedreven en geroepen wordt. Zo sluit het Evangelie van het leven alles in dat de menselijke ervaring en zijn verstand ons vertellen over de waarde van het leven, door het te aanvaarden, te zuiveren, te verheffen en tot vervulling te brengen.

 

 “De Heer is mijn kracht en mijn lied, en Hij is mijn redding geworden”(Ex 15,2): het leven is altijd een goed

31. De volheid van de evangelieboodschap over het leven werd voorbereid in het Oude Testament. Vooral in de gebeurtenissen van de Exodus, het hart van de geloofservaring van het Oude Testament, ontdekte Israël de kostbaarheid van zijn leven in de ogen van God. Toen het tot uitroeiing gedoemd scheen wegens de doodsdreiging die over al zijn pasgeboren jongens hing (vgl.Ex 1,15-22), openbaarde de Heer zichzelf aan Israël als zijn verlosser, met de macht om een toekomst te verzekeren voor hen die zonder hoop waren. Zo krijgt Israël het duidelijke besef dat zijn bestaan niet afhangt van een farao die het kan uitbuiten met despotische willekeur. Integendeel, Israëls leven is het voorwerp van Gods tedere en sterke liefde.

Bevrijding van slavernij is de schenking van een identiteit, de erkenning van een onvernietigbare waardigheid en het begin van een nieuwe geschiedenis, waarin de ontdekking van God en de ontdekking van zichzelf hand in hand gaan. De Exodus is een “basiservaring”en een model voor de toekomst. Door die ervaring komt Israël tot het besef dat wanneer zijn bestaan bedreigd wordt, het zich slechts tot God hoeft te wenden met hernieuwd vertrouwen, om bij Hem effectieve hulp te vinden: “Ik heb u gevormd, u bent mijn dienaar; o Israël, u zult door Mij niet vergeten worden”(Js 44,21).  

Zo vordert Israël, terwijl het de waarde leert kennen van zijn eigen bestaan als een volk, ook in zijn begrip van de betekenis en van de waarde van het leven zelf. Deze overweging wordt specifieker ontwikkeld in de wijsheidliteratuur, op basis van de dagelijkse ervaring van de onbestendigheid van het leven en van het besef van de bedreigingen die het belagen. Tegenover de tegenstellingen van het bestaan wordt het geloof uitgedaagd tot een antwoord.

Meer dan iets anders is het het probleem van het lijden dat het geloof uitdaagt en op de proef stelt. We moeten wel waardering hebben voor de universele smart van de mens, wanneer we mediteren over het boek Job. De onschuldige man, overweldigd door lijden, gaat zich, begrijpelijkerwijs, afvragen: “Waarom is het licht gegeven aan hem die in ellende is, en leven aan wie bitter zijn in de ziel, die verlangen naar de dood, maar zij komt niet, en die er meer naar zoeken dan naar verborgen schatten?”(3,20-21). Maar zelfs in de diepste duisternis dwingt het geloof naar de erkenning van het “mysterie”, vol vertrouwen en aanbidding: “Ik weet dat U alles kunt en dat voor u niets onmogelijk is”(Job 42,2).  

De openbaring maakt de kiem van onsterfelijk leven die door de Schepper in het mensenhart is geplant steeds begrijpelijker worden, met steeds grotere helderheid: “Hij heeft alles goedgemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij eeuwigheid gelegd in hun hart”(Pr 3,11). Deze kiem van universaliteit en volheid wacht erop om zichtbaar te worden in de liefde en zich te vervullen, door Gods vrije gave, door deelname aan zijn eeuwige leven.

 

 “De naam van Jezus heeft deze mens sterk gemaakt”(Hnd 3,16): in de onzekerheden van het menselijk bestaan brengt Jezus de betekenis van het leven tot vervulling

32. De ervaring van het volk van het Verbond wordt vernieuwd in de ervaring van alle “armen”die Jezus van Nazareth ontmoeten. Net als God “die houdt van wat leeft”(vgl.W 11,26) Israël had gerustgesteld temidden van het gevaar, zo verkondigt de Zoon van God nu, aan allen die zich bedreigd en belaagd voelen, dat hun levens ook een goed zijn waaraan de liefde van de Vader betekenis en waarde geeft.

“Blinden zien, lammen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden staan op, aan de armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd”(Lc 7,22). Met deze woorden van de profeet Jesaja (35,5-6; 61,1), stelt Jezus de betekenis van zijn eigen zending voor: alwie lijden omdat hun bestaan op een of andere wijze “verminderd”is, horen zo van Hem het goede nieuws van Gods bekommernis met hen en zij weten zeker dat ook hun leven een gave is, waarover zorgvuldig gewaakt wordt in de handen van de Vader (vgl.Mt 6,25-34).  

Bovenal zijn het de “armen”tot wie Jezus spreekt in zijn verkondiging en in zijn daden. De menigten zieken en uitgestotenen, die Hem volgen en Hem zoeken (vgl.Mt 4,23-25) vinden in zijn woorden en daden geopenbaard dat hun leven grote waarde heeft en dat hun hoop op redding goed gefundeerd is.  

Hetzelfde vindt vanaf het begin plaats in de zending van de Kerk. Wanneer de Kerk Jezus verkondigt als degene die “weldoende rondging, allen genezend die onder de macht van de duivel stonden, want God was met Hem”(Hnd 10,38), dan is zij er zich van bewust dat zij een boodschap van verlossing draagt die in al haar nieuwheid precies temidden van de ontberingen en de armoede van het menselijk leven weerklinkt. Petrus genas de kreupele die dagelijks aalmoezen vroeg bij de “Schone Poort”van de tempel in Jeruzalem, met de woorden: “Ik heb geen zilver en goud, maar wat ik heb geef ik je: in de Naam van Jezus Christus van Nazareth, wandel!”(Hnd 3,6). Door het geloof in Jezus, “de Leidsman ten leven”(Hnd 3,15) herwint het leven dat verlaten ligt en om hulp roept, besef van eigenwaarde en volle waardigheid.  

De woorden en daden van Jezus en van zijn Kerk zijn niet alleen bedoeld voor hen die ziek zijn en die lijden, of die op enigerlei wijze veronachtzaamd zijn door de maatschappij. Op een dieper vlak raken zij de ware betekenis van het leven van elke mens in zijn zedelijke en geestelijke dimensies. Alleen zij die erkennen dat hun leven getekend is door het kwaad van de zonde, kunnen in een ontmoeting met Jezus de Redder de waarheid en de authenticiteit van hun eigen bestaan ontdekken. Jezus zegt zelf: “Zij die gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar de zieken; ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen, maar de zondaars op te roepen tot berouw”(Lc 5,31-32).  

Maar de mens die, zoals de rijke landeigenaar in de parabel, denkt dat hij zijn leven zeker kan stellen door het bezit van materiële goederen alleen, houdt zichzelf voor de gek. Het leven ontglipt hem, en hij zal het zeer spoedig verliezen, zonder zelfs zijn echte betekenis te hebben ingezien: “Dwaas! Deze nacht wordt van jou je ziel opgeëist. En de dingen die je hebt bereid, van wie zullen die zijn?”(Lc 12,20).  

33. In Jezus eigen leven vinden we van het begin tot het eind, een bijzondere “dialectiek”tussen de ervaring van de onzekerheid van het menselijk leven en de bevestiging van zijn waarde. Jezus”leven wordt getekend door onzekerheid, al vanaf het moment van zijn geboorte. Hij wordt zeker aanvaard door de rechtvaardigen, die instemmen met Maria”s onmiddellijke en vreugdevolle “ja”(vgl.Lc 1,38). Maar er is ook, vanaf het begin, de afwijzing door een wereld die vijandig optreedt en het Kind zoekt om “het te doden”(Mt 2,13); een wereld die onverschillig en onaangedaan blijft t.a.v. de vervulling van het mysterie van dit leven dat in de wereld komt: “er was geen plaats voor hen in de herberg”(Lc 2,7). In deze tegenstelling tussen bedreigingen en onzekerheid aan de ene kant en de macht van Gods gaven aan de andere kant, straalt des te helderder de heerlijkheid door, die uitgaat van het huis in Nazareth en van de kribbe in Bethlehem: dit leven dat is geboren, betekent redding voor de hele mensheid (vgl.Lc 2,11).  

De tegenstellingen en risico”s van het leven werden door Jezus volledig aanvaard: “Ofschoon Hij rijk was, werd hij voor ons arm, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden”(2 Kor 8,9). De armoede waarvan Paulus spreekt is niet alleen een beroving van goddelijke voorrechten, maar ook deelname aan de laagste en kwetsbaarste omstandigheden van het menselijk leven (vgl.Fil 2,6-7). Jezus beleefde deze armoede zijn leven lang, tot aan het hoogtepunt van het Kruis: “Hij vernederde zichzelf en werd gehoorzaam tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven elke naam is”(Fil 2,8-9). Juist door zijn dood openbaart Jezus heel de schittering en waarde van het leven, omdat zijn zelfgave aan het kruis de bron wordt van nieuw leven voor alle mensen (vgl.Joh 12,32). Op zijn tocht temidden van tegenstellingen en zelfs in het verlies van zijn leven wordt Jezus geleid door de zekerheid dat zijn leven in handen is van de Vader. Aan het kruis kan Hij dan ook tot Hem zeggen: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”(Lc 23,46), d.w.z. mijn leven. Waarlijk groot moet de waarde van het menselijk leven zijn als de Zoon van God het aangenomen heeft en het gemaakt heeft tot middel voor de redding van de hele mensheid!

 

 “Bestemd (...) tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon”(Rom 8,28-29): Gods heerlijkheid schijnt op het gelaat van de mens

34. Het leven is altijd een goed. Dit is een instinctieve gewaarwording of zelfs een ervaringsfeit, en de mens wordt geroepen om de diepe reden daarvan te begrijpen.

Waarom is het leven een goed? Deze vraag vindt men overal in de Bijbel, en vanaf de allereerste bladzijde krijgt ze een krachtig en verbazingwekkend antwoord. Het leven dat God aan de mens geeft is geheel verschillend van het leven van alle andere levende schepselen, omdat de mens, ofschoon gevormd uit het stof van de aarde (vgl.Gn 2,7; 3,19; Job 34,15; Ps 103 [102],14; 104 [103],29), een manifestatie is van God in de wereld, een teken van zijn aanwezigheid, een spoor van zijn heerlijkheid (vgl.Gn 1,26-27; Ps 8,6). Dit is wat de H. Ireneüs van Lyon wilde benadrukken in zijn beroemde omschrijving: “de levende mens is de heerlijkheid van God”23. Aan de mens is een sublieme waardigheid gegeven, gebaseerd op de innige band die hem verenigt met zijn Schepper: in de mens schittert een weerspiegeling van de werkelijkheid van God zelf.  

Het boek Genesis bevestigt dit wanneer het in het eerste scheppingsverslag de mens plaatst als hoogtepunt van Gods scheppende activiteit, als de bekroning ervan, aan het einde van een proces dat leidt van ordeloze chaos tot het meest volmaakte schepsel. Alles in de schepping is bestemd voor de mens en alles is aan hem onderworpen: “Bevolk de aarde en onderwerp haar; en heers over (...) al wat leeft”(1,28); dit is Gods bevel aan de man en de vrouw. Een soortgelijke boodschap staat ook in het tweede scheppingsverslag: “De Heer God nam de mens en plaatste hem in de tuin van Eden, om die te bewerken en te bewaken”(Gn 2,15). We zien hier een duidelijke bevestiging van het primaat van de mens over de dingen; deze zijn aan hem onderworpen en toevertrouwd aan zijn verantwoordelijke zorg, terwijl hij om geen enkele reden onderworpen kan zijn aan andere mensen en a.h.w. teruggebracht tot het niveau van een ding.  

In de bijbelse vertelling wordt het verschil tussen de mens en andere schepselen vooral getoond door het feit dat alleen de schepping van de mens gepresenteerd wordt als het resultaat van een speciale beslissing van de kant van God, een besluit om een bijzondere en specifieke verbintenis met de Schepper te te creëren: “Laat ons de mens maken naar ons beeld en onze gelijkenis”(Gn 1,26). Het leven dat God de mens aanbiedt is een gave waardoor God iets van zichzelf deelt met zijn schepsel.

Israël zou uitvoerig zoeken naar de betekenis van deze bijzondere verbintenis tussen de mens en God. Ook het boek Sirach erkent dat God bij de schepping van de mensen “hen begiftigde met kracht als die van hemzelf en hen maakte naar zijn eigen beeld”(17,3). De bijbelse schrijver ziet als een deel van dit beeld niet alleen de heerschappij van de mens over de wereld, maar ook die geestelijke vermogens die het meest eigen zijn aan de mens, zoals het verstand, het onderscheid tussen goed en kwaad, en de vrije wil: “Hij vulde hen met kennis en begrip en liet hen goed en kwaad zien”(Sir 17,7). Het vermogen om waarheid en vrijheid te verwerven zijn voorrechten van de mens geschapen naar het beeld van zijn Schepper, God, die de ware en rechtvaardige is (vgl.Dt 32,4). Onder alle zichtbare schepselen, is alleen de mens “in staat om zijn Schepper te kennen en te beminnen”24. Het leven dat God de mens geeft is veel meer dan een louter bestaan in de tijd. Het is een streven naar de volheid van leven; het is de kiem van een bestaan dat de grenzen van de tijd zelf overstijgt: “Want God schiep de mens voor de onbederflijkheid en maakte hem naar het beeld van zijn eigen Wezen”(W 2,23).  

35. Het scheppingsverhaal van de Jahwist drukt dezelfde overtuiging uit. Dit oude verhaal spreekt van een goddelijke adem die in de mens wordt geblazen opdat hij tot leven komt: “De Heer God vormde de mens uit het stof van de grond en ademde in zijn neusgaten de levensadem en de mens werd een levend wezen”(Gn 2,7).  

De goddelijke oorsprong van deze levensgeest verklaart de eeuwige onvoldaanheid die de mens voelt zolang hij op aarde is. Omdat hij door God gemaakt is, en in zich een onuitwisbaar merkteken van God draagt, wordt de mens van nature naar God toegetrokken. Wanneer hij de diepe verlangens van zijn hart hoort, moet iedere mens de woorden van waarheid tot de zijne maken die Sint Augustinus uitsprak: “U hebt ons gemaakt voor Uzelf, o Heer, en ons hart is onrustig totdat het rust in U”25.

Vol betekenis is de onvoldaanheid die het leven van de mens in Eden tekent zolang zijn enige referentiepunt de wereld van planten en dieren is (vgl.Gn 2,20). Alleen de verschijning van de vrouw, een wezen dat vlees is van zijn vlees en been van zijn beenderen (vgl.Gn 2,23), en in wie de geest van God de Schepper ook levend is, kan de behoefte aan intermenselijke dialoog bevredigen die zo vitaal is voor het menselijk bestaan. In de ander, man of vrouw, is een weerspiegeling van God zelf, het definitieve doel en de vervulling van iedere persoon.  

“Wat is de mens dat Gij aan hem denkt, en de zoon van de mens dat gij hem aanziet?”, vraagt de Psalmist (Ps 8,5). Vergeleken met de onmetelijkheid van het heelal is de mens erg klein; en toch openbaart dit contrast zijn grootheid: “U hebt hem weinig minder gemaakt dan een god, en kroont hem met heerlijkheid en eer”(Ps 8,6). De heerlijkheid van God licht op in het gezicht van de mens. In hem vindt de Schepper zijn rust, zoals de H. Ambrosius met ontzag en bewogenheid opmerkt: “De zesde dag is afgelopen en de schepping van de wereld eindigt met de vorming van dat meesterwerk dat de mens is, die de heerschappij uitoefent over alle levende schepselen en als het ware de kroon is van het heelal en de hoogste schoonheid van ieder geschapen wezen. We zouden waarachtig een eerbiedig stilzwijgen moeten bewaren, aangezien de Heer rustte van ieder werk dat Hij had ondernomen in de wereld. Hij rustte toen in de diepten van de mens. Hij rustte in de geest van de mens en in zijn denken; want Hij had de mens geschapen, begiftigd met rede, in staat Hem na te volgen, om te trachten zijn deugden te evenaren, om te dorsten naar hemelse genade. In deze gaven van Hem rust God uit, die gezegd heeft: “Op wie zal ik rusten, tenzij op hem die nederig is, gebroken van hart en die beeft voor mijn woord?”(Js 66,1-2). Ik dank de Heer onze God die een zo prachtig werk heeft geschapen om daarin zijn rust te vinden”26.  

36. Helaas werd Gods verbazende plan overschaduwd door de verschijning van de zonde in de geschiedenis. Door de zonde rebelleert de mens tegen zijn Schepper en komt tenslotte tot het aanbidden van schepselen: “Ze vervingen de waarheid over God door een leugen en aanbaden het schepsel liever dan de Schepper”(Rom 1,25). Als gevolg daarvan vervormt de mens niet alleen het beeld van God in zijn eigen persoon, maar wordt hij ook verleid tot beledigingen daartegen in andere, doordat hij gemeenschapsbetrekkingen vervangt door houdingen van wantrouwen, onverschilligheid, vijandigheid en zelfs moorddadige haat. Wanneer God niet erkend wordt als God, dan wordt de diepe betekenis van de mens verraden en wordt de gemeenschap onder de mensen aangetast.

In het leven van de mens licht Gods beeld opnieuw op en wordt het opnieuw geopenbaard in al zijn volheid met de komst van de Zoon van God in het menselijk vlees: “Christus is het beeld van de onzichtbare God”(Kol 1,15), “Hij weerspiegelt de heerlijkheid van God en is het evenbeeld van zijn wezen”(Heb 1,3). Hij is het volmaakte beeld van de Vader.  

Het plan van het leven dat aan de eerste Adam werd gegeven, vindt tenslotte zijn vervulling in Christus. Waar de ongehoorzaamheid van Adam Gods plan voor het menselijk leven had vernield en verduisterd en de dood in de wereld had gebracht, is de verlossende gehoorzaamheid van Christus de bron van genade die over het mensenras is uitgestort, waarbij ze voor iedereen de poorten van het koninkrijk des levens ver open zet (vgl.Rom 5,12-21). Zoals de apostel Paulus stelt: “De eerste mens, Adam, werd een levend wezen, de laatste Adam werd een levendmakende Geest”(1 Kor 15,45).  

Allen die zich ervoor inzetten Christus te volgen, ontvangen de volheid van leven: het goddelijke beeld wordt in hen hersteld, vernieuwd en tot volmaaktheid gebracht. Dit is het plan van God met de mensen: dat ze “gelijkvormig zouden worden aan het beeld van zijn Zoon”(Rom 8,29). Alleen zo, in de schittering van dit beeld, kan de mens bevrijd worden van de slavernij van de afgodendienst, de verloren broederschap herstellen, en zijn ware identiteit herontdekken.

 

 “Alwie leeft en gelooft in mij, zal nooit sterven”(Joh 11,26); de gave van het eeuwig leven

37. Het leven dat de Zoon van God aan de mensen kwam brengen kan niet worden teruggebracht tot een louter bestaan in de tijd. Het leven dat altijd “in Hem”was, en dat is “het licht van de mensen”(Joh 1,4), bestaat in het verwekt zijn door God en het delen in de volheid van zijn liefde: “Aan allen die Hem opnamen, die geloofden in zijn Naam, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden, die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn”(Joh 1,12-13).

Soms verwijst Jezus naar dit leven dat Hij kwam brengen eenvoudig als naar “het leven”; en Hij presenteert het geboren zijn uit God als een noodzakelijke voorwaarde als de mens het doel wil bereiken waarvoor God hem geschapen heeft: “Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het rijk van God niet zien”(Joh 3,3). Dit leven te geven is het ware doel van Jezus”zending: Hij “is degene die neerdaalt van de hemel en leven geeft aan de wereld”(Joh 6,33), aldus kan Hij naar waarheid zeggen: “Wie mij volgt(...) zal het licht van het leven hebben”(Joh 8,12).  

Op andere momenten spreekt Jezus van “eeuwig leven”: hier doet het bijvoeglijk naamwoord meer dan louter een perspectief oproepen dat verder dan de tijd reikt. Het leven dat Jezus belooft en geeft is “eeuwig”, omdat het een volle deelname is aan het leven van de “Eeuwige”. Alwie gelooft in Jezus en in gemeenschap met Hem komt, heeft eeuwig leven (vgl.Joh 3,15; 6,40), omdat hij van Jezus de enige woorden hoort die aan zijn bestaan de volheid van het leven openbaren en meedelen; dit zijn de “woorden van eeuwig leven”die Petrus erkent in zijn geloofsbelijdenis: “Heer, naar wie zouden wij gaan? U hebt woorden van eeuwig leven”; wij hebben geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent”(Joh 6,68-69). Wanneer Hij tot de Vader spreekt in het hogepriesterlijk gebed, verklaart Jezus zelf waar het eeuwige leven in bestaat: “Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus”(Joh 17,3). God en zijn Zoon kennen is het mysterie aanvaarden van de liefhebbende gemeenschap van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in zijn eigen leven, dat nu reeds openstaat naar het eeuwig leven omdat het deelt in het leven van God.

38. Het eeuwig leven is daarom het leven van God zelf en tegelijk het leven van de kinderen van God. Wanneer zij zich verbazen over deze onverwachte en onuitsprekelijke waarheid die tot ons komt van God in Christus, moeten gelovigen wel steeds opnieuw verbaasd zijn en grenzeloos dankbaar. In de woorden van de apostel Johannes kunnen zij zeggen: “Zie, welke liefde de Vader ons gegeven heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook!(...) Dierbaren, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat we zullen zijn, is nog niet geopenbaard. Maar wij weten dat, wanneer Hij verschijnt, wij als Hij zullen zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is”(1 Joh 3,1-2).  

Hier bereikt de christelijke waarheid omtrent het leven het hoogtepunt. De waardigheid van dit leven wordt niet alleen verbonden met zijn begin, met het feit dat het van God komt, maar ook met zijn eind, met zijn bestemming van gemeenschap met God in kennis van en liefde voor Hem. In het licht van deze waarheid preciseert en voltooit de H.Ireneüs zijn lofprijzing van de mens: “de glorie van God”, is, inderdaad, “de levende mens”, maar “het leven van de mens bestaat in het zien van God”27.

Onmiddellijke gevolgen komen hieruit voort voor het menselijk leven in zijn aardse staat, waarin trouwens het eeuwig leven reeds ontkiemt en begint te groeien. Ofschoon de mens instinctief houdt van het leven, omdat het een goed is, zal deze liefde verdere inspiratie en kracht vinden en nieuwe breedte en diepte in de goddelijke dimensies van dit goed. Op dezelfde wijze kan de liefde die ieder menselijk wezen heeft voor het leven, niet zo maar herleid worden tot een wens om genoeg ruimte te hebben voor zelfontplooiing en voor het aangaan van relaties met anderen. Zij ontwikkelt zich eerder in een vreugdevol besef dat het leven de “plaats”kan worden waar God zichzelf toont, waar we Hem ontmoeten en waar wij in gemeenschap met Hem komen. Het leven dat Jezus geeft vermindert in geen enkel opzicht de waarde van ons bestaan in de tijd; het neemt het op en richt het op zijn uiteindelijke bestemming: “Ik ben de verrijzenis en het leven(...); wie leeft en gelooft in Mij zal nooit sterven”(Joh 11,25.26).

 

 “Van de mens zal ik rekenschap vragen over zijn medemens”(Gn 9,5): verering en liefde voor ieder menselijk leven

39. Het leven van de mens komt van God; het is zijn gave, zijn beeld en evenbeeld, een delen in zijn levensadem. God is, daarom, de enige Heer van dit leven: de mens kan er niet mee doen zoals hij wil. God zelf maakt dit duidelijk aan Noach na de zondvloed: “Ook uw eigen bloed zal ik terugeisen, en ook van de mensen onderling, zal ik het leven van de mens terugeisen”(Gn 9,5). De bijbelse tekst onderstreept nadrukkelijk hoe de heiligheid van het leven haar basis heeft in God en in zijn scheppende activiteit: “Want God heeft de mens gemaakt naar zijn beeld”(Gn 9,6).

Het leven en de dood van de mens zijn dus in de handen van God, in zijn macht: “In zijn hand is het leven van ieder levend ding en de adem van heel de mensheid”, roept Job uit (12,10). “De Heer brengt ter dood en brengt tot leven, Hij brengt tot diep in de hel en doet opstaan”(1Sam 2,6). Hij alleen kan zeggen: “Ik ben het die zowel de dood als het leven breng”(Dt 32,39).  

Maar God oefent deze macht niet uit op een willekeurige en dreigende wijze, maar eerder als deel van zijn zorg voor en zijn liefdevolle bekommernis met zijn schepselen. Als het waar is dat het menselijk leven in de handen is van God, dan is het niet minder waar dat dit liefdevolle handen zijn, zoals die van een moeder die haar kind opneemt, voedt en verzorgt: “Ik liet mijn zie

l bedaren en verstillen, zoals een kind aan de borst van zijn moeder, zoals een kind bij zijn moeder is mijn ziel”(Ps 131,2; vgl.Js 49,15; 66,12-13; Hos 11,4). Zo ziet Israël in de geschiedenis van de volken en in de bestemming van enkelingen niet de afloop van louter toeval of van een blind lot, maar liever de resultaten van een liefdevol plan, waarmee God alle mogelijkheden van het leven samenbrengt en de krachten van de dood die voortkomen uit de zonde, bestrijdt: “God heeft de dood niet gemaakt en Hij verheugt zich niet over de dood van de levenden. Want Hij schiep alle dingen opdat zij zouden bestaan”(W 1,13-14).

40. Uit de heiligheid van het leven ontstaat zijn onschendbaarheid, die vanaf het begin in het mensenhart geschreven staat, in zijn geweten. De vraag “Wat heb je gedaan?”(Gn 4,10), die God aan Kaïn stelt, nadat hij zijn broer Abel heeft gedood, vertolkt de ervaring van iedere persoon: in de diepten van zijn geweten wordt de mens altijd herinnerd aan de onaantastbaarheid van het leven - zijn eigen leven en dat van anderen - als iets dat niet van hem is, omdat het eigendom en gave is van God de Schepper en Vader.  

Het gebod betreffende de onaantastbaarheid van het menselijk leven weerklinkt in het hart van de “tien woorden”in het Verbond van de Sinaï (vgl.Ex 34,28). Op de eerste plaats verbiedt dat gebod moord: “Gij zult niet doden”(Ex 20,13); “Gij zult geen onschuldigen en rechtvaardigen doden”(Ex 23,7); maar - zoals nader is uitgewerkt in Israëls latere wetgeving - verbiedt het ook iedere persoonlijke verwonding van iemand anders (vgl.Ex 21,12-27). Natuurlijk moeten we erkennen dat in het Oude Testament deze betekenis van de waarde van het leven, ofschoon reeds zeer duidelijk aangegeven, nog niet de verfijning bereikt die men vindt in de Bergrede. Dat blijkt uit sommige aspecten van de toenmalige strafwet, die ernstige vormen van lijfstraffen en zelfs de doodstraf kende. Maar de alles omvattende boodschap, die het Nieuwe Testament tot volmaaktheid zal brengen, is een krachtig appel tot eerbied voor de onaantastbaarheid van het fysieke leven en de integriteit van de persoon. Het vindt zijn hoogtepunt in het positieve gebod, dat ons verplicht om verantwoordelijk te zijn voor onze naaste als voor onszelf: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Lv 19,18).  

41. Het gebod “Gij zult niet doden”, ingesloten en vollediger uitgedrukt in het positieve gebod van liefde voor de naaste, wordt herbevestigd in al zijn kracht door de Heer Jezus. Tot de rijke jongeman die Hem vraagt: “Rabbi, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?”, antwoordt Hij: “Als je het leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden”(Mt 19,16.17). En Hij haalt als eerste van deze geboden aan: “Gij zult niet doden”. In de Bergrede vraagt Jezus van zijn leerlingen een gerechtigheid die die van de schriftgeleerden en farizeers overstijgt, ook m.b.t. de eerbied voor het leven: “Gij hebt gehoord dat er gezegd werd tot de ouden: Gij zult niet doden; en alwie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar ik zeg u, dat alwie vertoornd is op zijn broeder, strafbaar zal zijn voor het gerecht”(Mt 5,21-22).  

Door zijn woorden en daden laat Jezus verder de positieve vereisten zien van het gebod dat betrekking heeft op de onaantastbaarheid van het leven. Deze vereisten waren reeds aanwezig in het Oude Testament, waar de wetgeving de bescherming en verdediging van het leven behandelde wanneer dat zwak en bedreigd was: in het geval van vreemdelingen, weduwen, wezen, de zieken en de armen in het algemeen, inclusief de kinderen in de moederschoot (vgl.Ex 21,22; 22,20-26). Met Jezus krijgen deze positieve vereisten nieuwe kracht en nieuwe urgentie en worden zij geopenbaard in al hun breedte en diepte. Ze gaan van de zorg voor het leven van zijn broeder (een natuurlijke broer, iemand die tot hetzelfde volk hoort, of een vreemde die in het land van Israël leeft) tot het tonen van bekommernis met de vreemdeling, zelfs tot het beminnen van de vijand.  

Een vreemdeling is niet langer een vreemdeling voor de persoon die de naaste moet worden van iemand in nood, zo, dat deze verantwoordelijkheid aanvaardt voor zijn leven, zoals de parabel van de barmhartige Samaritaan zo duidelijk laat zien (vgl.Lc 10,25-37). Zelfs een vijand houdt op een vijand te zijn voor degene die verplicht is hem te beminnen (vgl.Mt 5,38-48; Lc 6,27-35), hem “goed te doen”(vgl.Lc 6,27.33.35), en zijn onmiddellijke behoeften direct, en zonder terugbetaling te verwachten, te beantwoorden (vgl.Lc 6,34-35). De hoogste graad van deze liefde is te bidden voor zijn vijand: daardoor bereiken we overeenstemming met de providentiële liefde van God: “Maar Ik zeg u: bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat u kinderen bent van uw hemelse Vader: want Hij laat de zon opgaan over slechten en goeden en doet het regenen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen”(Mt 5,44-45; vgl.Lc 6,28.35).  

Zo is het diepste element van Gods gebod om het menselijk leven te beschermen de eis tot eerbied en liefde voor iedere persoon en voor zijn leven. Dit is de leer die de Apostel Paulus, in een herhaling van de woorden van Jezus, tot de christenen in Rome richt: “De geboden: “Gij zult niet echtbreken, niet doden, niet stelen, niet begeren”en alle andere kan men samenvatten in deze zin: “Bemin uw naaste als uzelf”. Liefde doet de naaste geen kwaad; liefde vervult de hele wet”(Rom 13,9-10).

 

 “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, bevolkt de aarde en onderwerpt haar”(Gn 1,28): de verantwoordelijkheid van de mens voor het leven

42. De verdediging en bevordering van het leven, de eerbiediging ervan en de liefde ervoor is een taak die God aan iedere mens toevertrouwt, wanneer Hij hem roept als zijn levende beeld om te delen in zijn heerschappij over de wereld: “God zegende hen en God zei tot hen: “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en bevolkt de aarde en onderwerpt haar; en beheerst de vissen van de zee en de vogels in de lucht en alles wat beweegt op de aarde””(Gn 1, 28).

De bijbelse tekst laat duidelijk de breedte en de diepte zien van de heerschappij die God de mens geeft. Het is in de eerste plaats een zaak van heerschappij over de aarde en over elk levend wezen, zoals het boek der Wijsheid duidelijk maakt: “God van de vaderen, Heer van de ontferming (...) in uw wijsheid hebt U de mens toegerust om te heersen over de schepselen die U gemaakt hebt, om de wereld te besturen in heiligheid en gerechtigheid”(W 9,1.2-3). Ook de Psalmist verheerlijkt de heerschappij die aan de mens gegeven is als een teken van heerlijkheid en eer van zijn Schepper: “U hebt hem heerschappij gegeven over de werken van uw handen; u hebt alles onder zijn voeten gelegd, alle schapen en runderen, en ook de dieren van het veld, de vogels in de lucht en de vissen in de zee, alles wat de paden van de zee doorloopt”(Ps 8,6-8).  

Geroepen om de tuin der wereld te verzorgen en te bewaken (vgl.Gn 2,15), heeft de mens een specifieke verantwoordelijkheid jegens de omgeving waarin hij leeft, jegens de schepping die God ten dienste van zijn persoonlijke waardigheid heeft gesteld, van zijn leven, niet alleen voor het heden maar ook voor toekomstige generaties. Het ecologische vraagstuk - van het behoud van het natuurlijke leefgebied van de verschillende soorten dieren en van andere levensvormen tot en met de eigenlijke “menselijke ecologie”28 - vindt in de Bijbel een duidelijke en sterke ethische richting, die leidt tot een oplossing die het grote goed van het leven eerbiedigt, van ieder leven. Immers: “de heerschappij die de Schepper gegeven heeft aan de mens, is geen absolute macht; men kan evenmin spreken van vrijheid “om te gebruiken of misbruiken”of om naar willekeur te beschikken over de dingen. De beperking die de Schepper zelf vanaf het begin opgelegd heeft en die symbolisch uitgedrukt is door het verbod om “de vrucht van de boom te eten”(vgl Gn, 2,16-17) toont voldoende duidelijk aan dat wij m.b.t. de zichtbare natuur onderworpen zijn aan wetten die niet alleen biologisch maar ook moreel zijn en die niet ongestraft overtreden kunnen worden”29.  

43. Een zekere deelname van de mens in de heerschappij van God is ook zichtbaar in de specifieke verantwoordelijkheid die hem gegeven is voor het menselijk leven als zodanig. Het is een verantwoordelijkheid die haar hoogtepunt bereikt in de schenking van het leven door de voortplanting door man en vrouw in het huwelijk, zoals het Tweede Vaticaans Concilie leert: “God zelf die gezegd heeft: “het is niet goed voor de mens, dat hij alleen blijft (Gn 2,18) en die “in het begin de mens als man en vrouw gemaakt heeft”(Mt 19,4), heeft in zijn wil om de mens op een wel bijzondere wijze deel te laten nemen in zijn eigen scheppingswerk, man en vrouw gezegend, zeggend “weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u”(Gn 1,28) 30.  

Door te spreken van “een zekere speciale deelname”van man en vrouw in het “scheppingswerk”van God, wil het Concilie duidelijk maken dat het krijgen van een kind een gebeurtenis is die diep menselijk is en vol godsdienstige betekenis, omdat ze beide echtgenoten betreft die “een vlees”(Gn 2,24) vormen, en God die zich tegenwoordig stelt. Zoals ik in mijn Brief aan de Gezinnen schreef: “Als uit de echtelijke eenheid van de twee een nieuwe persoon geboren wordt, brengt deze zelf een bepaald beeld van en een bepaalde gelijkenis met God met zich: de afkomst van de persoon staat gegrift in de biologie van de voortplanting zelf. Als we beweren dat de echtgenoten als ouders met de Schepper meewerken in de ontvangenis en de geboorte van een nieuw menselijk wezen, hebben we het niet alleen over de biologische wetten. Integendeel, we willen beklemtonen dat God zelf aanwezig is in het menselijk vader- en moederschap, op geheel andere wijze dan Hij aanwezig is bij alle andere voortplanting “op aarde”. God is inderdaad alleen de bron van dat “beeld en die gelijkenis”die eigen zijn aan het menselijk wezen en die bij de schepping werden geschonken. Voortplanting is de voortzetting van de schepping”31.  

Dit is wat de Bijbel leert in een directe en welsprekende taal wanneer hij vertelt van de vreugdevolle uitroep van de eerste vrouw “de moeder van alle levenden”(Gn 3,20). Zich bewust van Gods tussenkomst, roept Eva uit: “Ik heb een man gekregen met de hulp van de Heer”(Gn 4,1). Daarom wordt bij de voortplanting, door de schenking van het leven van ouders aan kind, Gods eigen beeld en gelijkenis doorgegeven, dankzij de schepping van de onsterfelijke ziel 32. Het begin van het “boek van het nakomelingschap van Adam”drukt het als volgt uit: “Toen God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis met God. Man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen mens op de dag dat zij geschapen waren. Toen Adam honderddertig jaar was, werd hij de vader van een zoon die op hem leek en zijn beeld was, en noemde hem Seth”(Gn 5,1-3). Precies in hun rol van medewerkers met God die zijn beeld doorgeeft aan het nieuwe schepsel zien we de grootheid van echtparen die bereid zijn “mee te werken met de liefde van de Schepper en de Verlosser, die door hen zijn eigen familie dag na dag zal uitbreiden en verrijken”33.  

Daarom prees bisschop Amphilochius “het heilig huwelijk, gekozen en verheven boven alle andere aardse gaven”als “de verwekker van de mensheid, de schepper van beelden van God”34.

Zo worden man en vrouw, verenigd in het huwelijk, deelgenoten in een goddelijke onderneming: door de voortplantingsdaad wordt Gods gave ontvangen en opent zich een nieuw leven naar de toekomst.

Maar aan gene zijde van de specifieke zending van de ouders betreft de taak van het opnemen en dienen van het leven iedereen; en deze taak moet bovenal vervuld worden voor het leven wanneer het op zijn zwakst is. Het is Christus zelf die ons hieraan herinnert wanneer Hij vraagt om bemind en gediend te worden in zijn lijdende broeders en zusters: de hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, de zieken, de gevangenen(...) Wat men ieder van hen doet, doet men aan Christus zelf (vgl.Mt 25,31-46).

 

 “Gij hebt mijn binnenste gevormd”(Ps 139,13): de waardigheid van het ongeboren kind

44. Het menselijke leven is het meest kwetsbaar wanneer het in de wereld komt en wanneer het uit de tijd weggaat om zich naar de eeuwigheid te begeven. Het woord van God herhaalt vaak de oproep om zorg en eerbied te tonen, bovenal wanneer het leven ondermijnd wordt door ziekte en ouderdom. Er zijn geen directe en uitdrukkelijke oproepen om het menselijk leven te beschermen vanaf het eerste begin, speciaal het nog niet geboren leven, en het leven dat ten einde gaat: maar dit kan men gemakkelijk verklaren uit het feit dat zelfs maar de mogelijkheid om het leven in deze omstandigheden te kwetsen, aan te vallen of zelfs te ontkennen volkomen vreemd is aan de godsdienstige en culturele denkwijze van het Volk van God.

In het Oude Testament wordt onvruchtbaarheid gevreesd als een vloek, terwijl een talrijk nageslacht beschouwd wordt als een zegen: “Zonen zijn een gave van de Heer, de vrucht van de schoot een genade”(Ps 127,3;vgl.Ps 128,3-4). Dit geloof stoelt ook op Israëls besef het volk van het Verbond te zijn, geroepen tot groei overeenkomstig de belofte aan Abraham: “Kijk naar de hemel, en tel de sterren, als u dat kunt(...)zo zal uw nageslacht zijn”(Gn 15,5). Maar meer dan iets anders werkt hier de zekerheid dat het leven dat de ouders doorgeven zijn oorsprong vindt in God. Hiervan getuigen de vele bijbelse passages die vol respect en liefde spreken over de ontvangenis, de vorming van het leven in de moederschoot, de geboorte en de intieme band tussen het beginmoment van het leven en het werk van God de Schepper.  

“Vóór Ik je vormde in de moederschoot kende Ik jou en vóór je geboren werd wijdde Ik je aan Mij toe”(Jr 1,5): het leven van ieder individu is, vanaf zijn eerste begin, deel van Gods plan. Job houdt in de diepte van zijn pijn in, om het werk van God te overdenken die zijn lichaam wonderlijk vormde in de schoot van zijn moeder. Hier vindt hij reden om vertrouwen te hebben, en hij spreekt zijn geloof uit dat er een goddelijk plan is voor zijn leven: “U hebt mij gevormd en gemaakt; zult U zich dan afwenden en mij vernietigen? Bedenk dat U mij gevormd hebt uit klei; en zult U mij tot stof doen weerkeren? Hebt U mij niet gezeefd als melk en doen stremmen als kaas? U hebt me bekleed met huid en vlees, mij met botten en spieren ineengezet. U hebt me het leven gegund, en bestendige liefde; en uw zorg heeft mijn geest behoed”(Job 10,8-12). Uitdrukking van ontzag en verbazing over Gods tussenkomst in het leven van een kind in de moederschoot komen telkens weer voor in de Psalmen 35.  

Hoe kan iemand menen dat zelfs maar één moment in dit wonderlijke proces van de ontplooiing van het leven gescheiden zou kunnen worden van het wijze en liefdevolle werk van de Schepper, ten prooi aan menselijke willekeur? De moeder van de zeven broers dacht zeker niet zo: zij beleed haar geloof in God, bron en garantie van het leven vanaf de conceptie zelf, en tegelijkertijd de grondslag van de hoop op nieuw leven na de dood: “Ik weet niet hoe jullie in mijn schoot gevormd zijn; niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat, tot een harmonisch geheel geordend, maar de Schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart”(2Mak 7,22-23).  

45. De openbaring van het Nieuwe Testament bevestigt de onbetwistbare erkenning van de waarde van het leven vanaf zijn eerste begin. De verheerlijking van de vruchtbaarheid en de gretige verwachting van het leven klinken door in de woorden waarmee Elizabeth zich verheugt over haar zwangerschap: “De Heer(...)heeft zich verwaardigd mijn schande weg te nemen”(Lc 1,25). Meer nog wordt de waarde van de persoon vanaf het moment van de ontvangenis verheerlijkt in de ontmoeting tussen de Maagd Maria en Elizabeth, en tussen de twee kinderen die zij dragen in hun schoot. Juist de kinderen openbaren de komst van het Messiaanse tijdperk: in hun ontmoeting wordt de verlossende kracht van de aanwezigheid van de Zoon van God onder de mensen voor het eerst werkzaam. De H. Ambrosius schrijft: “De zegeningen van de komst van Maria en van de aanwezigheid van de Heer zijn meteen te merken (...) Elisabeth hoorde als eerste de stem, maar Johannes ervoer het eerste de genade; zij hoorde volgens de natuurlijke orde, hij sprong op vanwege het mysterie; zij merkte de komst van Maria, hij die van de Heer; de vrouw de komst van de vrouw, het kind de komst van het Kind. De vrouwen spreken over de ontvangen genade; de kinderen verwerkelijken in de schoot van hun moeder de genade en het mysterie van de barmhartigheid voor hun moeders zelf: en door een dubbel wonder profeteren zij onder de inspiratie van hun kinderen. Het kind sprong op van vreugde, de moeder werd vervuld van de heilige Geest. De moeder was niet vervuld vóór de zoon, maar nadat de zoon was vervuld met de heilige Geest, vervulde hij zijn moeder ook met Hem”36.

 

 “Ik heb geloofd ook toen ik zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10): leven in ouderdom en lijden

46. Ook t.a.v. de laatste ogenblikken van het leven zou het anachronistisch zijn om van de bijbelse openbaring een expliciete verwijzing te verwachten naar de huidige problematiek betreffende het respect voor ouderen en zieken, of een specifieke veroordeling van pogingen om hun einde met geweld te verhaasten. De culturele en religieuze context van de Bijbel wordt op geen enkele wijze door dergelijke bekoringen beroerd: integendeel, in die context worden de wijsheid en ervaring van de ouderen erkend als een onvervangbare rijkdom voor de familie en de samenleving.

De ouderdom wordt gekenmerkt door aanzien en omgeven met ontzag (vgl.2Mak 6,23). De rechtvaardige vraagt niet om verlossing van de ouderdom en haar last: zijn gebed is integendeel: “U, o Heer, bent mij hoop, mijn vertrouwen, o Heer, vanaf mijn jeugd (...) en nu, in mijn ouderdom en grijsheid, God, verlaat mij niet, opdat ik uw macht verkondig, aan alle komende geslachten uw wonderen”(Ps 71,5.18). Het ideaal van de Messiaanse tijd wordt voorgesteld als een tijd waarin “niet meer zal zijn (...) een grijsaard die zijn dagen niet voltooit”(Js 65,20).  

Hoe moet men in de ouderdom tegenover de onvermijdelijke neergang van het leven staan? Hoe moet men handelen in het zicht van de dood? De gelovige weet dat zijn leven in Gods hand ligt: “Heer, in uw handen is mijn leven”(vgl.Ps 16,5), en hij aanvaardt van Hem ook het sterven: “Dit is het bevel van de Heer voor alle vlees; waarom zich keren tegen de wil van de Allerhoogste?”(Sir 41,3-4). De mens is niet baas over het leven, evenmin over de dood. In leven en dood moet hij zich helemaal toevertrouwen aan de “wil van de Allerhoogste”, aan zijn liefdevolle plan.  

Ook in momenten van ziekte wordt de mens uitgenodigd om hetzelfde vertrouwen in de Heer te hebben en om zijn fundamentele geloof te hernieuwen in Hem die “alle ziekten geneest”(vgl.Ps 103,3). Wanneer alle hoop op gezondheid voor zijn ogen schijnt te verdwijnen - zodat hij uitroept: “Mijn dagen zijn als een schaduw in de avond; ik verdor als het gras (Ps 102,11)- zelfs dan wordt de gelovige bezield door een onwankelbaar geloof in Gods levenschenkende macht. Ziekte drijft zo”n mens niet tot wanhoop en doodsverlangen, maar doet hem hoopvol uitroepen: “Ik heb geloofd ook toen ik zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10); “Ik heb, Heer, mijn God, tot U in nood geroepen: Gij hebt mij nieuw gemaakt. Jahwe, Gij deed mij verrijzen uit de doden; of Gij mij hadt herschapen ben ik het graf ontgaan”(Ps 30,3-4).  

47. De zending van Jezus, met de vele genezingen die Hij deed, toont ook Gods grote bekommernis met het lichamelijk leven van de mens. Jezus werd, als “de dokter van het lichaam en de geest”37 door de Vader gezonden om het goede nieuws te brengen aan de armen en om de gebroken harten te helen (vgl.Lc 4,18; Js 61,1). Later, wanneer Hij zijn leerlingen de wereld instuurt, geeft Hij hun een zending, waarin zieken genezen hand in hand gaat met de verkondiging van het Evangelie: “En gaat op weg en verkondigt dat het rijk der hemelen nabij is. Geneest de zieken, wekt de doden op, reinigt de melaatsen en drijft de duivels uit”(Mt 6,13;16,18).  

Zeker is het leven van het lichaam in zijn aardse staat geen absoluut goed voor de gelovige, vooral waar hem gevraagd wordt zijn leven op te geven voor een groter goed. Zoals Jezus zegt: “Alwie zijn leven wil redden zal het verliezen; en alwie zijn leven verliest om Mijnentwil en omwille van het Evangelie, zal het redden”(Mc 8,35). Het Nieuwe Testament geeft hiervan verschillende voorbeelden. Jezus aarzelt niet zichzelf te offeren en Hij maakt van zijn leven vrijelijk een offer aan de Vader (vgl.Joh 10,17) en aan de zijnen (vgl.Joh 10,15). De dood van Johannes de Doper, voorloper van de Verlosser, getuigt ook dat het aards bestaan niet een absoluut goed is; belangrijker is het om trouw te blijven aan het woord van de Heer zelf met gevaar voor eigen leven (Mc 6,17-29). Stefanus verliest zijn aardse leven omdat hij trouw getuigt van de verrijzenis van de Heer: hij volgt in de voetstappen van de Meester en treedt hen die hem stenigen tegemoet met woorden van vergeving (vgl.Hnd 7,59-60) en wordt zo de eerste van een ontelbare schare martelaren die de Kerk heeft vereerd vanaf haar eerste begin.

Niemand kan echter naar willekeur kiezen tussen leven of sterven; de absolute meester van zo”n beslissing is de Schepper alleen, in wie “wij leven en bewegen en bestaan”(Hnd 17,28).

 

 “Alwie zich aan haar houden zullen leven”(Bar 4,1): van de wet van de Sinaï tot de gave van de Geest

48. Het leven wordt onuitwisbaar getekend door een waarheid van zichzelf. Door Gods gave aan te nemen is de mens verplicht het leven in deze waarheid te handhaven die daarvoor wezenlijk is. Zich losmaken van deze waarheid betekent: zichzelf veroordelen tot zinloosheid en ongeluk, en mogelijk een bedreiging worden voor het bestaan van anderen, aangezien de dijken die eerbied voor en verdediging van het leven garanderen, zijn doorgebroken.

De waarheid van het leven wordt geopenbaard in Gods gebod. Het woord van de Heer toont concreet de koers die het leven moet volgen wil het zijn eigen waarheid eerbiedigen en zijn eigen waardigheid bewaren. De bescherming van het leven is niet alleen verzekerd door het specifieke gebod “Gij zult niet doden (Ex 20,13; Dt 5,17): de hele wet van de Heer dient de bescherming van het leven, omdat zij die waarheid openbaart waarin het leven zijn volle betekenis krijgt.

Daarom is het niet verwonderlijk dat Gods Verbond met zijn volk zo nauw verbonden is met het levensperspectief, ook in zijn lichamelijke dimensie. In dat Verbond wordt Gods gebod aangeboden als de levensweg: “Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk. Als u luistert naar de geboden van de Heer, uw God, die ik u heden geeft, als u de Heer uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden, voorschriften en bepalingen, dan zult u leven en talrijk worden en zal de Heer uw God u zegenen in het land dat u in bezit gaat nemen”(Dt 30,15-16). Niet alleen het land Kanaän en het bestaan van het volk staan op het spel, maar ook de huidige en toekomstige wereld, en het bestaan van de hele mensheid. Want is het absoluut onmogelijk dat het leven volkomen geloofwaardig blijft als het zich van het goede verwijdert; en het goede is op zijn beurt wezenlijk verbonden met de geboden van de Heer, dwz: met de “wet van het leven”(Sir 17,11). Het goede dat gedaan moet worden, komt niet extra bij het leven als een drukkende last, aangezien het doel van het leven juist dat goede is, en alleen door het te doen kan het leven opgebouwd worden.  

Zo is het dus de wet als geheel die het menselijk leven volledig beschermt. Dit verklaart waarom het zo moeilijk is om het gebod “Gij zult niet doden”trouw te blijven wanneer de andere “woorden van leven”(vgl.Hnd 7,38) waarmee dit gebod verbonden is, niet worden onderhouden. Losgemaakt uit dit kader is het gebod gedoemd om niet meer te worden dan een van buiten opgelegde verplichting, en al spoedig beginnen we zijn grenzen te zoeken en proberen we verzachtende factoren en uitzonderingen te vinden. Alleen als men openstaat voor de volheid van de waarheid over God, mens en geschiedenis zullen de woorden “Gij zult niet doden”weer stralen als een goed voor de mens in al zijn dimensies en betrekkingen. In zulk perspectief kunnen we de volle waarheid inzien van de passage in het boek Deuteronomium die Jezus herhaalt in zijn antwoord op de eerste bekoring: “De mens leeft niet van brood alleen maar (...) van alles dat komt uit de mond van de Heer”(Dt 8,3; vgl.Mt 4,4).

Door te luisteren naar het woord van de Heer zijn wij in staat waardig en rechtschapen te leven. Door de wet van God te onderhouden kunnen wij vruchten van leven en geluk voortbrengen: “Alwie zich aan haar houden zullen leven, en die haar verzaken zullen sterven”(Bar 4,1).  

49. De geschiedenis van Israël laat zien hoe moeilijk het is om trouw te blijven aan de wet van het leven die God heeft gegrift in het mensenhart en die Hij op de Sinaï aan het volk van het Verbond gaf. Wanneer de mensen levenswijzen zoeken die Gods plan negeren dan zijn het vooral de profeten die hen er krachtig aan herinneren dat alleen de Heer de authentieke levensbron is. Zo schrijft Jeremia: “Mijn volk heeft dubbel misdreven: ze hebben Mij verzaakt, de bron van levend water en ze hebben regenbakken gehouwen, vol barsten en die geen water houden”(2,13). De profeten wijzen met een beschuldigende vinger naar hen die hen leven minachten en de rechten van de mensen schenden: “Ze trappen het hoofd van de arme in het stof van de aarde”(Am 2,7); “ze hebben deze plaats gevuld met het bloed van onschuldigen”(Jr 19,4). Onder hen veroordeelt de profeet Ezechiël vaker de stad Jeruzalem, waarbij hij het “de bloedige stad”(22,2; 24,6.9) noemt, de “stad die in haar midden bloed vergiet”(22,3).

Maar terwijl de profeten de vergrijpen tegen het leven veroordelen, zijn zij er vooral op bedacht om hoop op een nieuw beginsel van leven te wekken, instaat om een nieuwe relatie met God en met de broeders te vestigen, en om nieuwe, buitengewone mogelijkheden te openen voor het begrijpen en uitvoeren van alle eisen die in het Evangelie van het leven vervat liggen. Dit zal alleen mogelijk zijn dankzij de gave van God die zuivert en vernieuwt: “Ik zal u met zuiver water besprenkelen en ge zult rein worden; van al uw ongerechtigheden en van al uw afgoderij zal ik u reinigen. Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in u uitstorten”(Ez 36,25-26; vgl.Jr 31,34). Dit “nieuwe hart”zal het mogelijk maken de diepste en echtste betekenis van het leven te waarderen en te bereiken: namelijk dat het een gave is die helemaal verwerkelijkt wordt in de zelfgave. Dit is de schitterende boodschap over de waarde van het leven die tot ons komt door de figuur van de Dienaar van de Heer: “Wanneer hij zichzelf tot een offer maakt voor de zonde, zal hij nakomelingen zien en lang leven(...) Na het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien”(Js 53,10.11).  

In de komst van Jezus van Nazareth wordt de wet vervuld en een nieuw hart gegeven door zijn Geest. Jezus negeert de wet niet, maar brengt haar tot vervulling (vgl.Mt 5,17): de Wet en de Profeten worden samengevat in de gouden regel van de onderlinge liefde (vgl.Mt 7,12). In Jezus wordt de wet eens en voor altijd het “evangelie”, het goede nieuws van Gods heerschappij over de wereld, dat het leven terugbrengt naar zijn wortels en zijn oorspronkelijke bedoeling. Dit is de Nieuwe Wet, “de wet van de Geest van leven in Christus Jezus”(Rom 8,2), en de fundamentele uitdrukking ervan, in navolging van de Heer die zijn leven gaf voor zijn vrienden (vgl.Joh 15,13), is de zelfgave in liefde voor zijn broeders en zusters: “Wij weten dat we zijn overgegaan van de dood naar het leven, omdat we onze broeders liefhebben”(1Joh 3,14). Dit is de wet van vrijheid, vreugde en zaligheid.

 

 “Ze zullen opzien naar Hem die zij doorstoken hebben”(Joh 19,37): het Evangelie van het leven wordt vervuld aan de stam van het Kruis

50. Aan het einde van dit hoofdstuk, waarin we de christelijke boodschap over het leven hebben overwogen, wil ik graag stilhouden met ieder van u om Hem die doorstoken is te beschouwen, Hem die alle mensen naar zich toe trekt (vgl.Joh 19,37; 12,32). Kijkend naar “het schouwspel”van het Kruis (vgl.Lc 23,48) zullen we aan deze glorievolle stam de vervulling en de volledige openbaring van het hele Evangelie van het leven ontdekken.

In de vroege namiddag van Goede Vrijdag “viel er duisternis over heel de streek (...) doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor”(Lc 23,44.45). Dit is het symbool van een grote kosmische verwarring en een geweldige strijd tussen de krachten van het goede en de krachten van het kwade, tussen leven en dood. Vandaag de dag bevinden we ons ook middenin een dramatische strijd tussen de “cultuur van de dood”en de “cultuur van het leven”. Maar de glorie van het Kruis wordt door deze duisternis niet overwonnen; het licht, integendeel, steeds stralender en helderder op, en wordt zichtbaar als centrum, betekenis en doel van de hele geschiedenis en van ieder menselijk leven.  

Jezus wordt aan het Kruis genageld en opgeheven van de aarde. Hij ervaart het ogenblik van zijn grootste “machteloosheid”, en zijn leven schijnt geheel overgeleverd aan de bespotting van zijn tegenstanders en aan de handen van zijn moordenaars: hij wordt bespot, uitgelachen, beledigd (vgl.Mc 15,24-26).  

En toch, precies middenin dit alles, toen hij Hem “op deze wijze zag sterven”, roept de Romeinse honderdman uit: “Waarlijk, deze man was Zoon van God!”(Mc 15,39). Aldus wordt in het ogenblik van zijn grootste zwakte, de Zoon van God geopenbaard als wie Hij is: aan het Kruis wordt zijn heerlijkheid zichtbaar.  

Door zijn dood werpt Jezus licht op de zin van het leven en de dood van ieder menselijk wezen. Voor Hij sterft bidt Jezus tot de Vader, vraagt vergiffenis voor zijn vervolgers (vgl.Lc 23,34), en antwoordt de misdadiger die Hem vraagt om hem te gedenken in zijn koninkrijk: “Voorwaar, Ik zeg u, heden zult ge met Mij zijn in het paradijs”(Lc 23,43). Na zijn dood “gingen de graven open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren stonden op”(Mt 27,52). De redding die Jezus heeft bewerkt is de schenking van het leven en de verrijzenis. Heel zijn aardse leven had Jezus inderdaad redding gebracht door allen te genezen en goed te doen (vgl.Hnd 10,38). Maar zijn wonderen, genezingen en zelfs zijn opwekkingen van de doden waren tekenen van een andere redding, een redding die ligt in de vergeving van de zonden, dwz: in de bevrijding van de mens uit de diepste ziekte en in zijn opwekking tot het leven zelf van God.  

Aan het Kruis wordt het wonder van de slang die door Mozes wordt opgeheven in de woestijn (Joh 3,14-15); vgl.Nu 21,8-9) hernieuwd en tot volkomen en definitieve volmaaktheid gebracht. Ook vandaag ontmoet iedere mens wiens leven bedreigd wordt - door op te zien naar Hem die doorstoken is - de zekere hoop dat hij bevrijding en verlossing vindt.  

51. Maar er is nog een andere bijzondere gebeurtenis die mij diep ontroert wanneer ik haar overweeg. “Toen Jezus van de azijn genomen had, zei Hij: “Het is volbracht”. Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest”(Joh 19,30). Nadien “doorboorde”de Romeinse soldaat “zijn zijde met een lans, en terstond vloeide er bloed en water uit”(Joh 19,34).  

Alles heeft nu zijn volledige voltooiing bereikt. Het “geven”van de geest beschrijft Jezus”dood, een dood als die van iedere andere mens, maar het lijkt een toespeling op de “gave van de Geest”, waardoor Hij ons van de dood vrijkoopt en opent voor een nieuw leven.

Het is het leven van God zelf dat nu met de mens gedeeld wordt. Het is het leven dat door de sacramenten van de Kerk - gesymboliseerd door het bloed en water die uit Christus”zijde vloeien - voortdurend gegeven wordt aan Gods kinderen en hen tot het volk van het Nieuwe Verbond maakt. Vanaf het Kruis, de bron van leven, ontstaat en groeit het “volk van het leven”.  

De beschouwing van het Kruis brengt ons zo tot het hart van alles dat heeft plaatsgevonden. Jezus die bij zijn komst in de wereld zei: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen”(vgl.Heb 10,9), werd in alles gehoorzaam aan de Vader en omdat Hij “de zijnen had bemind die in de wereld waren, beminde Hij hen tot het einde”(Joh 13,1), door zich helemaal voor hen te geven.  

Hij die gekomen was “niet om gediend te worden maar om te dienen en om zijn leven te geven als losprijs voor velen”(Mc 10,45), bereikt aan het Kruis de hoogste liefde: “Geen mens heeft groter liefde dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden”(Joh 15,13). En Hij stierf voor ons terwijl wij nog zondaars waren (vgl.Rom 5,8).  

Zo verkondigt Jezus dat het leven zijn centrum, zijn betekenis en zijn vervulling vindt wanneer het geschonken wordt.  

Op dit punt wordt onze overweging tot lofprijzing en dankzegging, en tegelijkertijd dwingt zij ons om Christus na te volgen en in zijn voetstappen te gaan (vgl.1Pe 2,21).

Ook wij worden uitgenodigd om ons leven te geven voor onze broeders en zusters, en zo in de volheid van de waarheid de betekenis en bestemming van ons bestaan te realiseren.

We zullen hiertoe in staat zijn omdat U, o Heer, ons het voorbeeld hebt gegeven en ons de kracht van uw Geest hebt geschonken. We zullen hiertoe in staat zijn als wij iedere dag, met U en als U, gehoorzaam zijn aan de Vader en zijn wil doen.  

Geef daarom, dat wij met open en edelmoedig hart luisteren naar ieder woord dat komt uit de mond van God. Zo zullen we leren om niet alleen het gebod te gehoorzamen, om geen mensenleven te doden, maar ook om het leven te eerbiedigen, te beminnen en te koesteren.

 

Hoofdstuk III

Gij zult niet doden

Gods heilige wet

 

 “Als je het leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden”(Mt 19,17): evangelie en gebod

52. “En zie, iemand kwam naar Hem toe en zei: “Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?””(Mt 19,6). Jezus antwoordde: “Als je het leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden”(Mt 19,17). De Meester spreekt over het eeuwig leven, dwz: een delen in het leven van God zelf. Dit leven wordt bereikt door Gods geboden te onderhouden, inclusief het gebod: “Gij zult niet doden”. Dit is het eerste voorschrift van de Decaloog dat Jezus aanhaalt voor de jongeman die Hem vraagt welke geboden hij moet onderhouden: “Jezus zei: “Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen(...)””(Mt 19,18).

Gods gebod wordt nooit gescheiden van zijn liefde: het is altijd een gave tot vreugde en groei van de mens. Als zodanig vertegenwoordigt het een wezenlijk en onontbeerlijk aspect van het evangelie, ja het wordt zelf “evangelie”, dwz: Blijde Boodschap. Het Evangelie van het leven is zowel een grote gave van God als een verplichtende taak voor de mens. Het wekt verbazing en dankbaarheid in de vrije persoon en vraagt erom aanvaard, bewaard en gewaardeerd te worden, met een diep verantwoordelijkheidsgevoel. God eist van de mens, aan wie Hij het leven geeft dat hij dat bemint, eerbiedigt en koestert. Zo wordt de gave een gebod en het gebod is zelf een gave.  

De Schepper wil dat de mens, als Gods levende beeld, heer en koning is. De H. Gregorius van Nyssa schrijft dat “God de mens in staat stelde om zijn rol als koning van de aarde uit te voeren(...) De mens werd geschapen naar het beeld van Hem die het heelal bestuurt. Alles laat zien dat de menselijke natuur vanaf het begin door koningschap getekend is (...) De mens is een koning. Geschapen om de heerschappij over de wereld uit te oefenen, ontving hij een gelijkenis met de Koning van het heelal; hij is het levende beeld dat door zijn waardigheid deelt in de volmaaktheid van het goddelijk model”38. Geroepen om vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen, om de aarde te onderwerpen en te heersen over lagere schepselen (vgl.Gn 1,28), is de mens heer en meester niet alleen over de dingen maar vooral over zichzelf 39, en in zekere zin over het leven dat hij heeft ontvangen en dat hij kan doorgeven door voortplanting, uitgevoerd met liefde en eerbied voor Gods plan. Bij zijn heerschappij gaat het echter niet om een absolute, maar om een dienende: het is een werkelijke afspiegeling van de unieke en oneindige heerschappij van God. Daarom moet de mens haar uitoefenen met wijsheid en liefde, delend in de onmetelijke wijsheid en liefde van God. En dat gebeurt door gehoorzaamheid aan Gods heilige wet: een vrije en blijde gehoorzaamheid (vgl.Ps 119), geboren uit en gekoesterd door het besef dat de voorschriften van de Heer een genadegave zijn, die aan de mens altijd en alleen voor zijn welzijn is toevertrouwd, om zijn persoonlijke waardigheid te bewaren en zijn geluk te bereiken.  

De mens is, m.b.t. de dingen, maar meer nog m.b.t. het leven, niet de absolute meester en uiteindelijke rechter, maar eerder - en daar ligt zijn onvergelijkelijke grootheid - hij is de “uitvoerder van Gods plan”40.  

Het leven wordt aan de mens toevertrouwd als een schat die hij niet mag vergooien, als een talent dat goed gebruikt moet worden. De mens moet er rekenschap van afleggen voor zijn Meester (vgl.Mt 25,14-30; Lc 19,12-27).

 

 “Voor het leven van de mens vraag ik rekenschap van de mens”(Gn 9,5): het menselijk leven is heilig en onaantastbaar

53. “Het menselijk leven is heilig omdat het vanaf zijn ontstaan “het handelen van de Schepper vereist”, en het blijft altijd in een bijzondere relatie met zijn Schepper, zijn enige doel. God alleen is Heer van het leven van het begin tot het einde: niemand kan onder welke omstandigheid ook, voor zich het recht opeisen om rechtstreeks een onschuldig menselijk wezen te doden” 41. Met deze woorden zet de Instructie Donum Vitae de centrale inhoud uiteen van Gods openbaring over de heiligheid en de onaantastbaarheid van het menselijk leven.

De Heilige Schrift brengt het voorschrift “Gij zult niet doden”in feite als een goddelijk gebod (Ex 20,13; Dt 5,17). Zoals ik al heb onderstreept bevindt dit gebod zich in de Decaloog, in het hart van het Verbond dat de Heer sluit met zijn uitverkoren volk; maar het was al vervat in het oorspronkelijk verbond tussen God en de mensheid na de reinigende straf van de zondvloed, die werd veroorzaakt door de verspreiding van zonde en geweld (vgl.Gn 9,5-6).  

God verkondigt dat Hij de absolute Heer is van het leven van de mens, die gevormd is naar zijn beeld en gelijkenis (vgl.Gn 1, 26-28). Het menselijk leven krijgt zo een heilig en onaantastbaar karakter, dat de onaantastbaarheid van de Schepper zelf weerspiegelt. Juist daarom wordt God een strenge rechter van iedere schending van het gebod “Gij zult niet doden”, het gebod dat de grondslag vormt van het gehele menselijke samenleven. Hij is de “goel”, de verdediger van de onschuldigen (vgl.Gn 4,9-15; Js 41,14; Jr 50,34; Ps 19,14). God laat zo zien dat Hij geen vreugde schept in de dood van de levenden (vgl.W 1,13). Alleen Satan heeft daarin plezier: want door zijn afgunst kwam de dood in de wereld (vgl.W 2,24). Hij die “een moordenaar van den beginne”is, is ook “een leugenaar en vader van de leugen”(Joh 8,44). Door de mens te misleiden voert hij hem naar zijn doelen van zonde en dood, gepresenteerd als levensdoelen en successen.

54. Het gebod “Gij zult niet doden”bezit een uitgesproken, sterk negatieve inhoud: het wijst op de uiterste grens die nooit overschreden mag worden. Maar impliciet moedigt het een positieve houding aan van eerbied voor het leven; het leidt tot de bevordering van het leven en tot voortgang langs de weg van een liefde die geeft, ontvangt en dient. Het volk van het Verbond heeft, ofschoon langzaam en met enige tegenspraak, een toenemende rijpheid gekend in deze denkwijze en zich zo voorbereid op de grote verkondiging van Jezus dat het gebod van de naastenliefde lijkt op het gebod van de liefde tot God; “op deze twee geboden rust heel de wet en de profeten”(vgl.Mt 22,36-40). Sint Paulus benadrukt dat “het gebod (...) gij zult niet doden (...) en ieder ander gebod in deze zin worden samengevat: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf””(Rom 13,9; vgl.Gal 5,14). Overgenomen en tot vervulling gebracht in de Nieuwe Wet, staat het gebod “Gij zult niet doden”als een onmisbare voorwaarde om te kunnen “binnengaan in het leven”(vgl.Mt 19,16-19). In ditzelfde perspectief hebben de woorden van de apostel Johannes een categorische klank: “Wie zijn broeder haat is een moordenaar, en u weet dat geen moordenaar het eeuwige leven in zich heeft”(1Joh 3,15).  

Vanaf het begin heeft de levende Traditie van de Kerk - zoals de Didachè laat zien, het oudste niet-bijbelse christelijke geschrift - het gebod “Gij zult niet doden”categorisch herhaald: “Er zijn twee wegen, een weg van het leven en een weg van de dood; er is een groot verschil tussen hen (...) Naar het voorschrift van de leer: Gij zult niet doden (...), gij zult een kind niet afdrijven noch na de geboorte doden (...) De weg van de dood is deze: (...) ze hebben geen medelijden met de armen, ze lijden niet met de lijdenden, zij erkennen hun Schepper niet, zij doden hun kinderen en doen door abortus Gods schepselen omkomen; ze sturen de behoeftigen weg, onderdrukken de gekwelden, zij pleiten voor de rijken en vonnissen de armen onrechtvaardig; zij zijn vol zonden. Mogen jullie, kinderen, altijd ver blijven van al deze zonden!”42.

In de loop der tijd heeft de Traditie van de Kerk altijd eenstemmig de absolute en onveranderlijke waarde geleerd van het gebod “Gij zult niet doden”. Het is bekend dat in de eerste eeuwen moord werd geplaatst bij de drie zwaarste zonden - samen met afvalligheid en echtbreuk - en een bijzonder zware en lange openbare straf vereiste, voordat de berouwvolle moordenaar vergiffenis kon krijgen en wederopneming in de kerkelijke gemeenschap.  

Dit hoeft niet te verbazen: het doden van een mens, in wie Gods beeld aanwezig is, is een bijzonder ernstige zonde. Alleen God is de Heer van het leven! Maar in het licht van de vele, vaak tragische gebeurtenissen die in het individuele en sociale leven plaatsvinden, heeft het christelijk denken gezocht naar een vollediger en dieper begrip van wat Gods gebod verbiedt en voorschrijft 43. Er zijn namelijk situaties waarin de waarden die door Gods wet worden voorgesteld, in de vorm van een echte tegenspraak verschijnen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het geval van wettige zelfverdediging, waarin het recht om het eigen leven te verdedigen en de plicht om andermans leven niet te kwetsen in de praktijk moeilijk te verzoenen zijn. Ongetwijfeld vormen de innerlijke waarde van het leven en de plicht om zichzelf niet minder dan anderen lief te hebben, de basis van een werkelijk recht op zelfverdediging. Zelfs het veeleisende gebod van de naastenliefde, in het Oude Testament verkondigd en door Jezus bevestigd, vooronderstelt liefde voor zichzelf als de basis van vergelijking: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Mc 12,31). Niemand kan dan ook het recht op zelfverdediging afwijzen uit gebrek aan liefde voor het leven of voor zichzelf, alleen uit kracht van een heldhaftige liefde die de liefde voor zichzelf verdiept en omvormt tot een radicale zelfopoffering, overeenkomstig de geest van de Zaligsprekingen in het evangelie (vgl.Mt 5,38-40). Het sublieme voorbeeld van deze zelfopoffering is de Heer Jezus zelf.  

Bovendien “[kan] de gewettigde zelfverdediging (...) niet alleen een recht zijn, maar [ze] wordt zelfs een ernstige plicht voor degene die verantwoordelijk is voor andermans leven, voor het algemeen welzijn van het gezin of van de gemeenschap”44. Helaas gebeurt het dat de noodzaak om de aanvaller onschadelijk te maken soms vereist dat men hem doodt. In dit geval wordt de fatale afloop de aanvaller ten laste gelegd die zich door zijn daad daaraan blootstelde, zelfs al is hij misschien niet moreel verantwoordelijk omdat hij niet “bij zijn verstand”was45.  

56. In deze context moet het probleem van de doodstraf geplaatst worden, waarbij in de Kerk en in de maatschappij toenemend een tendens waarneembaar is, die een zeer beperkte toepassing of zelfs een volledige afschaffing ervan bepleit. Het probleem moet men zien in het geheel van een strafrecht dat steeds meer strookt met de menselijke waardigheid en aldus tenslotte met Gods plan voor mens en maatschappij. Het eerste doel van de straf die een samenleving oplegt is “de verstoring van de orde ongedaan [te] maken, die door de overtreding ontstaan is”46. Het openbaar gezag moet de aantasting van persoonlijke en sociale rechten verhelpen door de schuldige een gepaste straf op te leggen voor zijn misdrijf, als voorwaarde om de uitoefening van zijn vrijheid te herkrijgen. Op deze wijze bereikt het gezag ook het doel om de openbare orde te verdedigen en de veiligheid van de mensen te verzekeren, terwijl het tevens de schuldige ertoe aanzet en helpt om zich te verbeteren en te herstellen 47.  

Het is duidelijk dat, wil men deze doelen bereiken, de aard en de omvang van de straf zorgvuldig afgewogen en vastgesteld moeten worden en niet - behalve in gevallen van absolute noodzaak, dwz als anders de verdediging van de maatschappij niet mogelijk zou zijn - tot het uiterste gaan, nl, de terechtstelling van de schuldige. Maar tegenwoordig zijn zulke gevallen, als gevolg van de gestage verbeteringen in de organisatie van het strafwezen, uiterst zeldzaam of bestaan praktisch niet meer.

In elk geval blijft het door de nieuwe Katechismus van de Katholieke Kerk aangevoerde beginsel van kracht: “Indien onbloedige middelen volstaan om mensenlevens te verdedigen tegen de aanvaller en om de openbare orde en de veiligheid van de personen te beschermen, moet de overheid zich beperken tot die middelen; deze zijn immers beter aangepast aan de concrete voorwaarden van het algemeen welzijn en ook meer in overeenstemming met de waardigheid van de menselijke persoon”48.  

57. Als aan het eerbiedigen van ieder leven, zelfs dat van misdadigers en onrechtvaardige aanvallers, zoveel aandacht moet worden geschonken, dan heeft het gebod “Gij zult niet doden”absolute waarde wanneer het verwijst naar de onschuldige mens. En dit te meer in het geval van zwakke en weerloze menselijke wezens, die alleen in de absolute verplichting van Gods gebod verdediging vinden tegen de willekeur en gewelddadigheid van anderen.  

De absolute onaantastbaarheid van het onschuldige mensenleven is inderdaad een in de Heilige Schrift uitdrukkelijk geleerde, in de Traditie van de Kerk voortdurend hooggehouden en steeds door haar Leergezag voorgehouden zedelijke waarheid. Deze eenstemmigheid is de zichtbare vrucht van die “bovennatuurlijke geloofszin”die, geïnspireerd door de heilige Geest, het Volk van God vrijwaart van dwaling wanneer “het algemene overeenstemming toont in zaken van geloof en zeden”49.  

Omdat in het bewustzijn van de mensen en in de samenleving het besef van de absolute en ernstige zedelijke ongeoorloofdheid van het rechtstreekse doden van ieder onschuldig menselijk leven, speciaal aan zijn begin en aan zijn einde, steeds verder verzwakt, heeft het kerkelijk Leergezag zijn oproepen om de heiligheid en onaantastbaarheid van het menselijk leven te verdedigen, versterkt. Bij het pauselijk Leergezag, dat bijzonder consequent stelling neemt, heeft zich altijd dat van de bisschoppen aangesloten met talrijke uitgebreide leerstellige en pastorale documenten, ofwel door bisschoppenconferenties ofwel door individuele bisschoppen uitgegeven. Het Tweede Vaticaans Concilie behandelde de materie krachtig in een korte, maar markante passage 50.  

Met de autoriteit die Christus aan Petrus en zijn opvolgers heeft gegeven, en in gemeenschap met de bisschoppen van de katholieke Kerk, verklaar ik daarom dat het directe en vrijwillige doden van een onschuldig menselijk wezen altijd een ernstig zedelijk vergrijp is. Deze leer, gegrondvest op die ongeschreven wet die de mens, in het licht van het verstand, vindt in zijn eigen hart (vgl.Rom 2,14-15), is opnieuw bevestigd door de Heilige Schrift, doorgegeven door de Traditie van de Kerk en onderwezen door het gewone en algemene Leergezag 51.  

De bewuste beslissing om een onschuldige mens van het leven te beroven is altijd zedelijk kwaad en kan nooit geoorloofd zijn, noch als doel in zichzelf noch als middel tot een goed doel. Het is inderdaad een ernstige daad van ongehoorzaamheid jegens de zedelijke wet, ja jegens God zelf, haar oorzaak en borg; ze weerspreekt de fundamentele deugden van rechtvaardigheid en liefde. “Niets en niemand kan op enigerlei wijze toestaan dat een onschuldig menselijk wezen wordt gedood, of het nu een foetus is of een embryo, een kind of een volwassene, een bejaarde, ongeneeslijk zieke of iemand die in doodstrijd verkeert. Bovendien is het niemand geoorloofd deze dodelijke handeling voor zichzelf of voor een ander, die aan zijn verantwoordelijkheid is toevertrouwd, te zoeken, ja mag er zelfs noch expliciet noch impliciet mee instemmen. Evenmin kan enige autoriteit zulke actie rechtmatig opleggen of toestaan”52.  

Wat het recht op leven betreft is ieder onschuldig menselijk wezen absoluut gelijk aan alle andere. Deze gelijkheid vormt de grondslag van alle authentieke sociale relaties, die, om dat echt te zijn, alleen gebaseerd kunnen zijn op waarheid en recht, waarbij ze iedere man en vrouw erkennen en eerbiedigen als een persoon en niet als een gebruiksvoorwerp. Voor de morele norm die het directe doden van het leven van een onschuldig menselijk wezen verbiedt, “zijn er voor niemand privileges of uitzonderingen. Of iemand heer van de wereld is of de “allerongelukkigste”is op aarde, dat maakt geen verschil. Voor de zedelijke eisen zijn we allen volkomen gelijk”53.

 

 “Uw ogen zagen hoe ik ontstond”(Ps 139,16): de afschuwelijke misdaad van de abortus

58. Onder alle misdaden die tegen het leven kunnen worden begaan heeft een abortus provocatus kenmerken die hem bijzonder ernstig en verwerpelijk maken. Vaticanum II omschrijft abortus omschrijft hem, samen met kinderdoding, als een “afschuwelijke misdaad” 54.

Maar tegenwoordig is in het geweten van velen het besef van de zwaarte ervan steeds meer verduisterd. De aanvaarding van abortus in de mentaliteit, in het gedrag en zelfs in de wet zelf is een sprekend teken van een uiterst gevaarlijke crisis van het morele bewustzijn dat steeds minder in staat is om te onderscheiden tussen goed en kwaad, zelfs wanneer het fundamentele recht op leven op het spel staat. Gegeven zo”n ernstige situatie, moet we nu meer dan ooit de moed hebben om de waarheid onder ogen te zien en de dingen bij hun naam te noemen zonder uit te wijken naar gemakkelijke compromissen of naar de bekoring van zelfbedrog. In deze samenhang klinkt het verwijt van de Profeet categorisch: “Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die duisternis tot licht en het licht tot duisternis maken”(Js 5,20). Vooral in het geval van abortus is er een wijdverbreid gebruik van dubbelzinnige taal, zoals “zwangerschapsonderbreking”, die ertoe neigt de ware aard van abortus te verbergen en zijn zwaarte af te zwakken in de publieke opinie. Misschien is dit taalkundig verschijnsel zelf een symptoom van een ongemakkelijk geweten. Maar geen woord heeft de kracht om de werkelijkheid van de dingen te veranderen: abortus provocatus is het opzettelijk doden, hoe hij ook wordt uitgevoerd, van een menselijk wezen in de beginfase van zijn of haar bestaan tussen conceptie en geboorte.  

De morele zwaarte van abortus provocatus blijkt in al haar waarheid wanneer men erkent dat men het over moord heeft en in het bijzonder wanneer men de specifieke elementen beschouwt die hem kenmerken. Hier wordt een menselijk wezen gedood, dat net pas het leven binnengaat, dwz het absoluut onschuldigste wezen dat men zich kan voorstellen. Op geen enkele wijze zou men dit menselijk wezen ooit kunnen beschouwen als een agressor, veel minder nog als een onrechtvaardige agressor! Het is zwak, weerloos, zozeer dat het zelfs dat minimum aan verdediging niet heeft dat de smekende kracht van het schreien en van de tranen van een pasgeboren baby vormt. Het ongeboren kind is helemaal toevertrouwd aan de beschermende zorg van de vrouw die het in haar schoot draagt. En toch is het soms juist de moeder zelf die de beslissing neemt en erom vraagt dat haar kind gedood wordt en dat zelfs uitvoert.  

Zeker, de beslissing om een abortus te ondergaan is vaak tragisch en pijnlijk voor de moeder, wanneer de beslissing om zich te ontdoen van de vrucht van de conceptie niet gemaakt wordt om puur egoïstische redenen of uit gemakzucht, maar vanuit de wens om bepaalde belangrijke waarden te beschermen zoals haar eigen gezondheid of een fatsoenlijke levensstandaard voor de andere gezinsleden. Soms vreest men dat het ongeboren kind zodanige levensomstandigheden te wachten staan dat het beter zou zijn als de geboorte niet plaatsvond. Niettemin kunnen deze en soortgelijke redenen, hoe ernstig en tragisch ook, het opzettelijk doden van een onschuldig menselijk wezen nooit rechtvaardigen.

59. Naast de moeder zijn er vaak andere mensen die besluiten tot het doden van het kind in de moederschoot. Schuldig kan vooral de vader van het kind zijn, niet alleen wanneer hij de moeder rechtstreeks tot abortus drijft, maar ook wanneer hij haar indirect aanmoedigt tot zo”n beslissing door haar alleen te laten met de problemen van de zwangerschap 55: zo wordt het gezin dodelijk gewond en onteerd in haar wezen als liefdesgemeenschap en in haar roeping om het “heiligdom van het leven”te zijn. Ook mag men de druk niet over het hoofd zien die soms uit verdere familiekringen komt en van vrienden. Soms wordt de vrouw onder zulke zware druk gezet dat ze zich psychologisch gedwongen voelt om een abortus te ondergaan: zeker in dit geval ligt de morele verantwoordelijkheid speciaal bij hen die haar rechtstreeks of indirect verplicht hebben om een abortus te ondergaan. Artsen en verpleegkundigen zijn ook verantwoordelijk, wanneer zij hun bekwaamheid, die zij hebben aangeleerd om het leven te bevorderen, in dienst stellen van de dood.  

Maar medeverantwoordelijk zijn ook de wetgevers die abortuswetten hebben bevorderd en goedgekeurd, en, naar de mate waarin zij terzake zeggenschap hebben, de directie van gezondheidscentra waar abortussen worden uitgevoerd. Een algemene en niet minder ernstige verantwoordelijkheid ligt bij hen die de verbreiding van een houding van seksuele permissiviteit hebben aangemoedigd en een gebrek aan waardering voor het moederschap en bij hen die een effectieve gezins- en sociale politiek hadden moeten verzekeren - maar dat niet gedaan hebben - ter ondersteuning van gezinnen, vooral grotere gezinnen en gezinnen met extra financiële en opvoedingszorgen. Tenslotte mag men niet voorbijzien aan het netwerk van medeschuldigheid dat ook internationale instellingen omvat, stichtingen en verenigingen die systematisch campagne voeren voor de legalisering en verspreiding van abortus over de hele wereld. In deze zin overstijgt abortus de verantwoordelijkheid van enkelingen en de schade die hij hen toebrengt, en krijgt hij een sterk sociale dimensie. Het is een zeer ernstige verwonding die aan de samenleving en haar cultuur wordt toegebracht, juist door de mensen die de samenleving zouden moeten opbouwen en verdedigen. Zoals ik schreef in mijn Brief aan de Gezinnen: “We staan voor een reusachtige bedreiging van het leven: niet alleen het leven van enkelingen, maar ook dat van de beschaving zelf”56. We staan voor wat mag heten een “structuur van de zonde”gericht tegen het nog niet geboren leven. 

60. Sommige mensen proberen abortus te rechtvaardigen door te beweren dat het resultaat van de conceptie, ten minste tot een bepaald aantal dagen, nog niet beschouwd kan worden als een persoonlijk menselijk leven. Maar “vanaf het moment dat de eicel bevrucht wordt, bevindt zich een leven in staat van begin, een leven dat niet van de vader is, noch van de moeder, maar van een nieuw menselijk wezen, dat zich ontwikkelt op en voor zichzelf. Dit zal nooit menselijk worden, als het dat niet is vanaf dat moment. Voor deze van alle tijden geldende evidentie (...) voert de moderne genetisch wetenschap kostbare bevestigingen aan. Zij heeft aangetoond dat vanaf het eerste ogenblik de programmering vaststaat van datgene wat dit levend wezen zal zijn: een mens, deze individuele mens met zijn reeds wel-omlijnde, vaststaande karaktertrekken. Vanaf de bevruchting is het avontuur van een menselijk leven begonnen, waarvan elk der grote capaciteiten tijd vraagt om zich te rangschikken en tot handelingsbekwaamheid te komen”57. Ook als de aanwezigheid van een geestelijke ziel niet bewezen kan worden met ervaringsgegevens, dan nog leveren de resultaten zelf van wetenschappelijk onderzoek naar het menselijk embryo “een kostbare aanwijzing om met het verstand een persoonlijke aanwezigheid te onderscheiden op het moment van het eerste verschijnen van het menselijk leven: hoe zou een menselijk individu niet een menselijke persoon kunnen zijn?”58

Bovendien is wat op het spel staat zo belangrijk dat uit een oogpunt van morele plicht alleen de waarschijnlijkheid dat het om een menselijk wezen gaat voldoende moet zijn om het striktste verbod op iedere ingreep te rechtvaardigen die gericht is op het doden van een menselijk embryo. Juist daarom heeft de Kerk buiten de wetenschappelijke discussies en zelfs de filosofische uitspraken waarop het Leergezag zich nooit expliciet heeft gebaseerd, steeds geleerd en leert het nog steeds dat aan de vrucht van de menselijke voortplanting, vanaf het eerste moment van zijn ontstaan, dat onvoorwaardelijk respect moet worden gegarandeerd dat de mens moreel toekomt in zijn geestelijke en lichamelijke totaliteit en eenheid: “Het menselijk wezen moet geëerbiedigd worden en behandeld als een persoon vanaf het ogenblik van de conceptie; en daarom moeten vanaf datzelfde moment zijn rechten als persoon worden erkend, waaronder in de eerste plaats het onaantastbare recht op leven is van ieder onschuldig menselijk wezen”59.  

61. De teksten van de Heilige Schrift die nooit spreken over vrijwillige abortus en hem dus niet direct en specifiek veroordelen, tonen zulk groot respect voor het menselijk wezen in de moederschoot dat zij als logisch gevolg vereisen dat Gods gebod: “Gij zult niet doden”ook wordt uitgebreid tot het ongeboren kind.  

Het menselijk leven is heilig en onaantastbaar op ieder moment van zijn bestaan, inclusief de beginfase die aan de geboorte vooraf gaat. De mens behoort vanaf de moederschoot aan God toe die hem zoekt en kent, die hem met zijn eigen handen modelleert en vormt, die naar hem kijkt wanneer hij een nietig vormloos embryo is en die in hem reeds de volwassene van morgen ziet wiens dagen geteld zijn en wiens roeping reeds in het “Boek des Levens”staat opgetekend (vgl.Ps 139,1; 1,13-16). Reeds daar, nog in de moederschoot zijn zij het persoonlijke voorwerp van Gods liefdevolle en vaderlijke voorzienigheid - zoals veel passages in de Bijbel betuigen 60.  

De christelijke Traditie stemt - zoals duidelijk blijkt uit de Verklaring die de Congregatie voor de Geloofsleer heeft uitgegeven 61 - vanaf het begin tot in onze dagen duidelijk overeen in de beschrijving van abortus als een bijzonder ernstige zedelijke verwildering. Vanaf haar eerste contacten met de Grieks-Romeinse wereld, waar abortus en kinderdoding overal gepraktiseerd werden, heeft de eerste christelijke gemeenschap in leer en leven zich radicaal gekeerd tegen de in die maatschappij heersende gewoonten, zoals duidelijk blijkt uit de eerdergenoemde Didachè 62. Onder de Griekse schrijvers vermeldt Athenagoras dat de christenen vrouwen die hun toevlucht nemen tot vruchtafdrijvende medicijnen als moordenaressen beschouwen, omdat kinderen, zelfs als zij nog in de moederschoot zijn, “reeds onder de bescherming van de Goddelijke Voorzienigheid staan”63. Onder de Latijnse schrijvers stelt Tertullianus: “De verhindering van de geboorte is vroegtijdige moord; het doet er niet toe of men een ziel doodt die reeds geboren is of haar ter dood brengt bij de geboorte. Hij is reeds de mens die hij later zal zijn”64.  

Door heel de christelijke geschiedenis van tweeduizend jaar heen is deze zelfde leer constant onderwezen door de Vaders van de Kerk en door haar Herders en Leraren. Zelfs wetenschappelijke en filosofische discussies over het specifieke moment van de instorting van de geestelijke ziel hebben nooit aarzeling gewekt over de morele veroordeling van abortus.  

62. Het pauselijk Leergezag van de jongste tijd heeft deze algemene leer nadrukkelijk bekrachtigd. Pius XI heeft in zijn encycliek Casti Connubii vooral de als voorwendsel dienende argumenten voor abortus afgewezen 65. Pius XII sloot iedere rechtstreekse abortus uit, dwz iedere handeling die het menselijk leven in de moederschoot rechtstreeks tracht te vernietigen “of zulke vernietiging nu als doel of alleen als middel tot een doel bedoeld is”66. Johannes XXIII bevestigde opnieuw dat het menselijk leven heilig is, “omdat het vanaf het eerste begin direct Gods scheppende werking behoeft”67. Vaticanum II veroordeelde, zoals eerder vermeld, abortus zeer streng: “Vanaf de ontvangenis moet het leven met uiterste zorg worden beschermd; vruchtafdrijving en kinderdoding zijn afschuwwekkende misdaden”68.  

De rechtsorde van de Kerk heeft vanaf de eerste eeuwen strafsancties uitgevaardigd tegen wie schuldig zijn aan abortus. Deze praktijk, met meer of minder strenge straffen, werd in verschillende perioden der geschiedenis bevestigd. De Codex van de Canonieke Recht uit 1917 strafte abortus met excommunicaties 69. De herziene canonieke wetgeving zet deze traditie voort waar zij bepaalt dat “wie een abortus verricht, bij het beoogde gevolg automatische (latae sententiae) excommunicatie oploopt”70. De excommunicatie treft allen die deze misdaad bedrijven met kennis van de straf, alsook de medeplichtigen zonder wier hulp de misdaad niet zou zijn begaan 71. Met deze opnieuw bevestigde sanctie maakt de Kerk duidelijk dat abortus een zeer ernstige en gevaarlijke misdaad is, en moedigt zij hem die hem begaat aan om onverwijld de weg van de bekering te zoeken. In de Kerk is het doel van excommunicatie: een individu te doordringen van de zwaarte van een bepaalde zonde en om dan echte bekering en berouw te bewerken.  

Gegeven deze eenstemmigheid in de traditie van de leer en het recht van de Kerk, was Paulus VI in staat om te verklaren dat deze traditie onveranderd is en onveranderlijk 72. Met de autoriteit die Christus heeft overgedragen aan Petrus en zijn Opvolgers, in gemeenschap met de bisschoppen - die bij verschillende gelegenheden abortus hebben veroordeeld en die in voornoemde consultatie, verspreid over de wereld als zij waren, unanieme overeenstemming met deze leer hebben betoond - verklaar ik daarom dat rechtstreekse abortus, dat wil zeggen gewild als doel of als middel, altijd een zwaar zedelijk misdrijf vormt, aangezien het opzettelijk doden van een onschuldig menselijk wezen betekent. Deze leer stoelt op de natuurwet en op het geschreven Woord van God, wordt doorgegeven door de Overlevering van de Kerk en geleerd door het gewone en algemene Leergezag 73.

Geen enkele omstandigheid, doel, of wet kan een handeling geoorloofd maken die in zichzelf ongeoorloofd is, aangezien zij tegen de wet van God ingaat die geschreven staat in ieder mensenhart, kenbaar is door het verstand zelf en verkondigd wordt door de Kerk.  

63. De zedelijke beoordeling van abortus moet ook worden toegepast op de recente vormen van ingrepen op menselijke embryo”s die, ofschoon uitgevoerd voor doelen die in zichzelf gewettigd zijn, onvermijdelijk het doden van die embryo”s met zich brengen. Dit is het geval bij proeven op embryo”s, die steeds meer voorkomen op het gebied van het biomedisch onderzoek en die wettelijk zijn toegestaan in sommige landen. Ofschoon “de ingrepen bij het menselijk embryo als geoorloofd moeten worden beschouwd op voorwaarde dat ze het leven en de ongeschondenheid van het embryo eerbiedigen en dat zij geen onevenredige risico”s in zich dragen, maar dat zij gericht zijn op de genezing van de ziekte, de verbetering van de gezondheidstoestand of het overleven van de individuele foetus”74 moet niettemin aangetekend worden dat het gebruik van menselijke embryo”s of foetussen als proefobject een misdaad vormt tegen hun waardigheid als menselijke wezens die recht hebben op hetzelfde respect als wat het eenmaal geboren kind toekomt, en iedere persoon 75.

Deze zedelijke veroordeling betreft ook de procedure die levende menselijke embryo”s en foetussen misbruikt - die soms speciaal voor dit doel “gekweekt”zijn door in-vitro-bevruchting - ofwel als “biologisch materiaal”ofwel als leveranciers van organen of weefsel voor transplantaties bij de behandeling van bepaalde ziekten. Het doden van onschuldige menselijke schepsels, zelfs wanneer het wordt gedaan om anderen te helpen, vormt een absoluut onaanvaardbare handeling.

Bijzondere aandacht moet men schenken aan de zedelijke beoordeling van technieken van prenatale diagnostiek die de vroege vaststelling van eventuele misvormingen of ziekten mogelijk maken. Vanwege de ingewikkeldheid van deze technieken is een zorgvuldig en systematisch zedelijk oordeel nodig. Wanneer zij geen onevenredig grote risico”s inhouden voor het kind en de moeder, en bedoeld zijn om een vroege behandeling mogelijk te maken of zelfs om een rustige en bewuste aanvaarding van het nog niet geboren kind bevorderen, dan zijn deze technieken moreel geoorloofd. Maar aangezien de mogelijkheden van prenatale behandeling vandaag nog beperkt zijn, gebeurt het nogal eens dat deze technieken gebruikt worden met eugenetische bedoeling die selectieve abortus aanvaardt om de geboorte te van kinderen met allerlei soorten afwijkingen te voorkomen. Zo”n houding is schandelijk en hoogst verwerpelijk, daar zij zich aanmatigt om de waarde van een mensenleven enkel te meten naar maatstaven als “normaliteit”en lichamelijk welbevinden, en zo ook de weg baant voor de legitimering van kinderdoding en euthanasie.  

Maar toch leggen de moed en de innerlijke kalmte waarmee zovelen van onze broeders en zusters die te lijden hebben van ernstige handicaps hun leven leiden wanneer zij door ons opgenomen en bemind worden, een bijzonder welsprekend getuigenis af van wat echte waarde aan het leven geeft en wat het, zelfs in moeilijke omstandigheden, tot iets kostbaars maakt voor henzelf en voor anderen. De Kerk is die echtparen nabij die, met grote angst en verdriet, bereidwillig ernstig gehandicapte kinderen aanvaarden. Ze is ook dankbaar jegens al die gezinnen die door adoptie kinderen opnemen die door hun ouders in de steek gelaten zijn vanwege handicaps of ziekten.

 

 “Ik ben het die doodt en die levend maakt (Dt 32,39): het drama van de euthanasie

64. Aan het andere einde van zijn bestaan staat de mens voor het geheim van de dood. Als gevolg van vorderingen in de geneeskunde en in een cultuurmilieu dat zich vaak afsluit voor het transcendente, kent de stervenservaring tegenwoordig enkele nieuwe elementen. Wanneer de tendens overheerst om het leven alleen te waarderen in de mate dat het plezier en welbevinden biedt, schijnt het lijden een ondraaglijke nederlaag te zijn, iets waarvan men zich tegen elke prijs moet bevrijden. De dood wordt als “absurd”beschouwd wanneer hij plotseling een leven onderbreekt dat nog open staat naar een toekomst van nieuwe, interessante ervaringen. Maar hij wordt een “rechtmatige bevrijding”wanneer men het leven niet meer zinvol acht omdat het vol pijn is en onverbiddelijk gedoemd tot zelfs nog groter lijden.

Bovendien meent de mens wanneer hij zijn fundamentele betrekking met God ontkent of verwaarloost, dat hij voor zichzelf maatstaf en norm is, met het recht om te eisen dat de maatschappij hem de wegen en middelen garandeert om te beslissen wat hij met zijn leven doet in volle en totale autonomie. Vooral mensen in de ontwikkelde landen handelen zo: ze voelen zich hiertoe ook aangemoedigd door de voortdurende vooruitgang van de geneeskunde en haar steeds meer gevorderde technieken. Met behulp van uiterst spitsvondige systemen en apparatuur, zijn de wetenschap en de medische praktijk vandaag niet alleen in staat om voor vroeger onoplosbare gevallen een oplossing te vinden en pijnen te verzachten of te verhelpen, maar ook om het leven, zelfs een toestand van uiterste zwakte, in stand te houden en te verlengen, mensen na het wegvallen van hun biologische basisfuncties te reanimeren en ingrepen te doen om organen voor transplantaties te verkrijgen.  

In deze context groeit de bekoring om zijn toevlucht te nemen tot euthanasie dwz: zich tot heer over de dood te maken en die voortijdig op te wekken, door “op zachte wijze”zijn eigen leven of dat van anderen te beëindigen. In werkelijkheid blijkt dat, wat misschien logisch en menselijk lijkt, absurd en onmenselijk wanneer men het nader beschouwt. We staan hier voor een van de alarmerendste symptomen van de “cultuur van de dood”, die vooral in welvarende samenlevingen voortschrijdt, gekenmerkt door een prestatiedenken dat het groeiende aantal oude en zwakke mensen als te belastend en onverdraaglijk beschouwt. Ze worden heel vaak geïsoleerd door hun families en door de samenleving, die bijna uitsluitend is georganiseerd op basis van maatstaven van produktieve doelmatigheid, volgens welke een hopeloos arbeidsongeschikt leven geen waarde meer heeft.  

65. Voor een correct zedelijk oordeel over euthanasie is allereerst een heldere omschrijving vereist. Onder euthanasie in haar eigenlijke betekenis verstaat men een handelen of nalaten, dat van nature en bedoeld de dood veroorzaakt, om zo alle lijden te beëindigen. “Bij euthanasie draait het dus om de bedoeling van de wil en om de manier van handelen”76.  

Euthanasie moet men onderscheiden van de beslissing of af te zien van zgn. “agressieve medische behandeling”, m.a.w.: medische procedures die niet langer stroken met de werkelijke situatie van de patiënt ofwel omdat die inmiddels niet meer in verhouding staan tot de verhoopte resultaten of omdat die een te zware last leggen op de patiënt en zijn familie. In zulke situaties, wanneer de dood zich duidelijk dreigend en onvermijdelijk aandient, kan men in geweten “aan de behandelingswijze verzaken die slechts een hachelijk en smartvol rekken van het leven zou betekenen, zonder evenwel de gewone zorgen na te laten die men in dergelijke gevallen aan een zieke verschuldigd is”77. Zeker is er een morele plicht om zichzelf te laten verzorgen en behandelen, maar deze plicht moet aan de concrete omstandigheden afgemeten worden. Men moet bepalen of de middelen tot behandeling objectief stroken met de vooruitzichten op verbetering. Uitzonderlijke of onevenredige middelen afwijzen staat niet gelijk met zelfmoord of euthanasie; het is eerder een uitdrukking van de aanvaarding van de menselijke situatie in het zicht van de dood 78.  

In de moderne geneeskunde wordt steeds meer aandacht gegeven aan wat “methoden van palliatieve zorg”worden genoemd, die het lijden draaglijker trachten te maken in de laatste stadia van de ziekte en die moeten verzekeren dat de patiënt op dat moment menselijk gesteund en begeleid wordt. Onder de vragen die in deze context opkomen is die naar de geoorloofdheid van het gebruik van allerlei soorten pijnstillers en kalmeringsmiddelen om de pijn van de patiënt te verzachten als dit het risico van levensverkorting inhoudt. Terwijl men de mens mag prijzen die vrijwillig het lijden aanvaardt door af te zien van een behandeling met pijnstillers om volkomen helder te blijven, en, zo hij een gelovige is, bewust te delen in het Lijden van de Heer, mag men zulk “heldhaftig”gedrag niet tot ieders plicht rekenen. Reeds Pius XII zei dat het geoorloofd is pijn door narcotica te onderdrukken, zelfs wanneer dat verminderd bewustzijn en levensverkorting tot gevolg heeft, “als er geen andere middelen bestaan, en als in de gegeven omstandigheden dit niet leidt tot de belemmering van andere godsdienstige en morele plichten”79. In zo”n geval wordt de dood niet gewild of gezocht, ook al loopt men het risico daarop uit redelijke motieven: men wil enkel de pijn verminderen door de pijnstillers die de geneeskunde aanbiedt. Niettemin “mag men de stervende niet zonder ernstige reden van het bewustzijn beroven”80: wanneer zij de dood naderen moeten mensen in staat zijn om hun zedelijke en gezinsplichten te vervullen en vooral om zich bij volle bewustzijn voor te bereiden op de uiteindelijke ontmoeting met God.  

Na deze onderscheidingen bevestig ik in overeenstemming met het Leergezag van mijn Voorgangers 81 en in gemeenschap met de bisschoppen van de katholieke Kerk, dat euthanasie een zware schending is van de wet van God, aangezien zij het opzettelijk en zedelijk onaanvaardbaar doden betekent van een menselijke persoon. Deze leer stoelt op de natuurwet en op het geschreven woord van God, is doorgegeven door de Traditie van Kerk en geleerd door het gewone en algemene 82 Leergezag.  

Afhankelijk van de omstandigheden houdt deze praktijk een kwaadwilligheid in die eigen is aan zelfmoord of moord.  

66. Zelfmoord is altijd even moreel onaanvaardbaar als moord. De overlevering van de Kerk heeft hem altijd als ernstig kwade keuze afgewezen 83. Ook al kunnen bepaalde psychologische, culturele en sociale gegevens een mens ertoe brengen om een handeling uit te voeren die zo radicaal in tegenspraak is met de natuurlijke neiging tot leven en zo de subjectieve verantwoordelijkheid verminderen of wegnemen, toch is zelfmoord objectief gezien een ernstig immorele daad. Feitelijk betekent het de afwijzing van de eigenliefde en afwijzing van de plicht tot rechtvaardigheid en liefde tot de naaste, tot de gemeenschappen waartoe men behoort en tot de samenleving als geheel 84. In zijn diepste kern is zelfmoord een afwijzing van Gods absolute soevereiniteit over leven en dood, zoals die wordt verkondigd in het gebed van de oude wijze van Israël: “Gij hebt macht over leven en dood; Gij voert mensen naar de poorten van de onderwereld en weer omhoog”(W 16,13; vgl.Tob 13,2).  

Instemmen met het plan van een ander om zelfmoord te plegen en helpen bij de uitvoering ervan door zgn “hulp bij zelfdoding”betekent samenwerken met, en soms de eigenlijke uitvoerder zijn van een onrecht waarvoor nooit een rechtvaardiging bestaat, zelfs wanneer erom gevraagd zou zijn. “Het is nooit geoorloofd - schrijft St.Augustinus met verrassende actualiteit - een ander te doden: zelfs als hij het zou willen, ja erom vraagt omdat hij, zwevend tussen leven en dood, om hulp smeekt bij de bevrijding van de ziel in haar strijd tegen de banden van het lichaam en in haar verlangen om vrij te zijn; ook is het niet geoorloofd wanneer een zieke niet meer in staat is te leven”85. Ook als zij niet gemotiveerd is door een egoïstische weigering om belast te worden met het leven van iemand die lijdt, moet euthanasie een vals medelijden, ja een bedenkelijke “perversie”van medelijden genoemd worden, Echt “medelijden”deelt in andermans lijden; het doodt niet de mens wiens lijden onverdraaglijk is. Bovendien blijkt de daad van euthanasie des te perverser als ze wordt uitgevoerd door mensen, zoals familieleden, van wie men verwacht dat ze een familielid geduldig en liefdevol behandelen of door hen - bijv. artsen - van wie krachtens hun specifieke beroep verwacht mag worden dat zij zorgen voor de zieke persoon, zelfs in de pijnlijkste terminale stadia.  

De keuze voor euthanasie wordt ernstiger wanneer ze de vorm aanneemt van een moord, uitgevoerd door anderen, op een persoon die er helemaal niet om gevraagd heeft en die er nooit mee heeft ingestemd. Het toppunt van willekeur en onrecht wordt bereikt wanneer bepaalde artsen of wetgevers zich de macht aanmatigen om te beslissen wie mag leven en wie sterven. Opnieuw staan we voor de bekoring van Eden: te worden als God die “goed en kwaad kent”(vgl. Gn 3,5). God alleen heeft de macht over leven en dood: “Ik ben het die dood en leven brengt”(Dt 32,339; vgl. 2Kon 5,7; 1Sam 2,6). Maar Hij oefent die macht alleen uit volgens een plan van wijsheid en liefde. Wanneer de mens zich deze macht aanmatigt, omdat hij de slaaf is van een dwaze en zelfzuchtige denkwijze, gebruikt hij haar onvermijdelijk voor onrecht en dood. Zo wordt het leven van de mens die zwak is handen van een die sterk is gelegd: in de samenleving verdwijnt het rechtsgevoel en het wederzijds vertrouwen, de basis van iedere authentieke intermenselijke betrekking wordt ondergraven aan de wortel.  

67. Volkomen verschillend hiervan is de weg van liefde en echt medelijden, die ons gezamenlijk menszijn voorschrijft en waar het geloof in Christus de Verlosser, die gestorven en verrezen is, steeds nieuw licht op werpt. Het verzoek dat uit het mensenhart opstijgt bij de uiterste confrontatie met lijden en dood, vooral wanneer het oog in oog staat met de bekoring om op te geven in totale wanhoop, is vooral een verzoek om begeleiding, solidariteit en steun in de tijd van beproeving. Het is een bede om hulp om te blijven hopen wanneer alle menselijke hoop vervliegt. Zoals Vaticanum II ons in overweging geeft: “In het licht van de dood krijgt het raadsel van het menselijk bestaan zijn grootste dimensie”en toch: “Intuïtief geeft zijn hart hem het juiste oordeel, wanneer hij zich vol huiver afkeert van een totale ruïnering en een definitieve verdwijning van zijn persoon. Daar het zaad van eeuwigheid dat hij in zich draagt niet is ontstaan uit de loutere materie, verzet het zich tegen de dood”86.

Deze natuurlijke afkeer van de dood en deze beginnende hoop op onsterfelijkheid worden verlicht en tot vervulling gebracht door het christelijk geloof, dat zowel de belofte als het aanbod doet van een deelhebben aan de overwinning van de Verrezen Christus: het is de overwinning van Hem die, door zijn verlossende dood, de mens heeft bevrijd van de dood, “het loon van de zonde”(Rom 6,23), en die hem de Geest heeft gegeven, het onderpand voor de verrijzenis en het leven (vgl. Rom 8,11). De zekerheid over de toekomstige onsterfelijkheid en de hoop op de beloofde verrijzenis werpen een nieuw licht op het geheim van het lijden en sterven en vervullen de gelovigen met een buitengewone kracht om zich aan het plan van God toe te vertrouwen.  

De apostel Paulus heeft dit nieuwe uitgedrukt in termen van een volledig toebehoren aan de Heer die de mens in iedere toestand omarmt: “Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf: leven wij, dan leven wij voor de Heer; sterven wij, dan sterven wij voor de Heer. Of wij leven of sterven, wij behoren aan de Heer toe”(Rom 14,7-8). Sterven voor de Heer betekent de eigen dood beleven als laatste gehoorzaamheid aan de Vader (vgl. Fil 2,8), doordat wij de ontmoeting met de dood in het door Hem gewilde en vastgestelde “uur”aanvaarden (vgl. Joh 13,1), die alleen kan zeggen wanneer onze aardse weg ten einde is. Leven voor de Heer betekent ook erkennen dat het lijden, ook wanneer het op zichzelf een kwaad en een beproeving blijft, altijd tot een bron van het goede kan worden. Dat is het geval wanneer het uit liefde en met liefde uit vrijwillige overgave aan God en uit vrije persoonlijke beslissing beleefd wordt in deelname aan het lijden van de gekruisigde Christus zelf. Zo gaat hij die zijn lijden leeft in de Heer, volkomen op Hem lijken (vgl. Fil 3,10; 1Pe 2,21) en heeft hij ten diepste deel aan zijn verlossingswerk voor de Kerk en voor de mensheid 87. Dat is de ervaring van de Apostel, tot navolging waarvan ook iedere lijdende mens geroepen wordt: “Nu verheug ik mij in het lijden dat ik voor u verdraag. Voor het lichaam van Christus, de Kerk, voltooi ik in mijn aardse leven dat, wat aan het lijden van Christus nog ontbreekt”(Kol 1,24).

 

 “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen”(Hnd. 5,29): burgerlijke wet en zedenwet

68. Een van de specifieke kenmerken van de - reeds vaak genoemde - tegenwoordige aanslagen op het menselijk leven bestaat in de tendens om wettelijke legitimatie daarvoor te eisen, alsof het om rechten zou gaan die de staat, tenminste onder bepaalde voorwaarden, aan de burgers moet toekennen, en, als gevolg daarvan, in de tendens om de toepassing van deze rechten met de zekere en vrije hulp van artsen en verplegend personeel te verlangen.

Vaak wordt beweerd, dat het leven van een ongeborene of van iemand die zich in totale zwakte bevindt, alleen maar een betrekkelijk goed is: volgens een proportionalistische benadering of een koude berekening zou het met andere goederen vergeleken en afgewogen moeten worden. En er wordt ook beweerd dat alleen iemand die zich in de concrete situatie bevindt en persoonlijk erbij betrokken is, rechtmatig een afweging van de goederen waarom het gaat, kan maken. Als gevolg daarvan zou alleen hij over de moraliteit van zijn keuze kunnen beslissen. De staat zou daarom in het belang van het burgerlijk samenleven en de sociale eendracht deze beslissing moeten eerbiedigen en tenslotte ook abortus en euthanasie toelaten.

Soms wordt de mening gehoord dat de wet van de staat niet zou kunnen verlangen dat alle burgers overeenkomstig een morele standaard leven die hoger is dan die, die zij zelf erkennen en delen. Daarom moet de wet altijd de uitdrukking van de mening of van de wil van de meerderheid der burgers zijn en hun, tenminste in bepaalde extreme gevallen, ook het recht op abortus en euthanasie toekennen. Overigens zou het verbod op en de bestraffing van abortus en euthanasie in deze gevallen - zo beweert men - onvermijdelijk tot een toename van illegale praktijken leiden: maar deze zouden niet aan de noodzakelijke sociale controle onderworpen zijn, en zouden zonder de gewenste medische veiligheid uitgeoefend worden. Hier vraagt men zich bovendien af, of vasthouden aan een concrete, niet-uitvoerbare wet, tenslotte niet zou betekenen dat ook de geloofwaardigheid van elke andere wet, ondergraven zou worden.  

De radicaalste standpunten gaan tenslotte zover te beweren, dat in een moderne en pluralistische maatschappij aan iedere mens volledige autonomie toegekend moet worden om over het eigen leven en het leven van het ongeboren kind te beschikken: de keuze en de beslissing tussen de verschillende morele opvattingen zou inderdaad niet een zaak van de wet moeten zijn, en nog minder het opleggen van een bepaalde mening ten koste van andere.  

69. In elk geval is in de democratische cultuur van onze tijd de mening wijd verbreid dat de rechtsorde van een maatschappij zich ertoe moet beperken, de overtuigingen van de meerderheid op te tekenen en aan te nemen en daarom slechts bouwen op datgene wat de meerderheid zelf als moreel erkent en beleeft. Wanneer dan zelfs de mening wordt verkondigd dat een algemene en objectieve waarheid de facto onaannemelijk is, dan zou het respect voor de vrijheid van de burgers - die in een democratisch systeem als de eigenlijke soeverein gelden - vereisen, dat men op het niveau van de wetgeving de autonomie van de individuele gewetens erkent en daarom bij het vastleggen van die normen die in elk geval voor het sociale samenleven noodzakelijk zijn, uitsluitend recht doet aan de wil van de meerderheid, hoe die ook mag zijn. Op deze wijze zou iedere politicus in zijn handelen het terrein van het eigen geweten duidelijk moeten scheiden van dat van het publieke gedrag.

Als gevolg daarvan kan men twee, blijkbaar diametraal tegengestelde tendensen vaststellen. Aan de ene kant eisen de afzonderlijke individuen voor zichzelf de meest volledige zedelijke beslissingsautonomie op en eisen zij dat de staat geen morele opvatting tot de zijne maakt en voorschrijft, maar dat hij zich ertoe beperkt de vrijheid van ieder afzonderlijk de grootst mogelijke ruimte te garanderen, met als enige beperking naar buiten dat men de ruimte van autonomie niet aantast waarop ook iedere andere burger recht heeft. Van de andere kant meent men dat, bij het uitoefenen van de publieke en professionele taken, het respect voor de beslissingsvrijheid van de ander vereist, dat eenieder zijn eigen overtuigingen aan de kant zet om zich in dienst te stellen van ieder verzoek van de burgers, die de wetten erkennen en beschermen, waarbij als enige zedelijke maatstaf voor de uitoefening van eigen functies aanvaard wordt, wat precies door deze wetten vastgelegd is. Zo wordt, met voorbijzien van het eigen zedelijke geweten, tenminste op het gebied van de openbare activiteit, de verantwoordelijkheid van de mens aan de burgerlijke wet overgelaten.  

70. De gemeenschappelijke wortel van al deze tendensen is het ethisch relativisme dat voor grote delen van de moderne cultuur kenmerkend is. Sommigen beweren dat dit relativisme een voorwaarde is voor de democratie, omdat alleen tolerantie het wederzijds respect van de mensen onderling en de binding aan de beslissingen van de meerderheid zou garanderen, terwijl de zedelijke normen, als bindend en objectief beschouwd, zouden leiden tot autoritarisme en intolerantie.

Maar juist de problematiek van het respect voor het leven laat zien welke misverstanden en tegenstellingen, gepaard gaand met van ontstellende praktische gevolgen, zich achter deze mentaliteit verbergen.  

Het klopt dat de geschiedenis gevallen kent waarin in de naam van de “waarheid”misdaden zijn begaan. Maar niet minder ernstige misdaden en radicale ontkenningen van de vrijheid werden en worden ook nu nog in naam van het “ethische relativisme”begaan. Neemt een parlementaire of maatschappelijke meerderheid, wanneer ze de rechtmatigheid van de onder bepaalde voorwaarden uitgevoerde doding van het ongeboren menselijke leven goedkeurt, soms niet een “tiranniek”besluit tegen het zwakste en meest weerloze menselijk wezen? Het wereldgeweten reageert terecht op de misdaden tegen de menselijkheid waarmee onze eeuw zulke treurige ervaringen heeft opgedaan. Zouden deze wandaden misschien niet langer misdaden zijn, wanneer zij in plaats van door gewetenloze tirannen te zijn begaan, door de toestemming van het volk rechtmatig verklaard zouden zijn?  

Men mag echter democratie niet in die mate tot mythe maken dat ze tot een vervanging wordt van moraliteit of tot een panacee tegen de onzedelijkheid. Van nature is zij een “orde”en, als zodanig, een werktuig en niet een doel. Haar “zedelijk”karakter komt niet vanzelf, maar hangt af van de overeenstemming met de zedenwet waaraan zij, zoals ieder ander menselijk gedrag, onderworpen moet zijn: d.w.z.: het hangt af van de zedelijkheid van de doelen die zij nastreeft en van de middelen die zij gebruikt. Wanneer tegenwoordig een bijna wereldwijde overeenstemming over de waarde van de democratie kan worden vastgesteld, dan wordt dat als een positief “teken van de tijd”beschouwd, zoals ook het leergezag van de Kerk herhaaldelijk heeft uitgesproken 88. Maar de waarde van de democratie staat of valt met de waarden die zij belichaamt en koestert: fundamenteel en onmiskenbaar zijn zeker de waarden van iedere menselijke persoon, het respect voor zijn onaantastbare en onvervreemdbare rechten, alsook de bestemming van het “algemeen belang”tot doel en regelende maatstaf voor het politieke leven.  

De fundamenten van deze waarden kunnen niet voorlopige en wisselende menings-”meerderheden”zijn, maar alleen de erkenning van een objectieve zedenwet, die als de “natuurwet”die de mens in het hart geschreven staat, het referentiepunt is dat de norm stelt juist voor deze burgerlijke wet. Wanneer als gevolg van een tragische collectieve gewetensverduistering het scepticisme tenslotte zelfs de grondslagen van de zedenwet in twijfel zou trekken, dan zou zelfs de democratische orde in zijn grondslagen aangetast worden, aangezien zij zou verworden tot een louter mechanisme van het empirisch regelen van verschillende en tegengestelde belangen 89.  

Menigeen zou zich kunnen voorstellen dat zelfs deze functie, bij gebrek aan beter, omwille van de sociale vrede, gewaardeerd zou moeten worden. Zelfs wanneer men in zulke beoordeling een zeker waarheidsaspect erkent, dan moet men toch zien dat zonder een objectieve zedelijke verankering ook de democratie geen stabiele vrede kan garanderen, temeer daar de vrede die niet aan de waarden van de waardigheid van iedere mens en van de solidariteit onder alle mensen gemeten wordt, niet zelden een bedrieglijke zaak is. Want in de regeringssystemen zelf die een democratische participatie kennen, leidt de regeling van de belangen dikwijls tot het voordeel van de sterkeren, aangezien zij niet alleen het beste de hefbomen van de macht, maar ook de totstandkoming van een consensus kunnen sturen. In een dergelijke situatie wordt democratie gemakkelijk tot een leeg begrip.

71. Met het oog op de toekomst van de maatschappij en op de ontwikkeling van de gezonde democratie is het daarom dringend nodig om de aanwezigheid van essentiële en aangeboren menselijke en zedelijke waarden opnieuw te ontdekken, die uit de waarheid van het menszijn zelf voortkomen en die de waardigheid van de persoon uitdrukken en beschermen: waarden dus, die geen enkeling, geen meerderheid en geen staat ooit kunnen produceren, veranderen of vernietigen, maar die zij alleen zullen moeten erkennen, eerbiedigen en koesteren.  

In deze zin moet men de basiselementen van een visie op de betrekking tussen burgerlijke wet en zedenwet herontdekken, die door de Kerk naar voren worden gebracht maar die ook deel zijn van het erfgoed van de grote rechtstradities der mensheid.

Zeker, de taak van de burgerlijke wet is in vergelijking met die van de zedenwet anders en van beperkter omvang. Toch kan “in geen levenssfeer de burgerlijke wet de plaats innemen van het geweten of normen voorschrijven m.b.t. dingen die buiten zijn bevoegdheid liggen”90, dat is de verzekering van het welzijn van de mensen door de erkenning en de verdediging van hun grondrechten, en door de bevordering van de vrede en de openbare zedelijkheid 91. Want de taak van de burgerlijke wet bestaat in het garanderen van een geordende sociale samenleving in ware gerechtigheid, opdat wij allen “in alle vroomheid en rechtschapenheid ongestoord en rustig kunnen leven”(1Tim 2,2). Juist daarom moet de burgerlijke wet voor alle leden van de maatschappij het respect voor enkele grondrechten garanderen, die aan de mens als persoon eigen zijn en die elke positieve wet moet erkennen en garanderen. Het eerste en meest fundamentele van alle rechten is het onaantastbare recht op leven van iedere onschuldige mens. Ook als het openbaar gezag er soms voor kan kiezen om iets niet te stoppen dat, als het verhinderd zou worden, ernstiger schade zou doen 92, kan zij desondanks nooit toelaten dat enkelingen - zelfs wanneer die de meerderheid van de leden van de maatschappij zouden vormen - het recht krijgen andere mensen te schaden door hun grondrechten, zoals dat op leven, niet te erkennen. Het wettelijk dulden van abortus en euthanasie kan zich juist daarom geenszins beroepen op het respect voor het geweten van de anderen, omdat de maatschappij het recht en de plicht heeft zich te beschermen tegen de misbruiken die in naam van het geweten en onder voorwendsel van de vrijheid tot stand kunnen komen 93.  

In de encycliek Pacem in terris wees Johannes XXIII erop dat “in de denkwijze van onze tijd het algemene welzijn vooral gelegen is in het veiligstellen van de rechten en plichten van de menselijke persoon. De taak van de gezagsdragers dient er vooral op gericht te zijn om deze rechten te erkennen, te eerbiedigen, met elkaar in overeenstemming te brengen, te verdedigen en te bevorderen, zodat daardoor iedereen zich gemakkelijker van zijn plichten kan kwijten. Want “dit is de voornaamste plicht van ieder staatsgezag: om de onaantastbare rechten van de mens te beschermen en ervoor te zorgen dat ieder gemakkelijk zijn taak kan vervullen”. Daarom, indien de gezagsdragers de rechten van de mens niet erkennen of aantasten, wijken zij niet alleen af van hun eigen plicht, maar hun voorschriften missen ook iedere juridische verplichting”94.  

72. De leer over de noodzakelijke overeenstemming van de burgerlijke wet met de zedenwet staat in de continuïteit van de hele traditie van de Kerk. Dit blijkt nog eens uit Johannes XXIII”s encycliek: “Gezag wordt gevraagd door de zedelijke orde en komt van God. Als gevolg daarvan kunnen wetten en besluiten die tegen de morele orde ingaan en dus tegen de goddelijke wil geen bindende kracht hebben in het geweten(...); inderdaad, het aannemen van zulke wetten ondermijnt het wezen zelf van het gezag en resulteert in schaamteloos misbruik”95. Dit is de heldere leer van de H. Thomas van Aquino, die schrijft dat “de menselijke wet wet is inzoverre zij overeenstemt met de rechte rede en zo is ontleend aan de eeuwige wet. Wanneer ze echter van het verstand afwijkt, wordt het een onrechtvaardige wet genoemd en heeft het niet het karakter van een wet, maar veeleer dat van een daad van geweld”96. En verder: “Elke door mensen gemaakte wet heeft inzoverre het karakter van een wet, voor zover ze afgeleid wordt van de natuurwet. Maar wanneer ze op enig punt van de natuurwet afwijkt, dan zal ze niet meer wet zijn, maar eerder een corruptie van de wet”97.  

De eerste en meest rechtstreekse toepassing van deze leer betreft de menselijke wet die het fundamentele grondrecht op leven, dat iedere mens eigen is, niet erkent. Zo staan de wetten die het rechtstreekse doden van onschuldige mensen, in de vormen van abortus en euthanasie, voor gewettigd verklaren, in totale en onverzoenlijke tegenspraak met het onaantastbare recht op leven dat alle mensen eigen is en ontkennen zij bovendien de gelijkheid van allen voor de wet. Men zou kunnen tegenwerpen dat dit dan niet geldt voor euthanasie, wanneer de betreffende mens bij volledig bewustzijn erom gevraagd heeft. Maar een staat die een dergelijk verzoek zou wettigen en doorvoering ervan toelaten, zou tegen de grondbeginselen van absoluut respect voor het leven en van de bescherming van ieder mensenleven een zelfmoord, respectievelijk moord, legaliseren. Zo wordt ruim baan gemaakt voor het nalaten van eerbied voor het leven en effent men de weg voor een houding die het vertrouwen in de sociale betrekkingen vernietigt.

De wetten die abortus en euthanasie toelaten en bevorderen, stellen zich dus niet alleen radicaal op tegen het welzijn van het individu, maar ook tegen het gemeenschappelijk welzijn, en missen daarom iedere geloofwaardige rechtsgeldigheid. Het niet erkennen van het recht op leven gaat het meest rechtstreeks en onherstelbaar in tegen de mogelijkheid om het algemeen welzijn te realiseren, juist omdat het leidt tot het doden van de mens: de maatschappij bestaat juist om in dienst van hem te staan. Daaruit volgt dat, wanneer een burgerlijke wet abortus en euthanasie goedkeurt, zij juist daarom geen echte, zedelijk verplichtende burgerlijke wet meer is.  

73. Abortus en euthanasie zijn dus misdrijven waarvan geen enkele menselijke wet zich de legitimatie kan aanmatigen. Wetten van deze soort houden niet alleen geen verplichting voor het geweten in, maar wekken veeleer de ernstige en duidelijke plicht op, om zich ertegen te verzetten met behulp van het beroep op gewetensbezwaren. Vanaf de begintijden van de Kerk heeft de verkondiging van de apostelen de christenen de plicht tot gehoorzaamheid jegens het rechtmatig optredende openbaar gezag ingeprent (vgl. Rom 1-7; 1Pe 2,13-14), maar tegelijkertijd krachtig gewaarschuwd dat men “God meer moet gehoorzamen dan de mensen”(Hnd 5,29). Reeds in het Oude Testament vinden we met betrekking tot de bedreigingen tegen het leven een belangrijk voorbeeld van de tegenstand tegen het onrechtvaardige gebod van het openbaar gezag. De joodse vroedvrouwen verzetten zich tegen de farao, die bevolen had om iedere pasgeboren jongen te doden. Zij “deden niet wat de koning van Egypte bevolen had, maar lieten de kinderen in leven”(Ex 1,17). Belangrijk is echter om op de diepere reden van dit gedrag te wijzen: “De vroedvrouwen vreesden God”(ibid.). Uit de gehoorzaamheid jegens God - aan wie alleen die vrees toekomt die de erkenning van zijn absolute soevereiniteit is - groeien de kracht en de moed om aan de onrechtvaardige wetten van de mensen te weerstaan. De kracht en de moed van hem die bereid is ook de gevangenis in te gaan of door het zwaard om te komen, in de zekerheid dat “hier de standvastigheid en de geloofstrouw van de heiligen moet blijken”(Apk 13,10).  

Daarom is het nooit geoorloofd zich te voegen naar een in zichzelf onrechtvaardige wet, zoals die welke abortus en euthanasie toelaat, “noch door deelname aan een propagandacampagne voor een dergelijke wet, noch door er zijn stem aan te geven”98.  

Een bijzonder gewetensprobleem kan zich voordoen in de gevallen waarin een parlementaire stemming beslissend zou zijn voor het aannemen van een strengere wet, bedoeld om het aantal legale abortussen te beperken, in plaats van een wet die meer toelaat, wanneer die reeds zou zijn aangenomen of ter stemming gereed zou liggen. Zulke gevallen komen nogal eens voor. Het is een feit dat, terwijl in sommige delen van de wereld er voortdurend campagnes plaatsvinden om wetten in te voeren ten gunste van abortus, vaak gesteund door machtige internationale organisaties, in andere landen - in het bijzonder die, die al ervaring hebben met de bittere vruchten van zulke “vrije”wetgeving - er toenemende tekenen zijn van een herbezinning op dit vlak. In een geval als het juist genoemde, wanneer het niet mogelijk is een abortuswet af te wenden of volledig af te stemmen, zou het een afgevaardigde, wiens persoonlijke absolute tegenstand tegen abortus duidelijk en aan iedereen bekend gemaakt was, geoorloofd kunnen zijn wetsvoorstellen te steunen die ten doel hebben de schade te beperken van zo”n wet en die de negatieve effecten op het gebied van de cultuur en de openbare moraal verminderen. Zo werkt men namelijk niet ongeoorloofd mee aan een onrechtvaardige wet, maar veeleer wordt een wettige en passende poging ondernomen om de kwade aspecten te beperken.  

74. De invoering van onrechtvaardige wetten plaatst moreel juiste mensen dikwijls voor moeilijke gewetensproblemen m.b.t. medewerking in verhouding tot een goede toepassing van het eigen recht om niet gedwongen te worden tot deelname aan moreel slechte handelingen. Soms zijn de beslissingen die nodig blijken, pijnlijk en kunnen ze er zelfs om vragen een hoge beroepspositie op te geven of af te zien van gewettigde promotie- en carrièreperspectieven. In andere gevallen kan blijken dat het doorvoeren van in zichzelf onbepaalde of zelfs positieve handelingen, die in de artikelen van als geheel onrechtvaardige wetgevingen zijn voorzien, de bescherming van een bedreigd mensenleven toelaat. Van de andere kant mag men daarentegen met recht vrezen dat de bereidheid om dergelijke handelingen uit te voeren, niet slechts tot een steen des aanstoots wordt en de nodige weerstand tegen aanvallen op het leven verzwakt, maar geleidelijk zal leiden tot verdere capitulatie voor een houding die alles toelaat.  

Om licht te werpen op deze moeilijke morele kwestie moet herinnerd worden aan de algemene principes t.a.v. de medewerking aan slechte handelingen. Zoals alle mensen van goede wil worden de christenen aangespoord om onder ernstige verplichting van hun geweten, niet aan die praktijken formeel mee te werken, die, hoewel door de wetgeving van de staat toegelaten, tegengesteld zijn aan de Wet van God. Want vanuit moreel gezichtspunt is het nooit geoorloofd formeel aan het kwaad mee te werken. Zo”n medewerking vindt plaats wanneer de uitgevoerde handeling ofwel op grond van haar aard, ofwel vanwege de vorm die zij in een concreet kader aanneemt, gekarakteriseerd moet worden als directe deelname aan een tegen het onschuldige mensenleven gerichte daad of als instemming met de immorele bedoeling van de hoofddader. Deze medewerking kan nooit worden gebillijkt, noch door een beroep op het respect voor de vrijheid van de ander, noch door te steunen op het feit dat de burgerlijke wet deze medewerking voorziet en bevordert: want voor de handelingen die ieder persoonlijk uitvoert, bestaat een morele verantwoordelijkheid waaraan zich niemand kan onttrekken en volgens welke God zelf eenieder zal oordelen (vgl. Rom 2,6; 14,12).  

Weigeren om aan het begaan van een onrecht mee te doen is niet alleen een morele plicht maar ook een menselijk grondrecht. Als dat niet zo zou zijn, zou de mens gedwongen zijn een handeling uit te voeren die met zijn waardigheid op zich onverenigbaar was: op die manier zou zijn vrijheid, waarvan de authentieke betekenis en het doel berusten op haar oriëntatie op het ware en het goede, radicaal bedreigd worden. Het gaat dus om een wezenlijk recht dat juist als zodanig door de burgerlijke wet zelf moet worden voorzien en beschermd. In deze zin zou voor de artsen, het verplegend personeel en de directeuren van ziekenhuizen, klinieken en verzorgingshuizen, de mogelijkheid gegarandeerd moeten zijn om de deelname aan de fase van overleg, voorbereiding en uitvoering van zulke handelingen tegen het leven, te weigeren. Wie grijpt naar het middel van het gewetensbezwaar moet niet alleen beschermd zijn tegen strafmaatregelen, maar ook tegen elk soort schade op wettelijk, disciplinair, economisch en professioneel vlak.

 

 “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Lc 10,27): “bevorder”het leven.

75. De geboden van God leren ons de weg van het leven. De negatieve zedelijke voorschriften, dus die welke de keuze van een bepaalde handeling moreel onaanvaardbaar verklaren, hebben een absolute waarde voor de menselijke vrijheid: ze gelden zonder uitzondering altijd en overal. Ze wijzen erop, dat de keuze van een bepaalde gedragswijze met de liefde tot God en met de waarde van de naar zijn beeld geschapen mens radicaal onverenigbaar is: zo”n keuze kan daarom geenszins door de achterliggende goede bedoeling en de eventuele goede gevolgen afgekocht worden, ze is in onverzoenlijke tegenstelling met de gemeenschap onder de mensen, ze is in tegenspraak met de fundamentele beslissing om zijn leven op God te oriënteren 99.

Reeds in deze zin hebben de negatieve morele voorschriften een uiterst belangrijke positieve functie: het “neen”dat zij onvoorwaardelijk eisen, noemt de absolute grens, waaronder de vrije mens niet kan dalen, en tegelijkertijd geeft het het minimum aan dat hij moet eerbiedigen en waarvan hij moet uitgaan om ontelbare malen “ja”te zeggen, een “ja”dat in staat is steeds meer de totale horizon van het goede waar te nemen (vgl. Mt 5,48). De geboden, in het bijzonder de negatieve morele voorschriften, vormen de aanvang en de eerste noodzakelijke etappe van de weg naar de vrijheid: “De eerste vrijheid - schrijft Sint Augustinus - bestaat in het vrij zijn van misdaden (...) zoals daar zijn moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, bedrog, godslastering, enzovoorts. Wanneer iemand met deze misdaden niets van doen heeft (en geen christen mag er iets mee van doen hebben) begint hij zijn hoofd op te heffen naar de vrijheid, maar dat is pas het begin van de vrijheid, niet de volkomen vrijheid”100.  

76. Het gebod “gij zult niet doden”bepaalt dus het uitgangspunt voor een weg in ware vrijheid, die ons ertoe brengt het leven actief te bevorderen en bepaalde houdingen en gedragspatronen in dienst van het leven te ontwikkelen: daardoor vervullen wij onze verantwoordelijkheid tegenover de mensen die zich aan ons toevertrouwd hebben en brengen in onze daden en in de waarheid aan God onze dankbaarheid voor het grote geschenk van het leven tot uitdrukking (vgl. Ps 139, 13-14).  

De Schepper heeft het leven van de mens aan zijn verantwoordelijke zorg toevertrouwd, niet om er willekeurig over te beschikken, maar opdat hij het met wijsheid bewaart en in liefdevolle trouw verzorgt. De God van het Verbond heeft overeenkomstig de wet van de wederkerigheid van geven en ontvangen, van zelfgave en opname van de ander, het leven van iedere mens aan de andere mens, zijn broeder, toevertrouwd. Toen de tijd vervuld was, heeft de Zoon van God, door mens te worden en zijn leven voor de mens te geven, laten zien welke hoogte en diepte deze wet van de wederkerigheid kan bereiken. Door de gave van zijn Geest verleent Christus aan de wet van de wederkerigheid, aan het toevertrouwen van de ene mens aan de andere, nieuwe inhoud en betekenis. De Geest, die Bouwmeester van gemeenschap in liefde is, brengt onder de mensen een nieuwe broederlijkheid en solidariteit, een echte afstraling van het geheim dat de allerheiligste Drieëenheid eigen is, het geheim van wederzijds wegschenken en ontvangen. De Geest zelf wordt tot nieuwe wet, die de gelovigen kracht geeft en die hun verantwoordelijkheidsbesef aanspoort om door deelname aan de liefde van Jezus Christus zelf en volgens haar maat, wederzijds de zelfgave en het ontvangen van de ander te beleven.  

77. Door deze nieuwe wet wordt ook het gebod “gij zult niet doden”bezield en gevormd. Voor de christen houdt het tenslotte ook het absolute gebod in, om overeenkomstig de eisen en dimensies van Gods liefde in Jezus Christus het leven van iedere broeder te respecteren, te beminnen en te bevorderen. “Hij heeft zijn leven voor ons gegeven; zo moeten ook wij voor onze broeders het leven geven”(1Joh 3,16).  

Het gebod “gij zult niet doden”, verplicht iedere mens ook in zijn meest positieve aspecten van respect, liefde en bevordering van het menselijk leven. Het klinkt inderdaad als een niet te onderdrukken echo van het oorspronkelijke Verbond van God de Schepper met de mens in het morele bewustzijn van iedere mens; het kan door allen in het licht van het verstand herkend en dankzij het mysterieuze werken van de Geest, waargenomen worden, die, omdat Hij waait waar Hij wil (vgl. Joh 3,8), iedere mens die in deze wereld leeft, bereikt en erbij betrekt.

Het is dus een liefdesdienst die wij verplicht aan onze naaste bieden, opdat zijn leven altijd, maar vooral wanneer het het zwakste is of bedreigd wordt, beschermd en gekoesterd wordt. Het is niet slechts persoonlijke, maar sociale zorg die wij allen moeten bieden, doordat wij wij onvoorwaardelijke eerbied voor het menselijk leven koesteren ter fundering van een vernieuwde maatschappij.

Er wordt ons gevraagd om het leven van iedere man en iedere vrouw te beminnen en te eren en standvastig en moedig eraan te werken, dat in onze tijd, die al te veel tekenen van de dood laat zien, eindelijk een nieuwe cultuur van het leven, als vrucht van de cultuur van de waarheid en van de liefde, mag ontstaan.

 

Hoofdstuk IV

Dat hebt ge mij gedaan

Voor een nieuwe cultuur van het menselijk leven

 

 “U bent echter een volk dat het bijzondere eigendom van God werd, opdat het zijn grote daden verkondigt”(1Pt 2,9): het volk van het leven en voor het leven

78. De Kerk heeft het Evangelie ontvangen als aankondiging en bron van vreugde en heil. Ze heeft het ontvangen als een geschenk van Jezus die door de Vader werd gezonden “om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen”(Lc 4,18). Ze heeft het door de Apostelen ontvangen, die door Hem uitgezonden werden in de hele wereld (vgl. Mc 16,15; Mt 28,19-20). De Kerk, die ontstond uit deze evangeliserende activiteit hoort in zichzelf iedere dag het waarschuwende woord van de Apostel: “Wee mij, wanneer ik het Evangelie niet verkondig”(1Kor 9,16). “Evangeliseren - schreef Paulus VI - is, inderdaad, de genade en de eigenlijke roeping van de Kerk, haar diepste identiteit. Zij bestaat om te evangeliseren”101.

Evangelisatie is een wereldwijde en dynamische actie, waardoor de Kerk deelneemt aan de profetische, priesterlijke en koninklijke zending van de Heer Jezus. Daarom is zij onscheidbaar verbonden met de dimensies van verkondiging, viering en dienst van naastenliefde. Het is een ten diepste kerkelijk handelen, dat allen aantrekt die op de verschillendste manieren voor het Evangelie werkzaam zijn, ieder naar zijn talenten en zijn ambt. 

Dat geldt ook voor de verkondiging van het Evangelie van het leven, een wezenlijk bestanddeel van het Evangelie dat Jezus Christus is. Wij staan in dienst van dit Evangelie, gedragen door het besef dat wij het als een gave ontvangen hebben en uitgestuurd zijn om het aan de hele mensheid “tot aan de grenzen van de aarde”(Hnd 1,8) te verkondigen. Nederig en dankbaar beseffen wij dat wij het volk van het leven en voor het leven zijn en zo presenteren wij ons aan iedereen.  

79. Wij zijn het volk van het leven omdat God ons, in zijn onvoorwaardelijke liefde, het Evangelie van het leven geschonken heeft, en wij door dit Evangelie veranderd en gered zijn. Wij zijn door de “Leidsman ten leven”(Hnd 3,15) vrijgekocht voor de prijs van zijn kostbaar bloed (vgl. 1Kor 6,20; 7,23; 1Pe 1,19) en door de doop deel van Hem geworden (vgl. Rom 6,4-5; Kol 2,12), zoals takken die uit de ene stam levenssap en vruchtbaarheid halen (vgl. Joh 15,5). Innerlijk vernieuwd door de genade van de Geest, “die Heer is en het leven geeft”, zijn wij geworden tot een volk voor het leven en worden wij uitgenodigd om ons ook zo te gedragen.  

Wij worden gezonden: in dienst van het leven te staan is voor ons geen grootspraak maar een plicht die onstaat uit het besef “een volk”te zijn “dat het bijzondere eigendom van God werd, opdat het zijn grote daden verkondigt”(1Pe 2,9). Op onze weg leidt ons en draagt ons de wet van de liefde: het is de liefde welker bron en voorbeeld de mensgeworden Zoon van God is, die “door zijn dood aan de wereld het leven heeft geschonken”102.  

Wij worden als volk gezonden. De plicht van dienst aan het leven rust op allen en op ieder afzonderlijk. Het gaat om een echt “kerkelijke”verantwoordelijkheid die vraagt om het op elkaar afgestemde, grootmoedige handelen van alle leden en alle groeperingen van de christelijke gemeenschap. De gemeenschappelijke opgave heft echter de verantwoordelijkheid van iedere mens niet op, en maakt die ook niet minder. Aan hem is het gebod van de Heer gericht om voor iedere mens “tot naaste te worden”: “Ga en doe evenzo!”(Lc 10,37).  

Wij voelen allen samen de plicht om het Evangelie van het leven te verkondingen, het in de liturgie en in ons hele bestaan te vieren, het te dienen met verschillende initiatieven en structuren die ten doel hebben het te steunen en te bevorderen.

 

 “Wat wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook aan u”(1Joh 1,3): het Evangelie van het leven verkondigen

80. “Wat van het begin af bestond, wat wij gehoord hebben, wat wij met onze ogen gezien hebben, wat wij aanschouwd hebben en wat onze handen hebben aangeraakt, het Woord des levens(...) dat verkondigen wij ook u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt”(1Joh 1,1.3). Jezus is het enige Evangelie: wij hebben niets anders te zeggen en te getuigen.

De verkondiging van Jezus is de verkondiging van het leven. Want Hij is “het Woord des levens”(1Joh 1,1). In Hem “werd het leven zichtbaar gemaakt”(1Joh 1,2); ja, Hij is zelf “het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard werd”(ibid.). Dankzij de gave van de Geest werd dit leven aan de mens meegedeeld. Wanneer het op het leven in zijn volheid is gericht, op het “eeuwige leven”, dan krijgt ook het aardse leven zijn volle betekenis.  

Verlicht door dit Evangelie van het leven, voelen wij de behoefte om het te verkondigen en om er getuigenis van af te leggen in al zijn wonderlijke nieuwheid die het kenmerkt: aangezien het één is met Jezus zelf, die alles nieuw maakt 103 en het “oude”dat van de zonde komt en tot de dood leidt 104, verslaat, overstijgt dit Evangelie elke menselijke verwachting en openbaart het de verheven hoogte waartoe de waardigheid van de menselijke persoon verheven wordt door de genade. De heilige Gregorius van Nyssa verstaat dit aldus: “De mens is als wezen van geen belang; hij is stof, gras, ijdelheid. Maar zo gauw hij door de God van het heelal is aangenomen als kind, wordt hij deel van de familie van dat Wezen, waarvan de uitnemendheid en de grootheid niemand kan zien, horen of begrijpen. Welke woorden, gedachten of geestesvlucht kan de overvloed van deze genade prijzen? De mens overstijgt zijn natuur: van sterfelijk wordt hij onsterfelijk; van vergankelijk wordt hij onvergankelijk; van voorbijgaand wordt hij eeuwig; van menselijke wordt hij goddelijk”105.  

Dankbaarheid en vreugde om de onvergelijkelijke waardigheid van de mens spoort ons aan om deze boodschap te delen met iedereen: “Wat we hebben gezien en gehoord, verkondigen wij ook aan u, opdat ook u gemeenschap hebt met ons”(1Joh 1,3). We moeten het Evangelie van het leven naar het hart van iedere man en vrouw brengen en het doen binnendringen in elke hoek van de samenleving.

81. Het gaat erom allereerst het hart van dit Evangelie te verkondigen. Dat betekent de verkondiging van een levende en nabije God, die ons roept tot een diepe verbondendenheid met Hem en ons opent voor de zekere hoop op het eeuwige leven; het betekent de bevestiging van de onscheidbare samenhang die tussen de menselijke persoon, zijn leven en zijn lichamelijkheid bestaat; het betekent de presentatie van het menselijk leven als een leven van betrekking, als Godsgeschenk, als vrucht en teken van zijn liefde; het betekent de verkondiging van de buitengewone betrekking van Jezus met iedere mens, die het mogelijk maakt in ieder menselijk gezicht het gezicht van Christus te herkennen; het betekent de oproep van de “oprechte zelfgave”als opgave en plaats van de volledige verwerkelijking van de eigen vrijheid.  

Tegelijkertijd gaat het erom alle consequenties te laten zien die voortkomen uit dit Evangelie, en die men als volgt kan samenvatten: het menselijk leven, een waardevolle gave Gods, is heilig en onaantastbaar en daarom zijn speciaal abortus provocatus en euthanasie absoluut onaanvaardbaar; het leven van de mens mag niet alleen niet gedood worden, maar het moet met alle liefdevolle aandacht beschermd worden; het leven vindt zijn betekenis in de ontvangen en de geschonken liefde: in dit licht ontvangen de seksualiteit en de menselijke voortplanting hun volle waarheid; in deze liefde hebben ook het lijden en de dood een betekenis, en kunnen, ofschoon het geheim dat hen omgeeft, voortbestaat, tot heilsgebeurtenissen worden. Eerbied voor het leven vraagt dat de wetenschap en de technologie altijd ten dienste staan van de mens en zijn volledige ontwikkeling. De samenleving als geheel moet de waardigheid van iedere menselijke persoon eerbiedigen, verdedigen en bevorderen, op ieder moment en in iedere omstandigheid van het leven van een persoon.  

82. Om werkelijk een volk in dienst van het leven te zijn, moeten wij vanaf de eerste verkondiging van het Evangelie, en later, in de catechese en in de diverse vormen van verkondiging, in het persoonlijke gesprek en in ieder opvoedingswerk standvastig en moedig deze waarheden aanbieden. De opvoeders, leraren, catecheten en theologen hebben de plicht om de antropologische grondslagen naar voren te brengen waarop het respect voor ieder mensenleven berust. Terwijl wij het oorspronkelijk nieuwe van het Evangelie van het leven tot stralen brengen, zullen wij op deze manier allen kunnen helpen om ook in het licht van het verstand en van de ervaring te ontdekken dat de christelijke boodschap volledig openbaart wat de mens is en wat de betekenis is van het menselijk zijn en van zijn bestaan; wij zullen waardevolle ontmoetings- en gesprekspunten, ook met de niet-gelovigen vinden, daar wij toch allen gezamenlijk verplicht zijn om een nieuwe cultuur van het leven te laten ontstaan.  

Terwijl wij omgeven zijn met stemmen die elkaar ten diepste tegenspreken, en velen de gezonde leer over het leven van de mens verwerpen, merken wij dat het verzoek dat Paulus aan Timoteus richt, ook tot ons gericht is: “Verkondig het woord, dring aan, of men het horen wil of niet, wijs terecht, berisp, vermaan in onvermoeibare en geduldige onderrichting”(2Tim 4,2). Deze vermaning moet vooral krachtige weerklank vinden in het hart van hen die in de Kerk op verschillende manieren deel hebben aan haar zending als “lerares”van de waarheid. Zij moet vooral bij ons bisschoppen weerklank vinden: van ons wordt als eersten gevraagd om onvermoeibare verkondigers van het Evangelie van het leven te zijn. Aan ons is ook de opgave toevertrouwd om over de betrouwbare en getrouwe weergave van de in deze encycliek opnieuw uiteengezette leer te waken en de geschiktste maatregelen te treffen opdat de gelovigen beschermd worden tegen iedere leer die deze weerspreekt. Bijzondere aandacht moeten wij eraan schenken dat op de theologische faculteiten, in de priesterseminaries en in de verschillende katholieke instellingen, de kennis van de gezonde leer verbreid, verklaard en verdiept wordt 106. Moge de vermaning van Paulus door alle theologen, door de zielzorgers en door alle anderen gehoord worden, die taken hebben in de verkondiging, de catechese en de gewetensvorming: mogen zij in het besef van de hun toebedeelde rol nooit de zwaarwegende verantwoordelijkheid op zich nemen, dat zij de waarheid en hun eigen opdracht verraden doordat ze persoonlijke ideeën uitdragen die in tegenspraak zijn met het Evangelie van het leven zoals het Leergezag dat getrouw voorhoudt en uitlegt.  

Bij de verkondiging van dit Evangelie, mogen wij niet bang zijn voor vijandigheid en impopulariteit, wanneer wij ieder compromis en iedere tweeduidigheid afwijzen die ons gelijk zou maken aan de denkwijze van deze wereld (vgl. Rom 12,2). Wij moeten in de wereld maar niet van de wereld zijn (vgl. Joh 15,19; 17,16), met de kracht die tot ons komt van Christus, die door zijn dood en verrijzenis de wereld overwonnen heeft (vgl. Joh 16,33).

 

 “Ik prijs u, dat u mij zo wonderbaar gevormd hebt”(Ps 139,14): het Evangelie van het leven vieren

83. Omdat wij als “volk voor het leven”in de wereld gezonden zijn, moet onze verkondiging ook tot een echte viering van het Evangelie van het leven worden. Deze viering moet door de suggestieve kracht van haar gebaren, symbolen en riten tot een waardevolle en betekenisvolle plaats voor het doorgeven van de schoonheid en de grootsheid van dit Evangelie worden.

Daartoe is het vóór alles dringend noodzakelijk in onszelf en in de anderen een beschouwende visie te bevorderen 107. Deze ontstaat uit het geloof in de God van het leven, die ieder individu heeft geschapen als een wonder (vgl. Ps 139,14). Het is de visie van hem die het leven in zijn diepte ziet, doordat hij er de dimensies van belangeloosheid, schoonheid, uitdaging tot vrijheid en verantwoordelijkheid van begrijpt. Het is de visie van hem, die zich niet aanmatigt om beslag te leggen op de werkelijkheid, maar die haar aanneemt als een geschenk en daarbij in ieder ding de afstraling van de Schepper en in iedere mens zijn levend beeld ontdekt (vgl. Gn 1,27; Ps 8,6). Deze visie wijkt niet voor ontmoediging bij het zien van hen die zich in ziekte, in lijden of aan de rand van de samenleving en op de drempel van de dood bevinden; maar ze laat zich door al deze situaties uitdagen om te zoeken naar een betekenis en begint juist onder deze omstandigheden op het aanschijn van iedere mens een oproep tot ontmoeting, tot gesprek en tot solidariteit te ontdekken.

Het is tijd voor ieder van ons om deze visie over te nemen en met diep godsdienstig ontzag de mogelijkheid te herontdekken om iedere persoon te eerbiedigen en te eren, zoals Paulus VI ons uitnodigde te doen in een van zijn eerste kerstboodschappen 108. Bezield door deze beschouwende visie moet het nieuwe volk van de verlosten wel antwoorden met hymnen van vreugde, lof en dank voor de onschatbare gave van het leven, voor het mysterie van de roeping van iedere mens om in Christus deel te hebben aan het genadeleven en aan een bestaan van oneindige gemeenschap met God de Schepper en Vader.  

84. Het Evangelie van het leven vieren betekent de God van het leven vieren, de God die het leven geeft: “We moeten het eeuwige Leven vieren, waaruit ieder ander leven voortkomt. Hiervan ontvangt ieder wezen dat op een of andere manier deel heeft aan het leven, het leven, in verhouding met zijn mogelijkheden. Dit goddelijk Leven, dat boven ieder ander leven uitgaat, geeft en bewaart het leven. Ieder leven en iedere levensbeweging komen voort uit dit Leven dat alle leven en ieder levensbeginsel overstijgt. Hieraan danken de zielen hun onbederflijkheid en hierdoor leven alle dieren en planten, die slechts de zwakste echo van het leven ontvangen. Aan de mensen, wezens die gemaakt zijn van geest en stof, schenkt het Leven het leven. Als we het Leven dan verlaten moeten, dan verandert het ons vanwege zijn overvloedige liefde voor de mens en roept het ons naar zich terug. Niet alleen dat: het belooft ons, om ons, zielen en lichamen, in het volmaakte leven, in de onsterfelijkheid binnen te leiden. Het is te weinig wanneer men zegt dat dit Leven levend is. Het is het Levensbeginsel, de Oorzaak en enige Levensbron. Elk levend wezen moet het beschouwen en prijzen: het is het Leven dat in het leven overstroomt”109.  

Ook wij prijzen en zegenen, zoals de Psalmist, in ons dagelijks gebed, als enkelingen en als gemeenschap, God onze Vader, die ons vormde in de moederschoot en die ons zag en beminde toen we nog vormloos waren (vgl. Ps 139,13.15-16), en met overweldigende vreugde roepen wij uit: “Ik prijs U, dat U mij zo wonderbaar gevormd hebt; wonderlijk zijn uw werken, Gij kent mij door en door”(Ps 139,14). Inderdaad, “dit sterfelijke leven is ondanks zijn problemen, zijn donkere geheimen, zijn lijden en zijn onafwendbare broosheid een zeer schone zaak, een steeds oorspronkelijk en aangrijpend wonder, een gebeurtenis die het waard is met vreugde en lofprijzing bezongen te worden”110. Meer nog, de mens en zijn leven verschijnen ons niet alleen als een van de grootste wonderwerken van de schepping: God heeft aan de mens een bijna goddelijke waardigheid verleend (vgl. Ps 8,6-7). In ieder kind dat geboren wordt en in iedere mens die leeft of sterft, herkennen wij het beeld van de heerlijkheid van God: deze heerlijkheid vieren wij in iedere mens, het teken van de levende God, en icoon van Jezus Christus.  

Wij worden opgeroepen om onze verbazing en dankbaarheid over het als geschenk ontvangen leven uit te drukken en om het Evangelie van het leven niet alleen in het persoonlijke en het gemeenschappelijke gebed, maar vooral in de vieringen van het liturgisch jaar aan te nemen, te genieten en mee te delen. Hier moet speciaal herinnerd worden aan de Sacramenten als werkzame tekens voor de aanwezigheid en de reddende werking van de Heer Jezus in het christelijk bestaan: ze maken de mensen tot deelhebbers aan het goddelijk leven, doordat zij hen verzekeren van de nodige geestelijke kracht, om het leven, het lijden en de dood te ervaren in hun volle betekenis. Dankzij een echte herontdekking en een betere waardering van de betekenis van deze riten zullen onze liturgische vieringen, vooral de vieringen van de sacramenten, steeds beter in staat zijn om de volle waarheid over geboorte, leven, lijden en dood tot uitdrukking te brengen en ons helpen om deze momenten te beleven als een deelname in het paasmysterie van de gekruisigde en verrezen Christus.  

85. Bij de viering van het Evangelie van het leven moeten wij ook de rijkdom van gebaren en symbolen waarderen en goed gebruiken, die aanwezig zijn in de tradities en gewoonten van verschillende culturen en volken. Er zijn speciale momenten en manieren waarop de volken van verschillende naties en culturen de vreugde over een pasgeboren leven uitdrukken, alsook respect voor en bescherming van individuele mensenlevens, zorg voor de lijdenden of behoeftigen, nabijheid met de ouderen en de stervenden, deelname aan het verdriet van hen die rouwen en hoop op en verlangen naar de onsterfelijkheid.

In dit perspectief neem ik ook de door de kardinalen in het consistorium van 1991 gedane suggestie over en stel ik voor dat men in de verschillende landen ieder jaar een Dag voor het Leven viert, zoals reeds op initiatief van enkele bisschoppenconferenties gebeurt. Deze Dag moet met de actieve deelname van alle leden van de plaatselijke Kerk voorbereid en gevierd worden. Het eigenlijke doel ervan is in de gewetens, in de gezinnen, in de Kerk en in de burgerlijke maatschappij erkenning te wekken voor de betekenis en waarde die het menselijk leven op ieder moment en onder iedere omstandigheid heeft; in het centrum van de aandacht moet daarbij vooral het zwaarwegende probleem van abortus en euthanasie gezet worden, zonder echter de andere momenten en aspecten van het leven over het hoofd te zien, die al naar de gelegenheid en de omstandigheden dat vragen, het van tijd tot tijd verdienen om aandachtig beschouwd te worden.  

86. Als een deel van de geestelijke cultus die God welgevallig is (vgl. Rom 12,1), moet het Evangelie van het leven bovenal gevierd worden in het dagelijks bestaan, dat gevuld moet zijn met zelfgave en liefde voor de ander. Op deze wijze zullen onze levens een echte en verantwoordelijke aanvaarding worden van de gave van het leven en een oprechte lied van lof en dank aan God die ons deze gave heeft geschonken. Dit gebeurt al in de vele verschillende gebaren van zelfgave, vaak nederig en verborgen, uitgevoerd door mannen en vrouwen, kinderen en volwassenen, jongeren en ouderen, gezonden en zieken.

In dit kader, dat rijk is aan menselijkheid en liefde, ontstaan ook de heldhaftige daden. Zij vormen de plechtigste verheerlijking van het Evangelie van het leven, want zij verkondigen het door de totale zelfgave; zij zijn de schitterende manifestatie van de hoogste graad van liefde, welke is: zijn leven te geven voor de beminde (vgl. Joh 15,13); zij zijn een deelname in het mysterie van het Kruis, waarop Jezus de waarde van iedere persoon openbaart en laat zien hoe het leven zijn volheid bereikt in de oprechte zelfgave. Naast deze opzienbarende daden is er de heldhaftigheid van alledag, die bestaat uit kleine en grote gebaren van delen, die een echte cultuur van het leven bevorderen. Onder deze gebaren verdient de in ethisch aanvaardbare vormen uitgevoerde orgaandonatie bijzondere waardering, om zieken die tot dan toe van iedere hoop beroofd zijn, de mogelijkheid van gezondheid of zelfs van het leven aan te bieden.  

Tot deze heldhaftigheid van alledag hoort het stille maar des te vruchtbaarder en welsprekender getuigenis van “alle moedige moeders, die zich zonder voorbehoud wijden aan hun gezin, die onder pijnen hun kinderen ter wereld brengen en dan bereid zijn alle moeite en ieder offer op zich te nemen om hun het beste door te geven wat zij in zich dragen”111. Wanneer zij hun zending beleven “vinden deze heldhaftige moeders daarbij in hun omgeving niet altijd ondersteuning. Ja, de voorbeelden van de beschaving, zoals zij dikwijls door de massamedia voorgesteld en verbreid worden, moedigen het moederschap niet aan. In naam van de vooruitgang en van het moderne leven, worden de waarden van trouw, kuisheid en offer tegenwoordig als achterhaald gepresenteerd, en toch hebben hele menigten christelijke echtgenotes en moeders zich in deze waarden onderscheiden en doen dat ook vandaag (...) Wij danken u, heldhaftige moeders, voor uw onoverwinnelijke liefde! Wij danken u voor uw onverschrokken vertrouwen op God en op zijn liefde. Wij danken u voor het offer van uw leven(...) In het Paasmysterie geeft Christus u het geschenk terug dat u Hem hebt gegeven. Want Hij heeft de macht u het leven terug te geven dat u Hem als offer hebt aangeboden”112.

 

 “Mijn broeders, wat voor nut heeft het, wanneer iemand zegt, dat hij het geloof heeft, maar de werken hem ontbreken?”(Jak 2,14): het Evangelie van het leven dienen

87. Krachtens onze deelname aan Christus”koninklijke zending moeten de ondersteuning en de bevordering van het menselijk leven verwerkelijkt worden door de dienst van de naastenliefde, die in het persoonlijke getuigenis, in de verschillende vormen van vrijwillige inzet, in het sociale handelen en in het politieke engagement tot uitdrukking komt. Dat is op dit moment een bijzonder dringende eis, omdat de “cultuur van de dood”zich met zoveel macht tegen de “cultuur van het leven”keert en vaak de overhand schijnt te hebben. Daarvoor ligt echter nog een uitdaging die voorkomt uit het “geloof dat in de liefde werkzaam is”(Gal 5,6), zoals ons de Jakobusbrief vermaant: “Mijn broeders, wat voor nut heeft het, wanneer iemand zegt, dat hij het geloof heeft, maar de werken hem ontbreken? Kan soms het geloof hem redden? Wanneer een broeder of een zuster zonder kleding is en zonder het dagelijkse brood en één van u tot hen zegt: “Gaat in vrede, warmt en verzadigt u!”, maar u geeft hen niet wat zij nodig hebben, wat voor nut heeft dat? Zo is ook het geloof op zichzelf, wanneer het geen werken kan laten zien, dood”(2,14-17).

Bij de dienst van de naastenliefde moet een houding ons bezielen en kenmerken: wij moeten voor de ander zorgen als voor een persoon voor wie God ons verantwoordelijk heeft gemaakt. Als leerlingen van Jezus worden wij geroepen ons tot naasten van iedere mens te maken (vgl. Lc 10,29-37), en daarbij een bijzondere voorkeur te hebben voor hen die het armste zijn, het meest alleen en het meest behoeftig. Doordat wij hem die honger heeft, dorst heeft, de vreemdeling, de naakte, de zieke, de gevangene - zoals ook het ongeboren kind, de oude mens in zijn lijden of onmiddellijk voor zijn dood - helpen, mogen wij Jezus dienen zoals Hij zelf gezegd heeft: “Wat ge voor een van mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hebt ge voor Mij gedaan”(Mt 25,40). Daarom moeten wij ons aangesproken voelen en beoordeeld door het altijd nog actuele woord van de heilige Johannes Chrysostomus: “Wil je eer bewijzen aan het lichaam van Christus? Ga er niet aan voorbij wanneer het naakt is. Eer het niet hier in de tempel met zijden stoffen, om het dan buiten, waar het lijdt onder koude en naaktheid, te negeren”113.  

Als het om het leven gaat, moet de dienst van de naastenliefde ten diepste eenstemmig zijn: ze kan geen eenzijdigheden en discriminatie dulden, want het menselijk leven is heilig en onaantastbaar in ieder stadium en in iedere situatie; het is een ondeelbaar goed. We moeten dus “zorg tonen”voor het hele leven en voor het leven van iedereen. Ja, het gaat nog dieper: we moeten tot de eigenlijke wortels van het leven en de liefde gaan.  

Het is de diepe liefde voor iedere man en vrouw die in de loop van de eeuwen een buitengewone geschiedenis van naastenliefde heeft ontwikkeld, een geschiedenis die in de Kerk en in de samenleving vele vormen van dienst aan het leven tot stand heeft gebracht, die de bewondering opwekken van alle onbevooroordeelde waarnemers. Elke christelijke gemeenschap met een hernieuwd besef van verantwoordelijkheid moet deze geschiedenis blijven schrijven door allerlei soorten pastorale en sociale activiteit. Met dit doel moeten voldoende, doelmatige vormen van begeleiding van het wordende leven in praktijk gebracht worden, waarbij het erom gaat die moeders in het bijzonder nabij te zijn, die ook zonder de ondersteuning door de vader niet aarzelen hun kind ter wereld te brengen en op te voeden. Soortgelijke zorg moet gegeven worden aan het leven van de gemarginaliseerden of de lijdenden, vooral in zijn laatste stadia.  

88. Dit alles vraagt om geduldig en moedig opvoedingswerk dat erop gericht is allen en ieder afzonderlijk aan te moedigen om elkaars lasten te dragen (Gal 6,2); het vereist een voortdurende bevordering van roepingen tot dienstwerk, in het bijzonder onder de jongeren; het vereist ook de verwezenlijking van concrete, lange-termijnprojecten en initiatieven, geïnspireerd door het Evangelie.

Veelvoudig zijn de middelen die met kundigheid en ernstige inzet ontwikkeld moeten worden. T.a.v. het eerste stadium van het leven moet men centra voor natuurlijke vruchtbaarheidsregeling bevorderen als een waardevolle hulp bij verantwoordelijk ouderschap, waarbij alle individuen en in de eerste plaats het kind, erkend en gerespecteerd worden in hun eigen recht en waar iedere beslissing geleid wordt door het ideaal van de oprechte zelfgave. Ook adviesbureaus voor huwelijk en gezin bieden door hun specifieke werk van begeleiding en preventie, uitgevoerd volgens een mensvisie die overeenkomt met de christelijke visie op de persoon, op het echtpaar en op de seksualiteit, ook waardevolle hulp bij het ontdekken van de betekenis van liefde en leven, en bij het ondersteunen en begeleiden van ieder gezin bij zijn zending als het “heiligdom van het leven”. Het pasgeboren leven wordt ook gediend door hulpcentra en tehuizen of centra waar het nieuwe leven opgenomen wordt. Dankzij het werk van zulke centra ontdekken veel ongehuwde moeders en echtparen in moeilijkheden nieuwe hoop en vinden zij hulp en steun bij het overwinnen van hun probleem en van de vrees om een pas ontvangen leven of een leven dat juist ter wereld is gekomen, te aanvaarden.  

M.b.t. het leven in een ellendige toestand, in een situatie van ontsporing, in ziekte en aan de rand van de maatschappij, zijn andere instrumenten - zoals de gemeenschappen om drugsverslaafden te behandelen, woongemeenschappen voor minderjarigen of geestelijk gehandicapten, zorg- en hulpcentra voor AIDS-patiënten, verenigingen voor solidariteit, in het bijzonder met de gehandicapten - welsprekende uitdrukking van wat de liefde kan bedenken om aan ieder nieuwe reden tot hoop en concrete levensmogelijkheden te geven.  

Wanneer dan het aardse bestaan ten einde neigt, is het opnieuw de naastenliefde die de meest gepaste middelen vindt om de ouderen, vooral hen die niet langer voor zichzelf kunnen zorgen, en de terminale zieken het mogelijk te maken echt menselijke hulp te genieten en een gepast antwoord te krijgen op hun noden, vooral hun angst en eenzaamheid. In deze gevallen is de rol van de familie onvervangbaar; toch kunnen families veel hulp vinden in bureaus van maatschappelijk werk en, indien nodig, door hun toevlucht te nemen tot palliatieve zorg, waarbij ze hun voordeel kunnen doen met geschikte medische en sociale dienstverlening, die in openbare instellingen of ook aan huis beschikbaar is.

Er moet opnieuw worden nagedacht over met name de rol van ziekenhuizen, klinieken en verpleeghuizen. Deze zouden niet louter instellingen moeten zijn waar zorg wordt gegeven voor de zieken of de stervenden, bovenal zouden het plaatsen moeten zijn waar lijden, pijn en dood worden herkend en begrepen in hun menselijke en specifiek christelijke betekenis. Dit moet vooral duidelijk en effectief zijn in instellingen die bemand worden door religieuzen of die op een of andere manier verbonden zijn met de Kerk.

89. Deze bureaus en centra van dienst aan het leven en alle andere initiatieven voor hulp en solidariteit die de omstandigheden van tijd tot tijd kunnen oproepen, moeten geleid worden door mensen die edelmoedig zijn in hun inzet en zich volledig bewust van het belang van het Evangelie van het leven voor het welzijn van enkelingen en samenleving.  

Een unieke verantwoordelijkheid draagt het personeel in de gezondheidszorg: artsen, apothekers, verplegers en verpleegsters, zielzorgers, religieuzen, bestuur en vrijwilligers. Hun beroep maakt hen tot hoeders en dienaars van het menselijk leven. In de huidige culturele en sociale context, waarin de wetenschap en de praktijk van de geneeskunde het risico lopen de hun eigen ethische dimensie te verliezen, kunnen zij soms sterk bekoord worden om tot initiatiefnemers van de manipulatie met het leven of tot voltrekkers van de dood te worden. In het licht van deze bekoring is hun verantwoordelijkheid tegenwoordig enorm toegenomen. Haar diepste inspiratie en haar sterkste steun liggen in de intrinsieke en niet te ontkennen ethische dimensie van het medisch beroep, iets dat al erkend werd door de oude en nog steeds belangrijke eed van Hippocrates die van iedere dokter verlangt dat hij of zij zichzelf verbindt tot absoluut respect voor het menselijk leven en zijn heiligheid.

Absoluut respect voor ieder onschuldig mensenleven vereist ook de beroep op gewetensbezwaar tegenover abortus provocatus en euthanasie. Het “doen sterven”kan nooit beschouwd worden als een vorm van medische behandeling, zelfs wanneer de bedoeling alleen is om te voldoen aan het verzoek van de patiënt: integendeel, het gaat volkomen in tegen het medische beroep, dat zich kenmerkt als een hartstochtelijk en hardnekkig “ja”tegen het leven. Ook biomedisch onderzoek, een terrein dat grote beloften voor de mensheid in zich draagt, moet altijd experimenten, onderzoek of toepassingen afwijzen die de onaantastbare waardigheid van het menselijk wezen over het hoofd zien en aldus niet langer ten dienste staan van de mensen en in plaats daarvan worden tot middelen die, onder het mom van hulp aan mensen, hen in feite schade berokkenen.  

90. Vrijwilligers moeten een bijzondere rol spelen: zij bieden een waardevolle bijdrage aan de dienst van het leven wanneer zij professionele kundigheid verbinden met edelmoedige, zelfloze liefde. Het Evangelie van het leven inspireert hen om hun gevoelens van goede wil tegenover anderen te verheffen tot de hoogte van Christus”liefde; om iedere dag temidden van hard werk en vermoeidheid het besef te hernieuwen van de waardigheid van iedere persoon; om de behoeften van de mensen na te gaan en daarbij, indien nodig, nieuwe wegen uit te zetten waar de noden groter zijn maar de zorg en de steun zwakker.

Wil naastenliefde realistisch zijn en doelmatig, dan eist zij dat het Evangelie van het leven ook gediend wordt door middel van bepaalde vormen van sociale activiteit en politiek engagement, als een manier om de waarde van het leven in onze steeds ingewikkelder en pluralistischer maatschappijen te verdedigen. Enkelingen, gezinnen, groepen en verenigingen hebben, zij het om verschillende redenen en op verschillende manieren, allemaal een verantwoordelijkheid voor het sociale handelen, voor het ontwikkelen van culturele, economische, politieke en wetgevende projecten, die, met respect voor allen en overeenkomstig de democratische beginselen, zullen bijdragen aan de opbouw van een samenleving waarin de waardigheid van iedere persoon herkend wordt en beschermd, en de levens van allen worden verdedigd en gekoesterd.  

Deze taak drukt met name op de verantwoordelijken voor het algemeen belang. Gekozen om het volk en het algemeen belang te dienen, hebben zij de plicht om moedige keuzes te maken om het leven te steunen, vooral door wetgevende maatregelen. In een democratisch systeem, waar wetten en beslissingen gemaakt worden op basis van de consensus van velen, kan het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid in de gewetens van individuen die bekleed zijn met gezag, verzwakt zijn. Maar niemand kan ooit deze verantwoordelijkheid afwijzen, vooral wanneer hij of zij een mandaat heeft om wetten te maken of beslissingen te nemen; zo”n mandaat roept die persoon ertoe op om tegenover God, tegenover zijn of haar eigen geweten en tegenover de hele samenleving zich te verantwoorden voor keuzen die misschien tegen het algemeen welzijn ingaan. Ofschoon wetten niet de enige middelen zijn om het menselijk leven te beschermen, spelen zij niettemin een zeer belangrijke en soms beslissende rol bij het beïnvloeden van denk- en gedragspatronen. Ik herhaal nog eens dat een wet die het natuurlijke recht op leven van een onschuldige persoon aantast, onrechtvaardig is en als zodanig niet de waarde van een wet kan hebben. Daarom doe ik nog eens een dringend appel aan alle politieke leiders om geen wetten aan te nemen die, doordat zij de waardigheid van de persoon negeren, de burgerlijke samenleving zelf in de wortel bedreigen.

De Kerk weet, dat het moeilijk is om een werkzame wettelijke verdediging van het leven in daden oom te zetten in pluralistische democratien, vanwege de aanwezigheid van sterke culturele stromingen met verschillende visies. Tegelijkertijd moedigt de Kerk, ervan overtuigd dat de zedelijke waarheid haar aanwezigheid diep moet doen voelen in ieder geweten, politieke leiders ertoe aan, te beginnen bij de christenen onder hen, om niet te wijken, maar om keuzes te maken die, rekening houdend met wat redelijkerwijs bereikbaar is, zullen leiden tot herstel van een rechtsorde ter verdediging en bevordering van de waarde van het leven. Hier moet opgemerkt worden dat het niet genoeg is om onrechtvaardige wetten af te schaffen. De onderliggende oorzaken van de aanvallen tegen het leven moeten uit de weg geruimd worden, vooral door de juiste hulp te verzekeren voor gezinnen en voor het moederschap: een gezinspolitiek moet de basis zijn van en de drijvende kracht achter alle sociale politiek. Het gaat er dus om, sociale en wetgevende initiatieven op gang te brengen, die in staat zijn bij de beslissing m.b.t. het ouderschap voorwaarden van echte vrijheid te garanderen; bovendien is het noodzakelijk om de arbeidspolitiek, de stadsuitbreidingspolitiek, de woningbouw en sociale politiek te reorganiseren, opdat de werktijden en het tijdschema van het gezin op elkaar afgestemd kunnen worden en de verzorging van de kinderen en van de oude mensen werkelijk mogelijk wordt.

91. Een belangrijk deel van de politiek voor het leven vormt tegenwoordig het thema van de bevolkingsgroei. De autoriteiten hebben zeker de verantwoordelijkheid om met initiatieven “richting te geven aan de demografische ontwikkeling van de bevolking”114. Maar zulke initiatieven moeten altijd de eerste en onvervreemdbare verantwoordelijkheid van echtparen en van het gezin vooropstellen en respecteren en mogen geen methoden gebruiken die de persoon en zijn grondrechten minachten, te beginnen met het recht op leven van ieder onschuldig menselijk wezen. Daarom is het moreel onaanvaardbaar om het gebruik van methoden aan te moedigen, laat staan op te leggen, als contraceptie, sterilisatie en abortus, om geboorten te regelen. De manieren om het bevolkingsvraagstuk op te lossen zijn heel anders. Regeringen en de verschillende internationale bureaus moeten er bovenal naar streven om economische, sociale, gezondheids- en culturele voorwaarden te scheppen die echtparen in staat stellen om eigen keuzen te maken t.a.v. de voortplanting, in volle vrijheid en met echte verantwoordelijkheid. Zij moeten er dan voor zorgen om “vermeerdering van de middelen”te verzekeren “en een eerlijker verdeling van de welvaart zodat iedereen gelijkelijk kan delen in de goederen van de schepping. Oplossingen moeten gezocht worden op wereldniveau door het vestigen van een economie van gemeenschap en deling van goederen, zowel op nationaal als op internationaal vlak”115. Dit is de enige manier om de waardigheid van personen en gezinnen te eerbiedigen, als ook het authentieke culturele erfgoed van de volken.

De dienst aan het Evangelie van het leven is aldus een geweldige en ingewikkelde taak. Ze schijnt ons steeds meer een waardevol en vruchtbaar terrein voor positieve samenwerking met onze broeders en zusters van andere Kerken en kerkelijke gemeenschappen, overeenkomstig de praktische oecumene die Vaticanum II gezagvol aanmoedigde 116.

Het schijnt ook een providentieel terrein voor dialoog en gezamenlijke inspanningen met de volgelingen van andere godsdiensten en met alle mensen van goede wil. De verdediging en de bevordering van het leven zijn niet het monopolie van iemand, maar taak en verantwoordelijkheid van iedereen. Aan de vooravond van het derde millennium ligt een moeilijke uitdaging voor ons: alleen eendrachtige samenwerking van allen die geloven in de waarde van het leven, zal een nederlaag van de beschaving van onvoorstelbare omvang kunnen vermijden.

 

 “Als olijvenloten zijn uw zonen rond uw tafel geschaard”(Ps 128,3): het gezin als het “heiligdom van het leven”

92. Binnen het “volk van het leven en voor het leven”heeft het gezin een beslissende verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid komt voort uit zijn eigen aard als een gemeenschap van leven en liefde, gebaseerd op het huwelijk, en uit zijn zending om “liefde te bewaken, te openbaren en mee te delen”117. Het gaat om de liefde van God zelf, waarvan de ouders de medewerkers zijn en als het ware de tolken wanneer zij het leven doorgeven en opvoeden volgen zijn vaderlijk plan118. Deze liefde wordt aldus zelfloosheid, ontvankelijkheid en gave. Binnen het gezin wordt ieder lid aanvaard, geëerbiedigd en geëerd juist omdat het een persoon is; en wanneer één van hen het nodig heeft, krijgt hij intensievere en aandachtiger zorg.

Het gezin heeft een speciale rol te vervullen in het leven van zijn leden, van de geboorte tot de dood. Het is waarachtig “het heiligdom van het leven: de plaats waar het leven - het geschenk van God - op gepaste wijze kan worden opgenomen en beschermd tegen de vele aanvallen waaraan het blootstaat, en zich kan ontwikkelen overeenkomstig de eisen van een echt menselijke groei”119. De rol van het gezin bij het vestigen van een cultuur van het leven is dan ook beslissend en onvervangbaar. Als huiskerk heeft het gezin de roeping om het Evangelie van het leven te verkondigen, te vieren en te dienen. Deze verantwoordelijkheid betreft allereerst de echtparen, met de roeping om de schenkers van het leven te zijn, op basis van een steeds groter besef van de betekenis van de voortplanting als een unieke gebeurtenis die duidelijk laat zien dat het menselijk leven een gave is, ontvangen om haar vervolgens door te geven als gave. Door een nieuw leven te doen ontstaan erkennen ouders dat het kind “als de vrucht van hun wederzijdse liefdesgave op zijn beurt een geschenk is aan hen beiden, een geschenk dat uit hen voortkomt”120.

Vooral in de opvoeding van de kinderen vervult het gezin zijn zending om het Evangelie van het leven te verkondigen. In woord en voorbeeld, in de dagelijkse contacten en keuzes, en door concrete acties en tekens, leiden de ouders hun kinderen naar authentieke vrijheid, verwezenlijkt in de oprechte zelfgave, en zij vormen in hen de eerbied voor anderen, rechtvaardigheidsgevoel, hartelijke openheid, dialoog, edelmoedige dienst, solidariteit en alle andere waarden die de mensen helpen om het leven te beleven als een gave. Bij de opvoeding van de kinderen moeten de ouders zorg hebben voor het geloof van hun kinderen en hen helpen om de roeping te vervullen die God hun heeft gegeven. De zending van de ouders als opvoeders houdt ook in: de kinderen leren en door voorbeeld laten zien wat de ware betekenis is van lijden en dood. Ze zullen hiertoe in staat zijn als ze gevoelig zijn voor alle soorten van lijden om hen heen en nog meer, wanneer ze zorgen voor een houding van nabijheid, hulpvaardigheid en bereidheid tot delen tegenover zieke of oudere familieleden.

93. Het gezin viert het Evangelie van het leven door dagelijks gebed, zowel persoonlijk als gezinsgebed. Het gezin bidt om God te verheerlijken en te danken voor de gave van het leven, en roept zijn licht en kracht in, om in tijden van moeiten en lijden stand te houden zonder de hoop te verliezen. Maar de viering die betekenis geeft aan iedere andere vorm van gebed en aanbidding ligt in het gezamenlijke dagelijkse gezinsleven, als het een leven is van liefde en zelfgave.

Deze viering wordt zo een dienst aan het Evangelie van het leven, uitgedrukt door solidariteit die men ervaart in en rond het gezin in de vorm van voorkómende, attente en liefdevolle zorg die men laat zien in de eenvoudige, gewone gebeurtenissen van elke dag. Een bijzonder sprekende uitdrukking van solidariteit tussen de gezinnen vormt de bereidheid om kinderen die door hun ouders verlaten zijn of die in bijzonder moeilijke omstandigheden verkeren, te adopteren of op te nemen. Echte ouderliefde is bereid verder te gaan dan de banden van vlees en bloed: door kinderen op te nemen van andere gezinnen en hun te bieden wat voor hun welzijn en volledige ontwikkeling nodig is. Onder de verschillende vormen van adoptie verdient adoptie-op-afstand aandacht, die de voorkeur heeft wanneer de enige reden om het kind af te staan de bittere armoede van de familie van het kind vormt. Door dit soort adoptie krijgen ouders de benodigde hulp om hun kinderen te steunen en op te voeden, zonder dat deze ontworteld raken van hun natuurlijke omgeving.

Als “een krachtige en volhardende beslissing om zich in te zetten voor het algemeen welzijn”121, moet ook solidariteit beoefend worden door deelname aan het maatschappelijke en politieke leven. Dienst aan het Evangelie van het leven betekent zo dat het gezin, vooral door zijn lidmaatschap van gezinsverenigingen, eraan meewerkt dat de wetten en instellingen van de staat op geen enkele wijze het recht op leven, van de ontvangenis tot de dood, aantasten, maar dat juist beschermen en bevorderen.

94. Speciale aandacht moeten de ouderen krijgen. Terwijl in sommige culturen oudere mensen deel van het gezin blijven, met een belangrijke en actieve rol, worden in andere de ouderen beschouwd als een nutteloze last en aan zichzelf overgelaten. Hier kan de bekoring om tot euthanasie zijn toevlucht te nemen, gemakkelijker ontstaan.

Het afschuiven of zelfs afwijzen van ouderen is onverdraaglijk. Hun aanwezigheid in het gezin, of tenminste de nabijheid van het gezin in gevallen waarin beperkte woonruimte of andere redenen dit onmogelijk maken, is van fundamenteel belang voor het scheppen van een klimaat van onderlinge uitwisseling en verrijkend contact tussen de verschillende leeftijdsgroepen. Daarom is het belangrijk om een soort “verdrag”tussen de generaties te bewaren of waar het verdwenen is, opnieuw te sluiten. Zo kunnen ouders in hun latere jaren van hun kinderen de aanvaarding en solidariteit krijgen die zij zelf aan hun kinderen gaven toen zij hen ter wereld brachten. Dit vraagt de gehoorzaamheid aan het goddelijke gebod om zijn vader en moeder te eren (vgl.Ex 20,12; Lv 19,3). Maar er is meer. De ouderen moeten niet alleen beschouwd worden als het voorwerp van onze zorg, nabijheid en dienst. Ze moeten zelf een waardevolle bijdrage leveren aan het Evangelie van het leven. Dankzij de rijke schat aan ervaringen die zij in de loop der jaren hebben verzameld, kunnen en moeten de ouderen bronnen van wijsheid zijn en getuigen van hoop en liefde.

Ofschoon het waar is dat “de toekomst van de mensheid over het gezin loopt”122, moet men toegeven dat de moderne sociale, economische en culturele omstandigheden de taak van het gezin: om het leven te dienen, moeilijker en veeleisender maken. Om zijn roeping als “heiligdom van het leven”te vervullen, als de cel van een samenleving die het leven bemint en opneemt, moet de familie dringend geholpen en gesteund worden. Gemeenschappen en staten moeten alle steun garanderen, inclusief economische steun, die gezinnen nodig hebben om hun problemen te overwinnen op een echt menselijke manier. Van haar kant moet de Kerk onvermoeibaar een gezinspastoraal bevorderen die in staat is om ieder gezin zijn zending t.o.v. het Evangelie van het leven met moed en vreugde te laten herontdekken en beleven.

 

 “Leeft als kinderen van het licht”(Ef 5,8): om een verandering van de cultuur te bewerken

95. “Leeft als kinderen van het licht (...) tracht te leren wat de Heer welgevallig is. Neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis”(Ef 5,8; 10-11). In onze huidige maatschappelijke context die gekenmerkt wordt door een dramatische strijd tussen de “cultuur van het leven”en de “cultuur van de dood”is er behoefte aan de ontwikkeling van een sterke kritische zin, in staat om echte waarden en authentieke noden te onderscheiden.

Er is dringend een algemene mobilisatie van de gewetens nodig en een gezamenlijke ethische inspanning om een grote campagne ter ondersteuning van het leven op te zetten. Wij moeten allemaal samen een nieuwe cultuur van het leven opbouwen: nieuw, omdat die in staat zal zijn om de tegenwoordige, volkomen nieuwe problemen betreffende het menselijk leven aan te pakken en op te lossen; nieuw, omdat ze zal worden aangenomen door alle christenen met diepere en krachtiger overtuiging; nieuw, omdat ze in staat zal zijn een serieuze en moedige dialoog op gang te brengen tussen alle partijen. En terwijl de dringende behoefte aan zo”n cultuuromslag verbonden is met de huidige historische situatie, wortelt zij ook in de zending van de Kerk tot evangelisatie. Het doel van het Evangelie is toch om “de mensheid van binnen om te vormen en haar nieuw te maken”123. Als het zuurdeeg dat heel het deeg doet gisten (vgl.Mt 13,33) moet het Evangelie alle culturen doordringen en van binnenuit leven geven 124, opdat zij de volle waarheid over de menselijke persoon en over het menselijk leven tot uitdrukking brengen.

We moeten beginnen met de vernieuwing van een cultuur van het leven binnen de christelijke gemeenschappen zelf. Te vaak gebeurt het dat gelovigen, zelfs zij die actief deelnemen aan het leven van de Kerk, tenslotte hun christelijk geloof scheiden van zijn ethische eisen t.a.v. het leven, en zo vervallen tot moreel subjectivisme en bepaalde onaanvaardbare gedragswijzen. Met grote openheid en moed dienen we de vraag te stellen hoe de cultuur van het leven tegenwoordig verspreid is onder de christenen, gezinnen, groepen en gemeenschappen in onze bisdommen. Met gelijke duidelijkheid en vastbeslotenheid moeten we de stappen onderscheiden die wij dienen te zetten om het leven in heel zijn waarheid te dienen. Tegelijkertijd moeten we een serieuze en grondige uitwisseling bevorderen over de basiskwesties van het menselijk leven, met iedereen, ook niet-gelovigen, in intellectuele kringen, in de verschillende beroepsmilieus en op het niveau van ieders dagelijks leven.

96. De eerste, fundamentele stap op weg naar deze cultuuromslag vormt de vorming van de gewetens m.b.t. de onvergelijkelijke en onaantastbare waarde van ieder mensenleven. Het is van het grootste belang om de essentiële verbinding tussen leven en vrijheid te herstellen. Dit zijn onscheidbare goederen: als het een geschonden wordt, zal het andere tenslotte ook geschonden worden. Er bestaat geen ware vrijheid waar het leven niet aanvaard en bemind wordt; en er bestaat geen volheid van leven tenzij in vrijheid. Beide werkelijkheden hebben bovendien een ingeschapen bijzondere betrekking, die ze onlosmakelijk verbindt: de roeping om te beminnen. Liefde is, als oprechte zelfgave 125, wat aan het leven en aan de vrijheid de eigenlijke betekenis geeft.

Niet minder beslissend is bij de gewetensvorming de herontdekking van de noodzakelijke band tussen vrijheid en waarheid. Zoals ik vaak naar voren heb gebracht, wordt het onmogelijk om de persoonlijke rechten te vestigen op een sterke rationele basis, wanneer de vrijheid wordt losgemaakt van de objectieve waarheid; dan worden de voorwaarden geschapen om de samenleving bloot te stellen aan de onbeteugelde willekeur van afzonderlijke personen of aan het onderdrukkende totalitarisme van het openbaar gezag 126.

Daarom is het van wezenlijk belang dat de mens de oorspronkelijke vanzelfsprekendheid van zijn staat van schepsel erkent, waaraan God het bestaan en het leven heeft geschonken als een gave en een opgave. Alleen door zijn ingeschapen afhankelijkheid te aanvaarden kan de mens zijn vrijheid ten volle beleven en gebruiken, en tegelijkertijd het leven en de vrijheid van iedere andere persoon eerbiedigen. Hier vooral ziet men dat “in het hart van iedere cultuur de houding staat, die de mens aanneemt tegenover het grootste mysterie: het mysterie van God”127. Waar God wordt ontkend en mensen leven alsof Hij niet bestond, of waar men geen rekening houdt met zijn geboden, worden de waardigheid van de menselijke persoon en de onaantastbaarheid van het menselijk leven tenslotte verworpen of in gevaar gebracht.

97. Nauw verbonden met de gewetensvorming is het opvoedingswerk, dat individuen helpt om steeds meer mens te zijn, hen steeds dieper in de waarheid leidt, in hen een toenemende eerbied voor het leven wekt en hen oefent in intermenselijke betrekkingen.

Er is vooral behoefte aan onderwijs in de waarde van het leven vanaf zijn oorsprong. Het is een illusie om te denken dat men een echte cultuur van het menselijk leven kan opbouwen zonder de jongeren te helpen om de seksualiteit, de liefde en het hele leven te begrijpen en te beminnen in hun ware betekenis en in hun nauwe onderlinge betrekking. De seksualiteit, die de hele persoon verrijkt, “toont haar diepste betekenis doordat zij de persoon brengt tot zelfgave in liefde”128. Het banaliseren van de seksualiteit is een van de belangrijkste factoren die geleid hebben tot een minachting van het nieuwe leven. Alleen een echte liefde kan het leven beschermen. Men kan er dus niet omheen om, speciaal aan de opgroeienden en jongvolwassenen een authentieke opvoeding te bieden in de seksualiteit en in de liefde, een opvoeding die oefening in kuisheid inhoudt als een deugd die de persoonlijke rijpheid bevordert en die iemand in staat stelt om de “echtelijke”betekenis van het lichaam te eerbiedigen.

Het opvoedingswerk ten dienste van het leven omvat ook de oefening van echtparen in verantwoordelijke voortplanting. In haar ware betekenis vraagt verantwoordelijke voortplanting van echtparen om gehoorzaam te zijn aan de oproep van de Heer en te handelen als gelovige vertolkers van zijn plan: dat gebeurt wanneer het gezin edelmoedig openstaat voor nieuwe levens en wanneer echtparen een houding bewaren van openheid voor en dienst aan het leven, zelfs als ze, om ernstige redenen en met respect voor de morele wet, ervoor kiezen om voorlopig of voor onbepaalde tijd een nieuwe geboorte te vermijden. De morele wet verplicht hen in ieder geval om de neigingen van het instinct en van de hartstocht te beheersen, en om de biologische wetten te respecteren die in hun persoon staan gegrift. Precies dit respect wettigt het gebruik van natuurlijke methoden van vruchtbaarheidsregeling, ten dienste van een verantwoorde voortplanting. Vanuit wetenschappelijk oogpunt worden deze methoden steeds nauwkeuriger en maken ze het in de praktijk mogelijk om te kiezen in overeenstemming met de morele waarden. Een eerlijke beschouwing van hun effectiviteit zou bepaalde vooroordelen moeten wegnemen die nog wijd en zijd bestaan, en zou echtparen, evenals gezondheids- en maatschappelijk werkers, moeten overtuigen van het belang van een goede vorming op dit gebied. De Kerk is dankbaar jegens hen die, met persoonlijke opoffering en vaak miskende toewijding, zichzelf wijden aan de studie en de verspreiding van deze methoden, alsook aan de bevordering van een opvoeding in de morele waarden die zij veronderstellen.

Het opvoedingswerk moet ook het lijden en de dood in overweging nemen. Deze vormen een deel van het menselijk bestaan en het is vruchteloos, om niet te zeggen misleidend, om te trachten ze te verbergen of te verdringen. Integendeel: men moet de mensen helpen om hun diepe geheim te begrijpen in zijn concrete, harde werkelijkheid. Zelfs pijn en lijden hebben betekenis en waarde wanneer men ze ervaart in nauwe verbinding met ontvangen en gegeven liefde. In dat perspectief heb ik besloten tot de jaarlijkse viering van de Werelddag van de Zieken, waarbij ik “de heilswaarde van de opoffering van het lijden”heb benadrukt “die, indien ze beleefd wordt in gemeenschap net Christus, hoort tot de eigenlijke essentie van de Verrijzenis”129. De dood zelf is allesbehalve een gebeurtenis zonder hoop. Het is de deur die wijd openstaat naar de eeuwigheid en, voor hen die leven in Christus, een ervaring van deelname aan zijn Dood en Verrijzenis.

98. Samenvattend kunnen we zeggen dat de cultuuromslag waartoe wij oproepen van iedereen de moed vraagt om een nieuwe levensstijl aan te nemen, die bestaat in het maken van praktische keuzes - op persoonlijk, gezins-, maatschappelijk en internationaal vlak - op basis van een juiste waardenschaal: de voorrang van het zijn boven het hebben 130, van de persoon boven de dingen 131. Deze vernieuwde levensstijl houdt ook in, dat wij veranderen van onverschilligheid naar zorg voor anderen, van afwijzing naar opname van hen. Andere mensen zijn geen concurrenten waartegen we ons moeten verdedigen, maar broeders en zusters die we moeten steunen. Zij moeten bemind worden om zichzelf, en zij verrijken ons door hun aanwezigheid.

In deze mobilisatie voor een nieuwe cultuur van het leven mag niemand zich uitgesloten voelen: iedereen heeft een belangrijke rol te spelen. Leraren en opvoeders hebben, samen met het gezin, een bijzonder waardevolle bijdrage te leveren. Veel zal van hen afhangen, willen jonge mensen, geoefend in ware vrijheid, in staat zijn om authentieke idealen voor zichzelf te koesteren en aan anderen bekend te maken, en willen zij groeien in eerbied voor en dienst aan iedere andere persoon, in het gezin en in de samenleving.

Intellectuelen kunnen ook veel doen om een nieuwe cultuur van het menselijk leven op te bouwen. Een speciale taak hebben de katholieke intellectuelen, geroepen om actief aanwezig te zijn in de toonaangevende centra waar de cultuur gevormd wordt, in scholen en universiteiten, in kringen van wetenschappelijk en technologisch onderzoek, van artistieke creativiteit en van menswetenschappelijke studie. Zij moeten hun talenten en activiteit laten voeden door de levende kracht van het Evangelie en zichzelf in dienst stellen van een nieuwe cultuur van het leven door ernstige en goed gedocumenteerde bijdragen te leveren, die door hun waarde het respect en de belangstelling van allen afdwingen. Juist voor dit doel heb ik de Pauselijke Academie voor het Leven opgericht met de opdracht “te studeren, te doceren en te vormen inzake de belangrijkste problemen van bio-medische en juridische aard m.b.t. de bevordering van het leven, vooral in de rechtstreekse relatie die ze hebben met de christelijke moraal en de bepalingen van het kerkelijk Leergezag”132.

Een specifieke bijdrage zal ook moeten komen van de universiteiten, vooral van katholieke universiteiten en van centra, instellingen en comités voor bio-ethiek. Groot en zwaar is de verantwoordelijkheid van hen die in de massamedia werkzaam zijn, die uitgenodigd worden om zich ervoor in te zetten, dat de boodschappen die zij zo effectief doorgeven, de cultuur van het leven zullen steunen. Zij moeten dus verheven en edele modellen van leven voorstellen en plaats inruimen voor voorbeelden van de positieve en soms heldhaftige liefde van mensen voor anderen. Met groot respect zouden zij ook de positieve waarden van de seksualiteit en de menselijke liefde moeten laten zien, en niet stilstaan bij wat de menselijke waardigheid misvormt om verlaagt. Bij hun interpretatie van de werkelijkheid moeten zij niets willen benadrukken dat gevoelens of houdingen van onverschilligheid, verachting of afwijzing van het leven oproept of doet toenemen. Zij worden uitgenodigd om in gewetensvolle trouw aan de feitelijke waarheid de vrijheid van informatie te verbinden met respect voor iedere persoon en een diepe zin voor menselijkheid.  

99. Bij het omvormen van de cultuur ten gunste van het leven nemen vrouwen, in denken en handelen, een unieke en beslissende plaats in. Zij zijn het, die een “nieuw feminisme”moeten bevorderen, dat, zonder te bezwijken voor de bekoring om “mannelijkheids”-modellen te imiteren, door de inzet om elke vorm van discriminatie, geweld en uitbuiting te overwinnen, het echte vrouwelijke genie in alle uitingen van het maatschappelijk leven weet te herkennen en tot uitdrukking te brengen.

Ik herneem de woorden van de slotboodschap van Vaticanum II en richt tot de vrouwen deze dringende oproep: “Verzoen de mensen met het leven”133. U bent geroepen om te getuigen van de betekenis van echte liefde, van die zelfgave en van dat opnemen van anderen die op bijzondere wijze aanwezig zijn in de echtelijke relatie, maar die ook in het middelpunt van elke andere intermenselijke betrekking zouden moeten staan. De ervaring van het moederschap maakt u ten sterkste bewust van de andere persoon en legt tegelijkertijd een bijzondere taak op u: “Het moederschap betekent een speciale gemeenschap met het geheim van het leven, zoals het zich ontwikkelt in de schoot van de vrouw (...) Dit unieke contact met het nieuwe menselijk wezen dat zich in haar ontwikkelt, schept zijnerzijds een zodanig houding t.o.v. de mens, niet alleen haar eigen kind, maar iedere mens, dat daardoor de hele persoonlijkheid van de vrouw diep getekend wordt”134. Een moeder ontvangt en draagt in zich een ander menselijk wezen, stelt het in staat om in haar te groeien, geeft het ruimte, eerbiedigt het in zijn anderszijn. Vrouwen leren eerst zelf en leren dan aan anderen dat menselijke relaties echt zijn als zij open staan voor het opnemen van de andere persoon: een persoon die erkend en bemind wordt vanwege de waardigheid die voorkomt uit het feit dat hij een persoon is en niet uit andere overwegingen, zoals nut, kracht, intelligentie, schoonheid of gezondheid. Dat is de fundamentele bijdrage die de Kerk en de mensheid van vrouwen verwachten. En het is de onmisbare voorwaarde voor een echte cultuuromslag.  

Ik zou nu een speciale gedachte willen voorhouden aan vrouwen die een abortus hebben ondergaan. De Kerk is zich bewust van de vele factoren die uw beslissing mogelijk hebben beïnvloed, en ze twijfelt er niet aan dat het in veel gevallen een smartelijke, misschien zelfs dramatische beslissing was. De wond in uw hart is waarschijnlijk nog niet geheeld. Zeker was en blijft wat gebeurd is ten diepste verkeerd. Laat u echter niet door moedeloosheid meevoeren en verlies uw hoop niet. Tracht liever te begrijpen wat er gebeurd is en zie het eerlijk onder ogen. Als u dat nog niet gedaan hebt, stel u dan nederig en vertrouwvol open voor berouw. De Vader van barmhartigheid wacht op u, om u in het sacrament van de verzoening zijn vergeving en vrede aan te bieden. U zult merken dat er niets verloren is, en u zult ook uw kind om vergeving kunnen vragen, dat nu in de Heer leeft. Met de vriendelijke en deskundige hulp en raad van andere mensen zult u, met uw doorleefde getuigenis, tot de meest welsprekende verdedigers van ieders recht op het leven kunnen horen. Door uw inzet voor het leven, hetzij door het aanvaarden van de geboorte van andere kinderen, hetzij door de opname van en de aandacht voor kinderen die het meest behoefte hebben aan nabijheid, zult u scheppers zijn van een nieuwe kijk op het menselijk leven.  

100. Bij deze grote inspanning voor een nieuwe cultuur van het leven worden wij geïnspireerd en gesteund door het vertrouwen van hen die weten dat het Evangelie van het leven, als het Rijk Gods zelf, groeit en overvloedige vrucht voortbrengt (vgl.Mc 4,26-29). Zeker is er een enorme wanverhouding tussen de talrijke machtige middelen, waarmee de krachten zijn toegerust die de “cultuur van de dood”bevorderen en de middelen die ter beschikking staan van hen die werken voor een “cultuur van leven en liefde”. Maar we weten dat we ons kunnen verlaten op de hulp van God, voor wie niets onmogelijk is (vgl.Mt 19,26).  

Met die zekerheid in het hart en bewogen door een diepe bekommernis met het lot van iedere man en vrouw, herhaal ik vandaag voor allen wat ik gezegd heb tegen de gezinnen die hun uitdagende zending uitvoeren temidden van zoveel moeilijkheden 135: een groot gebed voor het leven is dringend nodig, een gebed dat de wereld zal doordringen. Door speciale initiatieven en in het dagelijks gebed moge een hartstochtelijke bede opstijgen tot God, de Schepper en Minnaar van het leven, uit iedere christelijke gemeenschap, uit iedere groep en vereniging, uit ieder gezin en uit het hart van iedere gelovige. Jezus zelf heeft ons door zijn eigen voorbeeld laten zien dat gebed en vasten de eerste en doeltreffendste wapens zijn tegen de krachten van het kwaad (vgl.Mt 4,1-11) en heeft zijn leerlingen geleerd dat sommige demonen alleen zo kunnen worden uitgedreven (vgl.Mc 9,29). Laat ons daarom opnieuw de nederigheid en de moed vinden om te bidden en te vasten opdat de kracht die uit de Hoge komt de muren van leugen en bedrog zal doen instorten - de muren die het kwaad van levensvijandige praktijken en wetten verbergen voor het oog van zovelen van onze broeders en zusters - en hun harten opent voor de voorstellen en doelen die geïnspireerd worden door de beschaving van het leven en de liefde.

 

 “Wij schrijven dit opdat uw vreugde volkomen zal zijn”(1Joh 1,4): het Evangelie van het leven is voor de hele menselijke samenleving

101. “Wij schrijven dit opdat uw vreugde volkomen zal zijn”(1Joh 1,4). De openbaring van het Evangelie van het leven is ons gegeven als een goed dat gedeeld moet worden met alle mensen: opdat alle mensen met ons in gemeenschap zullen zijn en met de Drieëenheid (vgl.1Joh 1,3). Onze eigen vreugde zou niet volkomen zijn als we dit Evangelie niet deelden met anderen maar het slechts voor onszelf zouden houden.

Het Evangelie van het leven is niet alleen voor gelovigen: het is voor iedereen. De kwestie van het leven en van zijn verdediging en bevordering is niet voorbehouden aan christenen alleen. Ofschoon ze door het geloof een bijzonder licht en kracht ontvangt, komt ze op in elk menselijke geweten dat de waarheid zoekt en dat bezorgd is voor de toekomst van de mensheid. Het leven heeft zeker een heilige en godsdienstige waarde, maar die waarde betreft zeker niet alleen de gelovigen. Het gaat inderdaad om een waarde die iedere mens ook in het licht van het verstand kan begrijpen en die daarom noodzakelijkerwijze iedereen betreft.  

Ons handelen “als volk van het leven en voor het leven”moet daarom correct uitgelegd worden en met sympathie begroet. Wanneer de Kerk verklaart dat onvoorwaardelijke eerbied voor het recht op leven van iedere onschuldige persoon - van de conceptie tot de natuurlijk dood - één van de pilaren is waarop iedere burgerlijke samenleving rust, “wenst zij enkel een menselijke staat te bevorderen. Een staat die de verdediging van de fundamentele rechten van de menselijke persoon erkent, vooral van de zwakste, als zijn belangrijkste plicht”136.  

Het Evangelie van het leven is er voor de hele menselijke samenleving. Zich actief inzetten voor het leven betekent een bijdrage aan de vernieuwing van de samenleving door de bevordering van het algemeen welzijn. Het is onmogelijk om het algemeen welzijn te bevorderen zonder het recht op leven te erkennen en te verdedigen, waarop alle andere onvervreemdbare rechten van het individu stoelen, en waaruit zij zich ontwikkelen. Een samenleving kan geen solide basis hebben wanneer zij enerzijds waarden zoals de waardigheid van de persoon, recht en vrede onderschrijft, maar radicaal tegengesteld handelt door allerlei vormen van minachting en aantasting van het menselijk leven toe te laten of te dulden, vooral waar het zwak of gemarginaliseerd is. Alleen eerbied voor het leven kan de grondslag en de garantie vormen voor de kostbaarste en noodzakelijkste goederen van de samenleving, zoals democratie en vrede.  

Er kan geen echte democratie zijn zonder een erkenning van de waardigheid van iedere persoon en zonder eerbiediging van zijn rechten.

Ook kan er geen echte vrede zijn, tenzij het leven wordt verdedigd en bevorderd. Daaraan herinnerde Paulus VI: “Iedere misdaad tegen het leven is een aanval op de vrede, vooral wanneer daarbij de zeden van het volk worden gekwetst (...) Maar waar mensenrechten echt ernstig worden genomen en publiekelijk erkend en verdedigd, wordt vrede het blijde en werkzame leefklimaat in de maatschappij”137.  

Het “volk van het leven”verheugt zich erover, dat het zijn inzet kan delen met zoveel anderen. Moge zo het “volk voor het leven”voortdurend groeien in aantal en moge zich een nieuwe cultuur van liefde en solidariteit ontwikkelen voor het ware welzijn van de hele menselijke samenleving.

 

Slot

102. Aan het einde van deze encycliek kijken we onwillekeurig terug naar de Heer Jezus, het “Kind voor ons geboren”(vgl.Js 9,6), om in Hem “het leven”te overwegen “dat geopenbaard werd”(1Joh 1,2). In het geheim van die geboorte vindt de ontmoeting plaats tussen God en de mens en begint de aardse reis van de Zoon van God, een reis die zijn hoogtepunt vindt in de gave van zijn leven aan het kruis. Door zijn dood zal Christus de dood overwinnen en voor de hele mensheid de bron van nieuw leven worden.

Maria, de Moedermaagd, was het die het leven in naam van allen en tot heil van allen ontving. Zij staat dus in de nauwste persoonlijke verbinding met het Evangelie van het leven. Maria”s jawoord bij de Aankondiging en haar moederschap staan aan het eerste begin van het geheim van het leven dat Christus de mensheid kwam schenken (vgl.Joh 10,10). Door haar opneming van en liefdevolle zorg voor het leven van het Mensgeworden Woord is het menselijk leven onttrokken aan de veroordeling tot definitieve en eeuwige dood.  

Daarom is Maria, “als de Kerk waarvan zij model is, (...) de Moeder van allen die herboren zijn om te leven. Zij is in feite de moeder van het Leven waardoor iedereen leeft. En toen zij het leven baarde, bracht zij diegenen tot nieuw leven die bestemd waren om te leven door dat Leven”138.

Wanneer de Kerk Maria”s moederschap overweegt, ontdekt zij de betekenis van haar eigen moederschap en de wijze waarop zij geroepen is dat uit te drukken. Tegelijkertijd leidt de ervaring van de Kerk van het moederschap tot een dieper begrip van Maria”s ervaring als het onvergelijkelijke model van aanvaarding van en zorg voor het leven.

 

 “Een groot teken verscheen aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon”(Apk 12,1): het moederschap van Maria en van de Kerk

103. De wederzijdse betrekking tussen het mysterie van de Kerk en Maria blijkt duidelijk uit het “grote teken”dat beschreven staat in het boek van de Openbaring: “Een groot teken verscheen aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren”(12,1). In dit teken herkent de Kerk een beeld van haar eigen mysterie: aanwezig in de geschiedenis, weet zij, dat zij de geschiedenis overstijgt, inzoverre zij op aarde het “zaad en het begin”vormt van het Rijk Gods 139. De Kerk ziet dit mysterie volledig en voorbeeldig vervuld in Maria. Zij is de vrouw van heerlijkheid, in wie Gods plan uitgevoerd kon worden met de hoogste volmaaktheid.

De “vrouw, bekleed met de zon”- vertelt het Boek van de Openbaring ons - “was zwanger”(12,2). De Kerk beseft ten volle dat zij in zich de Redder van de wereld draagt, Christus de Heer. Zij beseft dat zij ertoe geroepen is Christus aan te bieden aan de wereld, en zo aan de mensen een nieuwe geboorte te geven in Gods eigen leven. Maar de Kerk kan niet vergeten dat haar zending mogelijk werd gemaakt door het moederschap van Maria, die Hem ontving en droeg, die is “God uit God”, “ware God uit de ware God”. Maria is waarlijk de Moeder van God, de Theotokos in wier moederschap de roeping tot het moederschap die God aan iedere vrouw geeft, wordt verheven tot haar hoogste niveau. Zo wordt Maria het model van de Kerk, geroepen om de “nieuwe Eva”te zijn, de moeder van de gelovigen, de moeder van de “levenden”(vgl. Gn 3,20).  

Het geestelijk moederschap van de Kerk wordt alleen maar bereikt - en de Kerk weet dit ook - onder pijnen en “barensweeën”(Op 12,2), d.w.z. in voortdurende spanning met de krachten van het kwaad, die nog steeds over de wereld trekken en de mensenharten treffen, en weerstand bieden aan Christus: “In Hem was leven en het leven was het licht van de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet aangenomen”(Joh 1,4-5).  

Net als de Kerk moest ook Maria haar moederschap beleven temidden van lijden: “Dit kind (...) zal een teken zijn, dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord”(Lc 2,34-35). De woorden die Simeon richt tot Maria, helemaal in het begin van het aardse leven van de Verlosser, vatten beeldend de afwijzing van Jezus en met Hem die van Maria samen, een afwijzing die haar hoogtepunt zal vinden op Calvarië. “Naast het kruis van Jezus”(Joh 19,25) wordt Maria deelgenote in de gave die de Zoon van zichzelf maakt: zij offert Jezus, geeft Hem over, en brengt Hem eens voor altijd ter wereld voor ons. Het “ja”, gesproken op de dag van de Aankondiging, bereikt zijn volle rijpheid op de dag van het Kruis, wanneer voor Maria de tijd komt dat zij, als haar kinderen, al diegenen die leerlingen worden ontvangt en ter wereld brengt, terwijl zij de reddende liefde van haar Zoon over hen uitstort: “Toen Jezus zijn moeder zag en de beminde leerling naast haar, zei Hij tot zijn moeder: “Vrouw, zie daar uw zoon””(Joh 19,26).

 

 “De draak stond voor de vrouw (...) om het kind te verslinden zodra het geboren was”(Apk 12,14): het leven bedreigd door de krachten van het kwaad

104. In het Boek van de Openbaring wordt het “grote teken”van de “vrouw”(12,1) vergezeld door “een ander teken dat aan de hemel verscheen”: “een grote, rode draak”(12,3), die Satan belichaamt, de persoonlijke macht van het kwaad, alsook alle machten van het kwaad die in de geschiedenis werken en de zending van de Kerk tegenwerken.

Ook hier werpt Maria licht op de Gemeenschap van Gelovigen. De vijandschap van de machten van het kwaad is in feite een heimelijke weerstand die voordat hij de leerlingen van Jezus treft, gericht wordt tegen zijn Moeder. Om het leven van haar Zoon te redden van hen die Hem vrezen als een gevaarlijke bedreiging, moet Maria met Jozef en het Kind naar Egypte vluchten (vgl. Mt 2,13-15).  

Zo helpt Maria de Kerk te beseffen dat het leven altijd in het middelpunt van een grote strijd is tussen goed en kwaad, tussen licht en duisternis. De draak wenst “het kind zodra het geboren is”(Apk 12,4) te verslinden, een afbeelding van Christus, die Maria ter wereld bracht “in de volheid van de tijd”(Gal 4,4) en die de Kerk onophoudelijk moet aanbieden aan de mensen in elk tijdperk. Maar in zekere zin is dat kind ook een beeld van iedere persoon, ieder kind, speciaal iedere hulpeloze baby, wiens leven bedreigd wordt, omdat - zoals het Concilie ons nog eens laat zien - “de Zoon van God door zijn menswording zich in zekere zin heeft verenigd met iedere persoon”140. Juist in het “vlees”van iedere persoon, openbaart Christus zichzelf voortdurend, en treedt Hij in gemeenschap met ons, zodat de afwijzing van het menselijk leven, in welke vorm dan ook, in feite een afwijzing van Christus is. Dit is de fascinerende en tegelijk veeleisende waarheid die Christus ons openbaart en die zijn Kerk onvermoeibaar blijft verkondigen: “Wie zulk een kind in mijn Naam opneemt, neemt Mij op”(Mt 18,5); “Voorwaar, Ik zeg u, wat u gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt u voor Mij gedaan”(Mt 25,40).

 

 “De dood zal niet meer zijn”(Apk 21,4): de schittering van de verrijzenis

105. De aankondiging van de engel aan Maria wordt omkleed met deze geruststellende woorden: “Vrees niet, Maria”en “Bij God is niets onmogelijk”(Lc 30.37). Het hele leven van de Moedermaagd wordt immers ingeweven in de zekerheid dat God haar nabij is en dat Hij haar met zijn welwillende zorg vergezelt. Hetzelfde gebeurt met de Kerk, die “een plaats”vindt, “bereid door God”(Apk 12,6) in de woestijn, de plaats van beproeving, maar ook van de openbaring van Gods liefde voor zijn volk (vgl. Hos 2,16). Maria is een levend woord van troost voor de Kerk in haar strijd tegen de dood. Doordat zij ons de Zoon laat zien, verzekert de Kerk ons dat in Hem de krachten van de dood reeds verslagen zijn: “Dood en leven streden een wonderbaarlijke strijd. De Aanvoerder van het leven, die stierf, heerst nu levend”141.

Het geslachte Lam is levend, draagt de sporen van zijn Lijden in de schittering van de Verrijzenis. Hij alleen beheerst alle gebeurtenissen van de geschiedenis: hij open haar “zegels”(vgl. Apk 5,1-10) en verkondigt (in de tijd en boven de tijd) de macht van het leven over de dood. In het “nieuwe Jeruzalem”, die nieuwe wereld waarheen de menselijke geschiedenis onderweg is, “zal de dood niet meer zijn, geen rouw, geen klacht, geen lijden, want wat vroeger was, is voorbij”(Apk 21,4).

En terwijl wij, het pelgrimerende volk, het volk van het leven en voor het leven, vol vertrouwen op weg zijn naar “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”(Apk 21,1), kijken wij naar Haar die voor ons “een teken van zeker hoop en troost”is 142.

O Maria,

dageraad van de nieuwe wereld,

Moeder van de levenden,

U vertrouwen wij de zaak van het leven toe:

o Moeder, zie neer op het grote aantal

kinderen die niet geboren mogen worden,

armen die het moeilijk hebben om te leven,

mannen en vrouwen die slachtoffer zijn van bruut geweld,

ouderen en zieken die gedood worden uit onverschilligheid

of uit zogenaamd medelijden.

Geef dat allen die geloven in uw Zoon

het Evangelie van het leven

verkondigen met oprechtheid en liefde

aan de mensen van onze tijd.

Verkrijg voor hen de genade dat Evangelie te aanvaarden

als een steeds nieuw geschenk,

de vreugde om het te vieren, dankbaar,

hun leven lang,

en de moed om er resoluut van te getuigen,

om samen met alle mensen van goede wil

de beschaving van de waarheid en de liefde op te bouwen,

tot lof en eer van God, de Schepper en Vriend van het leven.

Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, op 25 maart, het Hoogfeest van de Aankondiging van de Heer, in het jaar 1995, het zeventiende van mijn Pontificaat.

 

 

 

Johannes Paulus II




1 De uitdrukking “Evangelie van het leven”vindt men niet als zodanig in de Heilige Schrift. Maar ze strookt met een wezenlijke dimensie van de bijbelse boodschap.

2 Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et Spes, 22.

3 Vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), 10: AAS 71 (1979), 275.

4 Vgl. Ibid., 14: l.c., 285.

5 Pastorale constitutie over de Kerk in de modernde wereld Gaudium et Spes, 27.

6 Vgl. Brief aan al mijn Broeders in het bisschopsambt m.b.t. “Het Evangelie van het leven”(19 mei 1991): Insegnamenti XIV,1 (1991), 1293-1296.

7 Ibid., l.c., 1294.

8 Brief aan de gezinnen Gratissimam sane (2 februari 1994), 4: AAS 86 (1994), 871.

9 JOHANNES PAULUS II, encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 39: AAS 83 (1991), 842.

10 Nr. 2259.

11 Vgl. SINT AMBROSIUS, De Noe, 26, 94-96: CSEL 32, 480-481.

12 Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1867 en 2268.

13 De Cain et Abel, II, 10, 38: CSEL 32, 408.

14 Vgl. CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Instructie over het respect voor het menselijk leven bij zijn oorsprong en over de waardigheid van de voortplanting Donum vitae (22 februari 1987); AAS 80 (1988), 70-102.

15 Toespraak tijdens de Gebedswake voor de VIIIste Wereldjongerendag, Denver (14 augustus 1993), II, 3: AAS 86 (1994), 419.

16 JOHANNES PAULUS II, Toespraak tot de deelnemers aan de Studieconferentie over “Het recht op leven en Europa”(18 december 1987): Insegnamenti X, 3 (1987), 1446-1447.

17 Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 36.

18 Vgl. ibid., 16.

19 Vgl. SINT GREGORIUS DE GROTE, Moralia in Job, 13, 23: CCL 143A, 683.
20 JOHANNES PAULUS II, encycliek Redemptor hominis (4 maart 1979), 10: AAS 71 (1979), 274.

21 TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 50.

22 Dogmatische constitutie over de goddelijke Openbaring Dei Verbum, 4.

23 “Gloria Dei vivens homo”: Tegen de ketterijen, IV, 20, 7: SCh 100/2, 648-649.

24 TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 12.

25 Belijdenissen, I, 1: CCL 27, 1.

26 Exameron, VI, 75-76: CSEL 32, 260-261.

27 “Vita autem hominis visio Dei”: Tegen de ketterijen, IV, 20, 7: SCh 100/2, 648-649.

28 Vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 38: AAS 83 (1991), 840-841.

29 JOHANNES PAULUS II, encycliek Sollicitudo rei socialis (30 december 1987), 34: AAS 80 (1988), 560.

30 Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 50.

31 Brief aan de gezinnen Gratissimam sane (2 februari 1994), 9: AAS 86 (1994), 878; vgl. PIUS XII, encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42 (1950), 574.

32 “Animas enim a Deo immediate creari catholica fides nos retinere iubet”: PIUS XII, encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42 (1950), 575.

33 TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 50; vgl. JOHANNES PAULUS II, post-synodale apostolische exhortatie Familiaris consortio (22 november 1981), 28: AAS 74 (1982), 114.

34 Homelieën, II, 1; CCSG 3,39.

35 Zie bijvoorbeeld Psalm 22,10-11; 71,6; 139,13-14.

36 Expositio Evangelii secundum Lucam, II, 22-23: CCL 14, 40-41.

37 SINT IGNATIUS VAN ANTIOCHIË, Brief aan de Efesiërs, 7,2; Patres Apostolici, uitg. F.X. FUNK, II, 82.

38 De schepping van de mens, 4: PG 44,136.

39 Vgl. SINT JOHANNES DAMASCENUS, Het rechte geloof, II, 12: PG 94, 920.922, aangehaald in SINT THOMAS VAN AQUINO, Summa Theologiae, I-II, Prol.

40 PAULUS VI, encycliek Humanae vitae (25 juli 1968), 12: AAS 60 (1968), 489.

41 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Instructie over het respect voor het menselijk leven bij zijn oorsprong en over de waardigheid van de voortplanting Donum vitae (22 februari 1987), Inleiding, 5: AAS 80 (1988), 76-77; vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 2258.

42 Didachè, I, 1; II, 1-2; V, 1 en 3: Patres Apostolici, uitg. F.X. FUNK, I, 2-3, 6-9, 14-17; vgl. Brief van Pseudo-Barnabas, XIX, 5: l.c., 90-93.

43 Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 2263-2269; vgl. Catechismus van het Concilie van Trente III, 327-332.

44 Katechismus van de Katholieke Kerk, 2265.

45 Vgl. SINT THOMAS VAN AQUINO, Summa Theologiae, II-II, q. 64, a. 7; SINT ALFONSUS DE”LIGUORI, Theologia moralis, l. III, tr. 4, c. 1, dub. 3.

46 Katechismus van de Katholieke Kerk, 2266.

47 Vgl. ibid.

48  2267.

49 TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 12.

50 Vgl. Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 27.

51 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 25.

52 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Verklaring over euthanasie Iura et bona (5 mei 1980), II: AAS 72 (1980), 546.

JOHANNES PAULUS II, encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), 96: AAS 85 (1993), 1209.

53 Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 51: “Abortus necnon infanticidium nefanda sunt crimina”.

54 Vgl. JOHANNES PAULUS II, Apostolische brief Mulieris dignitatem (15 augustus 1988), 14: AAS 80 (1988), 1686.

55 Brief aan de Gezinnen Gratissimum sane (2 februari 1994), 21: AAS 86 (1994), 920.

56 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Verklaring over abortus provocatus (18 november 1974), 12-13: AAS 66 (1974), 738.

57 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Instructie over het respect voor het menselijk leven bij zijn oorsprong en over de waardigheid van de voortplanting Donum vitae (22 februari 1987), I, 1: AAS 80 (1988), 78-79.

58 Ibid., l.c., 79.

59 Aldus de profeet Jeremia: “Het woord van Jahwe kwam tot mij: “Voordat ik u in de moederschoot vormde, kende ik u, en voordat ge geboren werd, bestemde ik u voor Mij; als profeet voor de volken heb ik u aangewezen””(1,4-5). Van zijn kant spreekt de Psalmist de Heer toe met deze woorden: “Op U heb ik gesteund vanaf mijn geboorte; u bent het die mij uit mijn moeders schoot nam”(Ps 71,6; vgl. Js 46,3; Job 10,8-12; Ps 22,10-11). Zo benadrukt ook de evangelist Lucas - in de prachtige episode van de ontmoeting van de twee moeders Elizabeth en Maria, en hun twee zoons, Johannes de Doper en Jezus, nog verborgen in de schoot van hun moeders (vgl. 1,39-45) - hoe zelfs voor de geboorte de twee kleintjes kunnen communiceren: het kind herkent de komst van het Kind en springt op van vreugde.

60 Vgl. Verklaring over abortus provocatus (18 november 1974), 7: AAS 66 (1974), 740-747.

61 “Gij zult geen kind doden door abortus en evenmin wanneer het geboren is”: V, 2, Patres Apostolici, uitg. F.X. FUNK, I, 17.

62 Apologie voor de christenen, 35: PG 6, 969.

63 Apologeticum, IX, 8: CSEL 69, 24.

64 Vgl. encycliek Casti connubii (31 december 1930), II: AAS 22 (1930), 562-592.

65 Toespraak voor de biomedische vereniging “Sint Lucas”(12 november 1944): Toespraken en radioboodschappen VI (1944-1945), 191; vgl. Toespraak tot de Italiaanse Katholieke Unie van Vroedvrouwen (29 oktober 1951), II: AAS 43 (1951), 838.

66 Encycliek Mater et Magistra (15 mei 1961), 3: AAS 53 (1961), 447.

67 Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 51.

68 Vgl. Can. 2350, § 1.

69 Codex van Canoniek Recht, can. 1398; vgl. Codex van de Canons van de Oosterse Kerken, can. 1450, § 2.

70 Vgl. ibid., can. 1329; ook de Codex van de Canons van de Oosterse Kerken, can. 1417.

71 Vgl. Toespraak tot de Italiaanse Katholieke Juristen (9 december 1972): AAS 64 (1972), 77; encycliek Humanae vitae (25 juli 1968), 14: AAS 60 (1968), 490.

72 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 25.

73 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Instructie over het respect voor het menselijk leven bij zijn oorsprong en over de waardigheid van de voortplanting Donum vitae (22 februari 1987), I, 3: AAS 80 (1988), 80.

74 Handvest van de rechten van het gezin (22 oktober 1983), art. 4b, uitg. Tipografia Poliglotta Vaticana, 1983.

75 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Verklaring over euthanasie Iura et bona (5 mei 1980), II: AAS 72 (1980), 546.

76 Ibid., IV, l.c., 551.

77 Vgl. ibid.

78 PIUS XII, Toespraak tot een internationale groep artsen (24 februari 1957), III: AAS 49 (1957), 147; vgl. CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Verklaring over euthanasie Iura et bona, III, AAS 72 (1980), 547-548.

79 PIUS XII, Toespraak tot een internationale groep artsen (24 februari 1957), III: AAS 49 (1957), 145.

80 Vgl. PIUS XII, Toespraak tot een internationale groep artsen (24 februari 1957): l.c., 129-147; CONGREGATIE VAN HET HEILIG OFFICIE, Decretum de directa insontium occisione (2 december 1940): AAS 32 (1940), 553-554; PAULUS VI, Boodschap voor de Franse televisie: “Ieder leven is heilig”(27 januari 1971): Insegnamenti IX (1971), 57-58; Toespraak tot het Internationaal College van Chirurgen (1 juni 1972): AAS 64 (1972), 432-436; TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 27.

81 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 25.

82 Vgl. SINT AUGUSTINUS, De Civitate Dei I, 20: CCL 47,22; SINT THOMAS VAN AQUINO, Summa Theologiae, II-II, q. 6, a. 5.

83 Vgl. CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Verklaring over euthanasie Iura et bona (5 mei 1980), I: AAS 72 (1980), 545; Katechismus van de Katholieke Kerk, 2281-2283.

84 Epistula 204, 5: CSEL 57,320.

85 Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 18.

86 Vgl. JOHANNES PAULUS II, Apostolische brief Salvifici doloris (11 februari 1984), 14-24: AAS 76 (1984), 214-234.

87 Vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 46: AAS 83 (1991), 850; PIUS XII, Kerst-radioboodschap (24 december 1944): AAS 37 (1945), 10-20.

88 Vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), 97 en 99: AAS 85 (1993), 1209-1211.

89 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Instructie over het respect voor het leven bij zijn oorsprong en over de waardigheid van de voortplanting Donum vitae (22 februari 1987), III: AAS 80 (1988), 98.

90 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 7.

91 Vgl. SINT THOMAS VAN AQUINO, Summa Theologiae, I-II, q. 96, a. 2.

92 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Verklaring over de godsdienstvrijheid Dignitatis humanae, 7.

93 Encycliek Pacem in terris (11 april 1963), II: AAS 55 (1963), 273-274; het citaat hierin is van PIUS XII, Pinkster-radioboodschap 1941 (1 juni 1941): AAS 33 (1941), 200. Over deze kwestie citeert de encycliek: PIUS XI, encycliek Mit brennender Sorge (14 maart 1937): AAS 29 (1937), 159; encycliek Divini Redemptoris (19 maart 1937), III: AAS 29 (1937), 79; PIUS XII, Kerst-radioboodschap (24 december 1942); AAS 35 (1943), 9-24.

94 Encycliek Pacem in terris (11 april 1963), II, l.c., 271.

95 Summa Theologiae, I-II, q. 93, a. 3, ad 2um.

96 Ibid., I-II, q. 95, a. 2. De Aquinaat citeert SINT AUGUSTINUS: “Non videtur esse lex, quae iusta non fuerit”, De libero arbitrio, I, 5, 11: PL 32, 1227.

97 CONGREGATIE VOOR DE GELOOFSLEER, Verklaring over abortus provocatus (18 november 1974), 22: AAS 66 (1974), 744.

98 Vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk, 1753-1755; JOHANNES PAULUS II, encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), 81-82: AAS 85 (1993), 1198-1199.

99 In Iohannis Evangelium Tractatus, 41, 10: CCL 36, 363; vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), 13: AAS 85 (1993), 1144.

100 Apostolische exhortatie Evangelii nuntiandi (8 december 1975), 14: AAS 68 (1976), 13.

101 Vgl. Romeins missaal, Gebed van de celebrant voor de communie.

102 Vgl. SINT IRENEÜS: “Omnem novitatem attulit, semetipsum afferens, qui fuerat annuntiatus”, Tegen de ketterijen: IV, 34, 1: SCh 100/2, 846-847.

103 Vgl. SINT THOMAS VAN AQUINO: “Peccator inveterascit, recedens a novitate Christi”, In Psalmos Davidis lectura, 6, 5.

104 De beatitudinibus, Oratio VII: PG 44, 1280.

105 Vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), 116: AAS 85 (1993), 1224.

106 Vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 37: AAS 83 (1991), 840.

107 Vgl. Kerstboodschap 1967: AAS 60 (1968), 40.

108 PSEUDO-DIONYSIUS DE AREOPAGIET, Over de goddelijke namen, VI, 1-3: PG 3, 856-857.

109 PAULUS VI, Gedachte over de dood, Instituut Paulus VI, Brescia 1988, p. 24.

110 JOHANNES PAULUS II, Homilie voor de zaligverklaring van Isidoor BAkanja, Elisabeth Canori Mora en Gianna Beretta Molla (24 april 1994): L”Osservator Romano, 25-26 april 1994, p. 5.

111 Ibid.

112 In Matthaeum Hom., L, 3: PG 58, 508.

113 Katechismus van de Katholieke Kerk, 2372.

114 JOHANNES PAULUS II, Toespraak bij de opening van de IVe Algemene Conferentie van Latijns-Amerikaanse Bisschoppen in Santo Domingo (12 oktober 1992), 15: AAS 85 (1993), 819.

115 Vgl. Decreet over de oecumene Unitatis redintegratio, 12; Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 90.

116 JOHANNES PAULUS II, Post-synodale apostolische exhortatie Familiaris consortio (22 november 1981), 17: AAS 74 (1982), 100.

117 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 50.

118 JOHANNES PAULUS II, encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 39: AAS 83 (1991), 842.

119 JOHANNES PAULUS II, Toespraak tot de deelnemers aan het VIIe Symposium van de Europese Bisschoppen over het thema “De huidige houdingen tegenover geboorte en dood: een uitdaging voor de evangelisatie”(17 oktober 1989), 5: Insegnamenti XII, 2 (1989), 945. De kinderen worden in de bijbelse traditie juist als gave van God gepresenteerd (vgl. Ps 127,3); en als een teken van zijn zegen voor hen die zijn wegen gaan (vgl. Ps 128, 3-4).

120 JOHANNES PAULUS II, encycliek Sollicitudo rei socialis (30 december 1987), 38: AAS 80 (1988), 565-566.

121 JOHANNES PAULUS II, Post-synodale apostolische exhortatie Familiaris consortio (22 november 1981), 85: AAS 74 (1982), 188.

122 PAULUS VI, Apostolische exhortatie Evangelii nuntiandi (8 december 1975), 18: AAS 68 (1976), 17.

123 Vgl. Ibid., 20, l.c., 18.

124 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 24.

125 Vgl. JOHANNES PAULUS II, encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 17: AAS 83 (1991), 814; encycliek Veritatis splendor (6 augustus 1993), 95-101: AAS 85 (1993), 1208-1213.

126 JOHANNES PAULUS II, encycliek Centesimus annus (1 mei 1991), 24: AAS 83 (1991), 822.

127 JOHANNES PAULUS II, Post-synodale apostolische exhortatie Familiaris consortio (22 november 1981), 37: AAS 74 (1982), 128.

128 Brief waarin de Werelddag van de Zieken wordt ingesteld (13 mei 1992), 2: Insegnamenti XV, 1 (1992), 1410.

129 Vgl. TWEEDE VATICAANS OECUMENISCH CONCILIE, Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et spes, 35; PAULUS VI, encycliek Populorum progressio (26 maart 1967), 15: AAS 59 (1967), 265.

130 Vgl. JOHANNES PAULUS II, Brief aan de gezinnen Gratissimam sane (2 februari 1994), 13: AAS 86 (1994), 892.

131 JOHANNES PAULUS II, Motu proprio Vitae mysterium (11 februari 1994), 4: AAS 86 (1994), 386-387.

132 ]Slotboodschappen van het Concilie (8 december 1965): Aan de vrouwen.

133 JOHANNES PAULUS II, apostolische brief Mulieris dignitatem (15 augustus 1988), 18: AAS 80 (1988), 1696.

134 Vgl. JOHANNES PAULUS II, Brief aan de gezinnen Gratissimam sane (2 februari 1994), 5: AAS 86 (1994), 872.

135 JOHANNES PAULUS II, Toespraak tot de deelnemers aan de Studieconferentie over “Het recht op leven en Europa”(18 december 1987): Insegnamenti X, 3 (1987), 1446.

136 Boodschap voor Wereldvredesdag 1977: AAS 68 (1976), 711-712.

137 Zalige GUERRICUS VAN IGNY, In Assumptione B. Mariae, sermo I,2: PL 185, 188.

138 TWEEDE VATICAANS OEDUMENISCH CONCILIE, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 5.

139 Pastorale constitutie over de Kerk de moderne wereld Gaudium et spes, 22.

140 Romeins missaal, Sequentie voor Paaszondag.

141 TWEEDE VATICAANS OEDUMENISCH CONCILIE, Dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium, 68.



Copyright 1995 - Libreria Editrice Vaticana


top